Natuur en milieu paragraaf 1t/m 5

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas havo | 1310 woorden
  • 1 oktober 2002
  • 70 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 70 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
De Galaxy Chromebook maakt je (school)leven makkelijker!

Met de Galaxy Chromebook Go kun je de hele dag huiswerk maken, series bingen en online shoppen zonder dat 'ie leeg raakt. Ook kan deze laptop wel tegen een stootje. Dus geen paniek als jij je drinken omstoot, want deze laptop heeft een morsbestendig toetsenbord!

Ontdek de Chromebook!
§1 hoe is een landschap opgebouwd?

Landschapselementen:
- Grondsoort
- Relief
- Bodem
- Waterelementen
- Begroeiingselementen
- Elementen van agrarisch grondgebruik
- Infrastructuele elementen
- Gebouwen en nederzettingen

3 belangrijke kenmerken van landschap:
- Natuurlijke opbouw
- Cultuur-historische opbouw
- Ecologische elementen

Natuurlijke opbouw:
Ontstaan door geologische processen in het verleden. Natuurelementen vormen de basis voor het huidige landschap.
- pleistoceen: ijstijd

- haloceen: warmere tijd, nu

Cultuur-historische opbouw:
Manier van inrichten van een landschap door de mens. Mengeling van oude en nieuwe elementen

Ecologische opbouw:
Veel wisselwerkingen tussen de levende elementen en de niet levende elementen→ samenhangend geheel→ ecosysteem
ecotoop: weergave van ecosysteem op kaart
ecosystemen verbonden door stromingen water en lucht→ verplaatsing van stoffen
belangrijk kenmerk: diversiteit: het aantal soorten planten en dieren dat in een ruimte voorkomt

5 factoren die diversiteit beinvloeden:
1. de veranderlijkheid van het milieu: hoge veranderlijkheid→ lage diversiteit, lage veranderlijkheid→ hoge diversiteit
2. hoeveelheid energie en voedingsstoffen: veel energie en voedingsstoffen→ lage diversiteit, weinig energie en voedingsstoffen→ hoge diversiteit

3. variatie in milieuomstandigheden: verschillende soortenleefmilieus dicht bij elkaar→ diversiteit groter
gradienten: plaatsen waar geleidelijke overgangen in landschap voorkomen
4. omvang van natuurgebied: gote omvang natuurgebied→ hoge diversiteit
5. een goede spreiding van natuurelementen: goede spreiding→ diversiteit hoog door verbindingszones

Natuurlijk milieu 4 hoofdfuncties:
- productiefunctie → producten leveren aan de mens
- draagfunctie → voor alles wat we gagelijks doen is ruimte en grond nodig
- informatiefunctie → natuur en milieu is voor de mens een belangrijke informatiefunctie
- regulatiefunctie →zorgt voor een evenwicht, bv. Plantendek voorkomt bodemerosie

ecologische infrastructuur → meer samenhang in aanwezige natuur

kenmerken van eilanden theorie:
- natuurkerngebied → grote natuurgebieden
- verbindingszones → groene linten die natuurkerngebieden met elkaar verbind
- stapstenen → kleine gebieden die verbindingszones onderbreken.

§2 kenmerken van het lÖsslandschap

natuurlijke opbouw
- puinwaaierafzettingen aan voet van middelgebergte
In pleistoceen kwamen oude gebergten omhoog → rivieren sneden in de gebergtes, zoals de maas en rijn. Rivieren kregen teveel puin toegevoerd en namen dit mee → aan voet van middelgebergte daalde stroomsnelheid en werd puin afgezet.
Rivierloop verplaatste zich continu → breede puinwaaiers van zand en grind.
- Plateaus, hellingen en dalen
Zuid Limburg paar keer opgeheven → Maas doorsneed eigen rivierafzettingen erodeerde onderliggende gesteente. Van oorspronkelijke rivierbedding bleven restanten over → terrassen.
Maas → plateaus, hellingen en dalen
- lÖss als afdeklaag
In pleistoceen in zuid limburg, lÖss afgezet.( fijne stofdeeltjes) → waaide over droogliggende rivierbeddingen→ door wind meegenomen → neergelegd aan rand van middelgebergte.
Löss is kalkrijk en vruchtbaar. Plateaus 10 tot 20 meter dik, hellingen 2 tot 5 meter dik.

Cultuur-historische opbouw
- inrichting van de dalen
eerste mensen vestigde zich aan de rand van de dalen → hoger op de helling plateau of akker.
Colluvium: in dalen dikke laag samengespoelde lÖss. Löss → erosie gevoellig.
- Inrichtingvan hellingen en plateaus
Onderaan ontginnen van bos → akkers. Door bodemerosie→ akkers kwamen lager te liggen dan de bosgrond → stijlrand. Bij volgend stuk ontginnen stijlrand ongemoeid → graften → gaan erosie tegen.
Tegenwoordig op hellingen veel grasland → voorkomt bodemerosie.

3 kenmerken van het zandlandschap

natuurlijke opbouw:

- Stuwwallen
Ijs over puinwaaierafzettingen → grondmorene( mengsel van keien en fijngemalen leem) afgezet van keileem.
Ijs schoof verder → ijstongen → dalen uitgediept → tongbekkens
rievierafzettingen opgeduwt tot stuwwallen
aanwezige grondmorene wedr tijdens groeifase opgeduwd → lage stuwwallen uit keileem.

- Zacht, golvend dekzandlandschap:
Laatste ijstijd → Nederland poolwoestijn → wind was landschapsvormer
Fijn zand werd dichtbij afgezet als dekzand.
Einde ijstijd → planten leggen zand vast. Planten zorgen voor ontstaan van dekzandruggen → paraboolduinen , hoogte verschil van 1 tot 2 meter.
Langs rivieren → rivierduinen → planten extra veel stuivend zand vastgehouden → langgerekte zandruggen.
Dekzand → arm zand

Cultuur-historische opbouw
- Essen, groengronden, heide en stuifzand.
Op hogere natte gronden werden akkers aangelegd → essen
Op grote dekzandruggen → essen groot aan de rand van dorp.
Kleine dekzandruggen → essen klein en verspreid.
Laag landschap → groengronden
Heide,voldoende mest op akkers krijgen → schapen → essen dikke laag humus + bolle vorm.
Stuifzand is dekzand door vernielingen van planten verstuiven → oorzaak: steken van dekzand op hoge drog plaatsen met dekzand.
Stuifzand → grote hoogte verschillen.
- Heideontginning, naaldbos
1900 heide omgezet in landbouwgrond → heideontginning→ regelmaatig en rechthoekig patroon. Stuifzand werd bebost en omgezet in naaldbos.
- Moderne landschap
Na 1950 meer gericht op export → schaalvergroting
Moderne landbouwer minder variatie en echte natuur
Na 1980 meer aandacht natuurontwikkelingen en vergroten diversiteit
Provincie’s : Noord-Brabant, Limburg, overijssel, Drente en Gelderland.

§4 kenmerken van het rivierkleilandschap

natuurlijke opbouw
- Oeverwallen en kommen in het oosterlijk rivierkleilandschap
In het haloceen veranderde rivierbeddingen in smalle meanderlopen → waterberging werd kleiner.
Bij overstroming van rivieren spoeld zand en klei uit de bedding. Water werd geremd door bergroeiing → zand bezonk naast bedding → langgerekte zandige oeverwallen → stroomsnelheid was gering, dat alleen kleiig materiaal op de oeverwal afgezet kon worden.
Op wat afstand oude rivierbeddingen met oeverwallen (stroomruggen) → rivier verzandde
Bij overstromingen rivierklei afgezet in kommen → klei bezonk als water tot rust kwamof als water zakte. Kommen lager dan oeverwallen versterkt door ontwatering
- oeverwallen en kommen in westelijke rivierkleilandschap
aan zee. Bij eb konden rivieren goed afstromen. Bij vloed drong het zeewater de mondingen van rivieren binnen → stroomsnelheid werdsterk geremd → zand bleef bij overstroming in de bedding er werd alleen klei afgezet.
Kommen zijn breder en bestaan door lage, natte ligging uit veen.

Cultuur- historische opbouw
- dijken, uiterwaarden, overslagsgronden, wielen.
Door aanleggen van dijken, loop van rivieren vastgelegd. Gebouwd op de rand van oeverwallen. Bij te hoog water werd er tussen de dijken een laagje zandig klei afgezet → uiterwaarden.
Bij hoogwater overdruk van water in buitendijks gebied→water onder de dijk geperst. Aan binnenzijde komt het omhoog als kwelwater → bedrijgt stabiliteit van dijk.
Neervallende water vormde een diep kolkgat → wiel
Meegenomen materiaal werd waaiervormig rondom het wiel afgezet en vormde een zandige of zavelige overslagsgrond.
- Het grondgebied in het oostelijke rivierkleilandschap
oeverwalgronden → woningen, ook geschikt voor akkerbouw en fruitteeld
kommen, nat allen geschikt voor grasland. In neerslagrijke periode → veel water. → in centrum kom, lange weteringen gegraven die komwater via sluizen op rivier loosden. Vanaf 1950 nieuwe diepe watergangen gegraven die in natte periode water afvoeren en in droge periode water toevoeren. → elk grondgebruik mogelijk, veeteeld overheerst.
- Het grondgebruik in het westelijk rivierkleilandschap
Bebouwing in lange stroken bij rivierdijken → langgerekte dijkdorpen. Grasland overheerst.
De natte venige kommen worden ontwaterd door een dicht net van sloten.

§5 kenmerken van het zeekleilandschap

natuurlijke opbouw
- Kwelders
Zeeklei afgezet op kwelders: gebieden aan de kust die boven het niveau van normalevloed liggen → ontstaan in waddengebied.
Belangrijk is ritme, eb en vloed. Vloed → zeewater met zand en klei stroomt via grote diepe wadgeulen toe. Bij eb stroomt het via de geulen weer weg.
Wadden: zandplaten die bij eb droogvallen. Tegen kust worden wadden hoger en kleiiger → zoutminnende planten die bij vloed stroming remmen → water verzameld zich in geultjes tussen de planten → ontstaan kreeke n→ overstromen bij vloed → zandige klei afgezetdat bezinkt tussen planten → groeit omhoog en ontstaan kwelder met dicht patroon van kreken. zand licht bovenop omdat klei eerder zakt als zand → kreekruggen
- Zeeklei en zeespiegelstand
Als kwelder niet is overspoeld door zee → afzetting van zeeklei stopt. Nieuwe kwelder tegen oude aan. Stijging van zeespiegel bevorderd de ophoging met zeeklei.
Vanaf begin haloceen tot 5000 jaar geleden → zeespiegel -4 NAP → afgezette zeeklei op kwelders → oude zeeklei
Afzettingen vanaf 3000 jaar geleden tot nu jonge zeeklei, bovenkant van jonge zeeklei tussen -1 en +1 NAP

Cultuur-historische opbouw
- de oppbouw van een zeekleipolder
voor indijken woonden mensen op hoger opgeslipte plaatsen, oude kreekruggen of terpen. Na indijken → waterstand kunstmatig geregeld, er ontstonden polders. Het overtollige water werd via sluis in de dijk bij eb geloost. Bij vloed werd sluis gesloten.
Vroeger talrijke door dijken omgeven polders, nu binnendijken afgegraven → poldres vergroot.
Gebruik van akkerbouw en veeteeld

- droogmakerijen
drroogmakerijen → waar zeeklei in de buurt van de -4 tot-5 NAP ligt. Bij oude zeeklei → drooggelegde natuurlijke merenen veenplassen.
Men begon met aanleggen van ringdijken aan de buitenzijde van ringdijk werd ringvaart gegraven, die water uit droogmakerijen afvoert en opvangt.
Droogmakerij werd drooggemalen en rechthoekig verkaveld
Jonge zeeklei niet afgezet op kwelders, maar bezonken op de bodem van voormalige zuiderzee.
Door lage ligging in beide droogmakerijen veel kwel.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

".

".

De spellingsfouten in deze samenvatting vind ik nogal storend, soms zijn woorden niet eens meer herkenbaar.
Typfouten zijn het in ieder geval niet, want hetzelfde woordje wordt vaker op de verkeerde manier herhaald.

16 jaar geleden