1.1 Kenmerken van het leven
Als leven wordt omschreven gebeurt dat met behulp van een aantal kenmerken: de mogelijkheid tot voortplanting, actieve beweging, gevoeligheid voor prikkels en de mogelijkheid daarop te reageren of de uitwisseling van stoffen met de omgeving.
Deductie= een aantal goed geformuleerde regels van waaruit men natuurverschijnselen, inclusief levende wezens, kan afleiden. Inductie= je moet vanuit de waarneming en het experiment natuurverschijnselen benaderen en van daaruit proberen tot wetmatigheden te komen. Dat betekent dat elke wetmatigheid die we denken vast te stellen, voorlopig is en door bepaalde feiten wordt tegengesproken. Zo veranderd ons denkkader en blijft de natuurwetenschap in beweging. De Oostenrijkse natuurkundige Erwin Schrodinger schreef in 1944 dat het verschil tussen het levende en levenloze is dat een levend wezen in ‘orde’ is tot de dood en na de dood chaos wordt. Een levenloos iets blijft in orde.

1.1.1 Kenmerken en variaties

Een kenmerk is een eigenschap die elk voorwerp of individu dat tot een bepaalde groep behoort bezit. Een verschil dat tussen groepsgenoten optreedt noemen we variatie. Prionen zijn eiwitachtige deeltjes die infectieus kunnen zijn. Een stabiele vorm van een eiwit heeft twee eigenschappen: 1 zeer goed bestand tegen beschadiging door hitte, chemicalien, enz. 2 heeft de neiging, bij ontmoeting met een niet-stabiele, biologisch actieve vorm, die vorm ‘om te turnen’ in een stabiele vorm.

1.1.2 Stabiel intern milieu

Levende wezens blijven, terwijl de omgeving vaak veranderlijk is, relatief constant. Milieu interieur= bv. Bloed en weefselvloeistof rond de cellen. Hippocrates van Kos bedacht de leer der homores of lichaamsvochten: bloed, slijm, gele gal of lymfe en zwarte gal. Als die onderling niet in balans waren ontstond er ziekte. Om een constant inwendig milieu te handhaven, is het nodig dat een organisme metingen doet over hoe de situatie rond de cellen is. Bij een afwijking worden maatregelen getroffen om de norm weer te bereiken: regulatie.
(plaatje regulatie)

De Amerikaan Walter Cannon voerde rond 1930 de term homeostase in: zelfregulatie van organismen met behulp van een vastgestelde norm en negatieven terugkoppeling.
Door een hoge luchtvochtigheid verdampt zweet moeilijk.

1.1.3 Uitwisseling stoffen en energie

Een organisme heeft bepaalde stoffen nodig om celonderdelen op te bouwen en stoffen waaruit energie kan worden gehaald. Stofwisseling is het opnemen en afgeven van cellen. Organische stoffen, stoffen die van nature in de mens voorkomen bestaan allemaal uit ingewikkelde verbindingen van koolstof. Van koolstof bestaan meerdere varianten: isotopen.
1: Planten en sommige bacterien zijn autotroof: zij zorgen zelf voor hun organische moleculen (bv. Uit zon)
De vorming van de organische brandstof glucose uit water en koolstofdioxide onder invloed van zonlicht heet koolstofassimilatie of fotosynthese. Hierdoor komt zuurstof in de atmosfeer.
2: Dieren, schimmels, en de meeste bacterien moeten hun stoffen halen uit andere levende wezens, producten daarvan of dode resten: heterotroof. Ook een plant moet aan zijn energie komen. Hij breekt een deel van de glucose af, waarbij zuurstof ontstaat, die er weer voor zorgt dat de glucose goed verbrand: dissimilatie. Bij heterotrofe organismen worden de eiwitten die ze daardoor krijgen omgezet in hun eigen manier. Er is namelijk een keten met aminozuren: eiwit. Je hebt daarin 20 mogelijkheden. Organismen hebben allemaal een andere keten.

1.1.4 Celdeling, groei en ontwikkeling

Voor levende cellen is het noodzakelijk dat er mogelijkheid is dat cellen en organismen zich kunnen delen. De celdeling heeft drie functies:
· Vervanging van afgestorven cellen
· Groei van een eencellig stadium tot een (meer of minder groot) meercellig organisme.
· Voortplanting of reproductie
Chromosomen bestaan uit twee grote moleculen: aan de binnenkant DNA en daaromheen eiwit. Lange tijd ging men ervan uit dat de erfelijke blauwdruk in het eiwit moest zitten. Een eiwitmolecuul bestaat uit een combinatie van twintig verschillende aminozuren. Een DNA-molecuul (Desoxyribo Nucleic Acid) bestaat uit een combinatie van vier verschillende nucleotidenk, die aangeduid worden met de letters A, C, G en T. Dat zijn afkortingen van de stikstofbasen adenine, cytosine, guanine, en thymine, die voor de verschillen tussen de nucleotiden zorgen. Watson en Crick kwamen er achter dat DNA bestaat uit twee schroefvormig om elkaar gewonden draden, waarbij de twee draden door hun basen bij elkaar worden gehouden, in een strikte code: als in de ene draad een G uitsteekt, staat daar tegen over altijd een C, terwijl tegenover de A altijd een T staat. Andere mogelijkheden leveren slecht gebonden of gewrongen oplossingen op. Meselson en Stahl toonden aan dat DNA inderdaad perfect kopieert doordat de twee strengen bij deling uiteenwijken en ieder een draad bijbouwen die vastligt door de volgorde van de basen A, C, G, en T.

Bij de voortplanting of reproductie vinden we in de natuur twee belangrijke vormen: ongeslachtelijke voortplanting en geslachtelijke of seksuele voortplanting. Bij ov. Kopieert een cel of celgroep zichzelf, zoals bij de deling van een eencellig diertje of de ontwikkeling van aardappelknollen. Het systeem is conservatief, het DNA blijft zoals het is. Veranderingen ontstaan wanneer er kopieerfouten in het DNA worden gemaakt. Bij gv. Smelten twee geslachtscellen samen. Er kan een heel nieuwe combinatie ontstaan. Gv. Is moeilijker: de organismen moeten bv. Eerst een ander het hof maken. Bij voortplanting is reductie nodig. Wanneer een cel kopieert en vervolgens samensmelt is het aantal chromosomen verdubbeld. Bij mensen is het haploide aantal 23 en het diploide aantal 46. Bij de ontwikkeling van een eicel tot een individu ontstaan tussen groepen celen differentiatie doordat ze zich met een bepaalde functie bezig gaan houden.

1.1.5 Zintuigen en prikkels

Levende wezens doen in hun lichaam en daarbuiten metingen, dat doen ze met zintuigcellen. Deze vangen prikkels op. Met die metingen wordt informatie gemeten die de situatie in het lichaam dreigt te verstoren: daarna volgt regulatie. Ook kan een zichtbare reactie volgen. We spreken van gedrag. Als een aap een heerlijke vrucht ziet wordt via het zenuwstelsel een signaal verstuurd naar de skeletspieren die ervoor zorgen dat hij die vrucht kan bereiken. De honger wordt door het gedrag gestild.

1.1.6 Sterfte: het geheim van de dood

Een roofdier gaat vaak minder snel dood dan een prooidier. De mens heeft voor zijn grootte een verrassend lange levensduur. Dat komt doordat de mensen eigenlijk geen roofvijanden meer hebben. Mensen die niet van ouderdom sterven gaan meestal dood aan ziektes. Ziektes worden vaak veroorzaakt door parasieten. Door een afgegrendelde buitenlaag probeert het lichaam dat te voorkomen, maar er zijn onderbrekingen: de mond, de neus, de anus en de schede. Wie via deze openingen het lichaam binnendringt wordt tegengehouden door slijm of zuur. Wie daar doorheen komt wordt tegengehouden door witte bloedlichaampjes. Fogocyten proberen iedere vreemde indringer te omhullen en te verteren. Lymfocyten vallen een bepaald type indringer aan. Bij bv. Mazelen maken ze antimazelenlymfocyten. Nadat de mazelen weg zijn blijven alleen geheugencellen achter. Bij een nieuwe besmetting kan nu extra snel antimazelenlymfocyten aangemaakt worden. Je bent immuun. Het lichaam moet natuurlijk wel weten wat van het ‘eigen’ lichaam is en wat niet. Sommige mensen reageren bij onschuldige stoffen zoals een veertje. Bij mensen met allergie wil dat niet goed. Ook kan het zijn dat iemand niet goed onderscheid kan maken tussen eigen en vreemd materiaal: auto-immuunreactie. Dit gebeurt bijvoorbeeld bij Reuma.

1.2 Mens en gezondheid

Inleiding

Heel lang geleden zochten mensen al naar oplossingen bij ziektes, zij deden dit bijvoorbeeld door medicinale planten te gebruiken. Ook werden al operaties uitgevoerd. De geneeskunst was vooral bij de Egyptenaren vergevorderd, maar ook in India nam men bijvoorbeeld hygiënische maatregelen. Er bestaan beschrijvingen van operaties, waaruit blijkt dat er diep inzicht in het probleem en een goede techniek werden gebruikt bij chirurgische ingrepen. Bij deze volken was geneeskunst een combinatie van mystiek en ratio (bijv. bezweringsformules). Bij de Grieken (vanaf Hippocrates 460-370 v. Chr.) verdwijnt de religieuze magie bij de behandeling. In de Middeleeuwen verscheen dit idee echter weer. Mensen werden toen vaak door kloosterlingen verzorgd. Zij deden dit met behulp van medicinale planten. Omdat mensen dachten dat ziekte een straf was van God werd ook gebruik gemaakt van bijvoorbeeld handoplegging, gebed, duiveluitdrijving (exorcisme) en verschaffen van amuletten en relikwieën. Soms werd de schuld ook gegeven aan een bepaalde groep, bijvoorbeeld de joden, waarna deze vaak werden vermoord. Door de ontdekking van de rol van micro-organismen en genen bij ziekten zijn deze ideeën grotendeels verdwenen.

1.2.1 Ongelukken, honger, ziekte en dood

Overal komen problemen met de gezondheid, zoals ziekte voor, maar niet in elk deel van de wereld is elk probleem even groot. Zo is in oorlogsgebieden de kans op een gewelddadig einde groot en heerst in andere gebieden oorlog. Bij ons zijn er weer andere gevaren, zoals kanker, aids, hepatitis-B en andere ziektes.In de ontwikkeling van de gezondheid is een voortdurende verschuiving als gevolg van een verschuivende interesse en door de situaties waarbij ongelukken of blessures ontstaan.
Het lichaam heeft mogelijkheden dreigende verstoringen op te vangen, maar dat vermogen kent grenzen. Als het lichaam het zelf niet meer aankan biedt de geneeskunde uitkomst. Door middel van kunstgrepen (bijv. operaties, bestraling, medicijnen) wordt de verstoorde balans in het lichaam hersteld. Dit lukt natuurlijk niet altijd en er kan dan blijvende schade ontstaan, of de patiënt overlijdt. Niemand weet precies wat er bij het overlijden van iemand gebeurt. Men heeft lang gedacht dat het hart stilstond en het stoppen van de ademhaling tekens van de dood waren. Nu wordt in twijfelgevallen vaak gebruik gemaakt van het verdwijnen van de hersenactiviteit.

1.2.2 Medicijnen en geneeskunst

Al sinds de oertijd worden planten als geneesmiddel gebruikt. Waarschijnlijk is door onze voorvaderen terwijl ze op zoek waren naar voedsel ontdekt dat sommige planten een geneeskrachtige werking kunnen hebben. Tot in de 19e eeuw de farmaceutische industrie ontstond, waren bijna alle medicijnen planten of extracten van planten. Door de opkomst van de scheikunde leerde men de werkzame bestanddelen uit planten te isoleren, waardoor de bijwerkingen van de andere stoffen in de plant weggenomen wordt en ook de dosering beter te bepalen was. Toch bleef plantenkennis een belangrijk onderdeel van de geneeskunde, bij ziekenhuizen werd dan ook een tuin met geneeskrachtige planten aangelegd.
De eerste grote verzameling geneeskruiden is van Dioskorides. Hij beschrijft ongeveer 900 medicijnen, waarvan de meeste plantaardig, maar ook dierlijk of mineraal. Later werd dit door de ontdekkingsreizen waarbij nieuwe planten werden ontdekt uitgebreid.

1.2.3 Medicijnen en medische apparatuur
De geneesmiddelen werden steeds geprobeerd te verbeteren. Hiervoor werden geen planten meer gebruikt, maar door de kennis die men inmiddels had over de genezende stof en de werking daarvan van een bepaalde plant, werd geprobeerd deze stof te verbeteren, er ontstond dan een synthetisch product dat beter werkte dan het uitgangsproduct. Echter niet alle stoffen werden verbeterd, soms ontstonden stoffen die bijvoorbeeld een verslavend effect bleken te hebben (opium, morfine, heroïne). Ook treedt hierbij tolerantie of gewenning op, er zijn steeds grotere hoeveelheden nodig om hetzelfde effect te bereiken. Het ontwikkelen van al deze nieuwe geneesmiddelen kost veel geld, wat vooral bij zeldzame ziekten een probleem kan zijn.
Ehrlich heeft gezorgd voor een eerste nauwgezette stap op weg naar chemotherapie. Hij probeerde een medicijn te ontwikkelen om de bacterie die verantwoordelijk was voor de geslachtsziekte syfilis (Treponema pallidum). Hij probeerde deze bacterie te bestrijden zonder de lichaamscellen te beschadigen, wat uiteindelijk lukte. In de wetenschap is geen geleidelijke ontwikkeling en toename van kennis.
De wetenschapsfilosoof Kuhn spreekt van een wetenschappelijk paradigma, een soort denkkader. Wat daarbuiten valt, wordt pas waargenomen na een soort revolutie in de wetenschap: het bestaande paradigma wordt omvergeworpen en vervangen door een nieuw.
Verschillende soorten ‘ínwendige beeldvorming’:
CT -> computertomografie -> geconcentreerde bundel elektromagnetische (röntgen)straling -> (meer of minder) doorgelaten röntgenstralen zorgen indirect voor beeld -> straling potentieel gevaarlijk -> onderzoek naar structuren.
NMR / MRI -> nucleaire magnetische resonantie / magnetic resonance imaging -> radiogolven -> in een magnetisch veld worden door het onderzochte orgaan radiogolven teruggekaatst afhankelijk van de chemische samenstelling van dit orgaan -> straling niet gevaarlijk -> bepaling activiteit.
Ultrageluid -> echografie -> (ultra)geluidsgolven -> afhankelijk van de dichtheid weerkaatsen orgaanonderdelen de geluidsgolven -> straling niet gevaarlijk -> onderzoek naar structuren.
PET -> positron emissie tomografie -> radionucliden (ingebracht radioactieve stoffen) in het lichaam -> radionucliden geven positronen af (kortlevende subatomaire deeltjes) die kunnen worden gemeten -> straling potentieel gevaarlijk -> bepaling activiteit.
Andere verbeteringen zijn verbeterde hygiëne bij operaties, mogelijkheid om organen te transplanteren en nierdialyse. De eerste niertransplantatie vond plaats in 1956 en in 1972 was de eerste harttransplantatie. Ook is er de mogelijkheid van een kunstnier. Die zorgt er door middel van dialyse voor dat het bloed van de patiënt wordt ontdaan van allerlei schadelijke stoffen en afvalproducten.

1.3 Gezondheid voor individu en overheid

1.3.1 Hoe bestrijd je ziektes?
In de negentiende eeuw werd pas duidelijk dat bepaalde minuscule organismen zeer ernstige ziekten kunnen veroorzaken. Ondanks dat werd bij operaties niet erg schoon gewerkt. In de negentiende eeuw stierf 45% van de mensen bij wie een amputatie moest worden uitgevoerd aan tetanus, wondroos en bloedvergiftiging. Robert Koch en Louis Pasteur toonden aan dat bacteriën en micro-organismen op allerlei manieren konden worden overgedragen. Voedsel werd al heel lang geconserveerd. Door bv. Verhitting, toevoeging van suiker of zout, drogen enz. Dat zorgde voor een verbetering van de technieken. Lichaamshygiëne werd beter, riolering werd verbeterd, drinkwater bacterievrij gemaakt. Operaties werden onder steriele omstandigheden uitgevoerd: apparatuur werd bacterievrij gehouden, evenals handen, kleding, handschoenen en mondkapjes. Vroeger al werd het gevaarte van besmetting onderkend. Mensen trokken vaak weg uit de stad om aan de ziekte te ontsnappen, maar zo zorgden ze voor verspreiding van de ziekte.

1.3.2 Erfelijke ziekten

Pas sinds de ontdekking van de erfelijkheidswetten door Mendel (1845) en de relatie van de erfelijke eigenschappen met chromosomen werd de achtergrond van het voorkomen van erfelijke ziekten bij de mens duidelijk. Een mens heeft 46 chromosomen, verdeeld over 23 paren. Iemand met het syndroom van Down heeft 47 chromosomen. Het chromosoom 21 komt drie maal voor. Iemand met het syndroom van Down kenmerkt zich door de geestelijke achterstand, korte vingers, een oogplooi en (vaak) hartproblemen. Op de chromosomen bevinden zich genen, die zijn de dragers van de afzonderlijke erfelijke eigenschappen.
Er is momenteel een groots opgezet project gaande om een complete genenkaart te maken van de menselijke chromosomen, het HUGO-project. De uiteindelijke bedoeling is om al in een vroeg stadium variaties in genen op te sporen: genetic screening. Bij een embryo kunnen nu al via een vlokkentest of vruchtwaterpunctie enkele honderden stofwisselingsstoornissen worden opgespoord.

1.3.3 Voeding, genotmiddelen en gezondheid

De leefstijl van een individu kan een negatieve invloed hebben op de gezondheid. Roken, te weinig beweging, verkeerde voeding, gebreke aan bepaalde stoffen zijn daar voorbeelden van. Vaak wordt gedacht dat vooral allerlei toevoegingen of additieven (conserveermiddelen, kleurstoffen, smaakstoffen) daarbij een negatieve rol spelen. Het blijkt echter dat ook natuurlijke bestanddelen van het voedsel carcinogeen (kankerverwekkend) kunnen zijn. De overheid heeft E-nummers ingevoerd voor toevoegingen. Dat is een verzameling van vele stoffen, van natuurlijke en niet-natuurlijke stoffen.
Er zijn verschillende redenen om geen vlees/voedsel te eten:
· Mensen zijn vegetariër: kan uit religieuze redenen zijn (boeddhisten bv.)
· Hygiënische redenen die later religieus zijn geworden (bv. Bij joden en islamieten, zij geloven dat varkensvlees onrein is.
· Emotionele reden: mensen vinden het zielig dat dieren gedood worden
· Ecologische reden: voor elke kilo vlees is een veelvoud aan kilo’s plantenkost nodig, dus is vleesproductie voedselverlies
· Mensen die alleen vlees eten van dieren die ruimte hebben gehad om te leven, bv. Scharrelkippen.
· Veganisten gebruiken helemaal geen dierlijke producten

In de westerse wereld wil men erg graag slank zijn. Dit kan leiden tot eetstoornissen die tot extreme, levensbedreigende vermagering kunnen leiden, bv. Anorexia nervosa of boulimia.

1.3.4 Ouderdom

Bij ouderen komt relatief vaak kanker voor. Cellen zijn minder goed in staat ontsporen van de celdeling tegen te gaan. In feite hoopt het aantal cellen met een foutje zich op. Bij ouderen treedt ook vaak dementie op. Passieve euthanasie door artsen is het stoppen van de behandeling. Actieve euthanasie is het toedienen van levensbeëindigende stoffen.

1.3.5 Wie kiest: jij of de overheid?

De overheid moet de aandacht en het geld verdelen over de verschillende soorten ziekten.
Mogelijke reden waarom mensen geen donorcodicil invullen is dat mensen het een onprettig idee vinden als na hun dood de organen uit hun lijf worden gehaald. Ook zijn mensen vaak bang dat als hun organen worden verwijderd ze in een diepe coma zijn, maar nog niet dood zijn. Zij willen dat ze eerst hersendood worden verklaard. Voor de donortransplantatie moet gekeken worden of bepaalde weefselkenmerken bij elkaar passen: matching. Momenteel is men ook bezig met xenotransplantatie: het aanbieden van organen van andere zoogdieren aan andere mensen.

1.3.6 Alternatieve methoden en technieken
Bij een analyse ligt de nadruk op de kwaal, sommige mensen denken dat er gewoon met de hele mens dan iets niet in orde is. Er is te veel aandacht voor de symptomen en te weinig voor de mensen vinden zij.

1.4 Evolutie van het leven

Inleiding

Bij alle volkeren kom je ideeën tegen over de manier waarop de wereld is ontstaan, bijvoorbeeld in scheppingsverhalen. Sinds de evolutietheorie van Charles Darwin (1859) en andere ontdekkingen van de natuurwetenschappen zijn de antwoorden op de vragen naar het ontstaan van leven en de verschillende soorten leven op aarde zijn de ideeën hierover veranderd. De ontdekkingen die zijn gedaan zijn niet in overeenstemming met de ideeën van mensen over de wereld en hun plaats daarin. Soms worden daarom hun ideeën veranderd.

1.4.1 Diversiteit, ook in de tijd

Er zijn veel verschillende soorten leven. Waarschijnlijk bestonden eerst (minstens 1,4 miljard jaar geleden, men denkt zelfs 3,5 miljard jaar geleden) alleen ééncelligen, bacterieachtige wezens. Pas omstreeks 0,6 miljard jaar geleden ontstonden ook meercelligen, toen kwamen er veel verschillende levensvormen.
In de 15e en 16e eeuw werden nieuwe gebieden ontdekt en daar leefden veel nieuwe planten- en diersoorten. Deze nieuwe soorten werden bestudeerd. De ordening en naamgeving van soorten (= taxonomie) wordt dan heel belangrijk. Tot die tijd hadden veel dieren en planten een regionale naam, wat makkelijk voor verwarring kon zorgen.
John Ray (1672-1705) was de eerste die hierin orde aanbracht. Na hem deed Carl Ingemarsson von Linné (1707-1778) hetzelfde. Hij deelde in in steeds kleinere groepen (klasse, orde en genus of geslacht), deze manier wordt nu nog steeds gebruikt. Ook de naamgeving die hij gebruikte, iedere soort kreeg een dubbele naam, bestaande uit de naam van het geslacht en daarachter de soortaanduiding, beide in het Latijn, wordt nu nog gebruikt.

1.4.2 Evolutie-ideeën

Al in de 5e eeuw v Chr. Gingen sommige mensen er vanuit dat de enorme variatie aan soorten zich geleidelijk had ontwikkeld: evolutie. Een voorbeeld hiervan is Anaximander die toen leefde. Hij beweerde dat het leven was ontstaan in het water, als vissen. Sommige vissen gingen op land leven en verlorren hun schubben, zij groeiden uit tot landdieren en mensen.
Door de ontdekkingen van biologen en de invloed van de kerk verdwenen deze ideeën. Men geloofde dat de aarde enkele duizenden jaren geleden door God was geschapen. Ze gingen er dus ook vanuit dat de aarde en de mens even oud waren. In de 18e eeuw ontdekte men dat de aarde veel oude moest zijn dan de mens. Men ging er ook vanuit dat de aarde het middelpunt van het heelal was totdat in 1543 Copernicus vaststelde dat de aarde en de andere planeten om de zon draaien.
In 1830 ontdekte Charles Lyell dat de aarde honderden miljoenen jaren oud moet zijn. Hij kwam hierachter door te letten op actualisme ( dat gaat er vanuit dat de structuur van verschillende gesteentes is ontstaan door dezelfde krachten die nu nog werken. Door de snelheid waarmee deeltjes bezinken heeft hij vastgesteld hoeveel tijd er nodig moet zijn geweest voor een bepaald in het verleden gevormd bezinksel (sediment))
Deze ontdekkingen waren belangrijk voor de evolutietheorie van Darwin. In de tijd van Darwin dachten veel mensen aan evolutie, omdat er allerlei fossielen waren gevonden en door de oudheid van de verschillende aardlagen. Toch geloofden de meeste mensen het niet. Zij hadden vaak religieuze bezwaren en ze geloofden in de generatio spontanea (het spontaan ontstaan van leven)

1.4.3 De theorie van Darwin
De theorie van Darwin is als volgt: in de loop van miljoenen jaren is een geleidelijk lopende evolutie van een kleine groep eencelligen via allerlei tussenstadia naar alle grote groepen planten en dieren. Door deze geleidelijke verandering, ontstonden verschillende soorten.
Hij kwam tot deze conclusie door zijn reis op de Beagle. Hij ging mee om de natuur in andere gebieden te onderzoeken. Daarbij ontdekte hij dat op de Galapagoseilanden een paar endemische soorten leefden (soorten die nergens anders voorkomen). Die soorten leken wel veel op de soorten die hij in Pantagonië en Chili had gezien, ongeveer 1000 km weg. Hij verbaasde zich erover dat deze soorten op elkaar leken. Hij bedacht dat soorten moesten kunnen veranderen. Toen hij weer terug was van zijn reis las hij een boek van Thomas Malthus. Daarin stond dat bij een snelle bevolkingsgroei er een strijd om voedsel ontstaat.
Darwin had gezien dat zoiets in de natuur ook speelde en hij dacht dar er misschien wel een natuurlijke selectie (natural selection) was, waarbij goede eigenschappen uiteindelijk ‘overleven’ (survival of the fittest) -> volgens hem zouden de best aangepasten overleven. Hij ging er hierbij vanuit dat bepaalde eigenschappen wel erfelijk waren en konden worden doorgegeven aan nakomelingen. Doordat bijvoorbeeld een diersoort zich aanpaste aan zijn levensomstandigheden en datzelfde dier deed dat op een andere plek waar andere omstandigheden waren, konden uiteindelijk twee verschillende soorten ontstaan.
In 1859 publiceerde hij zijn boek. Er kwam toen onmiddellijk een discussie over zijn theorie, zowel in de wetenschap als in de religie.

1.4.4 Botsingen rond de evolutietheorie

Niet iedereen was het eens met de evolutietheorie. Vooral omdat deze theorie de bijbel tegensprak. De mens zou niet ‘naar Gods beeld en gelijkenis’ zijn geschapen, maar afstammen van de apen.
In veel religieuze stromingen werd de evolutietheorie ‘opgenomen’ in hun geloof. Zij namen dan bijvoorbeeld aan dat er een schepper was die de oorspronkelijke levenskiemen, waarmee alles is begonnen heeft geschapen. Later zouden de soorten zich verder hebben ontwikkeld.
Een groep gelovigen heeft een alternatieve theorie bedacht, nl. het model van het creationisme. Volgens dit model is het leven geschapen door de schepper. Geleidelijke veranderingen van soorten worden geaccepteerd, maar overgangen tussen grotere groepen afgewezen door dit principe.
De evolutietheorie is een soort hypothese over hoe het leven zich zal ontwikkelen. Als er feiten zijn die in strijd zijn met de theorie wordt die bijgesteld. Darwin kon bijvoorbeeld niet uitleggen hoe het met de erfelijke eigenschappen zat. Door latere ontdekkingen weten we dat eigenschappen door middel van bv. DNA worden doorgegeven.

1.4.5 Invloed op het dagelijks leven

Er waren verschillende invloeden op het dagelijks leven door de theorie van Darwin. Zo ontstond in de industriële revolutie een arme groep arbeiders. De rijkere klasse zij dat het hier ging om de ‘survival of the fittest’, waarbij zij welf natuurlijk het best aangepaste ‘ras’ waren.
Ook waren er mensen die zagen dat dieren zich opofferden voor soortgenoten. Dit zou in strijd zijn met de evolutietheorie van Darwin, omdat ze zo minder kans hebben om te overleven en hun eigenschappen door te geven. Een dier dat alleen voor zichzelf opkomt heeft meer kans om te overleven. Pas in de jaren ’60 werd dit opgelost door werk van William Hamilton. Hij ontdekte dat dieren allen voor anderen opkwamen, waarmee ze zelf familiebanden hadden. Er zijn twee manieren om je eigen genen te laten ‘overleven’. Dat is door je zelf voort te planten, of door iemand van je familie te helpen, zodat die zich kan voortplanten en de genen van de familie worden doorgegeven.

1.4.6 Een uitwas: racisme

Door de evolutietheorie ontstonden ideeën dat bepaalde soorten minder goed waren. Deze moesten dan uitgeroeid worden, om de natuurlijke selectie te helpen, zodat alleen de ‘goede’ mensen zouden overblijven. Een voorbeeld hiervan is de massamoord van de Duitsers in de Tweede Wereldoorlog op niet-ariërs.
Het idee dat de menselijke populatie verbeterd moet worden, wordt ook wel eugenetica genoemd. Zo werden in de VS in de jaren ’20 sociaal zwakkeren en indianen gesteriliseerd, zodat de slechte eigenschappen niet werden verspreid. Ook slavernij en kolonialisme werden hierdoor geaccepteerd. Lange tijd heeft men in het westen gedacht dat de volkeren uit verre landen ergens tussen mensapen en de blanken stonden, en dus lager waren.

1.4.7 De echte plaats van de mens

Veel mensen geloven nu dat de mens ontstaan is uit een aapachtige voorouder. Er zijn natuurlijk wel verschillen ontstaan in de loop van de tijd. Dat zijn: de rechtopgaande en voortbeweging, de bijzondere vorm van taalgebruik, de ontwikkeling van cultuur en het maken en gebruiken van werktuigen. Echter chimpansees kunnen ook hele stukken rechtop lopen en zijn in staat om werktuigen te maken. Veel dieren hebben ook een soort taal, die gaat echter niet zo ver als bij ons. Het gaat dan vaak om concrete dingen zoals: voedsel, alarm, ruzie enz. Mensen praten ook over andere dingen.
Uit onderzoek is nu een redelijk omlijnd beeld gevormd van de menselijke evolutie, hoewel er nog veel vragen over zijn.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

N.

N.

dit is geen samenvatting dit is meer text dan het boek zelf heeft

9 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast