Hoofdstuk 1: Geografische Beelden
Paragraaf 1: Een aardrijkskundige bril
Regio = een afgegrensd gebied (bijv. gemeentegrens of provinciegrens, of een denkbeeldige grens van iemand) regio’s worden vaak op wetenschappelijk onderzoek ingedeeld (bijv. klimaat: neerslag en temperatuur).
Tot jaren 50 onderzocht men regio’s als aparte gebieden, met een eigen mentaliteit en economie, door de internationalisering (communicatie en handel) gaat men grootschaliger onderzoeken en ontstaan er nieuwe typen regio’s die in verband staan.
Homogene regio = een gebied met kenmerken die voor dat hele gebied gelden (bijv. Tarweregio of droge zone).
Nodale regio (of functionele regio) = een gebied dat op 1 of meerdere kernen gericht is (bijv. Forensisme of verzorgingsgebieden).
Mental map = een subjectief beeld wat ieder persoon van een gebied heeft.
Beperkt beschikbare informatie of juist gekleurde informatie leiden tot onjuistheden in de beeldvorming. Dit kan tot verschillende politieke opvattingen leiden en ook tot een keuze maken van woonplaats of bijv. een vakantiebestemming. Om deze besluiten goed te kunnen maken is het belangrijk dat je een geografisch beeld hebt.
Geografisch beeld = een typering van een regio aan de hand van kenmerken.
Kenmerken van een geografisch beeld zijn:
- Ligging (absolute ligging; positie van een regio op de aardbol en grote van de regio en relatieve ligging; ten opzichte van andere gebieden bereikbaarheid en toegankelijkheid)
- Mens en maatschappij (demografie, economie, cultuur en politiek)
- Fysisch milieu, gekoppeld aan de ruimtelijke inrichting (natuurlijke omgeving; relief, klimaat, bodem, vegetatie, delfstoffen en ecologische waarden bepalen voor een deel de mogelijkheden voor de inrichting van het land)
- Relaties binnen het gebied en met andere gebieden (handelsrelaties, toerisme, bondgenootschappen, migratie en forensisme)
De verschillende kenmerken hangen nauw met elkaar samen, veranderingen van dit geografisch beeld (bijv. door de groei van de bevolking) noemt men dynamiek. Een geografisch beeld is handig om verschillende gebieden met elkaar te vergelijken, en om ontwikkelingen in een bepaalde regio te bestuderen.
Paragraaf 2: Hoe kom je erbij?
Zender = degene die de informatie stuurt in een bepaalde vorm en met een bepaald doel. Het is belangrijk te onderzoeken wie de zender is en wat de mogelijke bedoelingen van die zender zijn.
Medium = het middel waarmee de informatie verzonden wordt.
Ontvanger = degene die informatie ontvangt en die informatie selecteert, associeert en interpreteert.
Perceptie = een beeld dat de ontvanger al heeft voordat de informatie de hersenen bereikt.
Associatie = dat de hersenen van elk stukje informatie nagaan of er een verband bestaat met kennis die al in het geheugen is opgeslagen.
Ruis = de factoren die voor de afwijking in het beeld van de ontvanger zorgen.
Interpretatie = manier waarop iemand de dingen waarneemt en daar een betekenis aangeeft.
Collectieve beelden = beeld van een regio of verschijnsel bij een groep mensen of een volk. Je eigen omgeving beïnvloed de beelden die je van andere gebieden hebt.
Stereotypering = karakterisering van bijv. een individu, volk of land die niet is gebaseerd op een goede, objectieve waarneming. (bijv. Alle Belgen zijn dom!)
Imago = een collectief beeld dat mensen van een bepaald gebied of verschijnsel hebben.
Paragraaf 3: Informatie over regio’s
Kaartbeeld = beeld van de werkelijkheid dat tot stand komt via kaarten als informatiebron. (GB blz. 10 en 11 staan alle soorten kaarten en projecties)
Keuzes die een cartograaf moet maken voor het maken van een kaartbeeld:
- Projectie; is de techniek van het weergeven van een bol op een plat vlak, en dit is onmogelijk. Een kaart moet eigenlijk aan 3 eisen voldoen:
Hoekgetrouw: Mercaterprojectie (cilinderprojectie), de vormen van de afgebeelde gebieden kloppen met de vormen van de bol, dit werd gedaan voor de scheepvaart met een licht van binnenuit de bol, waardoor Nederland groter lijkt op de kaart doordat het noordelijk ligt.
Oppervlaktegetrouw: Projectie van Peters, gebieden worden niet te groot getekend in vergelijking tot andere gebieden.
Afstandsgetrouw: Projectie van Winkel, deze projectie is ook redelijk oppervlakte en hoekgetrouw, en houdt in dat de kaart op schaal in alle richtingen gelijk zou moeten zijn, zodat afstanden tussen gebieden kloppen.
- Kleurgebruik; Bij kleur moet de cartograaf rekening houden met de associatie die mensen bij bepaalde kleuren hebben. (Rood staat voor gevaar en groen is rustgevend), hoe groter de waarde of het getal meestal hoe roder of donkerder de kleur.
- Selectie; de cartograaf moet keuzes maken, bij een kleine schaal moet je bijvoorbeeld dingen weglaten of juist overdrijven (bijv. kleine slootjes en wandelpaden).
- Symboolgebruik; In plaats van kleuren kan een cartograaf ook symbolen gebruiken. Dit wordt vak gedaan voor delfstoffenkaartjes, symbolen kunnen groter worden bij een grotere waarde.
- Classificeringen; Het is onmogelijk om voor iedere getalswaarde een aparte kleur of arcering of symbool te maken, daarom worden de cijfers verdeeld in klassen. De klassen worden bepaald door de grote van de hoeveelheid informatie en hoe minder of hoe groter de klassen hoe minder gedetailleerd de kaart is.
- Absolute en relatieve getallen
Hoe beoordeel je een regionaal beeld?
1) Ga na wie de zender is, en wat is het doel van de zender. Zorg er voor dat je niet alleen 1 type zender hebt want dit kan leiden tot een onvolledig of eenzijdig geografisch beeld.
2) Ga na hoe de informatie van de bronnen tot stand is gekomen. Primaire gegevens zijn gegevens die de zender zelf heeft verzameld en secundaire gegevens zijn gegevens uit statistieken en artikelen.
3) Uiteindelijk moet je kijken of je alle elementen hebt die een geografisch beeld moet hebben.
Hoofdstuk 2: Regionale Beeldvorming en ruimtelijk gedrag
Paragraaf 1: Vakantie Bestemmingen
Bij een keuze van een reisbestemming spelen 3 factoren een rol:
- Het beeld dat de zender van het betreffende gebied indraagt, veel informatie komt uit reisgidsen en van verhalen van vrienden en kennissen. Informatie is deels objectief, deels ook subjectief.
- Het beeld dat iemand van een gebied heeft, mensen gaan niet naar landen waarvan ze bijv. denken dat het gebied onveilig is, of dat de mensen er niet aardig zijn, ondanks de mooie reisgidsen.
- Belemmerende factoren zoals kosten, tijd, afstand en gezinsfase, bij de keuze van je bestemming moet je rekening houden met praktische zaken zoals de kosten, tijd en afstand.
De keuze van je vakantie is tegenwoordig ook een soort statussymbool (twee weken Thailand klinkt beter dan 2 weken Ameland).
Het imago van een land heeft een sterke invloed op het maken van een keuze voor een vakantiebestemming. Belangrijk is bijv. de infrastructuur; luchthavens, wegen, hotels, restaurants, pretparken etc. Een gebied kan zich ontwikkelen tot een groot toeristisch centrum, dit gaat volgens 4 stadia:
1. Nauwelijks toeristisch; geen toeristische infrastructuur.
2. Toerisme in opkomst; er wordt geïnvesteerd in bezienswaardigheden en verblijfsmogelijkheden.
3. Toerisme in bloei; uitgebreide mogelijkheden voor toeristen, goede infrastructuur.
4. Verval; veroudering in infrastructuur, of slechte naam door drukte en criminaliteit.
Paragraaf 2: Riskante woonplaatsen
Mensen zoeken goed en veilige woonplaats, volgens deze voorwaarden:
- Voldoende voedsel en drinkwater beschikbaar.
- Brandstof om vuur aan te maken.
- De woonomgeving moet veilig zijn.
- Klimaat moet acceptabel zijn.
Mensen passen zich aan aan hun omgeving (bijv. dijken tegen overstromingen en stevige gebouwen tegen aardschokken). Deze verschillende leefomstandigheden leiden tot verschillen in ruimtelijk gedrag; manier waarop de mens zich in de ruimte of en gebied gedraagt.
Sommige gebieden blijven onbewoonbaar (bijv. moerassen en hooggebergten).
Sommige gebieden hebben vaker te maken met natuurrampen, deze gebieden kunnen bijv. op de grens van 2 aardkorstplaten liggen, dit veroorzaakt aardbevingen, ook zijn er landen die waar vaak overstromingen, vulkaanuitbarstingen of orkanen plaatsvinden.
Ondanks dit zijn de gebieden nog steeds dichtbevolkt en keren bewoners terug naar de getroffen gebieden. Redenen hiervoor zijn:
- Meestal komen natuurrampen niet regelmatig voor, het gevaar lijkt ver weg.
- Informatie over risico is vaak niet duidelijk of onbetrouwbaar.
- Natuurrampen zijn gebeurtenissen waar de mens geen controle op kan uitoefenen, door beperkingen in bijv. geld is dit gevaar bijna niet te voorkomen.
- Ook zijn mensen gehecht aan hun woongebied, ze hebben er hun werk en sociale contacten.
Manieren om risico’s te beperken:
- Technische middelen (bijv. zware dijken, stevigere gebouwen)
- Voorlichting door bijv. overheden over wat je moet doen bij natuurrampen, en er wordt onderzoek gedaan om rampen beter te kunnen voorspellen.
Paragraaf 3: Wonen en wensen
Voorkeursregio = de regio waar mensen graag willen verblijven, bijvoorbeeld om er te gaan wonen, werken of recreëren. De voorkeur zegt iets over de manier waarop zij willen wonen en op het beeld dat mensen van een bepaalde regio hebben.
De voorkeurs regio wordt bepaald door belangrijke criteria:
- Stedelijke voorzieningen; goede winkels, uitgaansmogelijkheden, goede scholen en andere opleidingsmogelijkheden.
- Landschappelijke mogelijkheden; bos- en natuurgebieden, recreatie op of aan het water.
- Kwaliteit fysisch milieu; afwezigheid van lucht- en water verontreiniging en geluidshinder.
- Kenmerken woningmarkt; een redelijke prijs voor een aantrekkelijke woning.
- Mogelijkheden voor sociale contacten; aanwezigheid vrienden en kennissen, familie, en de mentaliteit van de bevolking.
Nederlanders verhuizen tamelijk weinig, ong. 12% per jaar, in de VS is dat 20%, en in NL verhuisd 80% dan niet verder dan over een afstand van 10 km. Op uitzonderingen na verhuisd iedereen minimaal 1 keer in zijn leven, dit heeft te maken met de volgende omstandigheden:
- de levensfase; op jezelf wonen, nieuwe studie, trouwen, samenwonen, krijgen van kinderen, scheiding of dood van je partner (soms ook pensioenmigratie, oudere keren terug naar hun geboortestreek)
- de sociaaleconomische positie; men moet soms verhuizen door hun werk, rijke mensen hebben een groter woningaanbod en kunnen het makkelijker financieren. Bij oudere heb je 2 groepen: de “empty nesters”, deze zijn cultureel georiënteerd en gaan de stad opzoeken en je hebt een groep die de rust en ruimte op het plattenland zoekt.
- de individuele en maatschappelijke omstandigheden; Meestal verhuisd men in de buurt vanwege vrienden en familie, 2 redenen omdat niet te doen zijn ander werk of je studie. Ook zijn er mensen die op hun vertrouwde plek willen blijven en mensen die iets nieuws opzoeken.
Paragraaf 4: Gebieden in de aanbieding
Regiomarketing = promoten van een regio om het imago van een gebied te vergroten. Het gaat hier niet om directie verkoop van een gebied, maar om het collectieve beeld van een stad of streek. Elke stad wilt een dynamisch cultureel en sportief imago, dit is aantrekkelijk voor bezoekers en ondernemers.
De doelstelling van regiomarketing is naamsbekendheid een verbetering van de beeldvorming van de stad of een gebied.
- Regio als vestigingsgebied voor bedrijven: gebiedskenmerken die van belang zijn voor een ondernemer krijgen extra aandacht, zoals en goede infrastructuur, ruimte voor industrieterreinen en de relatieve ligging ten opzichte van leveranciers en afnemers. Maar ook premie- en subsidieregelingen, de grondprijs en het leefmilieu voor de werknemers.
- De regio als recreatiegebied: Deze regio is gericht op toeristen, naamsbekendheid en attractie-elementen zijn belangrijk, zoals het strand, het bos of dierentuinen en pretparken.
- De regio als woongebied: Gezelligheid van het stadcentrum, het karakter van de stad en de bewoners van de stad. Ook de zuiverheid van de lucht, speelvoorzieningen voor kinderen, openbaar vervoer, winkels, uitgaansgelegenheden en groenvoorzieningen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.