Hoofdstuk 4 Stedelijke gebieden

Beoordeling 8.4
Foto van Mike
  • Samenvatting door Mike
  • 5e klas vwo | 1540 woorden
  • 24 juni 2016
  • 16 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.4
  • 16 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
H4 Stedelijke gebieden

S2 De Randstad en de rest

De Randstad heeft een gunstige ligging:

- drukke zee

- economisch kerngebied

Deltametropool: wereldstad aan de monding van grote rivieren

Grootstedelijke functies = activiteiten in bedrijvigheid, openbaar bestuur, kennis en cultuur waar mensen uit de wijde omtrek rondom de stad gebruik van maken.

Randstad is nog geen stedelijk netwerk of metropool omdat de steden niet goed met elkaar zijn verboden: noch door infrastructuur, noch door functionele relaties. Pendelzones van forenzen vormen aparte zones bij aparte steden. Geen forenzen die reizen van stad naar stad.

Randstad heeft 3 delen:


- Noordvleugel: Amsterdam en Utrecht. Economisch het sterkst. Noord-Holland, Utrecht en Flevoland.

- Zuidvleugel: Rotterdam en Den Haag, heel Zuid-Holland. Economisch minder krachtig.

- Groene Hart. Weidegebied tussen Noord- en Zuidvleugel. Obstakel voor ontwikkeling van de metropool. Nu aantrekkelijk als woon- en recreatiegebied. Wordt steeds kleiner.

Agglomeratie = stedelijk gebied

Urban field = de bevolking op het platteland is voor werken, winkelen en uitgaan op de stad gericht, en de ruimte op het platteland is als woon- en recreatiegebied van de stad.

Vanuit de Randstad vindt een uitschuifproces plaats naar aangrenzende delen van NL. Bedrijvigheid gaat zich vestigen in halfwegzone waar de grond goedkoper is en de bereikbaarheid beter en toch in het economisch kerngebied.

S3 De Randstad en de ruimte


In de Randstad is er een ruimtetekort. Met ruimtelijke ordening bepaalt de overheid met wetten en regels op welke manier de ruimte kan worden gebruikt:

- Sectoraal beleid

           - voor één onderwerp of sector van de samenleving.

- Regionaal beleid

            - Het beleid dat voor één gebied is vastgelegd met betrekking tot verschillende sectoren.

Alle plannen van verschillende ministeries over ruimtelijke ordening staan in de Nota Ruimte.

Vanaf ’60 suburbanisatie naar platteland. Gevaar: platteland verstedelijkt. Oplossing: groenkernen en groeisteden. Dit zijn dorpen en steden aan de buitenrand van de Randstad waar suburbanisatie werd toegestaan. In ’93 waren er nieuwe wijken nodig: Vinex-wijken, aan de rand van bestaande steden om de bewoners gebruik te laten maken van de voorzieningen in de steden zodat ze hun centrumfunctie kunnen behouden.

Woningbehoefte: aantal woningen, gespecificeerd naar soort en locatie, dat nodig is om aan de vraag te voldoen.

 

Suburbanisatie veroorzaakt pendelstromen. Deze pendelstromen veroorzaken files en het Rijk moet veel uitgeven aan onderhoud en aanleg van infrastructuur.  Te veel verkeer leidt ook tot milieubelasting zoals vervuiling lucht en bodem.

Randstad-dilemma = economie moet bloeien, maar ook verlangen naar hoge kwaliteit wonen.

Stedeling wil rust, groen en schone lucht, maar wel met auto naar het werk.

Actiegroep Milieudefensie = actiegroep die van mening is dat het belang van milieu en maatschappij wordt ondergeschikt aan de economie. Zij willen meer ov en lagere maximumsnelheden.

S5 Steden: ruimte en bestuur

In alle steden zijn er problemen bij stedelijke distributie: de bevoorrading van winkels, kantoren en horeca.

Alle steden hebben stedelijke functies waar de bevolking gebruik van maakt. Deze voorzieningen hebben een bepaalde reikwijdte; de afstand die je maximaal wilt afleggen om gebruik te maken van een voorziening. Verzorgingsgebied = gebied waar de gebruikers van een voorziening wonen.

Als verzorgingsgebieden groeien kunnen ze elkaar overlappen. Hoogwaardige voorzieningen kunnen dan een bedreiging vormen voor de kleine omdat zij hun drempelwaarde niet halen.

In de binnenstad zijn huren en grondprijzen zeer hoog. Groote bedrijven (qua ruimte) zijn daar niet. Zij willen bereikbaarheid en lage grondprijzen. In de buurt van een verkeersknooppunt aan de rand van de stad is een ideale plek. Zo’n verkeersknooppunt verdient geld en creëert werkgelegenheid.

Hier wordt vaak geïnvesteerd in infrastructuur. Er komen kantoren en er ontstaat een nieuw centrum dat de binnenstad beconcurreert. Er wordt vaak gebruikt gemaakt van public-private samenwerking (pps). Dat is een samenwerking tussen overheid en bedrijven. De overheid zoekt private investeerders die de kwaliteit van centrum kan verhogen.

Regionale samenwerking: samenwerking tussen 3 bestuurslagen: Rijk, provincie en gemeente. Noodzakelijk omdat aanspraken van bewoners en bedrijven op de ruimte en voorzieningen vaak grensoverschrijdend zijn. Er worden afspraken gemaakt over: woningen en hun plaats, ov, bedrijventerreinen hun plaats en subsidiëring culturele trekpleisters.

Regionale samenwerking kent 2 vormen:

- Wettelijk. Er zijn een aantal stadsregio’s die wettelijke bevoegdheden hebben om problemen p hoger niveau dan de gemeente op te lossen. Ze hebben meer budget en meer macht.

- Vrijwillig. Er zijn bestuurlijke netwerken tussen op vrijwillige basis die bestaan uit gemeenten, organisaties, provincies, enz. Zij willen gezamenlijk problemen oplossen of voorkomen.

S6 Steden: verandering en vernieuwing

Agglomeratievoordelen = bedrijven behalen uit elkaars nabijheid voordelen:

- lagere productiekosten (transportkosten/bewaking/parkeren)

- profiteren van investering door overheid of andere bedrijven

- broedplaatseffect: rond bedenkers van nieuw ideeën ontstaat een levendigere sfeer

We leven in een kenniseconomie: een economie waarbij het draait om innovatie: producten en diensten moeten voortdurend vernieuwd worden. Productiefactoren arbeid en kapitaal zijn sterk gericht op de ontwikkeling en toepassing van nieuwe technologie. Daarvoor heb je mensen nodig met nieuwe kennis en ideeën. Het is zakelijke dienstverlening, dienstverlening van overheid aan bedrijven.

Kunst, media en entertainment dragen sterk bij aan het broedplaatseffect. Ook maakt een culturele stad wonen aantrekkelijk. Gemeenten simuleren de creatieve stad, een stad met een hoog aantal werkenden in creatieve beroepen.  Dit kan door luxe moderne kantoorruimte of kantoren op aparte locaties, zoals kerken.

De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden heeft duale arbeidsmarkt. Geen segregatie naar inkomen: arm en rijk woont redelijk door elkaar. Wel segregatie naar etnische achtergrond. Allochtonen zijn vaak laagopgeleid, hebben lager inkomen en wonen in goedkopere woningen. Allochtonen zoeken elkaar op voor sociale contacten. Ze wonen samen in een wijk die door werkloosheid en verpaupering een probleemwijk kan worden.

Probleemwijken zijn er in 2 leeftijdsklassen:

- 19e-eeuwse arbeiderswijken

          - verkrot, klein en geen douche

- Naoorlogse flatwijk

          - saai, klein, slecht onderhouden

Mensen die het konden betalen vetrokken vanaf de jaren ’70 en er ontstond een eenzijdige bevolkingssamenstelling.

Vanaf ’80 zijn er miljarden besteed aan stadsvernieuwing: het verbeteren van de kwaliteit van woningen door middel van opknappen of sloop en nieuwbouw. Men wilde bouwen voor de bewoners en dus goedkope woningen. Mensen met hoge inkomens bleven dus weg.

Nu is het beleid gericht op herstructurering: sloop slechte huurwoningen en bouw dure koopwoningen, of restauratie van oude gebouwen om ze luxe en modern te maken. Daardoor diversifieert de bevolkingssamenstelling wat betreft sociaaleconomisch klasse: gentrification. Er komen meer mensen met hogere inkomens. De koopkracht stijgt en de problemen worden minder.

S8 Het buurtprofiel

Op basis van buurtprofiel wordt bepaald op welke punten het nodig is om de buurt te verbeteren.

Buurtprofiel bevat:

- kenmerken bewoners

- kenmerken woningen

- kenmerken woonomgeving.

Door woningwet 1901 werden de woningen verbeterd na de slechte woningen uit de arbeiderstijd. Er kwamen ook woningbouwverenigingen zonder winstoogmerk.

Na de 2e wereldoorlog kwamen er goede maar kleine eengezinswoningen en later portiekflats.

In ’70 kwamen wilde men privacy en kamen er galerijflats. Er waren voorzieningen in de buurt met veel groen. Er werden ook huizen opgeknapt en gerenoveerd maar bleven over het algemeen goedkoop.

Pas na ’85 kwamen er in het kader van herstructurering dure woningen. Vanaf ’95 Vinex-wijken, grote bouwlocaties aan de rand van de stad.

Woningkenmerken:

- ouderdom (bouwjaar)

- eigendom (koop, huur of corporatie)

- woningtype (vrijstaand, rijtjes, flat)

- staat van onderhoud (goed, slecht, gerenoveerd)

Allochtonen wonen vaak in goedkope huurwoningen van slechte kwaliteit

Paren zonder kinderen vaak in de dure stadswoningen omdat ze meer verdienen

Autochtonen gezinnen vaak in nieuwe koopwoningen

Bewonerskenmerken:

- grootte gezin (aantal personen)

- etniciteit (allochtoon of autochtoon)

- inkomen

- gezinsfase (ouderen, kinderen, alleenstaand)

S9 Woonomgeving

Leefbaarheid kan worden verstoord door overlast en verloedering. Overlast in hinder die bewoners bevinden en verloedering is de fysieke achteruitgang door vandalisme enz. Sociale onveiligheid is de bedreiging van de veiligheid die van binnenuit de samenleving komt.

- objectieve sociale onveiligheid

 - aantal criminele feiten

- subjectieve sociale onveiligheid

 - het onveiligheidsgevoel

Bij het ervaren van onveiligheid speelt leeftijd, geslacht, historie en opleiding een rol.

Tegen overlast en verloedering hebben stadsbestuurders 2 wapens:

- inrichting openbare ruimte (fysieke maatregelen)

- inrichting mensen (sociale maatregelen)

Een openbare ruimte is bedoeld voor iedereen, maar lijkt soms van niemand te zijn. In de nacht worden plekken zoals een park of parkeergarage echter eng. Stadsbestuurders moeten zorgen dat alle gebieden toegankelijk blijven voor iedereen. Ze dienen voor 3 dingen te zorgen:

- onderhoud. Niet-werkende lampen, afval en dichtgespijkerde ramen zorgen voor meer vernieling. Dit moet dus direct worden opgeruimd.

- overzichtelijkheid. Soms grootschalige ruimtes zijn onoverzichtelijk, Door goede inrichting kan er een intieme sfeer ontstaan.

- toezicht. Camera’s of bewakers en burgwachten nemen het onveiligheidsgevoel af.

Er zijn nog 2 factoren die bijdragen aan een veilige leefbare wijk.

- Sociale cohesie. Dat is de bereidheid van burgers om een actieve rol te spelen in de buurt en om elkaar te helpen.

- Er moeten ontmoetingsmogelijkheden zijn in de vorm van buurt- of wijkvoorzieningen. Buurthuizen en scholen bijvoorbeeld.

De manier waarop inwoners zelf meehelpen en deelnemen aan de leefbaarheid heeft burgerschap. Burgerschap heeft sociale, politieke, economische en culturele dimensie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door Mike