Ook deze week is het nog 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


Aardrijkskunde
Hoofdstuk 7 Zuidoost-Azië:  eenheid of verbrokkeling?

Paragraaf 1 Oriëntatie

  • Vormen de landen in Zuidoost-Azië een hechte eenheid?
    De landen Myanmar (vroeger Birma), Laos, Thailand, Vietnam, Cambodja, Maleisië, Filipijnen, Brunei, Singapore, Indonesië en Oost-Timor vormen samen de regio Zuidoost-Azië. China in het noorden en India in het westen zijn de grote buurlanden. Er zijn veel verschillen tussen de landen in Zuidoost-Azië, er zijn grote landen met een omvangrijke bevolking zoals Indonesië, maar ook kleine zoals Singapore of Brunei. Rijke landen zoals Singapore en Brunei, maar ook arme landen zoals Oost-Timor en Laos. Maar er zijn ook overeenkomsten zoals het natuurlijke milieu (door de ligging van de tropische landschapszone zijn er gelijke kenmerken in het klimaat) en de economie (een snelle ontwikkeling van de industrie na de koloniale periode).
  • Wat is de invloed van de globalisering op de economie en de bevolking van de landen in Zuidoost-Azië?
    Veel bedrijven uit West-Europa, de VS en Japan hebben door de lage lonen hun productie naar dit gebied verplaatst (werkplaats van de wereld). Het is een regio met vooral in nieuwe industrielanden als Singapore, Thailand en Maleisië veel exportindustrie. In vele landen zijn speciale industriezones ingericht om exportindustrie aan te trekken. Door de globalisering is het consumptiepatroon meer westers geworden in Zuidoost-Azië.
  • Is de ongelijkheid tussen de landen van Zuidoost-Azië afgenomen?
    In 1967 is de ASEAN (Association of South East Asian Nations) opgericht om politiek, economisch en cultureel samenwerken te bevorderen. Een belangrijk doel is om de economische groei te bevorderen door onderlinge handel en daardoor ongelijkheid tussen de landen te verminderen. Maar economisch sterke landen hebben nu eenmaal meer mogelijkheden om zich te ontwikkelen dan armere landen.

Paragraaf 2 Kennismaken met de formele regio

  • Zuidoost-Azië bestaat uit een groep van 11 landen. Het is een formele regio: ze hebben gemeenschappelijke kenmerken en belangen dat het een homogeen gebied maakt met samenhang.

2.1 Een natuurlijk milieu met veel gemeenschappelijke kenmerken

  • Het natuurlijk milieu van de landen in Zuidoost-Azië heet veel overeenkomsten:
  1. Ligging op de Euraziatische plaat bij zones met subductie.
  • Zuidoost-Azië ligt aan de zuidoostrand van de Euraziatische plaat. Deze tektonische plaat bestaat zowel uit vasteland als schiereilanden en eilanden.
  • Aan de zuidrand en oostrand van de Euraziatische plaat is sprake van subductie en komen diepzeetroggen voor. De Indisch-Australische Plaat en de Filipijnse plaat duiken door de platentektoniek hier beide onder de Euraziatische plaat, explosief vulkanisme en gebergtevorming zijn hiervan het gevolg en hebben geleid tot vulkanische eilanden, bijv. Sumatra, Java, Bali, Oost-Timor en de eilanden van de Filipijnen. Op deze eilanden zijn talrijke actieve vulkanen, door de dikke lagen goed doorlatende vulkanische as, is er een goede bodemvruchtbaarheid.
  • In alle landen in Zuidoost-Azië vinden we jong alpien plooiingsgebergte met veel reliëf, doordat het bebost is, is er slechte toegankelijkheid. Bij het plooiingsgebergte is magma in de kern van de gesteentelagen gedrongen en gestold. Er ontstonden ertsaders die door latere erosie dicht aan de oppervlakte zijn gekomen, hierdoor is er een talrijke aanwezigheid van ertsen in de grond, bijv. tin in Maleisië, Indonesië en Thailand.
  • Omdat mogelijke vindplaatsen van ertsen slecht bereikbaar zijn, zijn die nog niet onderzocht. Vaak is er ook niet genoeg geld en kennis, waardoor opsporing en exploitatie van delfstoffen meestal door buitenlandse mijnbouwondernemingen wordt gedaan. Soms is er joint venture met binnenlandse (staats)bedrijven.
  • Ook fossiele energiebronnen (olie en gas) zijn in Zuidoost-Azië in ruime mate aanwezig. Indonesië, Maleisië, Thailand, Vietnam, Brunei en Oost-Timor hebben op land en in zee grote reserves. In zee heeft vooral de onderzeese voorzetting van het continent tot 200m diepte (het continentaal plat) veel mogelijkheden voor winning. Zowel staatsbedrijven als buitenlandse ondernemingen zijn actief bij de opsporing en winning. Hun investeringen in nieuwe winplaatsen zijn echter niet groot genoeg om de productie van aardolie en aardgas sterk te laten toenemen. Alle landen in Zuidoost-Azië moeten daarom ondanks hun reserves, aardolie importeren.
  1. Ligging in de tropische landschapszone
  • Zuidoost-Azië ligt in de tropische landschapszone en heeft op meer dan de helft van het landoppervlak weelderig tropische bos. De regio heeft overheersend een A-klimaat (tropisch regenklimaat) met hoge temperaturen.
  • Ten aanzien van de regen heeft een deel van de regio een tropisch regenwoudklimaat (Af) met het hele jaar door neerslag.
  • Een ander deel heeft een savanneklimaat of moessonklimaat (Aw) met neerslag in de zomer. De neerslag wordt veroorzaakt door de intensieve verhitting door de zon rondom de evenaar, dit zorgt voor opstijging van lucht en ontstaan van een zone met lage druk (intertropische convergentiezone – ITCZ).
  • Deze zone met lage druk ligt niet constant op dezelfde plaats, maar volgt de verplaatsing van de loodrechte zonnestand. Gevolg is een halfjaarlijkse omkering van de windrichting van de passaten (constant waaiende winden aan het aardoppervlak van het subtropisch hogedrukgebied rond de 30° breedte naar de ITCZ rond de evenaar. Op het noordelijk halfrond waaien ze door de afwijking die veroorzaakt wordt door de Corioliskracht uit het noordoosten (noordoostpassaat) en op het zuidelijk halfrond uit het zuidoosten (zuidoostpassaat))
  • De passaten hebben daarom het karakter van een moesson die afwisselend voor droogte (droge moesson) en neerslag (natte moesson) zorgt.
  • De moessonwinden tussen zomer en winter:
  • In de periode mei-oktober is het in Australië winter en wordt Azië door de zon sterk verhit. Daardoor is er hoge druk in Australië en ligt er boven Azië een zone met lage druk ITCZ. Hierdoor is er een moessonwind die van Australië naar Azië waait. Ten zuiden van de evenaar is er in Indonesië sprake van een droge oostmoesson, de nabijheid van de hoge druk van Australië en de korte weg over zee verklaren het droge karakter. Ten noorden van de evenaar draait de wind (afwijking naar rechts) en waait de natte westmoesson die na opname van vocht boven zee vooral op het vasteland van Zuidoost-Azië veel neerslag brengt.
  • In de periode november – april waait de moessonwind vanaf Azië via de evenaar naar Australië. Australië wordt sterk verwarmd en kent lage druk (ITCZ). Op het Aziatische continent, waar het dan winter is, heerst hoge druk. Vanaf de hoge druk hier waait de wind eerst vanuit het noordoosten. Deze aflandige noordoostmoesson is boven het vasteland van Zuidoost-Azië droog. Door opname van vocht boven zee ontvangen Maleisië, Singapore, Indonesië en Brunei wel neerslag. Na het passeren van de evenaar gaat de wind naar het noordoosten en oosten waaien en zorgt in Indonesië voor hevige neerslag.
  1. Veel natuurrampen en landdegradatie
  • In Zuidoost-Azië komen veel natuurrampen voor door de geologische opbouw en het tropische klimaat met zijn hoge neerslagintensiteit. De volgende natuurrampen zijn te verwachten:
  • Aardbevingen en tsunami’s: door de aanwezigheid van plaatgrenzen en breuken bewegen veel aardkorsten tegen elkaar wat voor aardbevingen zorgt. Dit is vooral in subductiezones. Als er een trilling op de zeebodem is kan er een tsunami ontstaan.
  • Vulkanisme: in de omgeving van subductiezones is er explosief vulkanisme met stratovulkanen en calderavulkanen. Vooral in Indonesië en de Filipijnen.
  • Overstromingen en tropische stormen: wateroverlast door de natte moesson waardoor de rivieren het niet meer houden, kan tot plotselinge overstromingen die dorpen en landbouwgronden bedreigen als gevolg hebben.
    In kustgebieden kunnen de tropische stormen of cyclonen (taifoens) zorgen voor stormschade en opstuwing van het zeewater. Dit komt door de sterke opwarming in het zomerhalfjaar van het zeewater die de lucht erboven doet stijgen.
  • Modderstromen en aardverschuivingen: in het gebergte zorgt de intensieve chemische verwering in de tropen voor een dikke losse laag aarde en op hellingen van vulkanen ligt vaak een dikke laag vulkanische as. Bij hevige regenval kan het losse materiaal in beweging komen en ontstaan modderstromen of aardverschuivingen.

2.2 Een cultuurgebied met verschillen en overeenkomsten

  • Kan je bij Zuidoost-Azië spreken over één cultuurgebied? Het gaat er om of de mensen die in de regio wonen bepaalde cultuurelementen gemeenschappelijk hebben:
  1. Taal; Zuidoost-Azië kent talrijke etnische bevolkingsgroepen met vele talen en dialecten. De belangrijkste bevolkingsgroepen vind je in het centrum van een land. De etnische minderheden komen in de perifere gebieden bij de grens voor, bossen bieden bescherming tegen de overheersing van de hoofdgroep.
  2. Godsdienst; boeddhisme en islam zijn de meest belangrijke godsdiensten:
  • Cambodja, Laos, Myanmar, Singapore, Thailand en Vietnam – boeddhisme.
  • Brunei, Indonesië, en Maleisië – islam.
  • De Filipijnen, Oost-Timor – katholicisme.
  1. Levensstijl;  gemeenschappelijke waarden van Confucius, deugdzaam gedragen: respect voor anderen, zoveel mogelijk leren en je altijd inspannen. Dit wordt als een verklaring gezien van de economische successen van Zuidoost-Azië.
  2. In alle landen zijn er in de stedelijke gebieden Chinezen te vinden. In Singapore hebben ze een meerderheid.

2.3 Overeenkomsten en verschillen in de economie

  • De verschillen in de economie in Zuidoost-Azië zijn te zien aan de verdeling van de beroepsbevolking. In sommige landen domineert het landbouw nog en in de andere landen is dat industrie en diensten.
  • Na 1960 heeft de globalisering gezorgd voor een forse groei in de industrie (Asian miracle). Talrijke MNO’s zijn zich in de landen aan de westrand van de Grote Oceaan (Pacific Rim) gaan vestigen. Het economische zwaartepunt verschoof (global shift), omdat Zuidoost-Azië ook een plek in de wereldmarkt kreeg.
  • Maar niet elk land heeft van de globalisering geprofiteerd dat kan je zien aan het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking.
  • De mate van openheid van de economie heeft een belangrijke rol gespeeld bij de economische ontwikkeling van de landen in Zuidoost-Azië, je kan de landen globaal in 2 groepen verdelen:
  1. Landen met een open economie: Singapore, Brunei, Thailand, Maleisië, Indonesië en de Filipijnen. Ze hebben na hun snelle industrialisatie op de wereldmarkt gerichte open economie waarin export en buitenlandse investeringen erg belangrijk zijn. Oost-Timor heeft ook een open economie maar is nog in het begin van zijn ontwikkeling, vroeger hoorde het bij Indonesië.
  2. Landen met een gesloten economie: Vietnam, Cambodja, Laos en Myanmar. Zij hebben de laagste inkomens per hoofd van de bevolking. Vietnam, Cambodja en Laos zijn communistische landen die zich tot voor kort terugtrokken uit de internationale economie. Myanmar heeft een militaire junta en is politiek en economisch geïsoleerd. Landbouw is in deze 4 landen het belangrijkst. Sinds 1990 zijn deze landen ook aan het veranderen. Vietnam heeft zich ontwikkeld naar een marktgerichte open economie en had na 2000 een forse economische groei, de andere volgen. Myanmar had pas in 2010 een open economie.

2.4 politieke samenwerking in de ASEAN

  • De landen in Zuidoost-Azië vormen een politieke eenheid in de ASEAN (Association of South East Asian Nations). Alle landen, behalve Oost-Timor (kandidaat-lid), zijn hiervan lid.
  • Het doel van de ASEAN is om door samenwerking economische groei en sociale en culturele ontwikkeling te bevorderen. Het handhaven van vrede en het zorgen voor politieke stabiliteit is ook belangrijk.
  • Economisch is het een succes, het vormt een economisch blok met de EU, Japan en VS als belangrijkste investeerders.
  • Tot 1970 waren de ASEAN-landen vooral grondstoffenexporteurs, wat voor concurrentie zorgde. Door de globalisering werd samenwerking belangrijk, industrieproducten bestaan uit onderdelen die in verschillende landen gemaakt kunnen worden. De lage importtarieven voor de handel maken het gunstig de onderdelen zo eenvoudig mogelijk te maken.
  • Het stimuleren van vrijhandel wordt in de ASEAN steeds belangrijker. Ze willen in 2015 de AFTA (ASEAN Free Trade Area) vormen, als economische unie met een gemeenschappelijke markt met een vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal.
  • Vanaf 2010 is er ook vrije handel met China, de AFTA en China willen in de toekomst samen de grootste vrijhandelszone ter wereld maken. Ook al is er ook concurrentie tussen China en Zuidoost-Azië.

Paragraaf 3 Het koloniale verleden: de uitgangssituatie voor globalisering

  • Spanje, Portugal, Nederland, GB en Frankrijk hebben in de periode van het kolonialisme de basis gelegd voor de ontwikkeling van de landen in Zuidoost-Azië.

3.1 Handelskolonialisme en exploitatiekolonialisme

  • Handelskolonialisme (1500 – 1850)
    In het begin van de koloniale periode waren alleen Spanje, Portugal en Nederland actief in Zuidoost-Azië. De Portugezen vestigde zich er eerst in 1509, ze dreven handel met de vorsten in het gebied, vanuit handelsposten overal langs de kusten. Vanaf de stichting van VOC in 1602 waren de Nederlanders al actief in Indonesië, met vooral handel in bepaalde specerijen, hier hadden ze ook handelsmonopolie op. De handelspost Batavia werd de centrale plaats van waaruit alle handelsactiviteiten werden georganiseerd. Singapore werd rond 1820 een Britse handelspost.
  • Exploitatiekolonialisme (1850 – 1960)
    Britten: Birma, Maleisië, Singapore en Noord-Borneo (nu Brunei). De Fransen hadden Laos, Cambodja en Vietnam. De Nederlanders hadden Indonesië. De Spanjaarden en Amerikanen zaten samen op de Filipijnen. De Portugezen hadden Oost-Timor. Alleen Thailand bleef onafhankelijk.
  • De gekolonialiseerde landen werden als exploitatiekolonie leverancier van grondstoffen en agrarische producten als afzetgebied van industrieproducten. Zo ontstond er tussen West-Europa en Zuidoost-Azië een centrum-periferiestructuur met afhankelijkheidsrelaties. De Europese landen bepaalden geheel wat er gebeurden in hun koloniën, zij hadden door aanleg van koloniale infrastructuur grote invloed op de inrichting van het land. Er werden ook plantages ingericht en er kwam irrigatielandbouw en mijnbouw. Thailand leverde rijst aan kolonies.

3.2 De dekolonisatie

  • Vanaf 1920 ontstonden er in Zuidoost-Azië nationalistische bewegingen tegen de koloniale overheersers. Vooral na WWII groeide het verzet en vond er dekolonisatie plaats.
  • Toen ze onafhankelijkheid hadden gekregen moest ieder land een eigen politiek systeem opbouwen. Niet ieder land stimuleerde hierbij een parlementaire democratie. Duidelijke afwijkingen hiervan zijn:
  1. Communisme: Vietnam, Cambodja en Laos werden een politiek conflictgebied. Na de communistische machtsovername in China vreesden de VS voor uitbreiding van het communisme. Dit leidde tot de Vietnamoorlog en het ontstaan van de communistische volksrepublieken Vietnam, Laos en Cambodja.
  2. Sterke invloed van het leger: in Indonesië verslechterde de economische situatie in 1965, wat leidde tot een militaire staatsgreep. Het leger ging ook een rol speen in de economie en de politiek. In Birma (nu Myanmar), was het land door binnenlandse conflicten instabiel en in 1962 volgde een militaire staatsgreep. De militaire junta maakte een einde aan de democratie en veranderde Birma in een militaire dictatuur. Ook in Thailand is de invloed van het leger erg groot.
  3. Dictatoriaal leiderschap: In Singapore en de Filipijnen zijn het autoritaire bestuurders die het land leiden. Singapore is door hun leider een van de welvarendste landen ter wereld geworden. In de Filipijnen heeft het de kloof tussen arm en rijk vergroot.

3.3 De Spaanse en Portugese koloniale invloedssfeer

  • De Filipijnen hebben vanaf 1570 te maken gehad met driehonderd jaar Spaanse kolonisatie. Daarom is het grootste deel van de bevolking rooms-katholiek. Na een verzet strijd werden de Spanjaarden in 1898 met behulp van de Amerikanen verdreven. Na het uitroepen van de onafhankelijkheid werden de Filipijnen door de VS bezet. Spanje had het verkocht aan de VS.
    Het Amerikaanse gezag duurde tot 1946, ze hebben nog wel enkele belangrijke militaire bases behouden. Daarom is er nog veel verzet, maar er is wel veel culturele invloed, zoals basketbal en de Engelse taal.
  • Oost-Timor werd in 1702 een kolonie van Portugal. De Portugezen hadden er handelsposten en introduceerden het katholicisme. Na de onafhankelijkheid in 1975 viel Indonesië Oost-Timor binnen en werd het de 27e provincie van Indonesië. Onder buitenlandse druk vond in 1999 een referendum plaats waarin werd gestemd voor onafhankelijkheid. Dit leidde tot rebellen van pro-Indonesische milities en vluchtelingenstromen waren het gevolg. In 2002 werd Oost-Timor toch onafhankelijk, maar deze strijd heeft het land arm achtergelaten.

3.4 De Nederlandse koloniale invloedssfeer

  • In de periode van het exploitatiekolonialisme was Indonesië voor Nederland een belangrijke leverancier van grondstoffen voor de industrie. Daarom moest Indonesië een stabiel en veilig karakter krijgen en onder Nederlands bestuur vallen. Na een aantal oorlogen was in 1920 Nederlands-Indië een politieke eenheid.
  • Kenmerkend was de groei van de plantagelandbouw, er werden allerlei gewassen op verbouwd, bestemd voor Nederland en de wereldmarkt.
  • Indonesië kreeg in deze periode ook een goede infrastructuur en irrigatiesystemen. Er kwam ook goed onderwijs en verbeterde gezondheidszorg.
  • In Indonesië groeide bij de bevolking het verzet tegen de koloniale overheersing onder leiding van Soekarno. Na de Japanse bezetting was er een extra impuls, enkele dagen later riep Soekarno de onafhankelijkheid van Indonesië uit. Het duurde 4 jaar voordat Nederland in 1949 de soevereiniteit van Indonesië erkende.
  • De start van het onafhankelijke Indonesië was niet gunstig, er waren te weinig goed opgeleide mensen om de economische opbouw te leiden, ook ontbraken financiële middelen. Ze kozen een eigen koers waarbij men buitenlandse invloeden wilden indammen. In 1957 ging men over tot nationalisatie van eerst de Nederlandse en later van alle buitenlandse bedrijven.
  • Groeiende ontevredenheid leidde in 1965 tot een staatsgreep waarbij een generaal Soeharto president werd. Het leger ging ook een rol spelen bij de economie en de politiek, ze zetten de deur naar het buitenland gedeeltelijk open wat voor een economische groei zorgde. Maar in 1977 was de Aziatische financiële crisis. De onvrede nam toe en Soeharto moest aftreden. Na 2000 kwam er steeds meer openheid naar het buitenland.

3.5 De Britse koloniale invloedssfeer

  • Maleisië, met Kuala Lumpur als Brits bestuurscentrum werd een belangrijke producent van tin, rubber en palmolie. Na de onafhankelijkheid in 1957 ontstond een federatie met o.a. Singapore. In 1965 maakte Singapore zich los van de federatie en bleef Maleisië als onafhankelijke staat over.
  • Singapore werd in 1819 gekoloniseerd. In 1959 kreeg Singapore zelfbestuur en sloot het zich aan bij de Maleisische Federatie. In 1965 verliet het de federatie weer, omdat de mensen van Chinese afkomst weren gediscrimineerd. Singapore werd een onafhankelijke republiek en lid van het Britse Gemenebest.
  • Birma werd tussen 1824 en 1885 onder Britse bestuur gebracht. Birma was door de Britten begin 20e eeuw de grootste rijstexporteur ter wereld. Birma werd in 1948 onafhankelijk. In het begin was het land onstabiel door opstanden van verschillende etnische minderheden en communistische groepen. In 1962 werd Birma een militaire dictatuur en in 1989 werd de naam veranderd in Unie van Myanmar.
  • Brunei was voor de Europese kolonisatie een onafhankelijke sultanaat. In 1888 werd het een Brits protectoraat, het oorspronkelijke gezag (de sultan) blijft, maar dat een sterkere staat de dienst uitmaakt. In 1984 werd Brunei, onafhankelijk.

3.6 De Franse koloniale invloedssfeer

  • Laos, Cambodja en Vietnam werden rond 1865 Franse koloniën, het gebied werd bekend als Frans Indochina. Ook bij de Fransen ging het om goedkope grondstoffen en om een afzetmarkt voor de Franse industrie. Er kwam een goede infrastructuur, waterhuishouding en landbouwgrond werd ontgonnen.
  • In de periode van WWII werd in Vietnam de Vietminh opgericht, een verzetsgroep van de communisten en nationalisten tegen de Franse overheersers. Hun leider Ho Chi Minh riep in 1945 de onafhankelijkheid uit, dit leidde tot Noord- en Zuid-Vietnam. Op aandringen van e VS werd in Zuid-Vietnam een leger opgericht dat de strijd aanbond met de communisten, dit leidde tot de Vietnamoorlog, die leidde in 1975 tot terugtrekking van de Amerikanen. In 1976 werd Vietnam verenigd als een communistische republiek. Ook Laos en Cambodja werden na de strijd communistische volksrepublieken.

3.7 De aparte positie van Thailand: nooit gekoloniseerd.

  • Het vroegere koninkrijk Siam – nu Thailand – werd niet gekoloniseerd. Omdat hij land zoals Cambodja en Laos en een deel van Maleisië weggaf aan de Fransen en Britten. In 1949 vond er een staatsgreep plaats door militairen die pas in 1973 de macht weer uit handen gaven, vanaf die tijd is Thailand een parlementaire constitutionele monarchie. Wel bleven de militairen de handel en het politieke leven domineren.

Paragraaf 4 Globalisering en de landbouw

  • De landbouw is in Zuidoost-Azië de grootste ruimtegebruiker en hoort bij de primaire sector (economische sector die zich vooral richt op de productie van voedsel). De landbouw is te verdelen in twee groepen die in alle landen naast elkaar voorkomen (duale economie):
  1. De traditionele landbouw; gericht op de teelt van voedselgewassen. Die zijn voor eigen gebruik of voor de lokale markt.
  2. De moderne commerciële landbouw: produceert handelsgewassen en voedselgewassen voor de  nationale markt en de export. Belangrijk is de plantagelandbouw met export van bijv. palmolie, koffie of rubber.

4.1 De traditionele landbouw

  • Zwerflandbouw: komt in gebieden met tropisch bos veel voor. In gebieden met tropisch regenwoud is het vrijwel de enige vorm van landbouw. Bij zwerflandbouw wordt een stuk bos ontgonnen door het af te branden. De as wordt gebruikt om de bodem vruchtbaar te maken, vervolgens worden er gewassen op verbouwd totdat de vruchtbaarheid sterk afneemt (na 2 jaar) en de boeren ergens anders in het bos opnieuw beginnen. Om de bodem te laten herstellen moeten de verlaten akkers 10 jaar braak liggen.
  • Zwerflandbouw is zelfvoorzienende landbouw, de oogst is voor eigen gebruik.
  • Deze extensieve landbouw kan allen bij een lage bevolkingsdichtheid, anders is er te weinig bosgrond om te ontginnen en zijn de boeren gedwongen de braaktijd te verkorten, het herstel is te krap, waardoor de opbrengst sterk vermindert. Noodgedwongen stappen boeren vaak over op de teelt van handelsgewassen zoals opium.
  • In Golden Triangle wordt opium geteeld, dit ligt in de bergen in de landen: Myanmar, Thailand, Laos en Vietnam.
  • Traditionele landbouw waarbij de grond permanent bebouwd wordt, komt in Zuidoost-Azië veel voor.  Rijst is in deze bevolkingslandbouw het belangrijkste voedselgewas, het is vooral voor eigen consumptie.
  • Alleen in Thailand, Cambodja en Vietnam is er rijstverbouw voor de export. Rijst heeft een warm klimaat, een goede watervoorziening en veel zonlicht nodig.
  • Het meest voorkomende is natte rijstbouw. Dit is een zeer intensieve landbouw die vele monden kan voeden. Deze geïrrigeerde omdijkte akkers zijn vaak in laag gelegen gebieden, bij bijv. vruchtbare rivierdalen en delta’s of gebieden met vruchtbare vulkanische bodems. In heuvelachtige gebieden kan uitbreiding door terrassen aan te leggen die dan onder water worden gezet.
  • Met voldoende neerslag komt ook droge rijstbouw voor, met diepwortelende rijstsoorten.
  • De productie van rijst in Zuidoost-Azië is sterk gegroeid, dat moest ook wel want de bevolking ging met 140miljoen mensen omhoog.
  • Belangrijk is de sterke toename van de rijstopbrengst per hectare door de toepassing van nieuwe plantenrassen. Dit hangt samen met de Groene Revolutie: de introductie van een aantal technische vernieuwingen in de landbouw van de ontwikkelingslanden. Maar de nieuwe rijstsoorten stellen wel hogere eisen: ze hebben meer meststoffen en goede irrigatie en drainage nodig dan de oorspronkelijke gebruikte rijstsoorten. Ook moeten dure bestrijdingsmiddelen plantenziekten en insectenplagen voorkomen.
  • Een belangrijk nadeel van de Groene Revolutie is het optreden van rurale differentiatie: op het platteland ontstonden grote verschillen in de toepassing van technieken in landbouwbedrijf tussen de kleine arme boeren en grote rijke boeren.
  • Vooral de grote boeren hebben van de modernisering geprofiteerd (fragmentarische modernisering). Veel kleine boeren kwamen door de hoge kosten in de problemen en moesten hun grond verkopen. Door de armoede hebben velen de landbouw opgegeven (de-agrarisatie) en zijn ze naar de stad getrokken.

4.2 Moderne commerciële landbouw

  • Plantagelandbouw in Zuidoost-Azië betreft commerciële landbouw op grote bedrijven waar met moderne landbouwmethoden gewassen worden geproduceerd voor de wereldmarkt. Meestal is bij deze exportgeoriënteerde landbouw sprake van een monocultuur.
  • De plantagelandbouw is gestart in de periode van het exploitatiekolonialisme. De huidige ondernemingen zijn in vele landen gedeeltelijk staatsbedrijven.
  • Voor natuurlijk rubber zijn Thailand, Indonesië en Maleisië de top producenten. Maar veel eigenaren van rubberplantages zijn overgestapt op palmolie. I.v.m. de grote vraag op de wereldmarkt zijn er op veel plaatsen grote stukken regenwoud gekapt en lokale boeren zijn van hun grond gejaagd.
  • Ook veel kleine boeren (small-holders) verbouwen tegenwoordig plantagegewassen, vooral palmolie, rubber, kopra, koffie en cacao. De productie door kleine boeren wordt door de overheid sterk gestimuleerd, omdat men de export wil verhogen. Ze worden geholpen door grote plantages.

4.3 De landbouw in Zuidoost-Azië verandert

  • Er zijn drie ontwikkelingen waar te nemen in de landbouw van Zuidoost-Azië:
  1. Een grotere verscheidenheid aan gewassen.
    Door de globalisering en de inkomensgroei verandert het voedingspatroon in de landen van Zuidoost-Azië. De opkomst van supermarkten en de vestiging van buitenlandse voedselketens spelen hierbij een rol.
    Het aandeel van rijst in het dagelijkse voedsel is afgenomen, hierdoor neemt de verscheidenheid aan gewassen in de landbouw toe. Er ontstaat een meer marktgerichte landbouw die de monocultuur van rijst vervangt. Deze agrarische transitie vindt vooral plaats in de landen met een open economie. Maar dan moet er wel rijst worden geïmporteerd aangezien de zelfvoorzieningsgraad van rijst in de knel kan komen.
  2. Meer exportgewassen
    in de landen met een open economie breidt de productie van exportgewassen zich uit. Een probleem hierbij is wel dat de prijzen op de wereldmarkt sterk kunnen schommelen, prijzen van industrieproducten die de landen van Zuidoost-Azië moeten invoeren, kunnen sneller gaan stijgen dan de prijzen van agrarische producten. Er is dan sprake van ruilvoetverslechtering.
    Om dit tegen te gaan is exportvalorisatie belangrijk. Exportproducten moeten door een hogere kwaliteit of door een bewerking een hogere toegevoegde waarde krijgen.
  3. Minder mensen in de landbouw
    De landbouw is in veel landen van Zuidoost-Azië niet meer de belangrijkste bestaanswijze, het aantal mensen werkzaam in de landbouw is dus afgenomen en ook het bnp.
    Op het platteland is verder ook sprake van de-agrarisatie, kleine boeren konden zich niet meer aanpassen en waren genoodzaakt een nieuw bestaan te zoeken in de steden.

Paragraaf 5 Globalisering en industrie en diensten

· De landen in Zuidoost-Azië kenden na 1970 een snelle ontwikkeling van industrie (de secundaire sector) met als vooroplopers de landen met een open economie.

· De Aziatische Tijgers zijn de landen in Zuidoost-Azië die gekenmerkt worden door een snelle industriële ontwikkeling. Het zijn de NIC’s (Newly Industrialized Countries) van Zuidoost-Azië. Vanwege de omvangrijke beroepsbevolking en het laag loonniveau heeft veel arbeidsintensieve industrie uit de hogelonenlanden zich hier gevestigd.

· De NIC’s worden onderverdeeld in:

De NIC’s van de eerste generatie (1970)

Singapore (inmiddels dienstensector), Hongkong, Taiwan en Zuid-Korea

De NIC’s van de tweede generatie (1980)

Thailand, Maleisië, de Filipijnen en Indonesië

Aanstormende Aziatische Tijgers (1990)

Dit zijn de landen met voorheen een gesloten economie. Tot de aanstormende Aziatische Tijgers hoort bijvoorbeeld Vietnam.

Achterlopende landen

Hiertoe behoren o.a. Cambodja en Laos.

Myanmar heeft pas in 2010 de deur naar een marktgerichte open economie op een kier gezet en loopt nog duidelijk achter.

Oost-Timor heeft een open economie, maar het land ondervindt nog altijd grote economische schade vanwege de onafhankelijkheidsstrijd.

· De ontwikkeling op technologisch niveau verloopt in principe:

o van een laagwaardig niveau met weinig kennis (lage scholing),
een arbeidsintensieve productie,
een laagloonniveau en
veel primaire producten

o naar een hoogwaardig niveau met veel kennis (kennisintensief),
veel investering van kapitaal (kapitaalintensief),
een hoog loonniveau en
veel hoogwaardige producten.

· Technologische ladder:

hoogst ontwikkelde industrielanden

Japan, Singapore

rijpe Nieuwe Industrielanden (NIC’s)

Zuid-Korea, Taiwan, Hongkong

jonge Nieuwe Industrielanden (NIC’s)

Maleisië, Thailand, Filipijnen, China

meer ontwikkelde ontwikkelingslanden

Vietnam, Indonesië, Brunei

minst ontwikkelde ontwikkelingslanden (MOL’s)

Laos, Cambodja, Myanmar, Oost-Timor

· Comparatieve voordelen zijn voordelen die een land heeft waardoor het producten of diensten relatief (in vergelijking met een ander land) goedkoper en beter kan produceren. Door met elkaar handel te drijven kunnen beide landen van elkaars voordelen profiteren.

· Het soort producten dat een land produceert, berust op de comparatieve voordelen. Voorbeelden van comparatieve voordelen zijn arbeidskosten, kennis en technologie, scholing, milieuwetgeving en aanwezigheid van grondstoffen.

· De tijdschaal van ontwikkeling:

o 1950-1970: Japan start na de WOII met de opbouw van industrie.

o 1970-1980: De NIC’s van de eerste generatie worden opkomende economieën op basis van hun lage lonen. In deze periode begint Japan met het veiligstellen van energie en grondstoffen, het investeren in de olie- en gaswinning en mijnbouw in de landen van Zuidoost-Azië.

o 1980-1990: De NIC’s van de eerste generatie schuiven door naar de kennisintensieve en kapitaalintensieve productie. De NIC’s van de tweede generatie komen op en nemen een deel van de arbeidsintensieve productie van de eerste generatie over. In Japan stijgen de lonen en wordt de milieuwetgeving strenger, waardoor Japan arbeidsintensieve en vervuilende productie naar de NIC’s verplaatst. Er is daardoor sprake van ruimtelijke afwenteling (vervuilende activiteiten worden uit centrumgebieden naar de (semi)periferie verschoven).

o 1990-2000: Doordat Europa en de VS slecht toegang krijgen tot de Japanse markt, krijgt Japan te maken met invoerbeperkingen. Japan produceert daarom in Zuidoost-Azië en exporteert vandaaruit.
Singapore à de kennisintensieve industrie groeit door investeringen sterk
NIC’s van de tweede generatie à het niveau van de productie stijgt

o 2000-2010: China is een grote concurrent, maar ook een belangrijke handelspartner. De Japanse productie wordt volledig kapitaal- en kennisintensief.
Indonesië en Vietnam à eenvoudige productiecapaciteiten worden massaal hiernaartoe verplaatst
Vietnam à snel opkomende economie

· Importsubstitutie (importvervangende industrie) is de vervangging van producten die voor die tijd moesten worden ingevoerd.

o De Filipijnen à snelle industrialisatie door inbreng van de VS en de vele natuurlijke hulpbronnen

o Indonesië à buitenlandse (Nederlandse) bedrijven werden genationaliseerd en er werden staatsbedrijven opgericht

· Oorzaken van het weinige succes van de importvervangende industrialisatie van de landen in Zuidoost-Azië:

o Gebrek aan kapitaal voor de aankoop van machines en grondstoffen

o De binnenlandse markt was te klein

o De binnenlandse bedrijven kregen een monopolypositie (à hoge prijzen met lage kwaliteit) door de hoge invoerheffingen voor buitenlandse concurrenten

o Men wilde het voorbeeld van Japan en Zuid-Korea van een exportindustrie navolgen

· De Multinationale ondernemingen (MNO’s) zijn in de wereld steeds op zoek naar een land waar ze goedkoop kunnen produceren of waar een nieuwe afzetmarkt is.

· Footlose industrieën zijn soorten industrie die niet aan een vaste vestigingsplek zijn gebonden.

· Singapore was het eerste Zuidoost-Aziatische land dat begon met exportgeoriënteerde industrialisatie. De exportgerichtheid was gunstig, vanwege de kleine binnenlandse markt.

· De overheid streefde vanaf 1970 naar buitenlandse directe investeringen (BDI). Dit zijn investeringen in een land door buitenlandse bedrijven die aangewend worden om een nieuw dochterbedrijf op te richten of deel te nemen in een ander bestaand bedrijf.

· Na het succes van de exportgerichte industrialisatie in Singapore hebben ook de meeste andere landen in Zuidoost-Azië gezorgd voor een gunstig investeringsklimaat voor MNO’s.

· In veel Zuidoost-Aziatische landen is de handelsbalans inmiddels positief.

· Bij de samenstelling van de export (producten uit de primaire, secundaire en tertiaire sector) valt op dat elektrische apparatuur, elektronica en computers door hun hoge economische waarde erg belangrijk zijn.

· De positie van vrouwen op de arbeidsmarkt is in de meeste landen niet gunstig, omdat ze oververtegenwoordigd zijn bij de laagbetaalde banen.

· In veel Zuidoost-Aziatische landen komt veel assemblage voor. Dat is het in elkaar zetten van industrieproducten uit losse onderdelen en halffabricaten.

· De speciale economische zones/ exportindustriezones (Export Processing Zones) bevorderen de exportgerichtheid (externe gerichtheid). Het gaat om kleine, goed ingerichte gebieden die voor aanvoer en afvoer van goederen gunstig gelegen zijn en door de overheid aantrekkelijk worden gemaakt voor bedrijven door investeringssubsidies en belastingvoordelen.

· Diensten (tertiaire sector) hebben in landen met een open economie en een hoog technologisch niveau een groot aandeel in het bnp.

· Vooral na 1990 is er onder invloed van de globalisering sprake van een sterke groei van de zakelijke dienstverlening. Dit is het deel van de dienstensector dat zicht richt op de dienstverlening door commerciële bedrijven.

· In de meeste Zuidoost-Aziatische landen zijn de steden de hoofdcentra van de economische ontwikkeling in hun land.

· De zakelijke dienstverlening behoort tot de zogenoemde formele sector. Het gaat om vormen van dienstverlening met een vergunning van de overheid en waarbij belasting wordt betaald.

· Singapore is de koploper in Zuidoost-Azië. Deze positie steunt op drie pijlers:

o De financiële dienstverlening
De overheid heeft er alles aan gedaan om Singapore te ontwikkelen tot een belangrijk internationaal financieel centrum.

o De havenactiviteiten
Singapore is een belangrijk knooppunt (hub) in de internationale luchtvaart en het is een belangrijke overslaghaven.

o Het (zaken)toerisme

· Toerisme wordt voor Zuidoost-Azië steeds belangrijker. Maleisië, Thailand, Singapore, Indonesië en Vietnam zijn belangrijke vakantiebestemmingen. Bijna de helft van het aantal toeristen komt uit de eigen regio (de ASEAN-landen).

· Voordelen en nadelen van toerisme

Voordelen

Nadelen

buitenlandse valuta

De afhankelijkheid van internationaal toerisme maakt een land kwetsbaar.

directe en indirecte werkgelegenheid

bedreiging van de cultuur

het restaureren van cultuurschatten

De veeleisende toerist zorgt ervoor dat er veel moet worden geïmporteerd en daardoor vloeien inkomsten weg.

Het biedt vele kleine traditionele ambachtelijke bedrijven een bestaan.

 

· Tot de informele sector behoren alle activiteiten en bedrijfjes die niet bij de overheid zijn geregistreerd en waarbij minder dan het wettelijke minimumloon wordt verdiend. Er worden geen belastingen betaald en men betaalt voor standplaatsen (informeel) aan politiemensen of aan buurtbendes.

· De informele sector wordt gezien als een laatste toevlucht voor de mensen die nergens anders aan de slag kunnen.

 

Paragraaf 6 Globalisering en de bevolking

· De bevolking van Zuidoost-Azië (622 miljoen) zal naar verwachting nog flink stijgen in de toekomst.

· In het demografisch transitiemodel van Zuidoost-Azië is duidelijk te zien dat niet alle landen zich in dezelfde fase van de demografische transitie bevinden.

· Demografische transitie in Zuidoost-Azië

Stadium 1: pre-transitiefase

Hoge geboortecijfers en hoge sterftecijfers (beperkte jaarlijkse bevolkingsgroei)

Stadium 2: vroege transitiefase (1970)

Het geboortecijfer bleef hoog, maar het sterftecijfer daalde scherp. Deze daling is vooral bereikt door toepassing van westerse medische kennis en technieken. Ook komen hongersnoden nauwelijks nog voor.

Stadium 3: late transitiefase (1990)

In de landen met een open economie doen zich effecten van de (culturele) globalisering voor. De vruchtbaarheidscijfers dalen.

In Thailand en Indonesië heeft de overheid een beleid van gezinsplanning (family planning).

In de Filipijnen had de katholieke kerk nog steeds veel invloed en bleven de geboortecijfers hoog.

Stadium 4: posttransitiefase

· Uiteindelijk zal in Zuidoost-Azië vergrijzing optreden.

· Bevolking in Zuidoost-Azië

Relatief jonge bevolking

Middenpositie

Relatief groter aandeel ouderen

Oost-Timor

Maleisië

Singapore

Laos

Indonesië

Thailand

Cambodja

 

 

Vietnam

 

 

Filipijnen

 

 

· Het percentage van de bevolking dat in de steden woont (urbanisatiegraad) is in het algemeen toegenomen. Het tempo waarmee de steden jaarlijks groeien (urbanisatietempo) is in de meeste landen hoog en ligt rond de 2 tot 3 procent.

· De stedelijke groei heeft twee grote oorzaken:

o natuurlijke groei van de bevolking (40%);

o migratie van platteland naar de stad (in landen met een open economie) (60%).

· Megasteden zijn steden met meer dan tien miljoen inwoners (Manila, Jakarta en Bangkok).
Primate cities zijn miljoenensteden die in een land voor wat betreft inwoneraantal, economische macht en activiteiten veel groter is dan de daaropvolgende stad.

· Door de verstedelijking ontstonden veel voorsteden die voorheen dorpen waren. Tussen de centrale stad en deze voorsteden bestaan economische relaties. De steden samen vormen een stedelijk netwerk met de centrale stad als belangrijkste stad in de stedelijke hiërarchie.

· Overurbanisatie houdt in dat de stedelijke bevolking sneller groeit dan de bestaansmogelijkheden. Gevolgen zijn onder andere grote werkloosheid, krottenwijken en grote inkomensverschillen.

· De gunstige economische ontwikkeling heeft er in veel landen van Zuidoost-Azië voor gezorgd dat een steeds kleiner deel van de stedelijke bevolking in krottenwijken woont.

· Arbeidsmigratie is een vorm van migratie waarbij mensen elders gaan werken. Vaak zijn dit jonge laaggeschoolde mensen.
Internationale arbeidsmigratie is een vorm van migratie waarbij mensen migreren om in het buitenland te gaan werken.

· De legale arbeidsmigranten hebben vaak een contract voor een aantal jaren en werken in Zuidoost-Azië vooral in de landen die hoog op de technologische ladder staan. De migranten komen uit alle landen van Zuidoost-Azië, waarbij afstand en welvaartsverschil belangrijke motieven zijn bij de keuze van het land.

· De internationale arbeidsmigratie is voor de landen in Zuidoost-Azië een gunstige zaak, omdat het zorgt voor een belangrijke economische injectie. Flinke overmakingen zorgen voor een relatief groot deel van het bnp.

· Naast de gecontroleerde internationale arbeidsmigratie komt de illegale vorm ervan steeds meer voor. Criminele bendes richten zich op de illegale migratie van vrouwen en kinderen (trafficking) die onder erbarmelijke omstandigheden moeten werken.

· Er is ook een aanzienlijke internationale arbeidsmigratie naar gebieden buiten Zuidoost-Azië.

· De migratie vanuit Vietnam:

o Vluchtelingen verlieten om politieke redenen hun land.

o De reden was het einde van de Vietnamoorlog (1973) en het ontstaan van een communistisch Vietnam.

o De economische situatie was slecht en er was veel werkloosheid.

 

Paragraaf 7 Globalisering en de politiek

· Na de onafhankelijkheid hebben de landen in Zuidoost-Azië geprobeerd de eenheid in de nieuwe staat te bevorderen.

· Door de begrenzing die tot stand is gekomen in de tijd van de kolonies bestaan er veel etnische en/of religieuze conflicten en wil men meer autonomie of afhankelijkheid.

· Factoren die de eenheid en politieke stabiliteit in de landen van Zuidoost-Azië bemoeilijken:

o Een verscheidenheid aan etnische volken

o Godsdienstverschillen

o Welvaartsverschillen tussen regio’s

o Isolatie van regio’s
Dit kan een eigen koers binnen een land bevorderen en zorgen voor geografisch relevante verschillen (geografische differentiatie) in bijvoorbeeld afgelegen gebieden.

· We spreken van natievorming (nation building) als er eenheid moet groeien tussen volk, staat en natie.

o Het vaststellen van een officiële gemeenschappelijke taal (lingua franca)
Dit bevordert de communicatie.

o Het gebruik van nationale symbolen
Door het gebruik van symbolen moeten burgers voortdurend aan de eenheidsstaat en zijn ontstaan herinnerd worden. Dit zorgt voor een gevoel van verbondenheid met elkaar en met de eenheidsstaat.

o Het verminderen van de sociale en economische ongelijkheid tussen gebieden

o De aanleg van wegen, havens, vliegvelden en waterwegen
Hierdoor wordt de relatieve afstand tussen de verschillende delen van een land kleiner. Er is daardoor minder isolement en een minder gescheiden ontwikkeling.

o Het doorbreken van de etnische tegenstellingen
Een voorbeeld hiervan is de transmigratie (binnenlandse migratie) in Indonesië. De regering moedigde Javanen aan om in de minder bevolkte gebieden te gaan wonen om zo de etnische verschillen in het land te verminderen. In werkelijkheid zorgde het voor conflicten.

 

 

Paragraaf 8 Wordt Zuidoost-Azië een soort Europa?

· Door de grote verschillen tussen de landen is het moeilijk om Europa met Zuidoost-Azië te vergelijken.

· In de koloniale periode bevond Zuidoost-Azië zich nog in de periferie (minst ontwikkelde en sterk afhankelijk gebied). Het gebied is opgeschoven in de richting van het centrum en bevindt zich nu al in de semiperiferie.

· De samenwerking van de ASEAN heeft Zuidoost-Azië op de kaart gezet. In 2015 is de ASEAN een vrijhandelszone (de AFTA) met een vrij verkeer van goederen geworden.

· Verschillen in ontwikkelingsgraad en economische ontwikkeling tussen Zuidoost-Aziatische landen:

o De ontwikkelingsgraad
De VN-ontwikkelingsindex is samengesteld uit drie soorten gegevens over de landen:

      • het gemiddeld inkomen en koopkracht
      • de gezondheid
      • de culturele ontwikkeling

Koplopers

Middengroep

Ondergroep

Singapore

Maleisië

Cambodja

Brunei

Thailand

Laos

 

de Filipijnen

Myanmar

 

Indonesië

Oost-Timor

 

Vietnam

 

o Het aandeel van export in de economie
De exportgerichtheid door investeringen van buitenlandse bedrijven verschilt per land. Belangrijk is de export buiten de ASEAN. Het betekent wel dat de stand van de wereldeconomie grote invloed heeft op hun economische groei

Groot aandeel export in het bnp

Klein/geen aandeel export in het bnp

Singapore

Myanmar

Maleisië

Oost-Timor

Brunei

 

Vietnam

 

Cambodja

 

o Armoede
In veel Zuidoost-Aziatische landen, zoals Indonesië de Filipijnen en Vietnam, leeft een relatief groot deel van de bevolking onder de absolute armoedegrens. Samen met de ‘bijna absolute armen’ zijn ze zeer kwetsbaar. Een mislukte oogst, een ziekte of een natuurramp kan deze groep in grote problemen brengen.

o Modernisering
Niet ieder persoon of bedrijf kan van de moderne communicatiemiddelen profiteren. Opvallend is dat in Vietnam – mede door zijn jonge bevolking – het internetgebruik al relatief hoog is.

 

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.