Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Natuur en Milieu

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • Klas onbekend | 3648 woorden
  • 22 maart 2004
  • 105 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 105 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Hoofdstuk 1

Benaderingswijzen om landschap te bestuderen;
§ Visuele benaderingswijze
Uiterlijke vormen van een land zijn belangrijk voor het beeld wat je bij het land vormt.
Landschapsvormen zoals reliëf en landschapselementen zoals dijken zijn hier belangrijk.
§ Ecologische benaderingswijze
Landschapssysteem, geheel van biotische en abiotische onderdelen van een landschap en onderlinge relaties. Abiotische wereld, biosfeer en noösfeer.
§ Genetische benaderingswijze

Ontstaansgeschiedenis als uitgangspunt gebruiken; processen en overblijfselen.

Kwartair – geologisch tijdperk van circa 2,5 miljoen jaar geleden tot heden, bestaande uit de perioden Pleistoceen en Holoceen.
Kwartair- geologische processen zijn processen in het Kwartair tijdperk zoals afzetting
(sedimenten) van verschillende grondsoorten en het ontstaan van landschapsvormen door beweging van zee, ijs, rivieren en wind.

Pleistoceen; de periode van de glacialen-> ijstijd
Zorgde voor laag Nederland ondergrond en landschapsvormen voor hoog Nederland.
Grens tussen deze =1 N.A.P Normaal Amsterdams Peil.
Voor het Saalien zorgde rivieren ZO richting fluviatiele sedimenten – hoe lager de stroomsnelheid, hoe lichter en fijner het materiaal moet zijn om het mee te nemen door het water.
Meer reliëf -> hogere stroomsnelheid.
Tijdens IJstijd daalde de zeespiegel. Noordzee bestond uit poolijskappen en rivieren stroomde door de Noordzee. In de interglacialen -> warmere periode tussen twee glacialen met een gemiddelde zomertemperatuur boven de 10 graden ook wel tussenijstijd bijvoorbeeld het Eemien.—werden er veel afzettingen meegenomen de Noordzee in.


Midden en Noord Nederland hadden te kampen met glaciale sediment op het land waardoor landijs ontstond, zoals stuwwallen. Stuwwallen kunnen qua materiaal verschillend zijn.
Keileembulten zijn lage heuvels van opgestuwd keileem ontstaan tijdens het tijdelijk uitbreiden van het landijs in het laatste deel van het Saalien.
Landijs zorgde niet alleen voor keileem , grondmorene -> materiaal dat in, op , onder het landijs wordt meegevoerd en bij het afsmelten wordt afgezet.

Midden Nederland -> fluvioglaciale sedimenten uit het Saalien, materialen die zijn afgezet door smeltwater van landijs. Door dit verschijnsel ontstonden er spoelvlakten ook wel sandrvlakten.

Tijdens het Weichselien ( glaciaal ) zorgde de wind voor eolische sedimenten -> materialen die worden afgezet door de wind. Veel microreliëf in Nederland is zo ontstaan. Dekzandvlakten en dekzandruggen zorgen voor hoogteverschil. De rivierduinen ontstonden door het opwaaien en verplaatsen van zand uit droge rivier – en beekbeddingen.

In het Holoceen -> periode binnen het geologische tijdperk Kwartair, van +/- 10.000 jaar gelden tot het heden -> veranderde het klimaat, temperatuur steeg en ook meer neerslag. Nieuwe planten, wind etc. zorgde voor nieuwe afzettingen.
Er doken ook steeds meer mariene sedimenten op -> materialen die worden afgezet door de zee. Dit gebeurde in de transgressieperiodes ( snelle zeespiegelstijging ) en regressieperiodes ( langzame zeespiegelstijging ) als gevolg van het smelten van de poolijskappen.
Regressieperiode veel organogene sedimenten -> materialen die ontstaan zijn door ophoping van organische planten – of dierresten, bijvoorbeeld veen en kalksteen.
Moerasgebieden veranderde in basisveen.

Strandwallen -> door branding en zeestromen opgehoogde zandbanken die evenwijdig aan de kustlijn liggen en waarop zich duinen kunnen vormen.
Laag veen -> afzetting bestaande uit halfvergane plantenresten die onder de zee – of grondwaterspiegel liggen zoals riet en bosveen.
Hoog veen -> afzetting bestaande uit halfvergane plantenresten die boven de zee – of grondspiegel liggen zoals veenmosveen.
Komgebieden -> lage komvormige delen van het rivierlandschap waarin tijdens overstromingen zware klei is afgezet die later is ingeklonken, ook wel komgronden.
Oeverwal -> hogere delen aan weerzijden vaneen rivier, bestaande uit zand, zavel en lichte klei, die zijn ontstaan tijdens overstromingen.

Natuur en landschap vervullen de volgende functies voor de mens:
§ Natuur en landschap leveren materiaal om te verwerken tot goederen, voedsel en diensten.
§ Mens doet kennis op door de natuur en het landschap te bestuderen; onderwijs, onderzoek, esthetische belevingen en recreatie.
§ Natuur en landschap hebben het vermogen de invloed van verandering, aantasting, vervuiling en verstoring binnen bepaalde grenzen te stellen.
Dit is vooral belang voor de ecosystemen.
Ecosysteem-> al dan niet tot evenwicht gekomen geheel van biotische elementen en abiotische elementen met hun onderlinge relaties en met externe invloeden vanuit de omgeving.
Het streven naar een evenwicht kan als volgt:
1) Ecosystemen hebben het vermogen om (afval)stoffen te verwerken, op te slaan, neutraliseren.
2) In ecosystemen wordt het gehalte aan zuurstof en ander voor het (menselijk) leven noodzakelijke stoffen op peil gehouden.’
3) Schadelijke invloeden kunnen worden verminderd of afgeremd.

§ Natuur en landschap bieden mensen ruimte voor activiteiten en de inrichtingselementen die daarbij nodig zijn.

Vroeger het landschap ook beïnvloedt door de mens, historisch-geografische processen.
Zie hieronder.

Agrarisch grondgebruik
Ontginnen, het gebruiken van delen van landschap. Oorspronkelijke woeste grond zoals natuurlijke bossen werden omgevormd tot akkers, grasland, tuinbouwgrond en aanplantbossen. In ME bevolkingsgroei waardoor meer grond nodig was om te verbouwen. Tweede helft 20ste eeuw ontstond er een afname van landschappelijke diversiteit door intensivering, specialisatie en schaalvergroting.

Bossen, heide en stuifzandvlakten
Nederland vroeger bedekt met oerbos, later in ME veel bos kappen om met veel mensen te kunnen leven. Toen al maakte men afspraken om het bos te beschermen. Steenkool en turf kwamen op de markt als brandstof daarna weinig aandacht maar voor het bos.
11de eeuw intensief gebruik van bosgebied voor het vee. Op open terreinen begon heiden te groeien, waar het vee ook op los werd gelaten. Mest met afgeplagde heiden werd gebruikt voor de akkers.
1800 heideontginning, onbegroeide stukken grond werden slachtoffer van de wind die de bovenste laag van de bodem wegblies -> stuifvlakten.
1900 veel gebieden herbebost door naaldbomen om de grond vast te houden. Grote stuifzandvlakten worden nog in tact gehouden. Zo behoud men de landschappelijke diversiteit. 20ste eeuw weer hout nodig voor de industrie.

Plassen en meren
Turf werd een lange tijd gebruikt als grondstof. In de hoogveengebieden werd het afgestoken en afgegraven, zo ontstonden ondiepe gaten. Voedselarm dekzand werd vermengd met bonkveen ( ongebruikte bovenste laag veen ) waardoor deze dalgronden geschikt werden voor de akkerbouw.
Ontginnen deed men ook in laagveengebied, maar er moesten dan eerst sloten worden gemaakt om het water af te voeren. De grond slinkt daarvan in en het overgebleven veen en turf werd afgegraven. Zo ontstonden er legakkers of petgaten. Petgaten zijn de afgegraven delen tussen de legakkers waarin water komt te staan. Legakkers brokkelen af en er ontstaan veenakkers, wat niet een natuurlijk verschijnsel is.
Door stormen kon het gebeuren dat de plassen zich zouden kunnen uitbreiden. Om dit tegen te houden verbreden men de legakkers en te beplanten en te begroeien.
Tegenwoordig zijn plassen van belang voor drinkwater en recreatie.

Winning van oppervlaktedelfstoffen
20ste eeuw vooral steenkool gedolven en 1950 aardgas en aardolie nieuwe brandstoffen
oppervlaktedelfstoffen zoals turf, grind, mergel (kalk en klei), klei en zand worden ook gewonnen.

Droogmakerijen en polders
17de eeuw plassen en meren werden veranderd in droogmakerijen om de hoeveelheid landbouw uit te breiden voor de vele mensen. Ook werden er droogmakerijen aangelegd voor bescherming tegen het dreigende water. Voor bescherming werden er ook dijken, sluizen, dammen, kanalen aangelegd ter gevolg. Zuiderzeewerken en deltawerken.

Nederzettingen
§ Nederzettingen met verspreide bebouwingen, landboerderijen.
§ Nederzettingen met geconcentreerde bebouwingen.
1) Lineaire bebouwing op een lijn, langs straten, kanalen, dijken
2) Concentrische nederzettingen hebben een compacte vorm vanwege de kleine ruimte die men tot zijn beschikking heeft. Kerkdorpen, kransakkersdorpen.

Kavelvormen
Een kavel is een stuk grond van een eigenaar dat omgeven wordt door grond die eigendom is van iemand anders. Kavels worden beïnvloedt door natuurlijke kenmerken maar ook door menselijke zoals traditie en manier van ontginning.

Infrastructuur en kavel-en perceelscheidingen
Bepalend voor het uiterlijk van het landschap. Verkeersinfrastructuur is vaak aangepast aan natuurlijke omstandigheden.
Perceel is een stuk grond dat omgeven wordt door grond met andere vormen van agrarisch grondgebruik.
Vroeger bestonden kavels en perceelscheidingen uit natuurlijke grenzen zoals heuvels die dienden als ontginningsbasis. Tegenwoordig prikkeldraad, hagen, hekken, houtwallen etc.

Ruilverkaveling en landinrichting
Kavels werden door versnippering steeds kleiner en inefficiënt-> daarom de ruilverkaveling toegepast. Daardoor kon men steeds beter produceren. Door schaalvergroting werden de kavels steeds groter en kregen een regelmatige vorm.
Bij ruilverkaveling werkt men ook aan het egalisering van reliëf, aan verbetering van de bereikbaarheid door aanleg van wegen en aan het verbeteren van de waterhuishouding. De struiken en hagen werden vervangen door sloten waardoor de grondwaterstand wordt verlaagd.
1985 werd de Ruilverkavelingswet vervangen door de Landinrichtingswet. Deze nieuwe wet staat voor het herinrichten van een landschap waarbij naast de landbouwbelangen ook rekening moet worden gehouden met niet-agrarische belangen.

Economisch denken -> groter en meer
Ecologisch denken -> duurzaam en beter, verlies van het verleden en natuur afremmen.
Duurzame ontwikkeling -> Nederland moet ontwikkelen maar dat moet wel zo gebeuren dat het natuurlijk milieu beschermd wordt en behouden blijft voor de volgende generatie., verlies van het verleden en natuur afremmen.
Duurzame ontwikkeling -> Nederland moet ontwikkelen maar dat moet wel zo gebeuren dat het natuurlijk milieu beschermd wordt en behouden blijft voor de volgende generatie.

Jaren 90 steeds meer richten op landdiversiteit behouden.
1990 het Natuurbeleidsplan
Hoofddoel: duurzaam instandhouden, herstellen,en ontwikkelen van natuur-en landschapswaarden.
§ Ecologische waarden of natuurwaarden, behoud diversiteit en complexiteit van flora en fauna
§ Aardkundige of fysische waarden, behoud natuurlijke vormen op het aardoppervlak.
§ Cultuurhistorische waarden, behoud van historisch-geografische processen.
§ Belevingswaarden, behoud van landschappen met een emotionele of toeristische recreatieve betekenis.

NBP ondersteund rapporten zoals Nederland in vorm die gaan over bijzondere reliëfvormen in Nederland.
Afgravingen, uitbreiding en bebouwing, wegenaanleg, kanalisering en egalisering bedreigen deze bijzondere vormen.

Biodiversiteit van flora en fauna neemt af door:
§ Verslechtering van de kwaliteit van het natuurlijk milieu
Voorbeelden hiervan zijn verontreiniging, aantasting, verzuring, vermesting en verdroging.
Men gaat dit tegen door het bufferbeleid
Het bufferbeleid is voor invloeden van buitenaf, zie boven.
De maatregelen van het bufferbeleid hebben betrekking op:
o Hydrologische aspecten – oppervlakten en grondwater door het juist vast te houden of weg te voeren.
o Atmosferische aspecten – zure regen, door bufferzones aan te leggen
o Fysieke aspecten – licht en geluid, bufferzones tussen stedelijke, agrarische en industriële gebieden.
§ Versnippering van het landschap – zorgt voor afname van verschillende soorten dieren en planten in omgeving.
De ecologische hoofdstructuur wordt hierbij toegepast. De waarden van het landschap moeten worden behouden en of herstellen. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen:
o Kerngebieden – minimaal 500 ha nationaal/ internationaal ecosysteem vormen.
o Natuurontwikkelingsgebieden – bieden mogelijkheden voor het ontwikkelen of verhogen van de natuurwaarden in Nederland
o Verbindingszones – waterwegen, stroken bos om natuurgebieden te verbinden zodat er een netwerk ontstaat.

Behoud van de grensmilieus die voor overgang zorgen tussen verschillende ecosystemen, zijn elk typerend voor een landschap.
Hoog – laag
Voedselrijk – voedselarm
Droog – nat
Zout – zoet
3 verschillende grenzen van grensmilieus
1) Concentratiegrens – zeer strikt
2) Spreidingsgrens – lekker los
3) Tussenvorm – combinatie van bovenstaande.

Eilandtheorie
Eilandtheorie is onderzocht door Mac Arthur en Wilson. Uitgangspunten van deze theorie zijn:
- biodiversiteit is afhankelijk van het gemak waarmee nieuwe soorten zich op een eiland kunnen vestigen of juist kunnen verlaten. Vaste land is een belangrijke factor, veel beesten daar vandaan.
- Biodiversiteit is afhankelijk van de grootte van het oppervlak van het eiland.
Op een groot eiland is de complexiteit, relatie tussen biotische en abiotische elementen, groot. Bij een kleiner aantal is deze stabieler. Interne dynamiek ( veranderingen in de diversiteit en complexiteit binnen het gebied ) en externe dynamiek ( veranderende invloeden afkomstig vanuit de omgeving van het gebied ). Kwetsbaarheid neemt bij deze factoren erg toe wanneer het zich bevindt op een klein eiland.

Internationaal natuur – en landschapsbeleid
Alles staat met alles in contact
Mondiaal niveau -> luchtstromen en waterkringlopen
Continentaal niveau -> rivieren, beken, bossen, weidegebieden.

Hoofdstuk 2

De relaties tussen levende en niet-levende elementen kunnen veranderen door invloeden vanuit de omgeving -> ecosysteem. Ecosysteem in een gebied is een ecotoop. Doordat het ecosysteem zich telkens aanpast zorgt het voor een dynamisch evenwicht, ecologisch evenwicht. Hij bouwt een buffer op of tolerantie tegen de ontwikkelingen. De grote van een ecosysteem kan heel verschillend zijn.
Veranderingen binnen een ecosysteem, interne dynamiek, zorgen voor successie, een geleidelijke ontwikkeling van een eenvoudig ecosysteem naar een complex ecosysteem met een grotere interne stabiliteit. Externe dynamiek kan er voor zorgen dat invloeden van buitenaf het ecologisch evenwicht kunnen verstoren.
Ecosystemen kunnen verschillende maten hebben op het gebied van:

§ Biodiversiteit – soortenrijkdom van planten en dieren
§ Complexiteit - aantal relaties tussen biotische en abiotische elementen
§ Interne stabiliteit – natuurlijk evenwicht
§ Natuurlijkheid – mate waarin de mens het ecosysteem al dan niet heeft beïnvloedt.
Kringloop van energie
Op allerlei schalen komen ecosystemen voor:
§ Lokaal niveau – meer in Utrecht
§ Regionaal niveau – Veluwe ( gebied over meerdere provincies )
§ Fluviale niveau – stroomgebieden
§ Continentaal niveau – aaneengesloten tropische regenwouden
§ Mondiaal niveau – biosfeer

Invloeden van menselijke activiteiten op ecosystemen

Uitputting
Te intensieve benutting van de bodem kan leiden tot uitputting. Voedingstoffen keren hier niet meer in terug, groei van het product blijft achter waardoor er een nieuw evenwicht wordt opgesteld op lager niveau.
Wordt de grond verlaten, gaat er een nieuwe vegetatie groeien die minder dicht en ontwikkeld zal zijn als de eerste. Dit noemt men degradatie.
Roofbouw -> grootschalige kap waardoor er bodemerosie gaat ontstaan.de grond kan zich niet meer herstellen, omdat de vruchtbare humustoplaag wordt afgevoerd door de regen.

Verontreiniging
Te grote concentraties van bepaalde stoffen kunnen schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen, dieren en planten.
§ Lozing van afvalgassen en roet uit fabrieksschoorstenen.
§ Overbemesting, toevoer stoffen groter dan kan worden opgenomen.
§ Afvalstoffen lozen in rivieren en zeeën.
§ Rampen met olietankers, pijpleidingen en boorplatforms.

Aantasting
Aantasting -> zodanige inrichting of beïnvloeding van het landschap door menselijke activiteiten dat het natuurlandschap onherstelbaar wordt omgevormd of beschadigd.
Horizonvervuiling verstaat men het onderbreken van ecosystemen aan de oppervlakte zoals dijken, wegen, kanalen etc.
Zure regen is ook een vorm van aantasting. Landbouwgassen binden zich samen met waterstofdeeltjes.

Verstoring van het ecologisch evenwicht
Ecosystemen zijn erg gevoelig voor externe dynamiek. Het bevat een draagkracht wat de max. aangeeft van het kunnen verdragen van de stoffen van buitenaf.
Op lokaal niveau -> verstoring door verspreiding naar regionaal niveau
Mondiaal niveau is bijvoorbeeld een broeikaseffect. Op hoger niveau is het probleem groter door:
- verstoring wordt meestal laat ontdekt.
- Verstoring is dan complexer en moeilijk te bestrijden
- Langere herstellingsperiode.
Grensmilieus -> overgangsgebieden tussen ecosystemen of landschappen met verschillende kenmerken, ook wel gradiënt.
Renaturatie -> zoveel mogelijk omvormen van het huidige ingerichte landschap naar het oorspronkelijke natuurlandschap.

Milieuvoorraad wil zeggen dat de mens niet eeuwig grondstoffen kan gebruiken. Eens is het op. Daarom moeten we hier zuinig mee omgaan. Voor deze voorraden is ook ruimte nodig, milieugebruiksruimte. Toenemende mate van gebruik van de natuurlijke hulpbronnen die de aarde de mens te bieden heeft.
Sommige bronnen hebben een langdurig ontstaansproces – niet – vernieuwbare hulpbronnen. Vernieuwbare hulpbronnen hebben een stroomkarakter, water.

Milieugebruiksruimte werd geïntroduceerd door Nederlandse milieueconoom Opschoor.
‘ Met milieugebruiksruimte bedoelen we de hoeveelheid energie, vernieuwbare en niet-vernieuwbare grondstoffen, water en landbouwgronden die we op een duurzame manier kunnen gebruiken, zodat de volgende generatie er ook iets aan heeft.’
Milieugebruiksruimte op peil houden door:
§ Niet meer gebruiken dan kan worden vervangen. Ook rekening houden met de volgende generatie.
§ Niet sneller gebruikt worden of worden aangetast, dan dat er herstelt kan worden.
§ Vervuiling mag niet sneller dan de natuur kan afbreken.

1971 Rapport van de club van Rome -> Grenzen aan de groei
Omvang van de milieugebruiksruimte neemt af door:
o De groei van de wereldbevolking; hoe meer mensen hoe meer stoffen er nodig zijn.
o Welvaartstijging en verandering van leefstijl;beslag nemen op de natuurlijke hulpbronnen. Wel wordt er steeds meer op het milieu gelet.
o Toenemende vervuiling;de kwaliteit van de gebruiksruimte bepaald de omvang.
Milieugebruiksruimte wordt omvangrijker door:
- ontwikkeling in kennis en techniek wat leidt tot betere benutting van deze ruimte, bijv: zonne-energie, windenergie. Ook een hogere opbrengst kan gehaald worden.
- Vergroting de omvang van de winbare hulpbronnen; naast de al ontdekte plaatsen met natuurlijke hulpstoffen komen er steeds nieuwe bij.
Wanneer je de gebruiksruimte van een land wil bestuderen moet je letten op:
§ Beschikbaarheid van water
§ Bodemvruchtbaarheid
§ Aanwezige energiebronnen
§ Aanwezige grondstoffen
§ Beschikbare oppervlakte voor menselijke activiteiten
Milieugebruiksruimte is beperkt in tijd en ruimte. Wanneer men weinig milieugebruiksruimte heeft moet men voedsel, grondstoffen en water en energie importeren waar ook weer grenzen aan verbonden zijn. Financieel kan een probleem worden, maar ook de afstand waar goederen soms niet lang goed blijven.
Ongelijkheid qua milieugebruiksruimte komt ook voor. Sommige continenten beschikken eenmaal meer grondstoffen dan de anderen.
Door de industrialisatie in Europa had men veel grondstoffen nodig, dus vergreep men zich aan de koloniën die zij in handen kregen.

Streven naar een groeiende welvaart en economie van de hele wereldbevolking:
o Rijke landen moeten minder verspillen en consuminderen.
o Rijke landen moeten hun grenzen openstellen voor producten uit ontwikkelingslanden en geen tariefmuren rekenen.
o Rijke landen moeten schoner en duurzaam produceren.
Welvaart is te danken aan de ontwikkelingslanden die hun landbouwproducten afstaan aan de Europeanen. Het wordt versterkt door de schuldenlasten die internationaal is. Door aflossing van deze kunnen ze lichter worden.
Door constante aflossingen en snelle bevolkingsgroei is er geen sprake van economische groei.

1988 Commissie van de VN, Wereld Commissie voor Milieu en Ontwikkeling -> Our Common Future -> Brundtlandcommissie.
Armoede wordt niet alleen gezien als belangrijke oorzaak maar als gevolg van wereldomvattende milieuproblematiek.
Economisch handelen bepaald de machtsverhoudingen die weer met armoede en milieu te maken hebben.

Hoofdstuk 3

Klimaatzones zijn gebieden die op grond van verschillen in temperatuur en neerslag behoren tot een van de hoofdklimaten
- tropische klimaten
- zeeklimaten
- landklimaten
- koude en droge klimaten
weer -> toestand van de onderste laag van de atmosfeer ( troposfeer ) op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip. De troposfeer is van belang voor het leven van mensen, planten en dieren.
Het klimaat is de gemiddelde toestand van het weer in een groot gebied.

Het klimaat kun je verklaren door twee elementen:
§ energiebalans
Een deel van de zonnewarmte wordt door de aarde opgenomen. Een ander deel wordt de ruimte in teruggekaatst.
§ algemene luchtcirculatie
Herverdeling van zonne-energie over de aarde.
Welke factoren klimaatsveranderingen in het verleden veroorzaakten, is afhankelijk van de tijdschaal:
o Verschuivingen van de continenten speelden een belangrijke rol miljarden jaren geleden. Europa moet op de evenaar hebben gelegen. Steenkool komt voor in tropisch klimaat. Ook hebben deze verschuivingen invloed op luchtcirculatie en zeestromen. Continenten om de polen zijn ook belangrijk. Wanneer een continent vlakbij een pool ligt kan daar ijs gaan ontstaan wat de zonnestraling zou reflecteren. De aarde zal dan afkoelen.
o Honderdduizenden jaren geleden speelden de veranderingen in de baan van de aarde om de zon een grotere rol.
o Honderden jaren geleden waren de zonactiviteiten belangrijk. De aarde koelde meer af en zonnevlekken werden niet of nauwelijks vernomen.
o Korter dan tien jaarwaren de vulkaanuitbarstingen van invloed. Vulkanische deeltjes kunnen ook de zonnestraling tegenhouden en de temperatuur kunnen veranderen.

In het Saalien werd de laatste ijstijd geconstateerd. De zeespiegel was ook lager door het vele opgeslagen water in de ijskappen.
Het weersysteem is erg chaotisch en de kleinste veranderingen daarin kunnen al grote gevolgen hebben.
Milankovic ontdekte dat de veranderingen in de baan van de aarde rond de zon waren rond de tijd dat de IJstijd Dit leverde weinig op, het zou niet de IJstijd kunnen verklaren. Het zou wel een aanzet kunnen zijn van processen die zorgen voor een hoog stabiel klimaat naar een laag stabiel klimaat.
Bij de ijstijd waren voor van belang:
- Oceaanstromingen, deze kunnen door kleine temperatuurveranderingen anders gaan gedragen.
- Invloed van sneeuwreflectie is beter te voorspellen. De zon wordt gereflecteerd door de sneeuw waardoor de temperatuur daalt. Ook andersom.

Zonder het natuurlijke broeikaseffect zou het op aarde – 18 graden zijn. Door de geabsorbeerde straling warmt de straling op.
De verhouding tussen de stoffen, koolstofdioxide, steenkool, aardolie/gas, en methaan is in de afgelopen jaren in de atmosfeer sterkt toegenomen.
Koolstofbalans: verhoudingen tussen de hoeveelheid in de atmosfeer aanwezige koolstof en de hoeveelheid in de aardkorst vastgelegde stoffen.

Intergovermental Panel on Climatic Change (IPCC) doet samen met andere velen instituten kennis op. Nadelige gevolgen van versterkt broeikaseffect:
Over een eeuw is de verwachting van een temperatuurstijging van 2 a 6 graden. Regionale verschillen worden steeds groter. De daling van de luchtvochtigheid zou kunnen leiden tot grote gevolgen voor de landbouwgebieden.
De zeespiegel zal ook sterk stijgen door versterkte broeikaseffecten. De ijskappen en gletsjers zullen afsmelten.
Sommige beweren dat er geen probleem zal komen na een versterkt broeikaseffect, volgende argumenten:
§ ‘Temperatuur op aarde fluctueert van nature: een eventuele temperatuurstijging is een natuurlijk proces.’
Het klimaat fluctueert van nature. Het is onduidelijk wat de gevolgen van deze zijn voor de aarde.
§ Temperatuurstijging van de afgelopen eeuw wordt veroorzaakt door verandering van de hoeveelheid ontvangen zonne-energie en niet door broeikasgassen.
Zonneactiviteit op aarde wordt steeds kleiner dat kan de stijging van de gemiddelde temperatuur niet verklaren.
§ Opwarming van de aarde is goed voor mens en dier.
Planten groeien sneller en voedselproductie. De natuurlijke vegetatie kan zich niet aanpassen aan gewijzigde omstandigheden. Verdwijnen van soorten en stijging van het zeespiegelniveau.

Schadelijke stoffen die door de mens in de atmosfeer worden gespoten zijn cfk’s ( chloorfluorkoolwaterstoffen ) of freons. Koelkasten, spuitbussen, piepschuim. Fluorbroomkoolwaterstoffen of halons zitten ook in brandblusapparaten. Deze laatste stoffen kunnen ozon in de atmosfeer afbreken tot zuurstof. Deze stoffen kunnen dit lang volhouden en ook andere moleculen schade aanrichten.
In de stratosfeer is de concentratie ozon het hoogste. De ozonlaag is een beschermde laag rondom de aarde waarin het grootste deel van de ultraviolette-straling van de zon wordt geabsorbeerd.

Tropische regenwoudklimaten kunnen regionaal en continentaal het klimaat beïnvloeden. 70% van de invloedstraling van de zon wordt gebruikt voor het verdampen van water, wat een verkoelende werking geeft. Hoeveelheid neerslag in het regenwoud is afkomstig van verdamping vanaf oppervlaktewater en aardoppervlak, transpiratie van planten en dieren.
Wanneer het regenwoud gekapt zal worden, zal het klimaat veranderen.
Minder neerslag, verandering temperatuurregime wat extremer wordt.
Op mondiaal gebied zal het de algemene luchtcirculatie beïnvloeden, vochtigheid wordt minder wat kan leiden tot verwoestijning. Het stijgen van het koolstofdioxidegehalte doordat de planten het niet meer op kunnen nemen. De volgende vegetatie zal aanzienlijk minder CO2 opnemen -> versterkt broeikaseffect.

Vulkanen stoten asdeeltjes uit die het zonlicht weerkaatsen en dus de temperatuur op aarde lichtelijk zal dalen. Naast asdeeltjes komen er ook gassen bij vrij zoals,:zaveldioxide, zwaveltrioxide – verbindingen met zwavel en zuurstof. Er ontstaat waterdamp met zwavelzuur. Mensen stoten veel meer zwavelverbinding af de lucht in dan de vulkanen -> 13 miljoen ton zwaveldioxide per jaar. Nu 200 miljoen ton.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

he iris goed gedaan heb morgen tentamen over hfst 2 en 3 van dit katern. hartstikke bedankt, ik kan deze samenvatting goed gebruiken.

GreetZ matthijs

18 jaar geleden

J.

J.

eyyy thanx hoor.

18 jaar geleden

E.

E.

Iris... bedankt voor je samenvatting scheelt een hoop tijd!!! groet eef

17 jaar geleden

F.

F.

iris jouw verslag van atlantis natuur en milieu is perfect
bedankt dat je dat heb ingezonden heeft me goed geholpen ;)

thanks

17 jaar geleden

C.

C.

Bedankt voor het uitreksel over Atlantis katern Natuur en Milieu.
Me email is nep.. maar wou tog effe bedanken ;)

(f) doei

16 jaar geleden