Samenvatting H6 Biologie

Beoordeling 6
Foto van Charlotte
  • Samenvatting door Charlotte
  • 3e klas vmbo | 1582 woorden
  • 30 mei 2022
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!

 Biologie H6



  • 1


Een zintuig is een orgaan dat reageert op prikkels uit je omgeving opmerkt. De belangrijkste zintuigen liggen in je ogen, oren, neus, tong en huid. In je oren komen de gehoorzintuigen en de evenwichtszintuigen voor. In de neus liggen de reukzintuigen en op je tong de smaakzintuigen. In de ogen liggen gezichtszintuigen. In je huid liggen zintuigen waarmee je kunt voelen. In je huid liggen verschillende typen zintuigen. Deze reageren op warmte, koude, druk of aanraking. Alle zintuigen samen noem je zintuigenstelsel



De zwakste prikkel die een impuls veroorzaakt heet de drempelwaarde. Als een prikkel zachter is dan de drempelwaarde, ontstaan er geen impulsen. Een heel zacht geluid hoor je bijvoorbeeld niet. Elk type zintuigcel is speciaal gevoelig voor 1 bepaalde prikkel: De adequate prikkel. Zintuigcellen in je oog zijn bijvoorbeeld speciaal gevoelig voor licht. Licht noem je daarom de adequate prikkel voor de zintuigcellen in je oog. De drempelwaarde voor de prikkel licht is voor deze zintuigcellen heel laag. 


Zintuigcellen kunnen ook andere, niet adequate prikkels waarnemen. De drempelwaarde voor deze prikkels is veel hoger. De plaats waar de impulsen in de grote hersenen aankomen, bepaalt welke waarneming je doet



De drempelwaarde voor een prikkel is niet altijd even hoog. Wanneer zintuigcellen langere tijd dezelfde prikkels ontvangen, ontstaan in de zintuigcellen minder impulsen. Dit noem je gewenning. Door gewenning voel je bijvoorbeeld na enige tijd de druk van je kleren op je lichaam niet meer. Verder speelt ook de motivatie een rol. Als je bijvoorbeeld heel aandachtig luistert, hebben zintuigcellen in je oren een lage drempelwaarde voor geluiden




  • 2


Jij voelt het verschil tussen glad, ruw, hard of zacht. Hiervoor gebruik je je tastzintuigen. De tastzintuigen liggen in tastknopjes vlak onder de opperhuid en reageren op lichte aanraking van de huid { afb 6 }. Drukzintuigen liggen dieper in de huid en reageren wanneer er op je huid wordt gedrukt. Ze zijn belangrijk bij het regelen van de kracht waarmee je iets vastpakt.



Wanneer je een ijsblokje aanraakt, geeft je huid warmte af aan het ijsblokje. Dit prikkelt de koudezintuigen. Warmtezintuigen reageren wanneer je huid in aanraking komt met iets dat warmer is dan je huid { Afb 7 }



Je neemt pijn waar met pijnpunten. Pijnholte zijn de vrije uiteinden van gevoelszenuwen. { Afb 6 }



In je neus bevindt zich het reukzintuig. De neusholte is van binnen bedekt met neusslijmvlies. Bovenin de neusholte liggen in het neusslijmvlies de reukzintuigcellen met reukharen. Deze zintuigcellen worden geprikkeld door geuren. Als de prikkels sterk genoeg zijn, ontstaan er impulsen die door gevoelszenuwen naar de hersenen worden geleid 



Smaakzintuigen bevinden zich in het oppervlak van de tong. Over de tong lopen fijne groefjes. Aan de zijkanten van die groefjes liggen de smaakknopjes. In de smaakknopjes liggen de smaakzintuigcellen. Deze zintuigcellen kunnen alleen zoet, zuur, zout, bitter en umami { hartig } onderscheiden. Bij alle andere smaken die je proeft, speelt het reukzintuig een belangrijke rol




  • 3


De gezichtszintuigen bevinden zich in de ogen. De oogkassen beschermen je ogen. In de oogkassen zitten verschillende oogspieren aan het oog vast. Met oogspieren kun je ogen in allerlei richtingen draaien. Tussen het oog, de oogkas, en de oogspieren zit vetweefsel. 


Dankzij de wenkbrauwen lopen zweetdruppels of ander vocht langs je ogen en niet erin. Je wimpers beschermen je ogen tegen vuil en te fel licht. Het witte gedeelte van je oog is het harde oogvlies. het is een stevig, dik vlies dat het oog beschermt. Het gekleurde gedeelte van een oog heet iris. Omdat er veel verschillende kleuren in de iris kunnen voorkomen, wordt het ook wel het regenboogvlies genoemd. In de iris zit een opening: de pupil. De pupil zie je als een zwarte ronde vlek. Over de iris en de pupil heen ligt het hoornvlies



Je traanklieren maken traanvocht. Als je knippert, verspreiden de oogleden het traanvocht over je ogen. Het vocht beschermt je hoornvlies tegen uitdroging en maakt het hoornvlies schoon. Kleine stofjes of prikkelende stoffen spoelen weg. In je ooghoeken zitten 2 kleine openingen. Hierdoor komt het traanvocht terecht in de traanbuizen. Via deze traanbuizen komt het traanvocht in je neusholte




De wand van je oog bestaat uit 3 lagen. Het harde oogvlies is de buitenste laag. Aan de voorkant van het oog gaat het harde oogvlies over in het hoornvlies. Het hoornvlies is doorzichtig, waardoor licht je oog binnen kan vallen. De middelste laag noem je het vaatvlies, omdat er veel bloedvaten in voorkomen. Via deze bloedvaten krijgt het oog voeding en zuurstof.


Achter de iris en de pupil bevindt zich de lens. Rondom de lens liggen kringspieren. Samen met het hoornvlies zorgen de kringspieren en de lens ervoor dat je scherp ziet. Binnenste laag van de wand van een oog is het netvlies. In dit vlies liggen zintuigcellen die worden geprikkeld als er ligt op komt. De zintuigcellen geven dan impulsen af die via de oogzenuw naar de hersenen gaan. In het centrum van het netvlies ligt de gele vlek. Met zintuigcellen in de gele vlek kun je het scherp zien. De plaats van het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat heet de blinde vlek. In de blinde vlek liggen geen zintuigcellen. Een oog is voor het grootste gedeelte gevuld met een geleiachtige massa; het glasachtige lichaam. Het glasachtige lichaam helpt het netvlies op zijn plaats te houden. Tussen het glasachtige lichaam en het netvlies liggen bloedvaten




  • 4


De kringspieren lopen rondom de pupil. Als die samentrekken, wordt de pupil kleiner. Zo komt er niet veel licht in het oog. De straalsgewijs lopende spieren lopen van de pupil naar de buitenrand van de iris. Als die samentrekken, wordt de pupil groter. Dan komt er meer licht in het oog. Het samentrekken van de spieren in de iris is een voorbeeld van een reflec. Je noemt deze reflex een pupilreflex. Door de pupilreflex worden zintuigcellen in het netvlies beschermd tegen teveel licht 



De lichtbreking in een oog gebeurt vooral door het hoornvlies en door de ooglens. Je ooglenzen zijn bolle lenzen. Bolle of positieve lenzen buigen de lichtstralen naar elkaar toe. De lens van je oog is elastisch en kan van vorm veranderen. De lens kan platter en boller worden. De lens hangt met behulp van lensbandjes in kringspieren



De sterkte van je oog wordt voortdurend aangepast. Daarom kan op elke afstand goed zien. Het aanpassen van sterkte van de ooglens noemen we accommoderen. De lens zorgt voor een omgekeerd, verkleind beeld




  • 5


Via het hoornvlies, de ooglens en het glasachtige lichaam gaat het licht naar het netvlies. In het netvlies liggen zintuigcellen die door het licht worden geprikkeld. Als gevolg daarvan geven de zintuigcellen impulsen af die door de oogzenuwen naar de hersenen gaan




Kegeltjes werken als er veel licht is. Met de kegeltjes zie je kleuren. Een kegeltje reageert op rood, groen of blauw licht. Andere kleuren zie je als de verschillende kegeltjes samenwerken. De meeste kegeltjes liggen in de gele vlek en de directe omgeving daarvan. 


Staafjes werken ook goed als er weinig licht is. Daardoor kun je met de schemering voorwerpen waarnemen. Met de staafjes zie je alleen contrasten grijs en zwart-wit. De staafjes liggen verspreid over het hele netvlies, maar niet in de gele vlek



Bij iemand die kleurenblind is, werken bepaalde kegeltje niet goed. De meest voorkomende vorm is rood groen kleurenblindheid



De laag van zenuwcellen ligt tegen het glasachtige lichaam aan. De zenuwcellen geleiden die impulsen die in de staafjes en kegeltjes ontstaan naar de hersenen. Uitlopers van de zenuwcellen verlaten het oog via de oogzenuw. Bij de blinde vlek gaan de uitlopers door het netvlies, het vaatvlies en het harde oogvlies heen. Het netvlies is op deze plaats onderbroken. In de blinde vlek liggen geen zintuigcellen





  • 6


Geluiden zijn trillingen van de lucht. De luchtdeeltjes in de omgeving van de luidsprekers trillen. De trillende luchtdeeltjes duwen tegen andere luchtdeeltjes aan en zo worden de trillingen in alle richtingen doorgegeven. Als de lucht snel trilt, is het geluid hoog. Als de lucht langzaam trilt, is het geluid laag.



In een oor liggen een gehoorzintuig en een evenwichtsorgaan. De oorschelp vangt geluidstrillingen op. Via de gehoorgang komen de geluidstrillingen bij het trommelvlies. Daardoor gaat het trommelvlies trillen



Achter het trommelvlies ligt de trommelholte [ middenoor]. Hierin liggen 3 gehoorbeentjes; hamer, aambeeld en stijgbeugel. De hamer zit vast aan het trommelvlies, de stijgbeugel ligt tegen het venster. Dit is een vlies in het slakkenhuis. De gehoorbeentjes geven de trilling van het trommelvlies door aan het venster



Het slakkenhuis bestaat uit 3 kanalen die als een spiraal zijn opgerold. In deze kanalen zit een vloeistof. Een van deze kanalen begint bij het venster. Als de gehoorbeentjes het vlies in trilling brengen, gaat de vloeistof in de kanalen van het slakkenhuis trillen. In het middelste kanaal liggen zintuigcellen. Deze hebben haartjes die met de vloeistof mee kunnen trillen. Als de haartjes bewegen. ontstaan in de zintuigcellen impulsen. De gehoorzenuw geeft deze impulsen door aan de hersenen



Ook het evenwichtsorgaan bestaat uit 3 kanalen. Deze kanalen staan loodrecht op elkaar en bevatten vloeistof. Als je je hoofd beweegt, gaat de vloeistof in de kanalen lopen. Hierdoor buigen haartjes van de evenwichtszintuigen om en worden impulsen naar de hersenen gestuurd



Het trommelvlies moet soepel blijven. Dit gebeurt met oorsmeer dat wordt gemaakt door oorsmeerkliertjes in de gehoorgang. De trommelholte is door de buis van Eustachius verbonden met de keelholte. De wanden van de buis liggen gewoonlijk tegen elkaar aan gedrukt. Bij bepaalde bewegingen gaat de buis open. Hierdoor gaat er lucht vanuit de keelholte naar de trommelholte, of omgekeerd. Zo blijft de luchtdruk aan beide zijden van het trommelvlies gelijk. Dit is nodig om het trommelvlies goed te laten trillen

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Charlotte