De komende twee weken zijn 'seksweken' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


ADVERTENTIE
Geslaagd? Doneer je verslagen We zijn heel trots op je, supergoed gedaan. Waarschijnlijk ga je Scholieren.com nu voorgoed verlaten. Wil je ons nog bedanken voor 4, 5 of 6 jaar trouwe dienst? Upload dan nu al je verslagen en samenvattingen voor de generaties scholieren die na jou strijden voor dat diploma.

Nu uploaden
Natuur en milieu

Wat is een landschap, welke elementen komen er in voor?

- grondsoort (zand of klei)
- het reliëf (natuurlijk of kunstmatig)
- de bodem (met een bep. grondwaterstand?)
- waterelementen (sloten, beken enz.)
- begroeiingselementen (houtwallen, bos, heide enz.)
- elementen van het agrarisch grondgebruik (akker, weide)
- infrastructurele elementen (wegen, dijken enz.)
- gebouwen (huizen, boerderijen enz.)
Landschap heeft 3 kenmerken: Natuurlijke, Cultuurhistorische, ecologische opbouw.

Natuurlijke opbouw:
Waar het landschap uit ontstaat, wat voor hoogteverschillen en landschapsvormen. (De Pleistoceen en het Holoceen waren bepalend voor de opbouw)

Cultuurhistorische opbouw:
Hoe de mens het landschap heeft ingericht, mengeling van oude en nieuwe elementen. (Inrichting= grote percelen bouwland, rechte wegen en sloten)

Ecologische opbouw:
Er zijn veel wisselwerkingen tussen de levende elementen (planten, dieren) en de niet-levende elementen (grond, bodem, water).
Een samenhangend geheel van levende en niet levende elementen heet ecosysteem.
Biologische diversiteit = Het aantal soorten planten en dieren dat in een ruimte voorkomt.
Een hoge veranderlijkheid betekent een lage diversiteit.
Een lage veranderlijkheid betekent een hoge diversiteit.
De diversiteit hangt nauw samen met de opbouw van het landschap.
5 Factoren beïnvloeden de diversiteit:
1) De veranderlijkheid van het milieu.
2) De hoeveelheid energie en voedingsstoffen.
3) De variatie in milieuomstandigheden.
4) De omvang van natuurgebieden.
5) Een goede spreiding van natuurelementen en geen barrières.
Een sterke toevoer van meststoffen of vervuilde stoffen betekent altijd een lagere diversiteit.
(er zullen dan soorten planten en dieren verdwijnen)
Gradiënten of grensmilieus: Plaatsen waar geleidelijke overgangen in het landschap voorkomen.
Moderne ruilverkaveling heet nu landinrichting: het ruilen van stukken grond, veranderingen in een gebied, om de agrarische bedrijfsvoering te verbeteren en (soms) de milieukwaliteit te vergroten.

De natuurlijke opbouw van een lösslandschap bestaat uit:

- Puinwaaier afzettingen aan de voet van het middelgebergte.
- Plateaus, hellingen en dalingen. (Hieruit is de maas opgedeeld)
- Löss als afdeklaag. (Löss=fijne stofdeeltjes. Zeer erosiegevoelig. Plakken niet aan elkaar) Deze worden door de wind opgenomen en hoog in de lucht over grote afstanden verplaatst, löss is vooral afgezet tussen 40 en 200 m boven het NAP.

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- De inrichting van de dalen. (Opvallend in de dalen is de dikke laag samengespoelde löss, die colluvium wordt genoemd.)
- De inrichting van de hellingen en de plateaus.
Graft: Een stijlrand op een helling.

De natuurlijke opbouw van het zandlandschap bestaat uit:

- Hoge en lage stuwwallen opgeduwd door het ijs.
Grondmorene: (bevond zich onder het ijs) Is een mengsel van keien en fijngemalen leem.
Glaciale tongbekkens: Dit zijn door het ijs uitgediepte bekkens.
- Het zacht golvend deklandschap. (En de planten zorgden voor het ontstaan van dekzandruggen met een U-vorm ‘Paraboolduinen’)
Rivierduinen:Zandruggen langs beken en rivieren.

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- Het oude zandontginningslandschap: essen, groengronden, heide en stuifzand.
Essen: Dit zijn op de hoger gelegen en niet te droge gronden, aangelegde akkers.
- Het jonge zandontginningslandschap: heideontginningen, naaldbos.
- Modernisering van het landbouwlandschap.

De natuurlijke opbouw van het rivierkleilandschap bestaat uit:

- Oeverwallen en kommen in het oostelijk rivierkleilandschap.
Oeverwallen: Een soort dijken.
Stroomruggen: Oude rivierbeddingen met hun oeverwallen.
Bij overstromingen werd er verder van de rivier klei afgezet in de kommen.
- Oeverwallen en kommen in het westelijk rivierkleilandschap.

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- Dijken, uiterwaarden, overslaggronden, wielen.
Uiterwaarden: Dit werd opgebouwd door een hoge waterstand waarbij er steeds tussen de dijken een laagje zandige klei werd afgezet.
Kwel: Kwelwater: Dit bedreigt de stabiliteit van een dijk.
- Het grondgebruik in het oostelijk rivierkleilandschap.
- Het grondgebruik in het westelijk rivierkleilandschap.

De natuurlijke opbouw van het zeekleilandschap bestaat uit:

- Kwelders. (zeeklei wordt altijd afgezet op kwelders)
Kwelders: Zijn gebieden aan de kust die boven het niveau van normale vloed liggen.
Wadden: Als het water zakt, daalt de stroomsnelheid en bezinkt het zand. Er vormen zich zo tussen de wadgeulen zandplaten die bij eb droogvallen:.
- Zeeklei en zeespiegelstand.

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- De opbouw van een zeekleipolder.
- Droogmakerijen.

De natuurlijke opbouw van het duinlandschap bestaat uit:

- De vorming van duinen.
Zeereep:Een zeewerende duinenrij.
- Oude en jonge duinen.
Duinvalleien: Uitblazingslaagten (Deze laagten ontstaan bij de verstuiving van het zand, deze liggen dicht bij het grondwater.)

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- Oude nederzettingen en geestgronden.
Geestgronden: Afgegraven duinen voor de bollenteelt.
- Zeewering, natuur en zoetwaterleverancier.

De natuurlijke opbouw van het veenlandschap bestaat uit:

- Veengroei op voedselrijke plaatsen.
Laagveen: Dit is het soort veen dat binnen het bereik van grondwater ligt.
- Veengroei op voedselarme plaatsen.
Hoogveen: Dit is veenmosveen die meters boven het grondwater ligt.

De cultuurhistorische opbouw bestaat uit:

- Veenpolderlandschappen.
- Dalgronden en veenplassen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.