Jongeren met messen

Er komen veel berichten in het nieuws over jongeren die betrokken zijn bij steekincidenten. Wat merken jullie van het messenbezit onder jongeren? Vul onze (anonieme) vragenlijst in! Duurt maar 2 minuten.


ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

NATUUR EN MILEU



HOOFDSTUK 1



PARAGRAAF 1




De belangrijkste natuurelementen

- de grondsoort

- het relief

- de bodem

- waterelementen

- begroeiingselementen

- elementen van het agrarisch grondgebruik

- infrastructurele elementen

- gebouwen



landschap=het zichtbare deel van het aardoppervlak



elk landschap is ontstaan door geologische processen in het verleden. Samen vormen de natuurelementen de basis voor het huidige landschap.



De mensen gebruiken het landschap en passen de inrichting steeds aan aan de eisen van de tijd, waardoor het landschap verandert





Ecosysteem=samenhangend geheel van levende en niet-levende elementen in een bepaalde ruimte

Ecotoop=de weergave van een ecosysteem op een kaart



Elk landschap is opgebouwd uit ecosystemen. Een belangrijk kenmerk van ecosystemen is diversiteit

Vijf factoren die de diversiteit beinvloeden:

1. De veranderlijkheid van het milieu

Hoe hoger de veranderlijkheid, hoe lager de diversiteit

2. De hoeveelheid energie en voedingsstoffen

Hoe minder energie en voedingsstoffen hoe hoger de diversiteit. Als er veel energie en voedingsstoffen zijn zullen de gewone soorten in grote aantallen voorkomen en weinig speciale soorten

3. De variatie in mileuomstandigheden

Hoe meer soorten leefmilieus bij elkaar liggen hoe groter de diversiteit.

4. De omvang van natuurgebieden

Hoe groter de natuurgebieden hoe hoger de diversiteit

5. een goede spreiding van natuurelementen en geen barrieres

een goede spreiding en zo weinig mogelijk barrieres zijn gunstig voor de diversiteit



De hoofdfuncties van het natuurlijke milieu:

- De productiefunctie (producten)

- De draagfunctie (ruimte en grond)

- De informatiefunctie (informatie)

- De regulatiefunctie (evenwicht)



Eilandtheorie

1. Hoe groter het eiland, hoe groter de diversiteit

2. Hoe kleiner de afstand tot het vasteland hoe groter het aantal soorten hoe groter diversteit



Ecologische voetafdruk=gemiddelde hoeveelheid ruimte die een bewoner van een land voor al zijn behoeftes gebruikt.

Duurzame ontwikkeling=ontwikkeling waarbij de totaalsituatie van de aarde hetzelfde blijft.

Infrastructuur=een geheel van verbindingen met een vaste plaats in een landschap.

Gradient=grensmilieu, plaatsen met geleidelijke overgangen in het milieu



PARAGRAAF 2




Loss: bestaat uit kleine stofdeeltjes



Kenmerken van het losslandschap:

*natuurlijke opbouw

- het is hier gekomen door puinwaaierafzettingen en meegenomen via rivieren

- er zijn veel plateaus, hellingen en dalen

- werd meegenomen door de wind en kwam als deklaag op het landschap

*cultuur-historische opbouw

- de dorpjes liggen vaak in dalen

- op de hellingen en plateaus werden akkers gemaakt



colluvium=dikke laag loss die onder aan een helling is samengespoeld

bodemerosie=het opnemen en verplaatsen van gronddeeltjes door wind, water of ijs

graften=met bos of struiken begroeide stijlranden op een helling in lossgebied



PARAGRAAF 3




Kenmerken van zandlandschap

*natuurlijke opbouw

- ontstaan van stuwwallen uit keileem

- de wind nam de fijne zanddeeltjes mee dat op niet al te grote afstand werd afgezet als dekzand. Planten kunnen het zand vasthouden waardoor duinen ontstaan

*cultuur-historische opbouw

- op hoger gelegen gronden werden akkers(essen) aangelegd. In de lager gelegen delen lagen onbemeste graslanden (groengronden)

- er komt veel heide voor. De heide gebruikten ze om mest mee te bind

- in de buurt van essen vind je altijd stuifzand

- heideontginningen

- door modern landbouwlandschap is er minder variatie en minder echte natuur



stuifzand=dekzand dat in het holoceen door vernieling van het plantendek is gaan verstuiven



Waarom heeft zand minder inklinking dan klei?

- Zand heeft meer tussenruimtes dan klei dus klei klinkt meer in. Zuivere kleigronden zijn hierdoor na ontwatering veel lager komen te liggen



PARAGRAAF 4




Kenmerken van het rivierkleilandschap

*natuurlijke opbouw

- oosten: langerekte zandige oeverwallen en bij overstromingen werd klei afgezet in de kommen

- westen: getijdenwerking van de zee speelt een rol. Bij eb stroomden de rivieren goed, maar bij vloed stroomde het zeewater de mondingen van de rivier binnen waardoor de stroomsnelheid werd geremd. De oeverwallen bestaan uit smalle kleistroken en de kommen zijn wat breder en bestaan door hun lage en natte ligging uit veen.

*cultuur-historische opbouw

- door de aanlegging van dijken kunnen we zelf bepalen hoe de rivieren stromen

- bij een hoge waterstand werd ertussen de dijken een laagje zandige klei afgezet. Zo werden uiterwaarden gebouwd.

- Oosten: De oeverwalgronden zijn door hun hoge ligging een goede ruime plek voor het bouwen van woningen. Ontwatering in de kommen vindt plaats door weteringen.

- Westen: de bebouwing concentreert zich op de smalle kleistroken bij rivierdijken. Ontwatering in de kommen vindt plaats door sloten.



PARAGRAAF 5




Kenmerken van het zeekleilandschap

*natuurlijke opbouw

- zeeklei wordt afgezet op kwelders(=gebieden aan de kust die boven het niveau van normale vloed liggen) kwelders ontstaan in een waddengebied

- bij vloed stroomt het zeewater met zand en klei via grote diepe wadgeulen toe

- bij eb stroomt het ook via de geulen weer weg

- op den duur wordt de kwelder niet meer overspoeld door de zee en stopt de afzetting van zeeklei. Meestal vormt zich dan aan de zeekant een nieuwe kwelder tegen de oude aan. zo kan de afzetting van zeeklei toch doorgaan

- hoe later de zeeklei is opgeslibd, hoe hoger de ligging

*cultuur-historische opbouw

- een kwelder die neet meer door de zee wordt overspoeld kan ingedijkt worden.

- Na het indijken moest de waterstand kunstmatig worden geregeld en ontstonden er polders

- Veel binnendijken werden afgegraven waardoor de polders werden vergroot

- op plaatsen waar het zeeklei in de buurt van de –4 tot –5 NAP ligt vind je droogmakerijen

- aan de buitenzijde van de ringdijk werd een ringvaart gegraven die het water uit de droogmakerij moest opvangen en afvoeren



wadden: zandplaten die in een waddengebied bij eb droogvallen

kreekrug: zandige rug ontstaan door het verzanden van een kwelderkreek



PARAGRAAF 6




Kenmerken van duinlandschap

*natuurlijke opbouw

- zand word vanuit de zee naar het strand gevoerd door de golven die de kust oplopen

- bij vloed komt het zand op het strand, bij eb droogt het op, waardoor het met de wind mee waait.

- Planten houden het zand vast, waardoor de duinvorming begint

- Als de afzonderlijke duinen een gesloten duinenrij vormen noem je dat een zeereep

- Als de planten verdwijnen kan het zand opnieuw verstuiven, dan kunnen er laagten ontstaan die dicht bij het grondwater liggen, die heten duinvalleien.

*cultuur-historische opbouw

- het was vroeger een nat gebied met veen en klei

- op de zandruggen van duinen kon wel gebouwd worden

- op veel plaatsen zijn oude duinen afgegraven voor de bloembollenteelt.



Duininfiltratie= aanvulling van het grondwater in de duinen door aangevoerd rivierwater in de grond te laten zakken.

Geestgrond= zandgrond aan de binnenzijde van de kustduinen dat ontstaan is door afgraving van oude duinen.



Plaats van duinenrijen

1 Opbouwende krachten > afbrekende krachten

-aanvoer v zand - zee

-verplaatsing v zand

door de wind

-vasthoudende werk-

ing v planten

* duinenrij verhuist richting de zee = transgressie

2 Opbouwende krachten
* duinenrij verplaatst zich van de zee af = regressie

3 Opbouwende krachten = afbrekende krachten

* duinenrij ligt stil



PARAGRAAF 7



Kenmerken van het veenlandschap

*natuurlijke opbouw

Laagveen

- op elke natte plaats met stilstaand water gaan in de natuur veenplanten groeien

- gemeenschappelijk bij al deze plaatsen is de aanwezigheid van voedingsstoffen in het water

- ligt binnen het bereik van het grondwater

- het komt in west-nederland nog steeds in grote oppervlakten voor

Hoogveen

- bestaat uit veenmos

- groeit op natte voedselarme plaatsen

- liggen meters boven het grondwater

*cultuur-historische opbouw

- het veengebied werd door mensen ontgonnen waardoor akkerbouw mogelijk was

- door het wegvallen van de opwaartse druk van het water daalde het grondoppervlad (inklinking)

- door de inklinking was extra ontwateringen, de sloten moesten worden uitgediept met als gevolg nieuwe inklinking, zo daalde het veenoppervlak steeds verder

- in het laagveen worden er polders gemaakt en de waterstand wordt kunstmatig geregeld

- het veenmosveen werd gebruikt als ontwaterd, afgegraven en gebruikt als turf

- bolster werd appart gelegd en na turfwinning gemengd met zandgrond zo ontstonden dalgronden



bolster=de bovenste deel van het hoogveen waarin planten groeien. (=ongeschikt voor de stook)


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.