Regionale Beeldvorming paragraaf 6, H1 en 2

Beoordeling 5.8
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 3e klas havo | 505 woorden
  • 25 augustus 2003
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.8
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Begrippen.
- Associëren (van informatie): nieuwe informatie koppelen aan al bestaande informatie die in het geheugen is opgeslagen.
- Interpretatie (van informatie): de manier waarop iemand de dingen waarneemt en daaraan een betekenis geeft. De voorkennis, patronen, verwachtingspatroon, samenhang tussen symbolen en de context spelen hierbij een rol.
- Geografisch beeld: typering van een regio aan de hand van de kenmerken: ligging en situatie, relaties binnen het gebied en met andere gebieden, cultuur demografie, economie en politiek, fysische omstandigheden.
- Absolute ligging: ligging van een verschijnsel, plaats of gebied aangeven m.b.v het graden en minuten. Deze geven namelijk de absolute ligging aan. Het tegenovergestelde van absoluut is relatief.

- Relatieve ligging: ligging van een verschijnsel, plaats, gebied ten opzichte van andere verschijnselen, plaatsen, gebieden.
- Ruimtelijk gedrag: de manier waarop de mens zich in de ruimte of een gebied gedraagt. Oftewel: de manier waarop mensen handelen in een bepaalde gebied. De manier waarop de mens met zijn omgeving omgaat, hoort hier ook bij.
- Mental map: (subjectief) beeld dat iedere persoon van een gebied heeft.
- Regiomarketing/citymarketing: promoten van een regio om het imago van een gebied te vergroten. Ze richten zich dan voornamelijk op ondernemers, toeristen en bewoners. De wijze van benadering is productgerichtheid en klantgerichtheid.
§ 6.
Cartograaf: zender (bij kaarten).
Kaartbeeld: ontvanger (hoe je het interpreteert). Het beeld van de werkelijkheid dat tot stand komt via kaarten als informatiebron.
Cartograaf.
Maakt gebruik van
- Projectie: de vorm van een gebied, ten opzichte van de ronde vorm van de aarde, kun je veranderen (bijv. recht i.p.v rond) om zo bepaalde vormen naar voren te brengen.
- Kleurgebruik: rekening houden met de emotionele waarde van kleuren. De associatie die een bepaalde kleur opwekt, maar kleuren die naar de achtergrond verdwijnen en kleuren die juist naar voren springen moeten in de juiste proportie gebruikt worden. Grijstinten en kleuren kunnen beide gebruikt worden voor arceringen. De grijstinten moeten niet te veel opvallen, maar ook niet te vaag en ingewikkeld zijn.
- Symboolgebruik: i.p.v kleuren, gebruik maken van symbolen.

- Classificerende: cijfers die gegroepeerd worden in verschillende klassen, zodat er niet voor ieder waarde een aparte kleur of symbool is. Bij weinig klassen en bij grote klassen kun je minder informatie uit de kaart halen. Ruimtelijke schaal heeft hier ook invloed op.
- Absolute of relatieve getallen: Soms is het beter om gegevens over een bepaalde categorie verschijnselen op te splitsen naar twee categorieën deelverschijnselen.
De keuze van het soort kaart dat de Cartograaf kiest is afhankelijk van het doel. Zonder het doel kun je niet zorgen dat de ontvanger een bepaald beeld interpreteert en dan kun je ook niet het kaartdoel naar voren brengen. Een kaart moet eenvoudiger zijn dan de werkelijkheid om een overzichtelijk beeld te krijgen. Daardoor wordt de informatie vervormd, de zender vormt een beeld om overzicht te creëren.
H 2
- Stereotype/stereotypering: karakterisering van bijvoorbeeld een individu, volk of landaard die strek generaliserend is en niet gebaseerd is op een goede en objectieve waarneming.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.