Hoofdstuk 2, 3, 7 en 8

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1903 woorden
  • 13 januari 2021
  • nog niet beoordeeld
Cijfer
nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Fix onze energie!

Studeer energie & techniek. Iedereen staat te springen om jou! We hebben namelijk veel technische toppers nodig die de energie van morgen fixen. Met een opleiding in energie & techniek ben je onmisbaar voor de toekomst. Check Power Up The Planet en ontdek welke opleiding het beste bij je past! 

Check Power Up The Planet!

Biologie 4vwo hoofdstuk 2, 3, 7 en 8

Hoofdstuk 2 soorten en populaties


Definitie van een soort
Individuen met min of meer gelijk uiterlijk behoren tot dezelfde soort als ze vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen. Als een soort beschreven is krijgt het een wetenschappelijke naam die uit 2 delen bestaat; de geslachtsnaam en soortaanduiding (binominale naamgeving). Deze naamgeving is ontstaan uit de taxonomie; organismen --> soorten --> geslachten --> families --> orden --> klassen --> Rijken. Familierelaties zijn niet alleen uit kenmerken te halen, maar ook uit DNA

Populaties
Een populatie; organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. De beperkende factor beperkt behoeften van populaties (bv. nestgelegenheid). Er kan ook versnippering plaatsvinden; het opdelen van een leefgebied in kleine stukken (bv. aanleg weg). Als er ontsnippering is worden versnipperde gebieden weer met elkaar verbonden. Dieren kunnen ook hun eigen territorium hebben (eigen leefgebied).

Elke soort is anders
Een habitat is de woonplaats van een soort met specifieke biotische (levend) en abiotische factoren (niet-levend). Voor elk van deze factoren kent een organisme een optimum; de waarde van een milieufactor waarbij het organisme het meest gedijt. Voor abiotische factoren is er ook een minimum- en maximumwaarde; de tolerantiegrenzen (voorbij deze grenzen gaat het organisme dood). Een niche is de functie van een soort in een levensgemeenschap en de rol van die functie ervan in het ecosysteem.

Relaties
Als een prooi bewegelijk is en gevangen moet worden spreken we van predatie. Om elkaar te alarmeren wordt er gebruik gemaakt van chemische stoffen, geur of geluid. Om energieverplaatsing aan te geven gebruiken we een voedselketen:

Plant --> sprinkhaan --> spitsmuis --> adder

De pijl wijst altijd naar de mond waar het in verdwijnt. Een voedselweb is een geheel van onderling verbonden voedselketen in een gebied. Ook kunnen er verstoringen in de voedselketen plaats vinden, bijvoorbeeld accumulatie; de concentratie gifstoffen in het lichaam wordt steeds groter.
Er kan ook sprake zijn van symbiose; het langdurig samenleven van individuen van verschillende soorten. Er zijn 4 verschillende vormen:

  • Mutualisme: beide soorten hebben voordeel van de relatie.
  • Commensalisme: een soort heeft voordeel en de andere soort heeft er geen last van (epifytisme: planten die op andere planten groeien)
  • Parasitisme: een soort heeft een voordeel en de andere soort een nadeel

Hoofdstuk 3 ecosystemen


Kwetsbare ecosystemen
Een ecosysteem is een samenhangend geheel bestaande uit het biotische gedeelte en het abiotische gedeelte. Producenten produceren organische stoffen, consumenten halen organische stoffen uit andere organismen en reducenten (bacteriën en schimmels) zetten de organische stoffen weer om in anorganische stoffen. Tijdens dit proces komt er ook warmte vrij. De draagkracht van een systeem is de maximale populatiegrote die een gebied kan onderhouden (afhankelijk van beperkende factor). De populatiedynamiek is de dynamiek in de samenstelling van populaties. Verstoringen in ecosystemen zijn blijvende, snel optredende veranderingen.

Energie
Biologen werken graag met het begrip biomassa; het totaalgewicht van de (geconsumeerde) organismen (drooggewicht). Hiermee kun je een voedselpiramide maken. Het oppervalk van een staaf is de mate van de biomassa. Er kunnen ook trofische niveaus gebruikt worden; een plaats in de voedselketen (bv. consument van de 1e orde). Heterotrofe organismen gebruiken hun opgenomen organische stoffen als brand- en bouwstof. Een energiestroomschema geeft aan hoeveel organische stof op het organisme van toepassing is (Binas 93A). Autotrofe organismen zijn in staat om anorganische stoffen in energierijke organische stoffen om te zetten. De primaire productie is de hoeveelheid organische stoffen die producenten maken per jaar. Eutrofiëring is een verrijking van voedingsstoffen in het water. Algenbloei is een explosieve toename van de biomassa van fytoplankton en andere algen.

Reducenten
Humus
komt door uitwerpselen van dieren op de grond terecht en bevat organische stoffen. Dit is een goede voedingsbodem voor reducenten. Wanneer organische stoffen gecontroleerd afgebroken worden spreken we van composteren (door reducenten). Als iets Aeroob is er zuurstof aanwezig, bij anaeroob niet. Na de dood van dieren sluiten de reducenten de kringloop van elementen (Binas 93B). Anaerobe afbraak van eiwitten heet rotting (Binas 93G). Fossiele brandstof ontstaat door de druk op plant- en dierresten. Ammonificerende bacteriën verwerken ureum en eiwitten uit dode resten van organismen tot ammonium. Nitrificerende bacteriën zetten ammonium om in nitraat. Denitrificerende bacteriën zetten nitraat om in gasvormige . Stikstoffixerende bacteriën binden  uit de lucht.

Dit wil je ook lezen:

Veranderende ecosystemen
Een soort dat een leeg gebied koloniseert is een pionierssoort. In een climaxstadium is het laatste stadium na successie, wanneer het ecosysteem in evenwicht is. Successie is de opeenvolging van plantengemeenschappen. Het subclimaxstadium gaat voor aan het climaxstadium; er zijn veel meer soorten.

Hoofdstuk 7 erfelijkheid


Verschillen tussen mensen
Je hebt het fenotype (uiterlijk) en genotype (genen). Samen met de rest van je DNA is dat je genoom. Mutaties lijden tot verandering in het DNA en dus verandering in het genotype. Allelen zijn varianten van een gen (A of a). Het haplotype is de combinatie waarin allelen op één chromosoom voorkomen.

Chromosomen bekijken
In een karyogram zijn alle 46 chromosomen weergeven (Binas 70B). De eerste 22 paar zijn autosomen en het 23e paar zijn de geslachtschromosomen (m: XY, v: XX). Bij monosomie of trisomie is er een chromosoom te veel of te weinig. Wanneer chromosomen stukken hebben uitgewisseld spreken we van translocatie. Nieuwe combinaties van allelen ontstaan door:

  • Geslachtelijke voortplanting: het herverdelen van het materiaal heet recombinatie.
  • Crossing-over: allelen van het ene chromosoom gaan over naar het andere chromosoom

De samenvatting gaat verder na deze boodschap.

Verder lezen
Gids Eindexamens

Alles wat je moet weten over de eindexamens

Stamboomonderzoek
In een stamboom wordt de overerving van een eigenschap weergeven (m: vierkant, v: rondje). Homozygoot heeft twee dezelfde allelen en heterozygoot heeft twee verschillende allelen. Bij monohybride kruisingen let je maar op een eigenschap (bv. AAxAa). Dragers hebben de aandoening niet, maar bezitten wel over één allel hiervoor. Bij een intermediair allel is er geen sprake van een recessief of dominant allel. Als er meer dan twee allelen van één gen is spreken we over multipele allelen. Als dan beide dominante allelen tot uiting komen in het fenotype noem je dit co-dominant ( is bloedgroep AB). Allelen die voor een homozygoot individu dodelijk zijn noemen we letale allelen.

Meer genen in het spel
De oudergeneratie is de P-generatie en de nakomelingen daarvan is de -generatie. Als allelen op twee verschillende chromosomen liggen erven ze onafhankelijk over (bij bv. AaEE). Als je kruist met twee genen heet dit een dihybride kruising (AAEe x aaEE). Twee genen die samen op hetzelfde chromosoom liggen erven gekoppeld over. Als iets polygeen is, komt het tot stand door verschillende genen. Bij genetische modificatie worden gewenste allelen ingebracht bij organismen. Als je genen van de ene soort in de andere soort zet spreek je van transgene organismen. Bij gentherapie wordt een specifiek DNA in een verzwakt virus ingebouwd. Vervolgens infecteert het virus de cellen, waardoor het gewenste allel niet meer ontbreekt.

Erfelijkheid buiten spel?
Nature betreft je genotype en nurture betreft je milieu. In de ethiek zoeken mensen naar de juiste manier van handelen (is het wel moraal?). Bij epigenetica wordt er onderzoek gedaan naar de aansturing van genen.

Overig
Regels om te checken of iets X-chromosomaal overerft:

  • Dominante vaders krijgen dominante dochters
  • Recessieve moeders krijgen recessieve zoons

Regel om te checken of iets recessief of dominant is:

  • Als ouders normale ouders een kind met een afwijking krijgen is de afwijking recessief

Hoofdstuk 8 Evolutie


Oorsprong van het leven
Fossielen
zijn restanten van vroeger levende organismen. Cuvier kwam met de catastrofetheorie; hij baseerde dit op natuurrampen (catastrofes), waardoor organismen verdwenen en door een nieuw schepping ontstonden nieuwe soorten. Lamark kwam met de evolutietheorie die verklaarde hoe soorten veranderen en nieuwe soorten ontstaan. Hij stelde dat organismen tijdens hun leven nieuwe eigenschappen verwerven als aanpassing aan hun omgeving en deze doorgeven aan hun nakomelingen (een sterke smid gaf zijn ‘sterkheid’ door aan zijn nakomelingen). Charles Darwin kwam met een andere evolutietheorie. Hij veronderstelde dat de leefomgeving een selectiedruk uitoefende op de overlevingskansen van alle individuen. Samen met de erfelijkheidswetten van Medel is deze theorie gepubliceerd als de neodarwinistische theorie.

Ontstaan van nieuwe soorten
Er vind natuurlijke selectie plaats wat bestaat uit 2 onderdelen; survival of the fittest en struggle for life. Bij struggle for life wordt bedoeld dat in elke omgeving organismen een dagelijkse strijd voeren om te overleven. De omgeving voert selectiedruk uit op de overlevingskansen van de individuen. Individuen met gunstige eigenschappen hebben een betere kans om deze strijd te winnen; survival of the fittest. Deze gunstige eigenschappen worden ook overgeërfd, want organismen met ongunstige eigenschappen hebben een grotere kans om te sterven

Nieuwe soorten kunnen volgens Mayr ontstaan door barrières in verschillende stappen; allopatrische soortvorming. Een populatie raakt gesplitst in twee populaties. In beide populaties komen mutaties voor, waardoor eigenschappen veranderen. Als de barrière weer opgeheven is, herkennen de soortgenoten elkaar niet of kunnen ze geen vruchtbare nakomelingen meer krijgen. Ook zonder barrière kunnen er nieuwe soorten ontstaan; sympatrische soortvorming. Dit kan door seksuele selectie; vrouwtjes kiezen selectief een mannetje met een bepaalde kleur. Het fokken/kweken van dieren/planten met gewenste eigenschappen heet kunstmatige selectie.

 Een populatie vol allelen
De frequentie waarin allelen in een populatie voorkomen noemen we allelfrequentie. De populatiegenetica bestudeert de genetische samenstelling van populaties. De genenpool is de erfelijke samenstelling van een populatie. De migratie van allelen van de ene populatie naar de andere populatie heet gene flow. De genotypefrequenties is de frequentie waarin bepaalde genotypen voorkomen. Je kunt de frequentieverdeling van genotypen en allelen berekenen (Hardy-Weinberg regel). Hiervoor moet de populatie aan het Hardy-Weinberg-evenwicht voldoen. Voor allelfrequenties geldt (Binas 93D):

  • (p = frequentie dominante allel en q = frequentie recessieve allel).

Voor genotypefrequenties geldt (Binas 93D):

  • ( = dominant homozygoot, 2pq = heterozygoot, = recessief homozygoot)

Er kan hiermee worden afgeleid of er sprake is van genetic drift; een verandering in de samenstelling van de genenpool. Het founder effect is als een groep van individuen bijvoorbeeld afgezonderd raakt de genenpool heel ‘eentonig’ wordt.

Het verhaal van fossielen
Pantheologie
is de wetenschap die fossielen bestudeerd. Fossielen ontstaan op verschillende manieren; fossilisatie, uitdroging, bevriezing, conservering in zure grond of insluiting hars. Men gebruikt fossielen die een groot geografisch bereik hebben en slechts een beperkte tijd hebben bestaan als gidsfossielen. Door fossielen uit aardlagen te vergelijken met gidsfossielen is snel een indruk te krijgen over de relatieve leeftijd van de aardlagen. Met isotopenonderzoek kunnen onderzoekers de absolute leeftijd van een rotslaag of fossiel bepalen (isotoop; verschillen in atoommassa maar hebben dezelfde chemische eigenschappen). Hierbij gebruiken ze de halveringstijd; de tijd waarin de helft van een isotoop vervallen is.

Homologe structuren in een organisme hebben hetzelfde bouwplan, maar een andere functie. Missing links, fossiele overgangsvormen, helpen de verwantschap te verduidelijken. Analoge structuren hebben eenzelfde functie, maar een verschillend bouwplan. De verscheidenheid aan levensvormen op aarde heet biodiversiteit.

Homologe structuren in een organisme hebben hetzelfde bouwplan, maar een andere functie. Missing links, fossiele overgangsvormen, helpen de verwantschap te verduidelijken. Analoge structuren hebben eenzelfde functie, maar een verschillend bouwplan. De verscheidenheid aan levensvormen op aarde heet biodiversiteit.

Evolutie onderzocht
Generatio spontanea is het ervan uit gaan dat het leven spontaan en steeds opnieuw ontstond uit levenloze materie. Onderzoekers dachten dat de eerste cellen waren ontstaan in de oceanen, want in de oersoep van de oceaan zouden vetzuren kunnen ontstaan. De endosymbiosetheorie ging ervan uit prokaryoten met elkaar symbiose zijn aangegaan door ze op te nemen in de cel en zich hierdoor tot chloroplasten ontwikkelden. Evolutiebiologen maakten gebruik van taxonomie (indelen van soorten). Zo werden organismen in steeds grotere groepen geplaats:

Organismen à soorten à geslachten à families à orden à klassen à Rijken

Elk van deze groepen is een taxon. Tegenwoordig wordt er gebruik gemaakt van cladistiek. Het uitgangspunt hiervan is de clade (jonge tak). Een evolutionaire stamboom die hier op berust heet een cladogram (zie afbeelding). Co-evolutie is het proces in de evolutie waarbij soorten zich telkens aan elkaar aanpassen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.