Zit je in 4/5 havo en heb je een N&T of N&G profiel? Vul deze korte vragenlijst in over chemie-opleidingen en maak kans op 20 euro Bol.com tegoed.

Meedoen

Boek 3

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 2259 woorden
  • 8 augustus 2005
  • 21 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 21 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Biologie boek 3

Hoofdstuk 11 transport

§11.1 het klopt

Door het samentrekken perst je hart bloed je slagaders in.
Bij de linkerharthelft is dat de aorta en bij de rechter de longslagader.
Daarna ontspant de spier zich.
Door te ontspannen vult de ruimte zich met bloed vanuit de aders.
De linkerhelft met zuurstofrijk bloed uit de longaders en de rechterhelft met zuurstof arm bloed uit de holle aders.

Tijdens de rustfase van het hart staan de hartkleppen in beide helften open. Wanneer de kamers zich samentrekken, neemt de druk in de kamers toe.

Hierdoor sluiten de hartkleppen en gaan de slagaderkleppen open.

Hartminuutvolume = de hoeveelheid bloed die een kamer in een minuut wegpompt. Dit bereken je door de hoeveelheid bloed die een kamer in een hartslag wegpompt te vermenigvuldigen met het aantal keren dat het hart klopt.

§11.2 druk in de vaten

bovendruk: wanneer de tegendruk van de wand van een slagader meer uitrekt, is je bloeddruk het hoogst.
onderdruk: aan het eind van de kamers veert de wand weer terug.

Haarvat: zo nauw dat een rode bloedcel er met moeite doorheen komt.
Het bloed heeft hierin ook een lage stroomsnelheid ook is een haarvat lek. Daardoor is het zeer geschikt om uitwisseling van bloedvloeistof en weefselvloeistof rond de cellen plaats te laten vinden. Haarvaten gaan over in aders.

§11.3 bloed

tromboplastine: eiwit die het signaal geeft om tot reparatie over te gaan nadat iemand zich verwond heeft. Deze komt vrij uit de beschadigde weefselcellen.

Fibrinogeen: stollingseiwit waaruit fibrinedraden ontstaan.

Fibrinedraden: draden die een netje vormen tussen de bloedplaatjes, samen vormen ze een bloedstelpende prop.

Zuurstoftransport in je lichaam vindt plaats met behulp van hemoglobine in de rode bloedcellen.

§11.4 buiten de bloedbaan

Filtratie: in de haarvaten zorgt de bloeddruk dat water en stoffen die tussen de cellen door kunnen de weefselvloeistof ingeperst worden.

Resorptie: water met daarin opgeloste stoffen, stroomt door osmose vanuit weefselvloeistof terug naar het bloed.

Actief transport: transport dat energie kost.

Lymfevaten: kleine kanaaltjes waar zich weefselvloeistof verzamelt..
De vloeistof noemen we lymfe. Lymfevaten lopen door een aantal lymfeknopen.
Hierin zitten grote aantallen witte bloedcellen.
Lymfeknopen zijn actief bij ontstekingen om ziekteverwekkers onschadelijk te maken.

§11.5 ouderdom komt met gebreken

atherosclerose: vernauwing van bloedvaten (aderverkalking)

Bloedvoorziening van het hart gebeurt via de kransslagaders.
Afstervend weefsel: er ontstaat ene infarct

Trombose: bloedprop

Biologie boek 3

Hoofdstuk 12, voedsel verwerken

§12.1 Van groot naar klein

Mechanisch verkleinen: met behulp van kauwbewegingen hak je het voedsel in stukken.

Chemisch verkleinen: er komen bij het doorslikken van voedsel verschillende verteringssappen bij die grote koolhydraten, eiwit en vetmoleculen verteerd.

Vertering van koolhydraten:
Zetmeel is een polysacharide, dat bestaat uit lange ketens glucosemoleculen.
Amylosae splitst zetmeel in kleine sachariden. Hieruit ontstaat: glucose, maltose en kleinere polysacharide.

Maltase: splitst maltose in glucose.

Vertering van eiwitten:
Eiwit vertering begint in de maag.
Peptase splitst ketens aminozuurmoleculen in kleinere ketens.
Dit doen ze door hier en daar verbindingen van aminozuren te verbreken.
In de twaalfvingerige darm en in de dunne darm zijn enzymen actief om dit te doen.
Deze enzymen zijn: tryptase en pepitase uit het alvleessap en di- en tripeptidasen uit het darmsap.

Vertering van vetten:
Vetmoleculen klonteren samen en zijn niet oplosbaar in water.
Gal verdeelt deze klonten en druppels in miljoenen kleine druppels.
(emulgeren) Het vetverterende enzym lipase uit het alvleessap kan de vetmoleculen via een groter oppervlak bewerken.
Hierdoor verloopt de vertering sneller.
Daarna blijven er nog losse vetmoleculen en brokstukken van vetmoleculen, glycerol en vetzuren over. Galzouten uit de gal omgeven kleine hoeveelheden daarvan en vormen ze in kleine pakketjes die enigszins oplosbaar zijn in de waterige darminhoud.

§12.2 Gereedschap voor je lichaam

enzymen worden ook wel moleculair gereedschap genoemd.

Elk enzym werkt in 1 soort substraat en kan 1 reactie voortbrengen.
Hoe beter de vorm van de enzym past, hoe minder energie het kost om de reactie op gang te brengen.

Veel chemische reacties verlopen sneller bij hoge tempraturen.
Dat geldt ook voor enzymgestuurde reacties. Maar vanaf een bepaalde temperatuur neemt de reactiesnelheid en wordt de temperatuur nog hoger, dan stopt de reactie.
Boven die temperatuur worden dan teveel enzymen vernietigd.
Niet alleen door temperatuur verschillen verandert de vorm van enzymen, ook wanneer de zuurgraad in de omgeving verandert. Dit kan leiden tot stoornissen in het stofwisselingsproces.

§12.3 Van darmholte naar bloed

In je maag en je dunne darm produceren de kliercellen verteringsenzymen.
De spieren duwen de voedselbrij voort via een peristaltische beweging. Ook zorgen ze voor het mengen van de voedselmassa met de verteringssappen.

Darmvlokken: uitstulpingen van de wand van de dunne darm.
Door deze oppervlakte vergroting wordt ervoor gezorgd dat het aantal voedingsstoffen dat je kunt opnemen en doorgeven groter is.

Ook de celmembranen aan de kant van de darmholte hebben ook nog hele kleine cytoplasma-uit-steeksels. (microvilli)

Door middel van difussie via de membraanpoort passeren kleine deeltjes de celmembranen van darmwand en haarvat. Dit kost geen energie.
Voor de opname van grote stoffen zijn actieve processen nodig.

Vitamine B en K ontstaan door bacteriën. Deze komen via je darmwand in het bloed.

§12.4 Alles onder controle

via de leverslagader komt zuurstofrijk bloed in de lever.
Via de poortader komen opgenomen voedingstoffen in de lever.
Via poriën in de wanden van de haarvaten vindt uitwisseling van stoffen tussen levercellen en bloed plaats.
De leverader voert bloed af. (dit bevat o.a. afvalstoffen zoals ureum.)
Andere afvalstoffen verlaten de lever met gal.

Ureum: komt via bloed en nieren terecht in de urine.

Lever en spieren nemen glucosemoleculen uit je bloed op en slaan ze op in de vorm van glycogeen (een polysacharide)
Glycogeen vormt een energie voorraad voor de korte termijn.
De opslagcapaciteit is dan ook beperkt.
Wanneer de opslagplaatsen (lever en spieren) vol zijn zet je lever overtollige glucosemoleculen om in vetmoleculen.
Dit komt te liggen in het onderhuids bindweefsel.

§12.5 De grote schoonmaak

Vloeistof die door de filtratie van het nefron in het kapsel van Bowman komt heet voorurine.

Een deel van het urine gaat weer terug naar het bloed. (de bruikbare stoffen)
Dit wordt terugresorptie genoemd.
Wat overblijft is urine.

Terugresorptie vindt plaats in de cellen van de wand van het nierkanaaltje en de cellen van de haarvaten. Het transport gaat door membranen. Zowel actief als passief.

Biologie boek 3

Hoofdstuk 13 Op het scherp van de snede

§13.1 In beweging

Skeletspieren: Spieren die je gebruikt om te springen.
Dit zijn dwarsgestreepte spieren. Deze spieren bevatten ook het eiwit myoglobine.
Dat eiwit kan zich aan zuurstof binden. En kunnen een inspanning lang volhouden.
In deze spieren is het spierweefsel verdeeld in groepen die omgeven zijn door een laagje bindweefsel. Zo’n groep heet een Spierbundel.
Het spierweefsel in zo’n spierbundel bestaat uit spiervezels.
Elke spiervezel bevat 2 type eiwitten die in elkaar kunnen schuiven: actine en myosine.
In een spiervezel liggen grote aantallen van deze eiwitten in bundels (fibrillen)
Wanneer een spierfibril in rust is, zijn de myosine en actine eiwitten uit elkaar geschoven.
Zo niet, dan schuiven ze in elkaar en is de spier dik en kort.
Het verkorten van de spierfibrillen kost energie. Voor het weer verlengen van die spier heb je een andere spier nodig; antagonist.

§13.2 Spieren en energie

De mitochondrien verbranden organische brandstoffen tot anorganische koolstofdioxide en water. Daarbij komt energie vrij à warmte, de rest wordt opgeslagen in ATP.
Door training kan je de opslagmogelijkheden van ATP vergoten.

Creatinefosfaat: reservestof die dient als je lichaam dreigt zonder ATP te komen.

ATP en creatinefosfaat worden samen je fosfaataccu genoemd.

Aërobe dissimilatie: processen waarbij zuurstof mogelijk is. (bijv. sprinten)
Anaërobe dissimilatie: Zonder zuurstof. (zware inspanning) via melkzuur.

§13.3 Lucht in je longen

ademen: inwendige en uitwendige tussenribspieren, middenrif, hulpademingsspieren en buikspieren.

Je kunt ademen door je borstkas omdat je longen vastkleven aan de binnenkant van je borstkas.
Om je longen zit het borstvlies. De longvlies zit aan het borstvlies vast met weefselvloeistof.
De adhesie plakt beide vliezen tegen elkaar.

§13.4 Je adem, je leven

weg van de lucht:
witte bloedcellen doden in je slijmvliezen de meeste bacteriën en virussen.
Zijn er dan nog bacterien en virussen over, dan komen ze in het trilhaarepitheel van de luchtpijp.(bronchiën en bronchiolen.)
Daar kleven ze vast aan het slijm dat het epitheel bedekt. De trilhaartjes vervoeren het ‘vieze’ slijm naar de keelholte. Dat slik je door en de bacteriën gaan dood in je maagsap.

Longemfyseem: de wand van de longblaasjes scheuren, het oppervlak van het longweefsel neemt af en er kan minder diffusie plaats vinden.

De longcapaciteit is te meten met behulp van een spirometer. Het resultaat komt te staan in een spirogram.

Vitale capaciteit: diepe ventilatie
Restvolume/ residu : Restantje lucht wat zich nog in de longen bevind bij de laatste uitademing.
Het restvolume en de vitale capaciteit is samen de Maximale capaciteit/ totaal longvolume.

§13.5 Concentratietellers

Wanneer het zuurstofgehalte in je bloed sterk daalt, zetten de receptoren in de hersenstam, het ademcentrum aan tot activiteit.

Biologie boek 3

Hoofdstuk 14 Informatie

§14.1 Regelsystemen.

Regelkringen
De norm: bij fietsen beweeg je je arm en beenspieren om de norm te handhaven.
Je arm en schouderspieren zijn dan effectoren, je ogen zijn de receptoren.
Je ogen meten voortdurend de afwijking van de norm.
Een afwijking van de norm herstel je met een tegengestelde beweging. Negatieve terugkoppeling.

Je zenuwstelsel en je hormoonstelsel vormen ook regelkringen.
Zo zorgt je zenuwstelsel ervoor dat je gaat zweten tijdens het sporten, zodat je wat afkoelt.
Je hormoonstelsel zorgt er bijvoorbeeld weer voor dat je minder urine produceert tijdens het sporten.
Door middel van negatieve terugkoppeling voorkomen deze dat de samenstelling van je interne milieu teveel afwijkt van de norm. (homeostase).

§14.2 Zoveel informatie…

Receptoren uit je omgeving zetten prikkels om tot signalen; Impulsen.
Zenuwen vervoeren die impulsen naar het centrale deel van het zenuwstelsel, het ruggenmerg en de hersenen. Hier worden de impulsen verwerkt en deze worden doorgeschakeld naar effectoren: spieren of klieren.
Het verwerkend deel van het zenuwstelsel, heet centraal zenuwstelsel.
Het aan en afvoerend deel heet perifeer zenuwstelsel.

Adequate prikkel: zintuig die zich specialiseert in het registreren van 1 bepaalde verandering in de omgeving.

Prikkeldrempel: een zintuig reageert op een prikkel wanneer die een minimale sterkte heeft.

Roepen van je naam : sensorische zenuwcellen geleiden de impulsen naar het centrale zenuwstelsel. Daar verwerken schakelzenuwcellen de impulsen en geven ze door aan motorische zenuwcellen. Die schakelen via lange uitlopers door naar de passende bestemming; je zwaait.

Zenuwcellen bestaan uit: een cellichaam met daaraan 2 type uitlopers; voor het ontvangen van impulsen en doorgeven naar het cellichaam, deze heet dendrieten. En de andere uitloper geeft de impulsen door aan andere zenuwcellen of effectoren, deze heet axon.

Om de meeste zenuwvezels ligt een voedende laag: de mergschede.
Synapsspleet: een scheiding tussen zenuwcellen.
Een neurotransmitter kan die afstand tussen de zenuwcellen door de synapsspleet overbruggen

Neurotransmitter: een overdrachtsstof. Gemaakt door de axon-zijde.
Deze overdrachtsstof wordt opgeslagen in synaptische blaasjes.
Komt via het axon een impuls bij de synaps aan, dan lozen de blaasjes de neurotransmitter in de synapsspleet. Aan de overkant zit op het membraan een ontvangende zenuwcel. De transmittermoleculen kunnen zich koppelen aan de receptoren.

§14.3 Kijken en zien

De iris voorkomt dat er teveel licht op je netvlies komt. I.v.m. beschadigingen.
Dit gebeurt met behulp van kringvormige en straalsgewijze spiervezels.
Is er veel licht, dan trekken de kringspieren samen en je pupil verkleint.
In schemerlicht zijn de spiervezels straalsgewijze samengetrokken en je pupil vergroot.

Accommodatie: vormverandering van de ooglens.

Bijziend: goed dicht bij zien.
Verziend: goed ver zien.

Staar: de ooglens is min of meer troebel.

Gele vlek: Gedeelte achter de netvlies. Deze bevat kegeltjes.
Kegeltjes zijn er in 3 typen: pigment voor rood, groen en blauw licht.
Ook bevat het staafjes, deze worden gebruikt als het licht afneemt.
Ze bevatten allemaal 1 pigment. Om grijstinten te kunnen zien.

Blinde vlek: de plek waar je oogzenuw en bloedvaten het oogverlaten, hier zijn geen lichtreceptoren.

§14.4 Organisatie op centraal niveau

Autonome zenuwstelsel: stemt de activiteiten van je organen op elkaar af.
Het kan organen activeren of remmen. Dit gebeurt doordat het orgaan van 2 zenuwen informatie krijgt: een orthosympatische (stimuleren van processen die in dienst staan van actie) en een parasympatische (stimuleren processen die zorgen voor rust, herstel en opbouw.) De een remt het orgaan, de ander activeert.

Kleine hersenen: sturen spieren bij voor nauwkeurige bewegingen.

Sensorische centra: bevind zich in de buitenste laag van je hersenen, het hersenschors.
Dit zorgt voor de verwerking van informatie uit de verschillende zintuigen.

Secundaire motorische centra: het motorisch geheugen voor vaardigheden zoals spreken, schrijven, lezen etc.
Van daaruit gaan impulsen door naar het primaire motorische centra; die zorgen voor bewegingen.

§14.5 Hormonen doen hun werk.

Hormoonklieren maken verschillende hormonen.
Die stoffen komen aan bij de juiste receptoren en kunnen daarop reageren.
Zo kan een hormoonklier op afstand de werking van cellen beïnvloedend.

De hypofyse is de centrale hormoonklier.
Er is sprake van een twee-trapssysteem;
Het schildklier stimulerend hormoon van de hypofyse heeft weer de productie van thyroxine tot gevolg. Dit zorgt voor de versnelling van stofwisseling in het lichaam.
Negatieve terugkoppeling voorkomt dat dit uit de hand loopt.
Stijging van thyroxine heeft tot gevolg dat de productie van TSH daalt en omgekeerd.

De Hypothalamus beïnvloedt de activiteiten van de hypofyse.

Hormonen regelen je suikerspiegel.
In rust zijn dat de hormonen:insuline en glucagon. Nadat je voedsel verteerd is, stijgt de glucoseconcentratie in je bloed. Hormoonkliercellen van de eilandjes van Langerhans in de alvleesklier nemen die stijging waar en geven het hormoon insuline af aan het bloed.
In de lever stimuleert insuline de omzetting van glucose in glycogeen.

In de hypothalamus houden speciale osmosereceptoren in de gaten hoeveel water er in je lichaam is. Is er tekort dan kan de hypothalamus een signaal geven aan de hypofyse die geeft het hormoon ADH af aan je bloed. Je urine wordt daardoor sterker geconcentreerd.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

P.

P.

"Aërobe dissimilatie: processen waarbij zuurstof mogelijk is. (bijv. sprinten)
Anaërobe dissimilatie: Zonder zuurstof. (zware inspanning) via melkzuur."
klopt niet helemaal, het moet zijn:
Aërobe dissimilatie: processen waarbij zuurstof gebruikt wordt voor verbranding. (lange inspanning) afvalstof koolstofdioxide en water.
Anaërobe dissimilatie: Zonder zuurstof verbranding. (korte inspanning) afvalstof is melkzuur.


16 jaar geleden