Hoofdstuk 8

Beoordeling 0
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 3516 woorden
  • 21 mei 2021
  • nog niet beoordeeld
  • Cijfer
  • nog niet beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

8.1 


Cellen hebben behalve glucose ook zuurstof nodig en nog andere stoffen voor hun stofwisseling. Ze produceren afvalstoffen. Er moet dan ook een constante aan- en afvoer van stoffen plaatsvinden. 


Een constant inwendig milieu rondom de cellen is nodig voor het goed functioneren van de lichaamscellen. 


Constante inwendig milieu:



  1. Juiste osmotische waarde.= zodat de cellen niet te veel krimpen of uitzetten.

  2. Zuurgraad en temperatuur optimaal.= enzymen goed werken



Het handhaven van een constant inwendig milieu noem je homeostase.


Buiten je lichaam, in het uitwendige milieu, zijn de omstandigheden allesbehalve constant. Dagelijks wisselt de temperatuur om je heen. Het uitwendige milieu is voor de cellen een storende factor. De organen in het lichaam zorgen daarvoor.


Door je eigen lichamelijke activiteiten wordt ook steeds het inwendige milieu rondom de cellen verstoord. Als je heel actief bent, hebben de cellen zuurstof en glucose nodig en dalen de zuurstof- en glucoseconcentraties rondom de cellen.


Je organen werken samen om verstoringen geen invloed te laten hebben op de cellen



 8.2


In het systeem neemt de bloedsomloop een bijzondere positie in.


1= Het bloed wordt rondgepompt en komt langs de ademhalingsorganen. Daar wordt zuurstof opgenomen in het bloed, terwijl koolstofdioxide het bloed verlaat. 


2= Uit het verteringsstelsel neemt het bloed voedingsstoffen op. 


3= De uitscheidingsorganen filteren afvalstoffen uit het bloed. In figuur 1 zie je dit schematisch weergegeven.


Rondom de cellen zit weefselvocht. Het weefselvocht is een soort 'intermediair' tussen de cellen van de organen en het bloed. Hierin vindt de meeste uitwisseling van stoffen plaats. 



bloed---->weefselvocht----->cellen


bloed←----weefselvocht<-----cellen



De stoffen gaan vanuit het bloed naar het weefselvocht en vanuit het weefselvocht naar de cellen. 


Het regelsysteem houdt via verschillende inwendige receptoren in de gaten of er ernstige verstoringen van het inwendig milieu plaatsvinden. Als dat zo is, krijgen de orgaanstelsels signalen om het evenwicht te herstellen. 


Het bloed transporteert o.a. zuurstof en voedingsstoffen, koolstofdioxide en afvalstoffen. In het bloed zitten ook hormonen en antistoffen. 


Hormonen zorgen voor het onderling contact tussen de organen, zij werken als boodschappers. 


Antistoffen beschermen tegen ziekteverwekkers.



8.3


Bloed:


Bloed is een vloeibaar, enigszins stroperig weefsel. Het bestaat uit bloedcellen die in een waterige vloeistof zweven. 


Bloed bestaat uit 55% bloedplasma en 45% uit bloedcellen. 


Bloedplasma:


Het belangrijkste bestanddeel van bloedplasma is water (90%). Daarin zijn allerlei zouten opgelost. Zouten zorgen ervoor dat het bloed de juiste zuurgraad heeft (pH = 7,4) en de juiste osmotische waarde (= 0,9% keukenzout-oplossing). Zowel de constante zuurgraad als de constante osmotische waarde zijn van groot belang voor de cellen. Zij kunnen anders niet goed functioneren.


Wat zit er in het bloedplasma:



  1. Koolstofdioxide die na de verbranding in de cellen vrijkomt, is in opgeloste vorm in het bloedplasma aanwezig. In de longen wordt het weer gasvormig en kan dan het lichaam uit. 




  1. Er zit ook een kleine hoeveelheid zuurstof in het bloedplasma (de meeste zuurstof wordt in de rode bloedcellen vervoerd). Bij de gaswisseling in de longen gaat het stikstofgas dat in de lucht zit gewoon mee het bloed in. Het zit dus ook in het bloedplasma. Het gas wordt in het lichaam niet gebruikt en steeds weer mee uitgeademd.




  1. In het bloedplasma zitten de zogeheten bloedeiwitten. Er zijn veel verschillende bloedeiwitten. Sommige van deze eiwitten hebben een transportfunctie. Andere hebben een functie bij de bloedstolling, zoals fibrinogeen. Ook de antistoffen tegen ziekteverwekkers zijn eiwitten in het bloedplasma.




  1. Het bloedplasma bevat ook hormonen die door hormoonklieren afgegeven zijn en naar andere plaatsen in het lichaam vervoerd moeten worden om daar processen te beïnvloeden.




  1. Tot slot zitten er in bloedplasma afvalstoffen en de uit het voedsel opgenomen stoffen: glucose, aminozuren, vetzuren en vitamines.



In bloedplasma zit:



  1. koolstofdioxide

  2. zuurstof

  3. bloedeiwitten

  4. hormonen

  5. afvalstoffen en stoffen uit voedsel



Bloedcellen


De bloedcellen bestaan uit drie soorten: 



  1. rode bloedcellen

  2. witte bloedcellen

  3. bloedplaatjes.



Sommige typen witte bloedcellen leven nog geen 24 uur, andere wel 300 dagen of nog langer. Die langst levende witte bloedcellen vormen het geheugen van je afweersysteem. Rode bloedcellen leven maximaal ongeveer 120 dagen.


Bloedcellen worden gevormd in het rode beenmerg, dat zich in het sponsachtig beenweefsel van de botten bevindt. Vooral in platte beenderen zit veel rood beenmerg. In het rode beenmerg liggen stamcellen die zich voortdurend delen. Er ontstaan dan voorlopers van bloedcellen die zich vervolgens tot de verschillende typen bloedcellen ontwikkelen.


Bepaalde soorten witte bloedcellen worden ook gemaakt in lymfeknopen, in de milt en in de zwezerik. 


per seconden:


1 miljoen witte 


 2,5 miljoen rode. 



Bloedstolling


Wanneer een bloedvat kapot gaat, komt de bloedstolling op gang. Dat is een serie gebeurtenissen achter elkaar om het bloedverlies zo veel mogelijk te beperken en de beschadigde weefsels zo snel mogelijk te herstellen. 


Je moet hierbij niet alleen denken aan grotere bloedingen, zoals een verwonding door een mes of een verstuikte enkel. Ook kleine bloedvaatjes beschadigen geregeld en veroorzaken kleine inwendige bloedinkjes. Daar merk je meestal niets van. Als je je stoot, gaan er al gauw een paar haarvaten stuk. Een blauwe plek ontstaat pas als er behoorlijk veel schade is aan de bloedvaten .


Bloedstolling verloopt in drie stappen:



  1. vaatvernauwing, 

  2. samenklonteren van de bloedplaatjes

  3. vorming van fibrine-draden.



(1) De vaatvernauwing begint doordat er uit beschadigde cellen signaalstoffen vrijkomen, die maken dat langsstromende bloedplaatjes aan de beschadigde bloedvatwand blijven plakken. Uit deze bloedplaatjes komen stoffen vrij, die ervoor zorgen dat de vaatwand nog meer vernauwt.


(2) De stoffen uit de bloedplaatjes zelf zorgen er ook voor dat nog meer bloedplaatjes blijven plakken en samenklonteren. Hierdoor vormt zich een soort propje dat de wond voorlopig afdicht.


(3) Een tiental stollingsfactoren (bloedeiwitten in bloedplasma) worden achter elkaar geactiveerd. Het uiteindelijke resultaat is dat het bloedeiwit fibrinogeen omgezet wordt in een draderig, onoplosbaar eiwit. Dit eiwit heeft fibrine. De fibrinedraden vormen een soort vangnet, waarin bloedcellen blijven steken. Er ontstaat een korstje. Korstjes zijn rood door de gevangen rode bloedcellen.


De vorming van de fibrinedraden uit fibrinogeen is de laatste stap van een kettingreactie, die begint bij het vrijkomen van stollingsfactoren. De stollingsfactoren zorgen voor de vorming van allerlei enzymen, die elkaar activeren. Daardoor gaat het proces - als het eenmaal begonnen is - steeds sneller (positieve terugkoppeling). Bloedplasma waaruit fibrinogeen is verwijderd, heet serum en is dus onstolbaar. 
8.4



Hart


Het hart is een grote holle spier die bestaat uit de rechter harthelft en de linker harthelft. Deze zijn van elkaar gescheiden door het harttussenschot. De hartspier bestaat uit hartspierweefsel.


Elke harthelft heeft een boven- en ondergedeelte, respectievelijk boezem en kamer genoemd. Links zitten de linkerboezem en de linkerkamer, rechts de rechterboezem en de rechterkamer. Tussen de boezems en de kamers zitten hartkleppen


Als de gespierde wand van de kamers zich samentrekt, wordt bloed vanuit de linkerkamer in de aorta (lichaamsslagader) gestuwd. Tegelijk gaat bloed vanuit de rechterkamer in de longslagader. 


Aan het begin van de aorta en de longslagader zitten zakvormige kleppen. Dat zijn de slagaderkleppen . Deze kleppen zorgen ervoor dat er geen bloed vanuit de grote slagaders terugstroomt naar het hart. Via twee grote aders, de holle aders, stroomt bloed terug naar het hart. Ze monden uit in de rechterboezem. In de linkerboezem monden de longaders uit. 



Hartcyclus


Het aantal keren dat het hart per minuut samentrekt, noem je de hartslagfrequentie. Bij rust is het 60 à 70 slagen per minuut en bij inspanning 180. Bij elke samentrekking (= hartslag) wordt een hoeveelheid bloed uit het hart weggepompt. De hoeveelheid bloed die een kamer per hartslag wegpompt, noem je het slagvolume. 


Bij een lichaam in rust is het slagvolume gemiddeld 60 ml. Je kunt je hartslagfrequentie meten door met je vinger aan je pols te voelen. Daar loopt een slagader vlak onder de huid. Bij elke 'klop' wordt bloed in de slagader voortgeduwd.


 Een hartcyclus kent drie fasen, die samen gemiddeld 0,8 seconde duren.:



  1. Samentrekking van boezems

  2. Samentrekking van kamers

  3. Hartpauze



Fase 1: Samentrekking van de boezems, boezemsystole (0,1 seconde). Het bloed wordt door deze samentrekking naar de kamers gestuwd. Voor de hartkleppen verandert er niet veel: ze waren al opengegaan tijdens de rustfase, de slagaderkleppen zijn in deze fase nog dicht.


Fase 2: Samentrekking van de kamers, kamersystole (0,3 seconde). Als de kamers samentrekken, wordt het bloed naar de grote slagaders geperst. Door de bloeddruk die er in de kamers ontstaat, klappen de hartkleppen dicht. 


Fase 3: Hartpauze (0,4 seconde). Tijdens de hartpauze zijn de boezems en kamers ontspannen (diastole). De kamers hebben zich net samengetrokken. Daardoor is de druk in het hart heel laag en hebben de boezems een zuigende werking. Hierdoor stroomt bloed via de boezems naar binnen. De hartkleppen gaan open, zodat bloed vanuit de boezems ook al in de kamers terechtkomt. De slagaderkleppen zijn dicht. Als de kamers zich ontspannen, vullen de zakvormige slagaderkleppen (aan het begin van de aorta en de longslagader) zich met bloed en sluiten zo deze slagaders af (waardoor geen bloed terugstroomt in het hart). Ook het dichtvallen van deze kleppen veroorzaakt een harttoon. 



Bloeddruk


Door de pompwerking van het hart heerst er in de bloedvaten een bepaalde bloeddruk. De bloeddruk is de druk waarmee het bloed tegen de wand van het bloedvat duwt.


De linkerkamer pompt het bloed met een druk van gemiddeld 120 mmHg in de aorta. Deze druk noem je de bovendruk . De bovendruk is gemiddeld 120 mmHg. De laagste bloeddruk in de slagaders wordt bereikt tijdens de ontspanning van de linkerkamer en wordt de onderdruk genoemd. De onderdruk is gemiddeld 80 mmHg.


Je kunt iemands bloeddruk meten met een bloeddrukmeter. Dat wordt meestal bij de slagader van een arm gedaan. Er wordt een manchet om je bovenarm gewikkeld en daarin wordt lucht gepompt. Daardoor wordt de slagader dichtgedrukt. Dit wordt gecontroleerd met een stethoscoop in de holte van je elleboog: er is geen hartslag te horen.


Als de lucht vervolgens langzaam uit het manchet ontsnapt, is op een gegeven moment de systolische druk iets hoger dan de manchetdruk en stroomt er weer een beetje bloed door de slagader. Dit hoor je als 'kloppen' door de stethoscoop. Op de bloeddrukmeter is dan de bovendruk af te lezen. Wanneer er meer lucht ontsnapt, is het kloppen op een gegeven moment niet meer te horen. Dat gebeurt, zodra het bloed weer continu door de slagader stroomt en de onderdruk is bereikt.


De moderne elektronische bloeddrukmetertjes, die overal te koop zijn, meten op dezelfde manier. Het kloppen wordt met een trilling-sensor in het apparaat waargenomen. De bloeddruk wordt dus met twee getallen aangegeven, bijvoorbeeld 120/80. Een gezonde bloeddruk varieert tussen 120-140 bovendruk en 70-90 onderdruk. 



Kransslagader en slagader


De voortdurende samentrekkingen van de hartspier vragen veel voeding en zuurstof. Natuurlijk stroomt er steeds bloed door de hartholtes, maar alleen de binnenste laag kan daarvan profiteren.


De hartspier zelf heeft dan ook een eigen doorbloeding nodig. Dat gebeurt via een bloedvatensysteem in de hartspier, ook wel de hartcirculatie genoemd. De hartcirculatie is een onderdeel van de grote bloedsomloop.


Dicht bij het hart takken twee slagaders van de aorta af. Dit zijn de kransslagaders. Ze liggen aan de buitenkant van het hart en hebben veel vertakkingen: alle hartspiercellen van de kamer- en de boezemwanden worden hierdoor royaal van bloed voorzien. Koolstofdioxide en afvalstoffen worden via de kransaders afgevoerd. Deze monden rechtstreeks uit in de rechterboezem.



Regeling hart en bloedsomloop


De hart wordt niet bestuurd door de zenuwen in tegenstelling van de andere spieren van je lichaam. De aansturing van het hart gebeurt via twee zenuwknopen, de sinusknoop en de boezemkamerknoop. 


Ook het autonome zenuwstelsel heeft invloed op de hartwerking . Daarin wordt het ondersteund door het bijnierhormoon adrenaline Dat gebeurt wanneer bepaalde delen van je lichaam meer of minder bloed nodig hebben. De hoeveelheid bloed is namelijk niet elk moment op dezelfde manier verdeeld. De verdeling hangt af van wat je aan het doen bent. 


Als je veel spierinspanning moet leveren krijgen de skeletspieren veel bloed, terwijl de aanvoer naar onder andere de darmen minder wordt. Die werken dan ook niet zo goed. 


Wat gebeurt er als het bloed onvoldoende zuurstof kan leveren, ondanks toegenomen adem- en hartslagfrequentie? Dan wordt een mechanisme op gang gebracht om meer rode bloedcellen aan te maken. In de nieren zitten zintuigjes die waarnemen of er voldoende capaciteit is voor zuurstoftransport. Is dat onvoldoende, dan wordt het hormoon EPO aangemaakt, waardoor in het beenmerg de productie van rode bloedcellen wordt opgevoerd.



8.5


Bloedvaten


Bij alle gewervelde dieren circuleert het bloed in een gesloten bloedsomloop. Dat wil zeggen dat het bloed in bloedvaten is opgesloten en niet vrij tussen de cellen van het lichaam kan stromen. Door het regelmatige samentrekken van het hart wordt bloed in porties schoksgewijs door de slagaders geduwd. Je voelt het hart 'kloppen' in de slagaders. Via de slagaders wordt het bloed naar de organen vervoerd. Daar vertakken de grote slagaders zich in steeds kleinere slagadertjes.


De fijnste vertakkingen monden uit in haarvaten. Ze vormen een zogeheten haarvatennet in het orgaan of weefsel. Hier kunnen de cellen stoffen uitwisselen met de weefselvloeistof. De wand van de haarvaten is maar één cellaag dik. Bloed uit het haarvatennet verzamelt zich in adertjes, die weer bij elkaar komen in grotere aders. 


De grootste aders voeren het bloed naar de boezems van het hart. Op regelmatige afstanden van een paar centimeter zitten in de grote aders zakvormige klepjes die dezelfde bouw en werking hebben als de slagaderkleppen van het hart. De klepjes in de aders zorgen ervoor dat bloed - ondanks de lage druk die er in de aders heerst - in de goede richting blijft stromen



Aandoeningen van de hart en bloedvaten


Hoge bloeddruk oorzaken:


Verstopte bloedvaten


Nieren niet goed werken


Vernauwd zijn door cholesterol


Een normale bloeddruk is gemiddeld 120/80 mmHg.


Een hoge bloeddruk kan veroorzaakt worden door verstopte bloedvaten. De vetachtige stof cholesterol kan hierbij een rol spelen. Onder andere door te veel verzadigde vetten te eten, kan het cholesterolgehalte in het bloed te hoog worden. De cholesterol plakt tegen de binnenkant van de bloedvaten. De bloedvaten worden hierdoor stijver en minder elastisch. Dit wordt aderverkalking genoemd. 


Het hart moet harder gaan pompen om het bloed er toch doorheen te krijgen. De bloeddruk stijgt. 


Hartfalen is een aandoening die niet altijd direct herkend wordt, omdat de gevolgen ervan op veel plaatsen in het lichaam merkbaar zijn. 


De hartspier trekt niet genoeg samen tijdens de systole. Daardoor blijft er bloed achter in de kamers en in de longen, terwijl de nierfunctie vermindert. Op den duur rekken de kamerwanden uit en kunnen daardoor met nog minder kracht samentrekken. Het terugstromen van bloed naar het hart hapert ook, zodat er - vooral in de ledematen - oedeemvorming optreedt. Mensen met hartfalen zijn kortademig en snel moe.



8.6


Dubbele bloedsomloop


Er zijn dus twee gescheiden circuits. Eén van het hart naar longen en weer terug naar het hart; dat is de kleine bloedsomloop. Het tweede circuit is van het hart naar alle organen in het lichaam en weer terug naar het hart. Dat is de grote bloedsomloop.


Kleine bloedsomloop: hart ► longen ► hart



  1. De rechterkamer van het hart pompt zuurstofarm bloed de longslagader in. Vrijwel direct splitst de longslagader in tweeën. 

  2. Eén aftakking gaat naar de linkerlong, de andere naar de rechterlong. De kracht waarmee het wegpompen gebeurt, is niet al te groot: de longen liggen voor het hart immers ‘naast de deur’. De bloeddruk in de longslagader is daarom veel lager dan die in de aorta.



Grote bloedsomloop: hart ► lichaam ► hart


De grote bloedsomloop is dat gedeelte van de bloedsomloop dat alle organen van bloed voorziet. 



  1. Het zuurstofrijke bloed uit de longaders komt in de linkerboezem van het hart. 

  2. Van daar stroomt het door naar de linkerkamer. De linkerkamer heeft een veel dikkere spierwand dan de rechterkamer. 

  3. Dat moet ook wel, want het bloed moet met veel kracht in de aorta worden gestuwd. De bloeddruk in de aorta is dan ook hoger dan die in de longslagaders.


De aorta is een groot, stevig bloedvat dat vanaf het hart met een boog naar beneden gaat. 



  1. Op het hoogste gedeelte van de boog gaan er aftakkingen naar het hoofd. Ter hoogte van elk orgaan is er een aftakking naar dat orgaan toe. De aftakkingen worden in het algemeen genoemd naar het orgaan dat ze van bloed voorzien. Zo voeren de nierslagaders bloed naar de nieren, de leverslagader gaat naar de lever en de beenslagaders gaan naar de benen. In de organen vertakken de slagaders weer tot ze uitmonden in het haarvatennet van dat orgaan. Daar vindt de uitwisseling van stoffen plaats. 

  2. Ten slotte komt het bloed in de aders. Die hebben op dezelfde manier namen als de slagaders: de beenaders voeren bloed af uit de benen, de leverader uit de lever, enzovoorts.


De grote aders die uit de organen komen, monden uit in de onderste holle aders; beide holle aders sluiten aan op de rechterboezem. 



Bloedsomloop bij dieren


Gewervelde dieren hebben een gesloten bloedsomloop, maar er zijn ook diergroepen met een zogeheten open bloedsomloop. Dat betekent dat het bloed niet door haarvaten gaat. Het stroomt gewoon rondom de cellen. Hier is het bloed in feite de weefselvloeistof.


 Bijzonder aan insectenbloed is ook nog dat het geen hemoglobine bevat. Vissen hebben een enkele bloedsomloop: het hart heeft maar één kamer en één boezem. Bloed dat de kamer verlaat, wordt eerst naar de kieuwen gestuurd. Daar wordt het zuurstofrijk. Vervolgens gaat het via een groot bloedvat naar de rest van het lichaam. Dat bloedvat heeft, net als bij ons de aorta, een aantal aftakkingen naar de verschillende organen. Het lijkt een groot nadeel dat in dit systeem de bloeddruk - nadat het de kieuwen is gepasseerd - al behoorlijk is gedaald. Maar dankzij de bewegingen van de vis komt het zuurstofrijke bloed toch waar het zijn moet. Voor vissen werkt dit systeem prima.
8.7


Weefselvloeistof en lymfe


Door de kracht van de bloeddruk wordt bloedplasma vanuit de haarvaten in het weefselvocht rond de cellen geperst. Het bloedplasma dat het haarvat is uitgeperst, heet weefselvocht. De samenstelling van weefselvocht is niet helemaal hetzelfde als die van bloedplasma. Grote eiwitmoleculen, zoals fibrinogeen en bepaalde stollingseiwitten, kunnen niet door de haarvatwand en blijven dus in het bloed. Het weefselvocht staat in direct contact met de cellen, zodat de uitwisseling van stoffen en gassen hier kan plaatsvinden


In het bloed dat in de haarvaten blijft zitten zorgen onder andere de achtergebleven bloedeiwitten voor een aanzuigende werking op het weefselvocht. Er stroomt hierdoor weer weefselvocht terug naar het bloed. Dit is het gevolg van osmose: het bloed is door de aanwezigheid van de bloedeiwitten hypertonisch ten opzichte van het weefselvocht, en zuigt dus vocht aan . Het gevolg is dat het grootste deel van het weefselvocht teruggaat naar de haarvaten. 


Een klein deel wordt opgevangen door een ander vatenstelsel, het lymfevatenstelsel.


Zodra het weefselvocht in de lymfevaten zit, heet het lymfe. Als gevolg van de uitwisseling van stoffen met de cellen is de samenstelling van lymfe iets anders dan die van bloedplasma en die van het weefselvocht. In het lymfevatenstelsel heerst een lage druk. Dat verklaart waarom de grotere lymfevaten - net als de aders - kleppen hebben.



Lymfevatenstelsel


De lymfevaten en lymfeknopen maken deel uit van het lymfevatenstelsel . Het lymfevatenstelsel ondersteunt de werking van het bloedvatenstelsel. Er zijn concentraties lymfeknopen in de buurt van lichaamsopeningen en op plaatsen waar stoffen van buiten het lichaam in je bloed komen. Ze spelen een belangrijke rol bij de afweer van het lichaam.


De lymfe stroomt altijd door één of meerdere lymfeknopen. Daar wordt de lymfe gefilterd en gezuiverd van afvalstoffen. Er worden ook bepaalde witte bloedcellen in de lymfeknopen gevormd; ze ruimen ziekteverwekkers op. Als je ergens een ontsteking hebt, worden de lymfeknopen in de buurt daarvan dan ook extra actief: ze gaan grote hoeveelheden witte bloedcellen vormen..


Lymfe komt uiteindelijk in enkele grote lymfevaten terecht: de rechter lymfestam en de borstbuis. Deze zijn aangesloten op aders bij het rechter- en linkersleutelbeen. Daar wordt de gezuiverde lymfe 'teruggegeven' aan het bloed.


De vorming van weefselvocht en het terughalen naar de haarvaten van een groot deel daarvan is in evenwicht. Er mag niet te weinig weefselvocht gevormd worden, maar ook niet te veel. Als mensen een hoge bloeddruk hebben, wordt er meer weefselvocht uit de haarvaten geperst dan wanneer de bloeddruk normaal is. De capaciteit van het bloed om weefselvocht terug te zuigen is niet veranderd. Netto blijft er daardoor meer weefselvocht achter in de weefsels dan normaal. De zwelling die daardoor ontstaat, wordt oedeem genoemd. Ook in beschadigde weefsels, zoals bijvoorbeeld een verstuikte enkel, blijft te veel vocht achter, waardoor de enkel dik wordt.


Een andere vorm van oedeem is hongeroedeem. Je ziet dat nogal eens bij kleine kinderen in ontwikkelingslanden. Hongeroedeem is het gevolg van eenzijdige voeding, met vooral te weinig eiwitten. Het tekort aan eiwitten heeft ernstige gevolgen voor de groei, maar ook voor de hoeveelheid bloedeiwitten in het bloed. De osmotische waarde van het bloed wordt dan te laag om voldoende weefselvocht uit de weefsels terug te zuigen. Hierdoor blijft te veel weefselvocht achter tussen de cellen. Dat gebeurt vooral rondom de darmen. Daardoor hebben deze kinderen een opgezwollen buik.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.