Natuur en Milieu

Beoordeling 6.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas havo | 3146 woorden
  • 26 mei 2006
  • 18 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.5
  • 18 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Ga jij de uitdaging aan?

Op EnergieGenie.nl vind je niet alleen maar informatie voor een werkstuk over duurzaamheid, maar ook 12 challenges om je steentje bij te dragen aan een beter klimaat. Douche jij komende week wat korter of daag je jezelf uit om een week vegetarisch te eten? Kom samen in actie!

Check alle challenges!
Wereldwijs Aardrijkskunde
Module 3: Natuur en Milieu.

Hoofdstuk 1:
Nederlandse landschappen.

• Wat is een landschap, waar moet je op letten?
o Grondsoort (zand of klei)
o Reliëf (natuurlijk of kunstmatig)
o Bodem (met een bepaalde grondwaterstand)
o Waterelementen (sloten, beken)
o Begroeiingelementen (houtwallen, bos, heide)
o Elementen van het agrarische grondgebruik (akker, weide)
o Infrastructurele elementen (wegen, dijken)
o Gebouwen en nederzettingen (huizen, boerderijen)

• Landschap: alle natuur- en cultuurelementen die op een bepaalde plaatst in hun onderlinge samenhang voorkomen. Drie belangrijke kenmerken: de natuurlijke, de cultuurhistorische en de ecologische opbouw.
o Natuurlijke opbouw van een landschap:
* Geologische processen in het verleden: water, wind, landijs.
* Klimaatveranderingen.
* Pleistoceen (ijstijden), Holoceen (steeds warmer).
o Cultuurhistorische opbouw van een landschap:
* Oude percelen, klein en aangepast aan de natuurlijke omstandigheden.
* Nieuwe percelen, groot en recht aan wegen en sloten.
o Ecologische opbouw van een landschap:
* Ecosysteem: een bepaald gebied waarin dieren, planten, lucht, bodem en water elkaar nodig hebben en elkaar in evenwicht houden.
* Ecotoop: de weergave van een ecosysteem op een kaart.
* Biologische diversiteit: aantal soorten planten en dieren dat in een bepaalde ruimte voorkomt. 5 factoren beïnvloeden de diversiteit:

1. Veranderlijkheid van het milieu.
o Temperatuur, licht, stroming, vocht, wind e.d. Hoge veranderlijkheid = lage diversiteit. Lage veranderlijkheid = hoge diversiteit.
2. De hoeveelheid energie en voedingsstoffen.
o Bijzondere soorten komen pas voor bij weinig energie en voedingsstoffen.
3. De variatie in milieuomstandigheden.
o Gradiënten, grensmilieus: geleidelijke overgang in het landschap, bijv de overgang droog-nat, voedselrijk-voedselarm en zout-zoet. Op elke overgang vind je zowel soorten va het ene leefmilieu als van het andere.
4. De omvang van natuurgebieden.
o Op een groter oppervlak natuur zullen meer soorten voorkomen.
5. Een goede spreiding van natuurelementen en geen barrières.
o Corridors: groene verbindingszone die het verplaatsen van soorten planten, dieren en vogels in een landschap bevordert.
o Ecologische hoofdstructuur van NL: plan om de diversiteit van de Nlse landschappen te vergroten. Het ontwikkelen van een ecologische infrastructuur op de schaal van Nederland.
o Ruilverkaveling: herinrichting van een landelijk gebied, waarbij er naar gestreefd wordt de productiviteit van de landbouw te verhogen door ruil van kavels, vergroting van percelen, opruiming van houtwallen en rechttrekken van sloten en beken. Verlaagt doorgaans de biodiversiteit.
o Landinrichting: manier van ruilverkaveling waarbij er bij de herinrichting zowel aandacht is voor de belangen van de landbouw, de recreatie, als de natuur. Er is aandacht voor het bevorderen van biodiversiteit.
• De functies van het natuurlijk milieu:
o De productiefunctie.
* Voedsel.
* Schoon water en schone lucht.
* Energie en grondstoffen.
o De draagfunctie.
* Ruimte voor activiteiten en bouwwerken; landbouw, verkeer & recreatie.
* Grond nodig met een goede draagkracht; zandgrond  zee & klei 
* Ruimte nodig voor opvang afvalstoffen; isolatie en verdunning.
o De informatiefunctie.
o De regulatiefunctie. (evenwichtsfunctie)
• Volgens de zogenaamde Eilandtheorie wordt het aantal soorten planten en dieren op een eiland bepaald door:
o De bereikbaarheid voor nieuwe soorten.
* Barrières verlagen diversiteit.
o Het steeds uitsterven van bepaalde soorten.
* Hoe groter het oppervlakte van het eiland, des te minder soorten er door concurrentie zullen uitsterven, des te groter de diversiteit.
• Om nog even terug te komen op de Ecologische hoofdstructuur van NL: plan om de diversiteit van de Nlse landschappen te vergroten. Het ontwikkelen van een ecologische infrastructuur op de schaal van Nederland. Dit groene netwerk heeft de volgende elementen:
o Natuurkerngebieden:
* Reeds aanwezige of te ontwikkelen aaneengesloten natuurgebieden die zo groot zijn dat er veel organismen kunnen leven. Vanuit deze gebieden kunnen de soorten zich verspreiden naar andere landschappen.
o Verbindingszones of corridors:
* Groene linten die de natuurkerngebieden met elkaar verbinden.
o Stapstenen:
* Kleine natuurgebiedjes die verbindingszones onderbreken. Soorten kunnen hier in kleine aantallen leven en zich voortplanten. Via de stapstenen vindt er een uitwisseling plaats van de soorten in de natuurkerngebieden.
• Het Lösslandschap.
o De natuurlijke opbouw:
* Puinwaaierafzetting van zand en grint aan de voet van het middelgebergte.
* Plateaus, hellingen en dalen.
* Terrassen.
* Fijne stofdeeltjes, erosiegevoelig, plakken niet aan elkaar.
* 40 en 200 m boven NAP.
* Kalkrijk en vruchtbaar.

o De Cultuurhistorische opbouw.
* Langs de rivier of beek hooi- of grasland. Op de hellingen en plateaus akkers.
* In de dalen vind je de oudste dorpen en wegen; daldorpen.
* Colluvium: door bodemerosie samengespoelde löss in de beekdalen.
* Bodemerosie: het opnemen en verplaatsen van gronddeeltjes door wind, water of ijs. De kans op bodemerosie is het grootst op onbeschermde grond. Door bodemerosie van de löss kwamen de akkers als gauw lager te liggen dan de hoger op de helling gelegen bosgrond-> steilrand.
* Graften: met bos of struiken begroeide steilrand op een helling in het lössgebied van Zuid-Limburg.
* Uit ‘Samengevat’: heuvelachtig landschap door insnijding van beken die kalkachtige grond konden eroderen. Dit landschap is door reliëf en grondsoort (löss) erosiegevoelig. Akkers op hooggelegen plateaus, graslanden in de dalen, oudste dorpen in de dalen, hellingbos op steile hellingen, graften (walletjes op hellingen tegen wegspoelen bodem).
* Eroderen: materialen worden meegenomen door wind, water, ijs.
• Het Zandlandschap.
o De natuurlijke opbouw.
* Hoge en lage stuwwallen opgeduwd door het ijs.
* Grondmorene: aan de onderzijde van het landijs afgezette keileem: een mengel van keien en fijngemalen leem.
* Stuwwallen: stuwwallen komen verspreid voor in Noord- en Midden-Nederland. Het zijn heuvelruggen van zand en grind (fluviatiel materiaal of smeltwaterafzettingen) opgestuwd door ijstongen, de einden van de landijsmassa. Deze ijstongen drongen via dalen op en drukten het aanwezige materiaal omhoog en opzij. De lagen van een stuwwal liggen hierdoor enigszins schuin. Door samenstelling en hoogte is het slechte agrarische grond en zijn stuwwallen voornamelijk met bos bedekt. Delen ervan zijn voor recreatie in gebruik.
* Fluvioglaciale afzettingen: afzetting door smeltwater van landijs.
* Tongbekken: door een ijstong uitgeschuurde laagte, omgeven door stuwwallen.
* Zacht golvend dekzandlandschap.
* Dekzand is een Pleistocene afzetting. Er ontstonden U-vormige dekzandruggen toen de plantjes begonnen te groeien. Paraboolduinen: U-vormig duin, ontstaan doordat planten zand vastleggen. Duinvorm in het huidige kustduingebied. De open kant van de U-vorm van de dekzandruggen is altijd naar de overheersende windrichting gericht.
* Rivierduinen: langs beken en rivieren hebben planten uit de beddingen extra veel stuivend zand vastgehouden. Er ontstonden langgerekte zandruggen van wel 10 tot 20 meter hoog.
* Dekzand is arm aan voedingsstoffen, alleen als het löss bevat, is het wat rijker aan voedingsstoffen.
o De cultuurhistorische opbouw.
* Essen of enken: meest opgehoogde oude akkers. Liggen rondom of aan de rand van de dorpen in het zandlandschap.
* Groengronden: onbemeste graslanden. Vee en hooiwinning. Strookvormige verkaveling.
* Door de mest en plagge die men van de schapenmest verkreeg (schapen stonden overdag in de heide) kreeg de es een bolle vorm.
* Stuifzand is dekzand dat in het Holoceen door vernieling van het plantendek is gaan verstuiven. Het werd op grote schaal bebost en omgezet in naaldbos.
* Kunstmest kwam rond 1900, heide was nu voor de essen niet meer nodig. Heide werd landbouwgrond; regelmatige en rechthoekig patroon.
* Uit ‘Samengevat’: zandgronden kennen akkers (essen), langs de beken op vochtige gronden weide en hooilanden en heide waar schapen graasden. Het stuwwallenlandschap, de hoge zandgronden, kent groot hoogteverschil. Op de flanken van stuwwallen en dekzandruggen aanwezigheid van dorp, akker (es of enk) en graslanden. Esdorp, geconcentreerde bewoning.
• Het Rivierkleilandschap.
o De natuurlijke opbouw:
* Oeverwallen: rug langs een rivier ontstaan door afzetting van zand of klei bij een overstroming van de rivierbedding. Wordt natuurlijk hoger en hoger, en op den duur was de stroomsnelheid zo gering, dat alleen nog kleiig materiaal op de oeverwal kon worden afgezet. De bovenkant bestaat dus uit zandig klei, wat zavel genoemd word.
* Stroomruggen en kommen: de stroomsnelheid van rivierwater is van invloed op de korrelgrootte van de afzetting. Een rivier die door grote hoeveelheden smeltwater buiten haar oevers treedt, zal verweringsmateriaal afzetten. De stroomsnelheid is net langs de rivier nog relatief groot. Hier zal voornamelijk het grove, zwaardere materiaal afgezet worden: zand. In het landschap vormt deze afzetting de hongergeleden stroomruggen. Naarmate het overstroomde water verder van de rivierbedding afkomt, zal de stroomsnelheid afnemen. Hier zullen de fijnere deeltjes bezinken: klei. In het landschap vormt deze afzetting de lagergelegen kommen. Kommen zijn erg nat, en alleen geschikt voor grasland. Door middel van drainage is elk grondgebruik in de kom in principe mogelijk, maar toch overheerst veeteelt.
o De cultuurhistorische opbouw:
* Uiterwaarden: strook land langs een rivier tussen de bedding en de rivierdijk. Loopt bij hoge waterstand onder. Waterbuffer langs rivier.
* Kwel: water dat onder druk omhoog stroomt.
* Wiel: diepe ronde plas die ontstaan is bij een dijkdoorbraak door de uitschurende werking van het water.
* Overslaggrond: zandig of zwavelig materiaal dat bij een dijkdoorbraak rondom een wiel wordt afgezet.
* Overloopgebieden of calamiteitenpolders: gebieden in het rivierkleigebied die speciaal aangewezen zijn om bij extra hoge waterstanden te overstromen. Er is sprake van een gecontroleerde overstroming die elders schade moet voorkomen.
* Uit ‘Samengevat’: vóór de bedijking zijn kommen en stroomruggen ontstaan. Na bedijking zijn cirkelvormige plassen ontstaan, wielen, en uiterwaarden. Deze worden voornamelijk als grasland gebruikt, maar ook voor afgravingen van klei ten behoeve van de baksteenindustrie. Stroomrug worden gekenmerkt door akkers en fruitteelt, kommen door grasland.
• Het Zeekleilandschap.
o De natuurlijke opbouw.
* Kwelders: gebieden aan de kust die boven het niveau van normale vloed liggen. Ze overstromen alleen bij extra hoge vloedstanden. Ontstaan in een waddengebied.
* Wadden: zandplaten die in een waddengebied bij eb droogvallen.
* Kreekruggen: zandige rug ontstaan door het verzanden van een kwelderkreek.
o Cultuurhistorische opbouw.
* Een kwelder die niet meer door de zee wordt overspoeld kan worden ingedijkt. Zo ontstonden er polders. Veel binnendijken zijn afgegraven waardoor de polders werden vergroot. Omdat zeekleipolders zavelig en vrij vlak zijn, worden ze meestal gebruikt voor akkerbouw of fruitteelt.
* Uit ‘Samengevat’: het oudste zeekleilandschap heeft bewoning op terpen en grasland als bodemgebruik. De verkaveling is kleinschalig en concentrisch (met één gemeenschappelijk middelpunt) vanaf de terp of aangepast aan oude geulen. De grootschalige zeekleipolders in Noord-Nederland zijn jonger. Hier is veel akkerbouw. Zuidwest-Nederland heeft kleinschalige oude polders en grootschalige jonge polders. Droogmakerijen als Haarlemmermeer en Flevoland zijn jonger.
• Het Duinlandschap.
o De natuurlijke opbouw:
* Het zand van de duinen komt van de bodem van de zee. De golven werpen het zand het strand op. Bij eb neemt de wind het zand mee landinwaarts. Plantjes houden het zand vast en de talrijke strandduintjes kunnen uiteindelijk samen een gesloten duinenrij vormen.
* Zeereep: zeewerende duinenrij aan de rand van de kust.
* Duinvallei: laagte in een duinlandschap. Een oude strandvlakte of een uitblazingslaagte. Vochtige duinvalleien hebben doorgaans een rijke plantengroei.
o Cultuurhistorische opbouw:
* Op oude duinen vind je oude nederzettingen, zoals Den Haag, Haarlem en Alkmaar.
* Geestgronden: zandgrond aan de binnenzijde van de kustduin. Ontstaan door afgraving van oude duinen. Gebruikt voor bollenteelt.
* Er is veel variatie in het landschap van jonge duinen. Nat-droog, veel wind-weinig wind en zoet-zout. Ook is het jonge duinengebied een belangrijk productiegebied van drinkwater, zoetwaterbellen.
* Duinfiltratie: aanvulling van het grondwater in de duinen door aangevoerd rivierwater in de grond te laten zakken.
* Uit ‘Samengevat’: dit valt uiteen in meer landinwaarts lage, deels afgegraven oude duiden en meer zeewaarts, hoge en jonge duinen. Het duinlandschap is ontstaan uit strandwallen die door het zeewater zijn opgeworpen, later eolisch opgehoogd. De afgegraven oude duinen worden voor de bloementeelt gebruikt (geestgronden) of zijn beplant met bos. De jonge duinen dienen voornamelijk als bescherming tegen de zee. De jonge duinen zijn aan de zeekant beplant met helmgras om verstuiving tegen te gaan.
• Het Veenlandschap.
o De natuurlijke opbouw:
* Laagveen: veen met een huidige ligging binnen bereik van het grondwater. Het komt in West-Nederland nog steeds in grote delen voor.
* Hoogveen: veen dat hoog boven het grondwater ligt; opgebouwd door veenmos.
o De cultuurhistorische opbouw:
* Inklinking.
* Veenkolonies.
* Turf afgravingen.
* Bovenste gedeelte van het hoogveen heet: Bolster.
* Dalgronden: kunstmatige bodem die is ontstaan door de menging van onbruikbare veenrestanten (bolster) met denkzand. Ontstaan bij de afgraving van hoogveen. Ze bevatten een flinke laag humus.
* Retentiegebieden of waterbergingsgebieden: speciaal voor de waterberging ingerichte gebieden waar waterschappen in zeer natte perioden water tijdelijk kunnen bergen.
* Watertoets: speciale toets bij een bestemmingsplan om na te gaan of bouwwerken of activiteiten de bergingsmogelijkheden voor water negatief beïnvloeden. Moet voorkomen dat er in natte perioden te weinig berging is voor regenwater.
* Uit ‘Samengevat’, hoogveenlandschap: grootschalige ontginning van dit moerasgebied is eind 19e eeuw begonnen. Ontginning vond plaats door het graven van hoofd- en zijkanalen. Dit om waterafvoer te verwezenlijken, maar ook om afgegraven turf naar grote steden te kunnen vervoeren. De bovenste laag veen is vermengd met het zand eronder; zo ontstond dalgrond, goed voor akkerbouw (aardappels en graan). Dorpen in lintbebouwing langs het kanaal. Laagveenlandschap: ontginning vanuit hogergelegen oevers van veenriviertje. Op kaart 22C rivier de Vlist met bebouwing erlangs. Van hieruit ontginning met lange smalle kavels, hoge slootdichtheid door lage ligging. Door hoge grondwaterstand veel grasland (veeteelt). Laagveen is in sommige gebieden afgegraven voor turf. Zo zijn veenplassen als Loosdrechtse Plassen ontstaan.

Hoofdstuk 2:
De werking en het gebruik van het natuurlijk milieu.

• Natuurlijke hulpbronnen: alles wat we aan het natuurlijk milieu onttrekken en gebruiken voor de samenleving. Energie en allerlei grondstoffen.
o Niet-vernieuwbare milieuvoorraden: natuurlijke hulpbronnen die in de natuur niet opnieuw of met een heel lage snelheid worden aangemaakt. Fossiele brandstoffen (aardolie en aardgas), mineralen en metalen.
o Vernieuwbare milieuvoorraden: natuurlijke hulpbronnen die relatief snel steeds opnieuw worden aangemaakt of die op aarde in zeer grote voorraden beschikbaar zijn. Hout en rubber.
* Stromingsenergie: vormen van energie die dagelijks door de zon, wind of water worden geleverd. Ook de warmte van de aarde (geothermische energie) hoort hierbij.
* Bio-energie: energie die vrij komt bij de verbranding, vergassing of vergisting van biomassa.
• Het overvloedige gebruik van fossiele energie en grondstoffen leidt tot drie soorten milieuproblemen die gescheiden of samen in een gebied of ecosysteem (ecotoop) kunnen voorkomen:
o Milieuverontreiniging:
* verbrandingsprocessen, bemesting, productie van afvalstoffen, geluidshinder, (radioactieve)stralingen.
* Als al deze verhoogde concentraties slecht zijn voor mens, plant en dier spreek je van milieuverontreiniging.
o Milieuaantasting:
* Alle vormen van vermindering van de kwaliteit van natuur en landschap.
* Aantasting cultuurlandschap, vermindering diversiteit door verdroging en versnippering.
o Milieu-uitputting:
* Te omvangrijke of te snelle benutting van milieuvoorraden, waardoor die opraken.

Ecosysteem Milieuaantasting Milieuverontreiniging Milieu-uitputting
Duinecosysteem kust.

- aanleg infiltratieplassen in laagten
- erosie door betreding recreanten - infiltratie door vervuild rivierwater
- vervuiling door recreatie - opmaken zoet duingrondwater
- verdwijnen van de bodem door erosie

Oud zandlandschap met dekzandruggen, essen, heide, groengronden. - verdwijnen van houtwallen en bosjes door ruilverkaveling - overbemesting - verdwijnen van voedselarme milieus (slecht voor biodiversiteit)
Kalksteen in Zuid-Limburg - Maken van steengroeven - lawaai door machines en verkeer - Opraken van voorraden mergel
Hoogveen - Verdroging door daling grondwaterstand - Toevoer meststoffen via de lucht waardoor veenmos verdwijnt - schaars worden van veenmos

• De milieuproblemen zijn in de loop van de tijd steeds omvangrijken er complexer geworden. Er zijn drie trends:
o Door productieprocessen meer stoffen in het milieu.
* CFK’s-> aantasting ozonlaag in de atmosfeer.
o Milieuproblemen vinden zich steeds meer op hoger schaalniveau voor.
o Door de groei van de welvaart steeds meer bevolking.
• Duurzame ontwikkeling: het natuurlijk milieu gebruiken zonder de mogelijkheden voor toekomstige gebruikers in te perken. Dat door middel van 
• Milieugebruiksruimte: de benuttingmogelijkheden van de natuurlijke hulpbronnen in een gebied zonder de milieuvoorraden essentieel aan te tasten of uit te putten. De milieugebruiksruimte verschilt in een gebied of land per milieufactor (water, bodem, lucht) en ook per natuurlijke hulpbron (energievorm, type grondstof). De omvang ervan wordt door 6 factoren beïnvloed:
o De aanwezige winbare niet-vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen.
* Aardolie, ijzererts, zand, zoet water e.d.
o Het tempo van aanwas van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen.
* Omvang van de nieuwe aanmaak van voedsel, hout, zoet water e.d.
o De mate van onttrekking van natuurlijke hulpbronnen.
* Omvang van consumptie hangt samen met de omvang van bevolking en de welvaart of leefstijl. Grote invloed op het toekomstige gebruik.
o De import of export van natuurlijke hulpbronnen.
* Ecologische voetafdruk: de hoeveelheid ruimte die een land per inwoner in andere landen gebruikt voor zijn activiteiten en consumptie.
o Uitbreiding van kennis en techniek.
* Zuiniger gebruik, ontdekking nieuwe voorraden, alternatieven.
o De kwaliteit van het natuurlijk milieu.
* Verontreiniging, erosie-> ongeschikt.
• De milieugebruiksruimte zoet water
o Er zijn twee soorten bronnen van zoet water:
* Vernieuwbare bronnen van zoet water.
1. regenwater-> interne vernieuwbare bronnen
2. water dat van uit de omgeving komt stromen -> externe vernieuwbare bronnen.
* Niet vernieuwbare bronnen van zoet water:
1. het ondiepe grondwater kan door regen worden aangevuld. Het diepe grondwater wordt amper aangevuld door scheurtjes en barsten.
2. boren-> niet verontreinigd, men kon er niet bij.
* Er is water nodig in:
1. De huishouding. 30 tot 200 liter p.p.p.d.
2. De landbouw. 73% van de watervoorraden. Irrigatie verhoogt het watergebruik fors.
3. De industrie. Koeling en bewerking. Vaak herbruikbaar.
o Benuttingpercentage: percentage dat de mate aangeeft waarin het werkelijke watergebruik in een gebied gedekt wordt door vernieuwbare bronnen van zoet water.
• De milieugebruiksruimte bodem
o Organisch materiaal: al het materiaal dat gevormd is door levende organismen, als planten en dieren.
o Planten-> fotosynthese. Zonlicht wordt omgezet in chemische energie 
o Stikstof (N) Fosfor (P) Calcium (C) Kalium (K) Magnesium (Mg) Waterdamp (H2O) kooldioxide (CO2) Methaan (CH4) Stikstofoxiden (N2O)
o Bodem: bovenste deel van de grond waaruit de planten hun water en voedingsstoffen halen.
o De omvang van de productie van organisch materiaal hangt af van een aantal factoren:
* De voorraad voedingsstoffen.
1. Kleideeltjes en humusdeeltjes Kunnen voedingsstoffen en water elektrisch binden en beschermen tegen uitspoeling.
* De voorraad water.
1. Capillaire opstijging.
* Een goed bodemleven.
1. aanwezigheid van bacteriën en bodemdieren is een voorwaarde voor een goede afbraak van organisch afval -> voedingsstoffen komen dan vrij.
o De mens heeft in de loop van de tijd de milieugebruiksruimte bodem vergroot. Belangrijk hierbij zijn de volgende zaken:
* De toevoer van meststoffen.
1. kunstmest: niet-organische meststoffen (stikstof, fosfor, kalium en calcium)
2. dierlijke mest. Moet eerst nog door bacteriën en bodemdieren worden afgebroken voordat de voedingsstoffen er uit vrij komen.
* De toevoer van fossiele energie.
1. naast de zon (groei planten) gebruikt men in de moderne landbouw fossiele energie. Er wordt veel fossiele brandstof (olie, gas) gebruikt voor de tractoren en de landbouwmachines, en voor het fabriceren van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Ook de aanleg van sloten, drainagesystemen en beregeningsinstallaties vraagt veel energie.
* De toevoer van water door irrigatie en beregening.
1. beregening en infiltratie houdt het waterpeil in de sloten hoog.
• De milieugebruiksruimte van de ontwikkelingslanden
o In veel ontwikkelingslanden is het handhaven van de milieugebruiksruimte bodem voor de eigen bevolking een moeilijke zaak. 2 factoren:
* Bevolkingsgroei. Daalde van 0.34 naar minder dan 0.2.
* Exportlandbouw. Veel grond voor de productie voor de wereldlandbouw. Factoren die het milieugebruiksruimte kunnen vergroten, zoals kunstmest, zijn te duur.
o Permanent watertekort: als er in een land per persoon per jaar minder dan 1000 m³ vernieuwbaar zoet water (interne en externe bronnen) beschikbaar is.
o Watertekort: 1000 tot 1670 m³ per persoon per jaar.
o Twee factoren versterken een tekort aan water:
* Bevolkingsgroei.
* Productieverhoging.
1. veel landen irrigeren niet efficiënt, micro-irrigatie is zeer efficiënt, maar wel kostbaar.
o Verzilting: de toename van het zoutgehalte van grondwater, bodem of oppervlaktewater. Bij een lage grondwaterstand spoelen de zouten naar beneden als er extra water wordt toegevoerd. Bij slecht doorlatende bodems spoelen de zouten niet uit en de planten worden dan wel aangetast.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.