Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


paragraaf 2

VENSTERS OP HET LANDSCHAP:

Ieder landschap bestaat uit een eigen combinatie van natuurlijke en door de mens aangebrachte elementen. Bij natuurlandschappen zijn de vorm en de invloed van het relief over het algemeen nog goed herkenbaar in het huidige landschap. Cultuurlandschappen weerspiegelen de invloed van de mens in een gebied. De natuurlijke elementen zijn ingepast, aangepast of verwijderd door de mens. Samen geven de natuurlijke en de cultuurlijke elementen aan het landschap zijn uiterlijk, het landschappelijk gezicht zogezegd. Men gebruikt hiervoor de term morfologie.

Venster één voor zicht op landschap:
- Infrastructuur, het geheel aan wegen inclusief spoor en wagenwegen.
- Verkaveling:
- blokverkaveling, wordt gekenmerkt doordat de stukken land relatief klein zijn en onregelmatig van vorm. (eerste vorm van verkaveling, door gebrek aan middelen onregelmatige vorm)
- strokenverkaveling, perceelvorm die hoort bij het slagenlandschap, De landerijen zijn land en smal van elkaar gescheiden door sloten. (tweede vorm, door meer technische verworvenheden)
- modern-rationale verkaveling, wordt gekenmerkt door grote, rechthoekige akkers en weilanden. Vlak en strak als ze zijn, passen ze in de moderne landbouw. (derde vorm, door hoogveenontginningen in Drents-Groningene veenkolonien)
- Bodemgebruik, de manier waarop de bodem wordt benut. Bijvoorbeeld: bouwland, weideland en akkerbouw.
- Bebouwingsvorm, slaat op de manier waarop de mens zijn gebouwen neerzet ten opzichte van elkaar en ten opzichte van de infrastructuur. Veel voorkomende vorm dorp en stad, maar ook lineaire variant: het streekdorp, Het structurele element van een liniaire nederzetting in meestal een weg. Het komt ook voor dat het een dijk, kanaal of rivier is.

Dit zijn allemaal uiterlijke verschijningsvormen. Het verschil of een landschap mooi of lelijk wordt gevonden. Het gaat hierbij om de belevingswaarde. Ook visuele verontreiniging speelt een rol. Hierbij spelen windmolen, elektriciteitsmasten een rol in welke mate ze het uitzicht bederven.

Venster twee voor zicht op landschap:
- ecologie, de wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen, dus de levende natuur(incl. de mens) en hun omgeving bestudeert. Ze besturen de levende wereld, biosfeer genoemd. Een ecosysteem is dus het geheel van relaties tussen organismen onderling en tussen de organismen en hun niet- levende omgeving.
Vb: ecosysteem beekdal kan bestaan uit ecotopen(landschapselementen) beekloop, beekmoeras, beekgrasland enz. Ecotopen worden vaak afgegrensd op basis van relief, bodem en grondwater enerzijds en vegetatie en grondgebruik anderzijds. Dit noemt men in de regel compartimenten.
- (zie boek blz 14 links voor voorbeeld otter)
Vormen van schade van invloeden van buitenaf voor ecosysteem:
- sterke dynamiek
- afnemende diversiteit (soortenrijkdom)
- toename van het aantal exemplaren van bepaalde soorten
- afname van de complexiteit en stabiliteit

Venster drie voor zicht op landschap:
- draagfunctie, het landschap draagt een groot aantal elementen, zoals kantoren en huizen. Er vinden activiteiten plaats. Is de draagkracht van het landschap wel in staat dit allemaal te dragen. Is het veengebied wel sterk genoeg om wegen te dragen. Ruimere opvatting, wordt het karakter van een gebied niet aangetast door pretparken, bungalowparken enz.
- productiefunctie, het landschap biedt ons mogelijkheden voor het produceren van voedsel en het verkrijgen van bouwmaterialen. Het voorziet ons van taken als zuurstof en water
- regulatiefunctie, het is de storings- en reparatiedienst van de natuur. De ecosystemen vangen verstoringen op en zorgen voor een evenwicht. Zo nu en dan brengen menselijke bemoeienissen dit proces op hol en ontstaan er natuurrampen een toename hiervan kan ons zeggen dat er iets mis is in de natuur.
- informatiefunctie, het landschap vervult een signaalfunctie voor de mens. Het landschap voorziet ons ook van niet-materiele behoeften, genieten van de natuur, recreatie, wetenschappelijke belangstelling enz. Door de kennis van de natuur kunnen we de afwatering vakkundig aanpakken, ruilverkaveling doorvoeren of aan natuurbouw doen.

Venster vier voor zicht op landschap:
- hoe is de verscheidenheid van de natuur ontstaan, de menselijke invloed is heel groot. (althans in het dichtbevolkte Nederland)

Paragraaf 3

HET NATUURLANDSCHAP:

We houden ons bezig met de buitenste korst van de aarde, dus heeft het weinig zin om ver terug te gaan in de geschiedenis. We beperken ons tot de laatste 2,4 miljoen jaar. In de periode van het Quartair. Voor het eerst in de geschiedenis wisselden koude en warme tijden elkaar gedurende een lange reeks van jaren regelmatig af. Door opeenvolging van glacialen (koude perioden) en interglacialen (warme perioden).

We leven nu in het Holoceen, hiervoor was het Pleistoceen. In die was Nederland nog zee. Nederland ligt namelijk in een dalingsgebied. Hier worden allerlei afzettingen neergelegd. Sedimentatie is dus een trefwoord voor Nederland. Deze sedimentatie vooral, zand, grind, keileem, leem en klei vormen de onderlaag (subtraat) van Nederland.

Redenen voor voor enorme variatie aan sedimenten: de temperatuur wisselde sterk, rivieren wisselde hun loop, de wind blies naar believen, de zee overstroomde grote gebieden.

Het begon in het Vroeg-Pleistoceen gletsjers en smeltwater zorgden voor een sterke erosie in de Alpen. De rivieren vervoerden dit puin naar het laagste punt (Nederland). Met de daling van de temperatuur daalde ook de zeespiegel hierdoor ontstond er een immense puinwaaier op de plaats van het huidige Nederland.

In het Midden-Pleistoceen werd het nog kouder. De zomer werd kouder en de winter wat warmer. De sneeuw die viel smolt in de zomer niet helemaal weg. Hierdoor breidde de gletsjers zich uit, hierdoor ontstonden er ijstijden. De afwisseling tussen ijstijden en interglacialen zorgden voor grote verschillen in sedimenten.

Eemien tijd: leek stijging temperatuur, maar opnieuw sloeg de kou toe. Harde winden dekten de glacialen overblijfselen toe met een dikke laag stuifzand.

10000 jaar geleden liep het laatste glaciale tijdperk, Het Weichselien op zijn einde. De temperatuurstijging had twee belangrijke gevolgen. De zeespiegel steeg en de veranderde vegetatie van de toendrabegroeien langzamerhand in de natuurlijke platengroei die we nu nog kennen.

De nieuwe kuststrook raakte bedekt met zoute moerassen, die zich door de hoger wordende zeespiegel landinwaarts uitbreidden. Langs de kust vormde zich strandwallen en zandbanken gevormd door de zee. Achter de duinenrij ontstond een uitgestrekt waddengebied, waarin het getij en de rivieren klei en zand deponeerden. Deze wadafzettingen, Oude Zeeklei genoemd, waren een prima bodem voor plantengroei.

1000 jaar voor Christus, was een groot deel van Nederland bedekt met veen. Deze was ontstaan uit de afgestorven resten van uitgestrekte moerasbossen. We noemen dit Hollandveen. De stijgende zeespiegel maakten in het zuidwesten en noorden korte metten met de zachte veenpaketten. Er waren veel overstromingen. Dit werd gestopt door de bescherming die een verse duinenreeks bood en de toenemende activiteit van de mens. Voordeel overstromingen: ze gaven een vruchtbare laag klei en zavelgrond. Beschermd door de duinen.

Paragraaf 4

HET CULTUURLANDSCHAP:

Al sinds de vroegste bewoning probeert de mens zijn leefomgeving naar zijn hand te zetten. En naarmate de technische middelen en de bevolkingsdichtheid toenam, werd de invloed op het leefgebied groter. Toch is er een sterke wisselwerking tussen het landschap en de bewoners.

Zand en Losslandschappen vertonen al tienduizenden jaren sporen van menselijke bewoning. Nadelen zand: niet vruchtbaar voordelen: droog, door relief zoveel variatie dat landbouw en veehouderij te combineren is. Als de grond uitgeput was trok men verder.

Toen de bevolkingsdichtheid toenam kwamen er problemen. De grond werd meer uitgeput. Het bosbestand werd verder aangetast. Het akkerland werd voortdurend uitgebreid om het aantal monden te voeden. Het vee moest zorgen voor voldoende mest om hun akkers vruchtbaar te houden. Dit lukte niet waardoor de bovenlaag van de heidevelden afgestoken, verzameld en uitgereden op de essen.

Door deze ontwikkeling ging het kale droge zand stuiven en bedekte akkers en huizen. Hele dorpen werden bedreigd. Eerste oplossing, bebossing geen succes. Tweede oplossing kunstmest werd wel een succes. De woeste gronden konden onder handen worden genomen. Niet alle heide werd akker en weiland, sommige heide werd door de kwaliteit van de bodem bebost.

Na de Tweede Wereldoorlog bleef het zandlandschap veranderen. Schaalvergroting vierde hoogtij. De waterhuishouding werd verbeterd door het kanaliseren van beken en uitdiepen van sloten.

De duinstreek is een ander verhaal. De hoger gelegen strook van de oude duinen was vanouds een prima plek voor bewoning en de aanleg van doorgaande wegen. Maar ook hier leidden ontginningen, akkerbouw en overbeweiding tot verstuiving. Met name de stad Amsterdam vroeg door uitbreiding veel zand. De afgravingen leverde prima landerijen op voor bollenteelt.

De jonge duinen hebben een zeewerende functie waardoor zandwinning daar taboe is. Men is juist voortdurend in de weer om het weggespoelde duinzand aan te vullen na een aanval door de zee: zandsuppletie. Behalve het water ligt ook de wind op de loer om het zand af te voeren, landinwaarts in dit geval. Hier is vooral de recreatie en de waterwinning zichtbaar (productiefunctie) die diep ingrijpt in het oorspronkelijk duinmilieu.

Kleigronden, daar zijn de sporen makkelijk terug te vinden. Voordeel: vruchtbaar. Nadeel: dicht bij het water, overstromingen maakten het leven zuur. Om dit te beperken werden er terpen aangelegd (ophoging van grond). Doordat omstreeks het jaar 1000 de overstromingen toenamen en de mensen niet wegtrokken maar juist dijken gingen bouwen. Op die manier verbond men de woonheuvels met elkaar en ontstonden polders.

Grote oppervlakten land op zee werden gewonnen, hierdoor ontstonden er zeepolders. De ene plas na de andere werd drooggemalen (Haarlemmermeer, Zuiderzee). Door landaanwinning werd de oppervlakte cultuurgrond vergroot. Klei, zand en grind was veel te waardevol om links te laten liggen. De schoorstenen van de steenfabrieken in Groningen wijzen deze plekken nu nog aan. Ook de vraag naar beton is duidelijk merkbaar in het landschap. In Midden-Limburg werden er grindgaten aangelegd. Landbouw en landschap moesten fors inleveren, maar de recreatie vaart er letterlijk wel bij.

Veenlandschappen, deze zijn het meest duidelijk aangelegd door de mens. In het jaar 600 was heel Utrecht en Holland een onafgebroken veenwildernis. De typerende strokenverkaveling ontstond, smalle en langgerekte percelen, de “copen”. De noodzaak om landerijen en voeten droog te houden bracht de boeren echter in een vicieuze cirkel. Ontwatering van veen betekent namelijk dat het volume afneemt, inklinking genoemd. Op de daling van het maaiveld reageerden de boeren eerst door over te stappen op veehouderij. Maar gaandeweg bleef het land zakken en dientegevolgen de waterspiegel stijgen. Boeren gingen pompen en dus verdere inklinking dat nu nog doorgaat.

Na de Tachtigjarige Oorlog begon een ontgronding zonder weerga. De veenafgravingen leidden tot het ontstaan van tientallen plassen, die soms bedreigend groot werden door oeverafslag. Sommige werden drooggemalen. Andere werden gebruikt voor visserij en recreatie.

Een groot deel van de laagveengebieden werd afgegraven en uitgebaggerd om turf te winnen als brandstof. Ook werd er zout gewonnen. Door deze afgravingen ontstonden moerassige laagten. Veel dijken raakten verzwakt met als gevolg doorbraken en overstromingen.

In de grote hoogveengebieden was het water vriend. Door grote urbanistatiegolf nam de vraag naar brandstof toe. De veenkolonien werden geboren.

Afsluitend kunnen we vaststellen dat de mens een steeds grotere invloed heeft gehad op de natuurlandschap. De groei van de bevolking, van welvaart en technische kennis en de behoefte aan voedsel en veiligheid leidden tot ontginningen op grote schaal en noodzaakten de mens tot een niet aflatende strijd tegen het water. Door deze activiteiten nam de diversiteit in landschap toe.

Paragraaf 5

EEN GROEN BILJARTLAKEN AAN ZEE?

Tot 1900 is de landschappelijke diversiteit toegenomen. Begin van de 20e eeuw kwam daar verandering in door komst kunstmest, dit maakte ontginning van het landschap mogelijk. Hierdoor ontstonden er grotere bedrijven en grote rechthoekige velden. Er zijn vier belangrijke redenen voor schaalvergroting en afname van de diversiteit:

- Economische overwegingen, schaalvergroting is nodig om het hoofd boven water te houden.
- Technische mogelijkheden om in het landschap in te grijpen, het tempo van de veranderingen is verhoogd.
- Bevolkingsgroei, meer inwoners op hetzelfde stukje land. Door uitbreiding van de infrastructuur worden landschappelijke eenheden doorsneden en verkleind, compartimentering genoemd.
- Groeiende welvaart, een toenemende koopkracht leidt tot meer consumptie en productie. Meer industrie, infrastructuur en winkelcomplexen. Gevolgen voor het landschap dus.

Voorbeeld landbouw:

Door Europees landbouwbeleid beurden de boeren een goede prijs voor bijvoorbeeld hun zuivel. Hierdoor werd het aantrekkelijk om bouwgrond om te zetten in weiland, hierdoor ontstonden er eentonige groene uitgestrekte velden.

Ook het Plan Marsholt was van belang. Deze beruste op twee pijlers: mechanisatie en bedrijfsvergroting. De positie van de Europese landbouwsector werd ijzersterk maar het landschap werd een kind van de rekening. Maar toen het subsidiebeleid leidde tot grote overschotten kwamen ook de boeren in de problemen. De prijzen werden aangepast aan de wereldmarkt. Het inkomen raakten in de knel. Hierdoor moest er weer bezuinigd worden, wat weer leidde tot schaalvergroting die weer leidde tot gevolgen voor het landschap.

Om het inkomen wat op te hogen willen de boeren nu zogenaamde “kamperen bij de boer” boerderij maken. Maar door beperkte hoeveelheid toegestane recreatieplaatsen zijn investeringen niet rendabel. Hierdoor voeren boeren nu een actie voor meer plaatsen. Als dit wordt toegestaan leidt dit ook weer tot schaalvergroting met alle gevolgen van dien.

Paragraaf 6

EEN ANDER NEDERLANDSCHAP?

Het lijkt erop dat de groeiende economie de verscheidenheid in natuur en landschap de nek omdraait. Terwijl meer geld juist meer zorg voor het landschap mogelijk zou maken. Toch zijn er signalen dat de mensen de aantasting minder accepteren.

- Toenemende zorg over herkomst en de kwaliteit van ons voedsel
- Toenemende betrokkenheid van burgers en actiegroepen ten aanzien van de leefomgeving.
- Overheidsbeleid is duidelijk veranderd

Enkele veranderingen van overheidsbeleid in relatie tussen milieubeleid en ruimtelijk beleid:

Ø Ruimtelijke inrichtingsprojecten van enige omvang kunnen tegenwoordig pas worden uitgevoerd nadat de te verwachten gevolgen voor de natuurlijke omgeving in kaart zijn gebracht.

Ø Als er belangrijke ruimtelijke-ordeningsbesluiten in het geding zijn, dan wordt de Milieu Effect Rapportage ingekaderd in het zogeheten Planologische Kern Beslissing (PKB)

Ø Overheid wijst gebieden aan waar de moeite van beschermen extra waard zijn. Bijvoorbeeld Natuurmonumenten, Nationale Parken enzovoorts

Ø Accent in de ruilverkaveling is verschoven van boerenbelang naar natuur en recreatie belangen. Na de oorlog veel verkaveling in belang van boeren om in tijd van oorlog een eigen voedselvoorzieningen te hebben en om veel te kunnen exporteren. Ook bezaten de boeren een sterke lobby in Den Haag door Groene Front. De positie van het Groene Front brokkelde echter af waardoor er een nieuwe wet werd aangenomen. De Landinrichtingswet in 1985. Er is in deze wet veel meer aandacht voor de natuur en het landschap.

Ø In de Vierde Nota van de Ruimtelijke Ordening wees de regering een aantal gebieden aan dat er uitsprong met milieuproblemen. Industriegebieden (Rijnmond) maar ook agrarische gebieden (de Peel).

Ø Een ander uitvloeisel van samenwerking op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening is de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De bedoeling hiervan is de afbrokkelende diversiteit en natuurlijkheid van ecosystemen weer in een acceptabele staat terug te brengen. Er worden grote natuurgebieden ontwikkeld (Veluwe) waar dat niet lukt worden verbindingszones aangelegd. De “stepping stones gedachte” gaat ervan uit dat dieren via kleine stukjes natuur op een rij van het ene grote natuurterrein naar het andere kunnen komen.

Ø In 2010 moet 18% van de Nederlandse oppervlakte natuurgebied zijn. (In 1996 nog 13%). Dit wordt gerealiseerd door het EHS. Door aanwijzen van, natuurontwikkelingsgebieden om het strikt behoud van de natuurfunctie, reservaatsgebieden is de natuurfunctie ook belangrijk maar daar is ook agrarisch medegebruik mogelijk, beheersgebieden stellen de landbouwkundige taak op de eerste plaats waar vervolgens de natuurfunctie bij aanschuift. De EHS bestaat dus niet uitsluitend uit puur natuur, ook bewoonde landschap valt hieronder. Het gaat dan bij voorkeur om oude, waardevolle cultuurlandschappen.

Paragraaf 7

DE ACHTERGROND VAN DE ECOLOGISCHE HOOFDSTRUCTUUR:

Welke principes liggen ten grondslag aan de aanpak in de EHS? Het antwoordt op die vraag is te vinden in de ecologie.

Eilandtheorie:

De biologen Wilsen Mac Arthur meenden in hun Theorie over Eilandbiografie (1967) het antwoord te hebben gevonden op vragen als kan het complexe en kwetsbare ecosysteem zich weer herstellen? Uit de studie van de twee wetenschappers bleek dat naarmate een gebied kleiner is, de kans op verarming van de natuurlijke verscheidenheid juist toeneemt. Toch dachten natuurbeschermers tot dan toe dat een zo afgesloten mogelijk ecosysteem zonder mensen het besten was voor de natuur.

Door het nabootsen van natuurlijke ecosystemen in computermodellen ontdekte de Amerikaan Mc Cann in 1998 dat de stijgende complexiteit in een ecosysteem samengaat met een grotere stabiliteit. In een stabiel ecosysteem worden verstoringen gemakkelijker opgevangen. In zijn visie maakt de mens deel uit van het ecosysteem. Je kunt er beter voor zorgen dat het landschap groot genoeg is door middel van “natuureilanden” met elkaar te verbinden.

Niet alle ecosystemen zijn even complex, integendeel, sommige ecotopen zijn zo klein en uitgekleed dat ze heel kwetsbaar zijn geworden voor invloeden van buitenaf. Als de mate van verstoring een kritische grens overschrijdt is natuurlijk herstel uitermate moeilijk. Doordat natuurgebieden in Nederland klein zijn, zijn de menselijke activiteiten hinderlijk aanwezig. Door zonering probeert men nu de meest kwetsbare natuur zoveel mogelijk af te schermen van storende invloeden van buitenaf.

Het verband tussen soortenrijkdom en de grootte van het leefgebied

Afname van oppervlakte leefgebied leidt tot het verdwijnen van soorten. Dit verband noemen ecologen “soort/oppervlakte relatie”. Het hoeveel soorten heeft te maken met twee dingen: met de grootte van het uiteindelijke leefgebied en vervolgens met de mate waarin het gebied geïsoleerd is van andere natuurgebieden. De mate van ingewikkeldheid van relaties tussen elementen in een ecosysteem noem je complexiteit. Of de soortenrijkdom in Nederland in stand blijft ligt aan verschillende dingen
- gunstige milieuomstandigheden nodig
- de omringende cultuurgronden worden steeds intensiever gebruikt en ingericht
- de grond verdwijnt hierdoor onder de voeten van de natuur vandaan
- volgens de eilandtheorie zal het soortenaantal in een ingekrompen natuurgebied afnemen, tenminste voorlopig.

Soorten die deel uitmaken van stabiele ecosystemen zijn vaak slechte verbreiders. Zij komen in de problemen als hun leefgebied kleiner wordt en in een isolement raakt. Hierdoor sterft het uit, hun plaats wordt ingenomen door soorten die zich gemakkelijk verbreiden en vestigen, wat weer betekent dat er meer aantallen van een soort voorkomen. Het vergroten en verbinden van natuurgebieden vergroot ook de diversiteit en doet de uitsterfkans afnemen.

Dynamiek in ecosystemen

Bepaalde soorten voelen zich bijzonder prettig bij een voortdurende wisseling van omstandigheden. Andere zijn weer meer op rust gesteld. Invloeden van buitenaf kunnen de gang van zaken in een ecosysteem behoorlijk in de war brengen. Alle veranderingen zijn van invloed op de complexiteit en de diversiteit binnen het ecosysteem. Grote en kleine veranderingen zijn in de natuur heel normaal. Ze zetten een ecosysteem voortdurend terug naar een jonger ontwikkelingsstadium. Soms duurt dit maar heel kort, zoals de voortdurende wisseling van waterstand in de maas, men noemt het daardoor wel een dynamisch ecosysteem. Soms duurt het wel eeuwen, zoals bijvoorbeeld een bos. De dynamiek is minder groot hierdoor wordt het ook wel een stabiel ecosysteem genoemd.

Als er geen kortlopende of langlopende cycli meer optreden in een ecosysteem is het gedoemd tot degeneratie, het raakt in verval. Een gezond ecosysteem kan de interne en externe veranderingen opvangen zoekt daarin voortdurend naar een natuurlijk evenwicht. De invloeden van buitenaf, de externe dynamiek is het sterkst aan de randen van een ecosysteem. De randsituatie of grensmilieu noemt men een gradiënt. Dit is een overgangszone waarin de uitbreiding van soorten een goede kans krijgt. Zijn ze kansrijk dan zijn ze bij overgangszones tussen contrasterende milieufactoren zoals, zand - klei, veen - klei enzovoorts.

De belangrijkste factor die deze bijzondere natuur in de gradienten verklaart, is de gesteldheid van de bodem. Deze verandert over enige afstand sterk in bepaalde eigenschappen. In de biotische sfeer helpen de grazers mee om het gebied een eigen karakter te geven.

Paragraaf 8

MILIEUKWALITEIT EN SCHAALNIVEAU

Het milieu is de levende en niet-levende tastbare omgeving, waarmee de mens een wisselwerking onderhoudt. Waar het milieu door de mens gevormd of beïnvloed is, wordt het aangeduid als cultuurlijk milieu. Waar dat nog niet het geval is, hebben we het over het natuurlijk milieu. Waarneer is een milieu nou schoon. Zo’n kwaliteitsaanduiding kan betrekking hebben op vier lagen, die allen een ruimtelijke dimensie hebben.

- afzonderlijke factoren, bijvoorbeeld giftige dioxide uit de industrie
- kwaliteit van compartimenten als geheel, zoals water, lucht en flora
- kwaliteit van ecosysteem, zoals evenwicht, dynamiek en complexiteit
- niveau van het landschap, mate van afwisseling tussen verschillende ecosystemen. Bovendien kijk je naar de manier waarop de mens omgaat met de natuur en landschapswaarden in het gebied. Ook let je op het uiterlijk.

Milieukwaliteit, hierbij gaat het om de kwaliteit van de leefomgeving van de mens. Het beleid met betrekking tot natuur en landschapsbehoud is gericht tegen de aantasting van de milieukwaliteit. Het gaat daarbij om de afname van de oppervlakte natuur en landschap en de afnemende verscheidenheid.

Bij verontreiniging is er sprake van een ongewenste verstoring van natuurlijke processen op een bepaalde schaal. Het verminderen van de voorraad energiebronnen en grondstoffen leidt tot uitputting. Voordat de grond zich heeft kunnen herstellen wordt het opnieuw bebouwd. In Nederland valt dit overigens niet onder het milieubeleid. (figuur 3.1 BELANGRIJK)

Milieuproblemen zijn op vijf ruimtelijke schaalniveaus terug te vinden in de ecosystemen. De problemen moeten dus op het juiste niveau worden aangepakt.

Schaalniveau Systemen Processen Problemen
Lokaal Woon en werkomgeving Aanleg en slopen van bebouwing en infrastructuur Geluidshinder, stankhinder, luchtverontreiniging van stad en dorp en het binnenmilieu
Regionaal Meren/landschappen Bodemvorming/beweging van grondwater Vermesting, verspreiding, verdroging, afvalberging, erosie, verzilting
Fluviaal(rivier) Stroomgebieden en kustzeeen Beweging van oppervlaktewater Vermesting, verspreiding, verzilting, watererosie
Continentaal Continenten en oceanen Beweging van lucht Verzuring, verwoestijning
Mondiaal Hogere luchtlagen/planeet Energie en waterhuishouding Broeikaseffect, klimaatveranderingen, stijging waterspiegel
Paragraaf 9

WAT HAALT HET UIT?

Gewoon lezen verder niets

Paragraaf 10

MAG HET IETSJE SCHONER ZIJN?

Niet iedere burger kan aanspraak maken op een even vlekkeloos milieu. Het hangt erg af van de plaats waar je woont. Een voorbeeld van een landelijke regel die op de plaatselijke situatie wordt toegepast is de Wet Geluidshinder (WGH). Deze wet is aan de ene kant bedoeld om het lawaai te beperken en aan de andere kant om de oorzaak van geluidsoverlast weg te nemen.

Een belangrijk punt bij milieubeleid is hoeveel geld je wilt uitgeven en hoeveel moeite je wilt doen om de laatste spoortjes verontreiniging en aantasting weg te nemen. Iedere auto die rijdt legt beslag op de energievoorraad, vervuilt de natuur en tast natuur en landschap aan. Maar weinig mensen vinden dan ook dat de auto naar de schroothoop moet. Het probleem ligt dus in de schaal waarop geproduceerd, geconsumeerd en vervoerd wordt. Deze activiteiten kenmerken zich door groei. Hierdoor krijg je het gevoel dat het milieubeleid dweilen met de kraan open is. Enkele uitgangspunten van het Nederlandse milieubeleid:

- Stilstand principe, dit betekent dat men de kwaliteit van het milieu op dit moment als uitgangspunt neemt. Door de huidige situatie als uitgangspunt te nemen, vermijd je het ontstaan van vervuilingruimte. Bovendien kun je voorkomen dat een afname van de verontreiniging in zwaar belaste gebieden wordt bereikt over de rug van de relatief schone gebieden.
- Het bestrijden van de verontreiniging moet zoveel mogelijk bij de bron gebeuren. De bodemvervuiling pakt men bijv. aan bij de storters van chemisch afval. De vervuiler mag zelf opdraaien voor de schoonmaakaktie. Door de burger in de portemonnee te treffen probeert een gemeente zijn inwoners ertoe te bewegen minder te vervuilen.
- De vervuiler betaalt, Ieder die negatieve milieu-effecten veroorzaakt is daarvoor zelf verantwoordelijk.
- Milieubeleid wordt zoveel mogelijk gedelegeerd naar de plaatselijke of regionale overheid, onder het motto centraal regelen wat centraal moet, decentraliseren waar het kan. Door deze regionale differentiatie kan beter worden ingespeeld op de situatie ter plekke.
- Een bedrijf of instelling moet vooraf duidelijk maken of de activiteiten schade aan de leefomgeving toebrengen. Daarmee is de bewijslast omgedraaid. Vroeger moest de gedupeerden hard maken dat zijn belangen waren aangetast. Het komt er dus op neer dat er een vergunningenprocedure moet worden gevolgd en een Milieu Effect Rapportage (MER) moet worden uitgebracht.
- Wat het landschap betreft, is het de vraag naar welke situatie je terug wilt gaan om te kunnen spreken van een “natuurlijke situatie”

Paragraaf 11

GEROMMEL IN ECOSYSTEMEN

Doordat de wereld voller wordt, de welvaart groeit en de consumptie groter worden, neemt ook de verontreiniging, aantasting en uitputting van de leefomgeving toe. Hierdoor worden de ecosystemen dynamischer en hun stabiliteit, complexiteit en diversiteit neemt af. Deze negatieve ontwikkeling staat echter niet los van allerlei andere ontwikkelingen, maar is sterk verweven met de economische en demografische groei en de razendsnelle vooruitgang van de technologie

- Economische ontwikkelingen, een hoger bruto nationaal product betekent meer auto’s, een hoger verbruik van energie enzovoorts. De groeiende rijkdom maken het echter ook mogelijk wat aan de verontreiniging te doen. De alom aanwezige armoede in de technisch minder ontwikkelde landen die het ergste doen vrezen.
- Demografische ontwikkelingen, de groei van de wereldbevolking betekent een hogere druk op de wereldvoorraad.
- Technische ontwikkelingen, is positief en negatief voor het milieu. De industrie kan de leefomgeving fors verstoren maar aan de andere kant biedt de techniek een bijna grenzeloze mogelijkheden om schoner, efficiënter en zuiniger te produceren.

Welke menselijke activiteiten worden schuldig bevonden aan uitputting, aantasting en verontreiniging?

- Huishoudens, een huishouden verbruikt water en energie, ons voedsel moet geproduceerd worden enzovoorts.
- Industrie, het gebruik van bijvoorbeeld aardolie draagt bij aan de uitputting en ook de rook is verontreiniging. Mijnbouw, de winning van fossiele energiebronnen synoniem met uitputting. Verder kan mijnbouw ook ernstige verontreiniging met zich meebrengen of leiden tot milieuaantasting.
- Landbouw, de ononderbroken stroom mest veroorzaakt verontreiniging van grondwater, de bodem en de lucht, waardoor er weer aantasting van ecosystemen plaatsvindt.
- Verkeer en Vervoer, de gevolgen zijn duidelijk, maar ook de benodigde oppervlakte parkeerruimte, wegen en overige infrastructuur versnippert het landschap.

Paragraaf 12

MILIEUPROBLEMEN OP NIVEAU

Vijf gevolgen van verstoringen van het milieu.
- Verdroging
- Verspreiding
- Verzuring
- Vermesting
- Verandering van het klimaat

Invloed van de mens op het milieu op verschillende niveaus.

Lokale schaal
Aantasting op lokale schaal: het voorbeeld van de houtwallen.

Een manier om landerijen van elkaar te scheiden is het aanleggen van houtwallen. Dit zijn hogere stroken in het landschap begroeid met bomen en stuiken met vaak een greppel aan weerszijde. Ze hadden twee functies. Het vee bleef binnen de perken en het hout leverde brandstof op. Na de Tweede Wereldoorlog pasten ze niet meer in een modern agrarische bedrijfsvoering. Prikkeldraad en schrikdraad neemt het over. Vanaf de jaren tachtig staat de betekenis van lijnvormige beplantingen als leefgebied en verbindingsweg voor dieren en planten sterk in de belangstelling.

Toch is het niet zo dat de oppervlakte houtwallen sterk toeneemt. De economische druk om ze te verwijderen groeit eveneens. Houtopstanden geven schaduw waardoor het gewas minder hard groeit, na regen droogt de grond nauwelijks op en de beesten dis schaduw zoeken vertrappen wat er nog over is aan gras. Ook leverde het hout niks meer op. De bestaande houtwallen worden dus nauwelijks meer onderhouden en degenereren. Door intensieve bemesting rukken brandnetels en braamstruiken op. De diversiteit neemt af en de functie van de wallen als verbindingszone vermindert.

Nog steeds verdwijnen er houtwallen. In de huidige ruilverkaveling nieuwe stijl worden deze landschapselementen soms weliswaar opgeruimd, maar vaak ook weer vervangen door nieuwe wallen of singels en de aanplant van kleine bosjes. Door onderhoudsprojecten en beheersovereenkomsten kunnen zo kleinschalige landschappen worden behouden.

Regionaal niveau
Verontreiniging op regionaal niveau: het voorbeeld van vermesting.

Vermesting, als de aanvoer van voedingsstoffen door menselijke activiteiten veel groter is dan de afvoer. De opeenhoping van mineralen in een bepaald gebied betekent een vergrote voedselrijkdom in een ecosysteem, eutrofiering genoemd. De grootste leverancier van mest is de bio-industrie. Kenmerkend voor de intensieve veehouderij is de hoge dierdichtheid per hectare. De boer moet zijn grote hoeveelheid varkens of kippenmest dus kwijt op een klein lapje grond. De bodem is dus sterk verontreinigd met stikstof en fosfaatverbindingen. Tussen deze twee soorten mineralen bestaat een duidelijk verschil. Stikstof beweegt zich namelijk veel gemakkelijker door de lucht, de bodem en met het grondwater dan fosfaat dat doet. Fosfaten hopen zich eerder op in de bodem en in het bodemwater.

De gevolgen van vermesting voor het ecosysteem zijn vooral op regionale schaal waarneembaar, met name in de zandgebieden. De verspreiding van mineralen vindt namelijk vooral plaats door middel van grondwaterstromingen over relatief kleine afstanden. Zandgronden zijn om twee redenen erg gevoelig voor overbemesting:
- goed doorlaatbaar
- zandkorrels kunnen voedingsstoffen slecht vasthouden

Twee belangrijke gevolgen van overbemesting
- vanouds voedselarme ecosystemen met een heel eigen variatie aan planten en diersoorten worden bemest. In slootjes zie je daardoor algenbloei optreden dat veel zuurstof nodig heeft. Bij gebrek hieraan sterft het af. De overblijfselen worden in zuurstofarme omstandigheden afgebroken door bacteriën die schadelijke stoffen produceren en het ecosysteem vergiftigen.
- In een aantal gevallen zijn de watervoerende lagen in de ondergrond niet afgeschermd door een ondoorlatende kleilaag.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.