Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Stedelijke gebieden

Beoordeling 4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1086 woorden
  • 21 april 2013
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 4
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Aardrijkskunde: stedelijke gebieden
2 De stad als sociaal centrum (CE)
Stedelijke distributie: Het bevoorraden van winkels en horeca.
Bij het bevoorraden van winkels en horeca botsen verschillende belangen met elkaar:
1) De transportondernemingen moeten zorgen voor betrouwbare aanvoer van goederen tegen redelijke tarieven.
2) De winkeliers willen steeds kleinere voorraden van een steeds groter assortiment. Dit leidt tot kleine zendingen en daardoor veel verkeer.
3) Het winkelpubliek wil sfeervol winkelen en dichtbij parkeren. Maar parkeerplaatsen en straatmeubilair vreten ruimte.
4) Stadsbesturen willen de bebouwing in de binnensteden verdichten. Maar dan moet de stad jarenlang op de schop, wat slecht is voor de omzet van de bedrijven.


De concurrentie om de ruimte is fel: de huren en de grondprijzen zijn hoog. Een bouwmarkt tref je niet zo snel aan in het centrum, omdat de voorraad goederen veel ruimte in beslag neemt. Ook kantoren, banken, verzekeringsmaatschappijen en grote bedrijven kiezen voor een locatie met een goede bereikbaarheid.
Bereikbaarheid: De mate waarin je binnen korte en zonder moeite kunt komen waar je wilt.
Verkeersknooppunt: Een punt waar vaak meerdere (lucht-, spoor-, water- of auto) wegen bij elkaar komen.
Reikwijdte: De afstand die je maximaal wilt afleggen om gebruik te maken van een voorziening.
Verzorgingsgebied: Het gebied waarvoor de stad allerlei voorzieningen aanbiedt.
Drempelwaarde: Het minimum aantal klanten dat een bedrijf of voorziening nodig heeft om rendabel te zijn.


3 De stad als economisch centrum (CE)
Kenniseconomie: Een economie waarbij de productiefactoren arbeid en kapitaal sterk gericht zijn op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologie.
In een kenniseconomie gaat het om twee soorten kennis:


1) ‘Harde’ technologische kennis, technische uitvindingen.
2) ‘Zachte’ sociale kennis, gedrag van mensen en hun drijfveren.


Zakelijke dienstverlening: Die bedrijven in de tertiaire sector die allerlei diensten aan het bedrijfsleven en de overheid bieden.


Bedrijven hebben de neiging om elkaars nabijheid op te zoeken. Doordat ze bij elkaar in de buurt zitten, kunnen ze allerlei informatie, diensten en goederen makkelijker met elkaar uitwisselen.


Mensen die in de creatieve beroepen werkten, zoals vormgevers, marketeers, architecten en ICT-deskundigen, vestigden zich weer in de stad en functioneerden als een motor voor de economische ontwikkeling. Dat heeft twee oorzaken:


1) De creatieve wonen graag in steden en geven relatief veel geld uit aan stedelijke voorzieningen.
2) De creatieve creëren een sfeer van succes, scoren en geld verdienen. Dat geeft andere bedrijven gelegenheid daarvan te profiteren.


Creatieve stad: Een stad met een hoog aandeel werkende in creatieve beroepen.


Stadsbesturen stimuleren bedrijven om zich in de stad te vestigen: werkgelegenheid en belastingopbrengsten.


Duale arbeidsmarkt: De grote kloof tussen banen voor hoog- en laagopgeleiden.


4 Problemen in de stad aanpakken (CE)
Stadsvernieuwing: Investeringen in het verbeteren van de kwaliteit van de woningen (ca. 1980-1990).


Herstructurering: Het slopen van slechtere huurwoningen en de nieuwbouw van duurdere koopwoningen. Tevens het verbeteren van de openbare ruimte (na 1990).


Gentrification: Oude wijken krijgen meer inwoners uit de midden- en hogere sociaaleconomische klasse.


Problemen in de stad komen voor een deel voort uit de verschillen tussen bevolkingsgroepen: verschillen in inkomen en herkomst of etniciteit. Hierdoor ontstaan meerdere problemen:


1) Goedkope huurwoningen
2) Slecht bouwmateriaal
3) Te hokkerig en te klein
4) Slechte kwaliteit van de woonomgeving: verloederende kinderspeelplaatsen, vervuilde openbare ruimten.
5) Toename van asociaal gedrag: berovingen, vernielingen, drugsgebruik, alcoholgebruik op straat en graffiti.
6) Afname van het aantal commerciële en niet-commerciële voorzieningen.
7) Sociale en etnische spanningen tussen in de buurt wonende bevolkingsgroepen.
8) Dalende populariteit bij zittende bewoners en dalend imago buiten de wijk.
9) Stijgend aantal lagere-inkomensgroepen: langdurig werklozen, allochtonen, eenoudergezinnen, studenten en ouderen.


5 Samenwerking rond de stad (CE)
Ruimtegebrek is een groot probleem voor steden en ze zullen dit probleem alleen door regionale samenwerking met de omliggende gemeenten kunnen oplossen.


Regionale samenwerking: Samenwerking tussen de drie bestuurslagen – gemeenten (stadsregio’s), provincies en Rijk – die noodzakelijk is omdat de aanspraken van bewoners en bedrijven op de ruimte en voorzieningen vaak de gemeentegrens overschrijden.


Het bestuur van Nederland bestaat uit: het Rijk, de twaalf provincies en de 431 gemeenten.


Bestuurlijke netwerken: Vrijwillige samenwerkingsverbanden tussen besturen van overheden en maatschappelijke organisaties.


De bestuurlijke netwerken werken samen op twee manieren:


1) Stadsregio’s krijgen geld van het Rijk om problemen op te lossen.
2) Vrijwillige samenwerkingsverbanden tussen gemeenten stadsregio’s en provincies.


Publiekprivate samenwerking: De samenwerking tussen bedrijfsleven en overheid (pps).


6 Buurtprofiel (CE)
Een stad kun je verdelen in woonwijken, de woonwijken verdeel je weer in buurten.


Buurtprofiel: De belangrijkste kenmerken van een bepaalde buurt samengevat: bewonerskenmerken, woningkenmerken en omgevingskenmerken.


Woonomgeving:De directe omgeving van woningen: voorgevel, balkon, voortuin, stoep, straat, plantsoen e.d.


Woningen weerspiegelen de behoefte van de tijd waarin ze gebouwd werden:


- eind negentiende eeuw -> goedkope huurwoningen voor arbeiders
- vanaf 1901 -> grotere huizen met meerdere kamers
- na de tweede wereldoorlog -> arbeiderswijken met goede, maar kleine eengezinswoningen
- na de tweede wereldoorlog -> portiekflats
- jaren zeventig -> galerijflats
- na 1980 -> redelijk goedkope huurwoningen en nieuwbouwwijken
- na 1985 -> dure appartementen en huizen


Woningkenmerken:


1) Ouderdom (bouwjaar)
2) Eigendom (koop, huur van particulier of coöperatie)
3) Woningtype (vrijstaand, rijtjeshuis, portiekflat, galerijflat enzovoort)
4) Staat van onderhoud (goed, slecht, gerenoveerd of niet)


Bewonerskenmerken:


1) Grootte van huishoudens (aantal personen in een huishouden)
2) Etniciteit (allochtoon of autochtoon, westers of niet-westers)
3) Inkomen (hoogte in euro’s per jaar, uitkering of niet)
4) Gezinsfase (alleenstaande ouder, paar zonder of met kinderen, ouderen)


7 De woonomgeving (CE)
Overlast: Hinder die buurtbewoners ondervinden, bijvoorbeeld door harde muziek op ongewone tijden, vervuiling op straat, luidruchtige jongeren, intimidatie, drugsteelt of handel, enzovoort.


Verloedering: Achteruitgang van de fysieke omgeving door bijvoorbeeld vandalisme, graffiti, zwerfvuil en hondenpoep.


Sociale (on)veiligheid: De bedreiging van de veiligheid die van binnen de samenleving komt, zoals misdrijven en overtredingen tussen burgers onderling.


Objectieve sociale (on)veiligheid: De (on)veiligheid afgemeten aan het aantal criminele feiten dat door de politie is geteld.


Subjectieve sociale (on)veiligheid: Het gevoel van (on)veiligheid dat veel mensen in de buurt hebben.


Openbare ruimte: Ruimte die er voor iedereen is, maar die soms van niemand lijkt te zijn.


Toegankelijkheid: Ook kwetsbare mensen kunnen gebruikmaken van de openbare ruimte.


Stadsbestuurders moeten ervoor zorgen dat alle gebieden toegankelijk blijven, ook voor kwetsbare mensen, zoals ouderen, gehandicapten, of meisjes en vrouwen alleen. Hiervoor dienen ze te zorgen voor: onderhoud, overzichtelijkheid en toezicht.


Onderhoud: Tijdig opruimen en herstellen van de openbare ruimte.


Overzichtelijkheid: Een goede inrichting en indeling van de openbare ruimte.


Toezicht: Aanwezigheid van een aanspreekpersoon in de openbare ruimte.


Sociale cohesie: De bereidheid van burgers om een actieve rol te spelen in een buurt, elkaar te informeren en te helpen.


Buurt- of wijkvoorzieningen: Ontmoetingsmogelijkheden voor de bewoners van een buurt of wijk.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Y.

Y.

thx lol

3 jaar geleden