Aardrijkskunde examentoets ‘Regionale beeldvorming’
Hoofdstuk 1
· Tekst 1
Gebied = regio = vastomgrensd gebied met een eigen ruimtelijke organisatie en ruimtelijke inrichting.
o Ruimtelijke organisatie = aan een gebied wordt een bepaalde functie/bestemming gegeven (door autoriteiten) o Ruimtelijke inrichting = inrichting v/d ruimte op basis van de door de overheid gekozen functie/bestemming.
· Tekst 2
Een beeld dat je van een willekeurige regio hebt, is onvolledig
· Tekst 3
Mentaal beeld: beeld dat mensen v/e bepaalde regio hebben. Onvolledig. Het mentale beeld wijkt af van de werkelijkheid. Meestal positiever door -> het neighbourhoodeffect: ‘onbekend maakt onbemind’; eigen regio wordt hoger gewaardeerd dan andere regio’s.
· Tekst 4
Individueel mentaal beeld (mental map): het ruimtelijk beeld dat 1 persoon heeft van een bepaalde regio.
· Tekst 5
Mensen beoordelen een beeld op basis van referentiekader (zaken die mensen zelf belangrijk vinden & op basis waarvan ze een beeld beoordelen). Factoren: kennis, interesse, traditie, politieke overtuiging, mode, persoonlijke voorkeur en godsdienst.
Perceptie: mensen vormen o.b.v. hun referentiekader altijd een subjectief beeld v/d objectieve werkelijkheid.
Bestaand beeld beïnvloeden Individueel mentaal beeld
Referentiekader /perceptie
· Tekst 6
Mensen bouwen een individueel mentaal beeld op aan de hand van: - ruimtelijke informatie; - collectieve mentale beelden.
· Tekst 7 Info over een bepaald gebied of de bewoners daarvan. Wordt overgebracht via een communicatieproces (overdragen info zender -> ontvanger). De boodschap v/e zender: idee, gedachte, gevoel, die de zender wil overbrengen aan 1 of meer personen. Het doel v/d zender is dat zijn boodschap bij de ontvanger zodanig overkomt, dat deze in zijn gedrag rekening houdt met de boodschap. Alle ontvangers die een zender wil bereiken, vormen de doelgroep v/e zender.
Medium: een (hulp)middel om een boodschap over te dragen.
Twee factoren die ervoor zorgen dat je als ontvanger niet klakkeloos het beeld overneemt dat een zender schetst: 1) de boodschap komt lang niet altijd over bij de ontvanger; 2) er zijn vrijwel altijd verschillende zenders.
· Tekst 8
Een zender is door zijn standplaatsgebondenheid verbonden aan een bepaalde regio.
· Tekst 9
Om een boodschap over te brengen, heeft een zender een medium (zie tekst 7) nodig. De keuze voor een bepaald medium bepaalt het bereik v/d boodschap.
· Tekst 10
Er zijn 4 typen ruimtelijke informatie: 1) toeristische voorlichting: proberen interesse v toeristen op een bepaalde regio te vestigen. Doel: toerist bezoekt gebied. Hoeft niet alleen positief te zijn, een negatief reisadvies valt er ook onder. 2) regio– en citymarketing: doel: bedrijvigheid te behouden of aan te trekken (werkgelegenheid) 3) nieuws: doel: informatie geven over een bepaald onderwerp dat i/d regio actueel is. 4) ruimtelijke voorlichting: beschrijvingen v/e bepaalde regio met als doel het geven van voorlichting.
· Tekst 11
Statiscalculation: met statistieken kun je overdrijven, benadrukken, verwarren, simplificeren zonder dat je met de cijfers gaat ‘sjoemelen’.
Veel misleidende cijfers worden verkregen door: - onvolledige vraagstelling. De cijfers kloppen dan wel, maar worden op een onvolledige manier verkregen; - te kleine populatie; - oorzaak-gevolgrelatie; - minimale statistische verschillen;
Statistische grootheden: gemiddelde, modus en mediaan. Gemiddelde: alles optellen en de som delen door het aantal inkomens. Modus: meest voorkomende. Mediaan: de helft van alle gemeten waarden.
· Tekst 12
Ook kaarten kunnen misleidend zijn. Een cartograaf moet altijd generaliseren, en kan bewust of onbewust fouten maken. Sterk generaliseert -> kaartje is nog maar geschikt voor 1 doel.
Commerciële kaarten: bijv. hotel middelpunt Europa ; Planologische kaarten: cartograaf moet nut overtuigen van nieuw winkelcentrum, wijk, weg of tunnel; Militaire kaarten: kaarten produceren waarop strategische locaties zich op een verkeerde plaats bevinden; Politieke kaarten: bijzonderheden staan centraal, die de politieke situatie v/e land weergeven;
· Tekst 13
Collectieve mentale beelden zijn mentale beelden die bij een grote groep mensen bestaan over een bepaalde regio.
· Tekst 14
Vanuit ons huidige collectieve mentale beeld spreken we van ‘ontwikkelingslanden’ en ‘welvarende landen’, omdat deze begrippen positiever zijn dan andere en ze recht doen aan onderlinge verschillen.
Ontwikkelingslanden: snel groeiende bevolking, ernstige armoede onder brede lagen v/d bevolking, fragmentarische modernisering en economische onafhankelijkheid.
· Tekst 15
Onderwijs draagt bij aan de vorming van collectieve mentale beelden van regio’s en hun bewoners. In het onderwijs leren we immers alles over onze culturele, economische en politieke achtergrond.
· Tekst 16
Media dragen bij aan de vorming van collectieve mentale beelden. (krant, televisie)
· Tekst 17 & 18
Stereotypen: beelden van regio’s die het specifieke benadrukken. Stereotypen onder grote groepen mensen zijn ook collectieve mentale beelden. Onderwijs en media kunnen bijdragen om stereotypen te doorbreken.
· Tekst 20
Een cultuur is een bepaalde beschaving met kenmerkende waarden, normen en tradities. Wanneer er een samenhang bestaat tussen de verschillende elementen van cultuur is er sprake van een cultuurpatroon.
Waarden: beginselen ofwel gemeenschappelijke ideeën binnen een maatschappij of bevolkingsgroep. Waarden spreken uit over wat goed en fout is en wat je zou moeten nastreven. Waarden leiden tot normen. Een norm is wat men normaal vindt in een bepaalde samenleving. Het zijn regels (wetten) en gewoonten die uit bepaalde waarden zijn voortgekomen.
Subcultuur: een cultuurpatroon wijkt in zekere mate v/h algemeen aanvaarde cultuurpatroon af, maar tegelijkertijd toch overeenkomt met de belangrijkste elementen v/h algemeen cultuurpatroon.
Contracultuur: cultuur die ontstaat omdat een bepaalde situatie als ongewenst wordt ervaren.
· Tekst 22
Etnocentrisme: het beoordelen van een andere cultuur vanuit je eigen normen en waarden. (eigen cultuur wordt als superieur beschouwd)
Hoofdstuk 3
· Tekst 33 t/m 40
Bij het vormen van een geografisch beeld kijk je naar een aantal vaste kenmerken v/e gebied:
- ruimtelijke kenmerken
o ligging: waar op de aardbol, volgens lengte en breedtegraden. Met de ligging zijn volgens alg. wetmatigheden ook een aantal andere zaken bepaald:
- bodemgesteldheid;
- klimaat;
- politieke systemen;
- vegetatie;
- bevolkingsdichtheden.
o Situatie: ligging t.o.v. iets anders, utgedrukt in relatieve afstand. Wordt bepaald door:
- Technologische ontwikkeling;
- Economische ontwikkeling;
- Sociaal-culturele ontwikkeling (positie vrouw);
- Geschiedenis
- gebiedskenmerken
o fysische structuur:
- reliëf;
- klimaat;
- bodem/bodemgebruik/bodemgesteldheid.
o Ruimtelijke inrichting: het nederzettingen patroon
o De samenhang daartussen.
- Bevolkingskenmerken
o Cultuurpatroon;
o Demografische structuur;
o Economische structuur;
o Politieke structuur.
- relationele kenmerken
· Tekst 41
Het cultuurpatroon wordt vooral bepaald door het onderwijs. Het handelt over: - de geschiedenis v/e volk; - godsdienst; - taal; - natie (arme landen hebben zwak natiegevoel); - territorium (arme landen zijn vaak kolonies geweest).
· Tekst 42
De demografische structuur gaat over geboorten, sterfte, enz.: alles wat een bevolking betreft in aantallen en samenstelling.
Arme landen: hoge geboortecijfers, lage sterfte cijfers -> sterke bev.groei
Welvarende landen: het tegenovergestelde.
· Tekst 43
De economische structuur. Indeling: - primair (landbouw, visserij); - secundair (industrie); - dienstensector (tertiair en quartair, niet-commercieel en commercieel)
Arme landen: grote primaire sector, kleine secundaire
Rijke landen: primaire sector 5%, dienstensector 60-70%
Typen economie: markteconomie (commercieel) en planeconomie (centraal geleide economie)
· Tekst 44
De politieke structuur. Grenzen scheiden regio’s Natuurlijke en kunstmatige grenzen.
· Tekst 46 & 47
Interne relaties tussen regio’s kunnen bijv. bestaan door financiële of handelsrelaties. Externe relaties kunnen bestaan door de verhouding kolonie (arme landen) – moederland.
· Tekst 49
Regio’s worden bepaald door de bedenker ervan (zender!) die de uitgangspunten kiest waarop hij/zij gaat indelen. Die indeling is altijd aanvechtbaar, want een andere persoon zou andere uitgangspunten kunnen kiezen.
· Tekst 50
Altijd regio’s van hetzelfde schaal (analyse)niveau vergelijken. Een hoger niveau omvat altijd een lager niveau.
· Tekst 53
Eindconclusie: een mentaal beeld is altijd onvolledig (een model). Een geografisch beeld is dat ook, maar op grond van de kenmerken (ruimtelijke, gebieds, bevolkings, relationele) vollediger gemaakt. Een volledig beeld van een regio geven is feitelijk niet te doen. We moeten daarom keuzes maken, die we wel bekend moeten maken voor derden om geen onbegrip te doen ontstaan. In de geografie kiezen we een aantal vaste uitgangspunten om een regio te bekijken (tekst 33). De verbanden tussen die uitgangspunten (kenmerken) vragen kennis van zaken en dat moet worden GELEERD.
REACTIES
:name
:name
:comment
1 seconde geleden