De evolutietheorie van Darwin



Op 22-jarige leeftijd heeft Charles Darwin een onderzoeksreis gemaakt met het marineschip Beagle. Op deze reis heeft hij verscheidene zaken waargenomen, onder andere dat individuen van populaties kleine verschillen vertonen. Ook zag hij dat er meer nakomelingen worden geboren dan dat er voor vervanging van de ouders eigenlijk nodig zijn. Hij zag echter ook dat het aantal individuen binnen een populatie vrijwel constant bleef.

Uit al deze waarnemingen trok Darwin twee conclusies:



1. Er is een strijd om te blijven leven (struggle for life)

2. Alleen de individuen die het beste aan de omgeving aangepast zijn, zullen overleven (survival of the fittest)



Bijvoorbeeld:

Op een eiland A leeft een bepaalde vogelsoort. Omdat de ondergrond van dit eiland zand is, hebben veruit de meeste vogels dezelfde kleur als zand, waardoor ze niet zo opvallen voor roofvogels of andere dieren die op de hen jagen. Er zijn echter ook wel eens nakomelingen die grijs of geel of wit zijn, maar die zullen niet overleven omdat ze niet zo goed zijn aangepast (survival of the fittest, ofwel adaptatie).

Na een storm is een aantal vogels terechtgekomen op een naburig eiland B. Dit eiland bestaat uit rotsen met daar tussen in waterpoeltjes. Alleen de grijze nakomelingen zullen hier overleven, maar omdat er hier maar weinig van zijn, zal het enige tijd duren voordat er alleen maar grijze vogels op eiland B zijn. Uiteindelijk zullen alle lichtgele vogels uit zijn gestorven, en zijn er alleen nog maar grijze vogels op eiland B. Deze vogels passen zich aan aan de omstandigheden op eiland B, zo krijgen ze bijvoorbeeld langere poten zodat ze kunnen jagen op vissen uit de poeltjes.

Als na een lange tijd het zeeniveau zo sterk is gedaald, en de eilanden tegen elkaar komen te liggen, kunnen de vogels weer bij elkaar komen. Ze kunnen echter niet met elkaar voortplanten en zo zijn twee verschillende soorten ontstaan. Op deze manier onstaat dus ook een grote variatie een vogelsoorten (en dit is ook zo bij andere groepen dieren).





Bij dit voorbeeld is goed te zien hoe de natuur als het ware de vogels selecteert die “mogen blijven leven.” Dit heet natuurlijke selectie. De twee verschillende vogelsoorten kunnen geen genen meer uitwisselen, maar de soorten op zich wel. De verschillende kenmerken zijn ook door erfelijkheid zichtbaar geworden.



Deze hele evolutietheorie van Charles Darwin wordt het Darwinisme genoemd. Voor deze theorie zijn verschillende aanwijzingen en bewijzen te vinden, onder andere rudimentaire organen (organen die nog wel aanwezig zijn in organismen, maar die geen duidelijke functie meer hebben) en fossielen.

Later sprak men zelfs van het Neodarwinisme, wat inhield dat de theorie die Darwin had bedacht nogmaals werd bewezen, maar dan met behulp van de moderne genetica. Uit dit Neodarwinisme is de huidige evolutietheorie opgezet.


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

bedankt voor je samenvatting! voor biologie moeten we hetzelfde doen, maar ik wist niet precies hoe ik moest beginnen.
Nu kom ik weer een stuk verder

9 jaar geleden

A.

A.

Ik geloof er niet in! Jij? Ik geloof dat God de wereld geschapen heeft hoe hij nu is.

4 jaar geleden

J.

J.

Zozo goed hoor?

2 jaar geleden