Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Hoofdstuk 3

Beoordeling 4.4
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2598 woorden
  • 20 maart 2013
  • 12 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.4
  • 12 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

Aardrijkskunde.


Hoofdstuk 3 – Zuidoost-Azië


§2 Natuurrampen


Tektonische onrust:


• Aardbevingen: in zee > tsunami’s: vloedgolf die ontstaat door zeebeving.


• Vulkaanuitbarstingen + enorme regenval > lahar: mengsel van water, as en modder.


Relatieve zeespiegelstijging


• Vele laaggelegen delta’s lopen gevaar


• Extremere weertypes


• Broeikaseffect door menselijke activiteit


• Verzilting van potentieel drinkwater:


o Het zoute zeewater dringt steeds verder de delta door en zout grondwater komt in de kuststrook steeds dichter aan het oppervlak te staan.


Natte moesson Azië is goed voor landbouw: rivier treedt langzaam buiten oevers en zet in overstromingsvlakte laagje slib af.


Tropische orkanen


• Tropische cycloon (taifoen): tropische wervelstorm > draaiende lucht die ontstaat rondom een diep lagedrukgebied (gebied ontstaat als boven warm zeewater de lucht opstijgt.


Gevolgen tropische cycloon: zeewater voor de kust word opgezwiept > rivieren in laag gelegen delta kunnen niet meer afwateren op zee, in combinatie met smeltwater en regenval kan dijken doen bezwijken.


§3. Natuurrampen en beleid


Als een land behoorlijke kans heeft getroffen te worden door natuurrampen, moeten voorzorgsmaatregelen genomen worden.


• Hazardmanagement: planmatige vorm van gevarenbeheersing door risico’s in kaart te brengen, voorzorgsmaatregelen te nemen en rampenplannen te stellen en te oefenen.


o Natuurlijke risico’s in kaart brengen > risicoanalyse;


o Structurele voorzorgsmaatregelen treffen;


o Rampenplan opstellen en mee oefenen.


Mensen in bedreigde gebieden weten wat kan gebeuren, maar schatten het gevaar anders in: ze denken op korte termijn, hebben door armoede geen alternatief of vertrouwen op godsdienst.


• Risicoperceptie: het persoonlijk inschatten van gevaren.


Een hoger opgeleide, welvarende bevolking kan zich beter beschermen tegen natuurgeweld, omdat deze over mee kennis en middelen beschikt. Hoe armer een gebied is, des te ernstiger de gevolgen van een natuurramp zullen zijn.


Hoe zwakker het bestuur is, hoe slechter het hazardmanagement is en hoe ernstiger de gevolgen voor de gewone man zijn.


• Soft state: een land met een zwak bestuur, vaak gekenmerkt door corruptie > is niet in staat goed te reageren op een natuurramp.


§4. Ontbossing


Oorzaak ontbossing:


Integratie Zuidoost-Azië in wereldeconomie zorgt ervoor dat hulpbronnen van deze regio op grote schaal geëxploiteerd worden > stijging welvaart > milieu wordt ernstig/ onherstelbaar aangetast.


Betrokken partijen bij ontbossing:


• Inheemse volkeren; zwerflandbouw wordt roofbouw.


• Groeiende aantal sedentaire boeren; bevolkingsgroei zorgt voor landhonger onder kleine boeren, zij gaan permanente akkers aanleggen en gebruiken hout als brandstof.


• Commerciële houtkap; in soft state verlenen corrupte bestuurders houtconcessies aan buitenlandse ondernemingen, die het gebruiken voor westerse producten.


• Projectontwikkelaars; van en voor hen moet het bos in Zuidoost-Azië wijken om plantages, garnalenkwekerijen en toeristenressorts aan te leggen. Binnenlandse partijen in de periferie worden aangestuurd door centrumlanden.


Gevolgen van ontbossing:


• Verstoorde waterbalans: hoeveelheid water dat een gebied binnenkomt en uitgaat in droge periode snelle verdroging, in natte periode snel overstromingen.


• Verlaging biodiversiteit: de soortenrijkdom aan dieren en planten.


• Landendegradatie: het afnemen van de kwaliteit van de bodems in een gebied.


• Bodemerosie.


Het evenwicht raakt zodanig verstoord dat duurzaamheid van de ecosystemen verloren gaat. Het verwoest het leefgebied van lokale gemeenschappen. Het kappen zorgt voor hout en akkerland, maar op lange termijn worden tsunami’s minder goed tegengehouden en is de kans op malaria in de overgebleven poelen groter.


§5. Milieuproblemen: Luchtverontreiniging


Industrialisatie Zuidoost-Azië leidt tot snelle verstedelijking > industrie en verkeer zorgen voor luchtvervuiling, geluidsoverlast en veel ziektes onder bevolking.


Arbeidsomstandigheden in formele en informele sector zijn mensonterend. In de formele sector zie je arbeids- en milieuomstandigheden die in centrumlanden allang verboden zijn > ruimtelijke afwenteling.


• Ruimtelijke afwenteling: het meenemen van vervuilende activiteiten door bedrijven uit centrumlanden, die in eigen land/ regio verboden zijn of door milieuvoorschriften te duur zijn geworden.


Enorme bosbranden zorgen voor schade op verschillende schaalniveaus:


• Lokaal wordt de leefomgeving van inheemse volkeren en dieren onherstelbaar vernield.


• Op schaalniveau van Zuidoost-Azië is door luchtverontreiniging sprake van schade voor de volksgezondheid.


• De luchtverontreiniging heeft gevolgen voor mondiale kringlopen. De nevel reikt tot 3km hoog en maakt in 2 weken rondje om de aarde. De rookgassen leveren een bijdrage aan een versterkt broeikaseffect, waar ook andere regio’s hinder van ondervinden.


Ecosystemen raken door industrialisatie en ontbossing op verschillende schalen zodanig beschadigd, dat voor hun duurzaamheid gevreesd wordt.


§6. Milieuproblemen: bodem- en waterverontreiniging


Bodem- en waterverontreiniging niet alleen op het platteland, ook in de steden: geen vuilverwerkings- en rioleringssysteem > ernstig vervuilde bodems.


Modernisering (kunstmest) en intensiviteit van de landbouw hebben een aantal nadelige effecten


• Intensief bodemgebruik leidt tot versnelde verwering, gevaar op verzilting en chemische verontreiniging van bodems en oppervlaktewater. Agrochemicaliën komen in de voedselkringlopen terecht en uiteindelijk dus ook letterlijk op het bord van de consument.


• Door het uitspoelen van al deze stoffen en het vertroebelen van het water in de tropische kustzone sterven koraalriffen af en verliezen vissen hun natuurlijke ecosysteem.


• In de akkerbouw zorgt de toegenomen monocultuur voor een grotere gevoeligheid voor plantenziekten  gifspuiten als oplossing.


• In de veeteelt zie je dat het houden van grote aantallen dieren op kleine oppervlakten tot de uitbraak van dierziekten leidt. Deze ziekten kunnen ook overspringen op mensen.


Intensivering van de landbouw:


• op korte termijn een succesverhaal, in termen van toegenomen efficiency en productie.


• op lange termijn een vraag of de schade aan de duurzaamheid van de ecosystemen wel te repareren valt.


In de Vietnamese Oorlog (1962-1975) hebben de Amerikanen boven Vietnam, Cambodja en Laos 80 miljoen liter aan chemische producten uitgesproeid om het tropische bos te ontbladeren (Dioxine). Amerikanen werden gek dat de Vietcong onzichtbaar bleef in het oerwoud > de Vietcong zat helaas in tunnels onder de grond.


§7. Globalisering op het platteland


Groene revolutie: de modernisering van de landbouw door gebruik van machines, kunstmest, bestrijdingsmiddelen, nieuwe hoogwaardige gewassen, verbeterd fokvee en irrigatie. (van mno’s)


Mno’s kopen de producten van de gemoderniseerde boeren vaak op voor de wereldmarkt en ze beheren vaak ook grote plantages. Boeren onderdeel van de agribusiness.


• Agribusiness: een wereldwijd economisch en politiek netwerk dat zich bezighoudt met de hele productiekolom van voedsel, van de ontwikkeling van nieuwe gewassen tot aan de verkoop in de supermarkt.


Agrarische/ rurale involutie: steeds meer mensen worden hierbij opgenomen in de bevolkingslandbouw zonder dat het basispatroon van werken hierdoor wezenlijk verandert. Hetzelfde werk wordt door meer handen gedaan en de geringe meeropbrengst moet veel meer monden voeden.


Oorzaken agrarische involutie:


• Snelle bevolkingsgroei;


• Het failliet gaan van bedrijven als gevolg van de modernisering.


Ontwikkelingen op het platteland in Zuidoost-Azië:


• Kleine boeren proberen onder oude collectieve samenwerkingsverbanden uit te komen door de gewassen voor de oogst al aan tussenhandelaren te verkopen. Subcontracting is het uitbesteden van werk aan onderaannemers, deze oogsten machinaal, landarbeiders overbodig.


• Ondanks deagrarisatie (uitstoot uit de landbouw) werkt het grootste deel van Zuidoost-Azië nog steeds in de landbouw.


• Technisch gezien is de groene revolutie een succes > landbouwopbrengsten gestegen.


• De sociale ongelijkheid in veel plattelandsgebieden in Zuidoost-Azië neemt toe.


• De groene revolutie heeft tal van nadelen voor het milieu: vergiftiging door bestrijdingsmiddelen.


§8. Globalisering in de stad


Grote lijnen in de stedelijke moderniserende ontwikkeling van Zuidoost-Azië:


• De modernisering leidt overal tot het ontstaan van uniforme stedelijke landschappen; het ziet er eerder Westers dan Aziatisch uit.


• De modernisering van steden vindt plaats met een ongekende snelheid en omvang. De autoritaire regeringen streven dit ook bewust na. Alles moet wijken voor de economische groei.


• De stad trekt door deze groei als een magneet migranten uit de wijde omgeving aan. Een gevolg is een toename van het aantal megasteden, steden met meer dan 10 miljoen inwoners, die in de nationale economie een vooraanstaande rol spelen.


Het snel groeien van verstedelijking leidt tot overurbanisatie: de stadsplanning kan het aantal nieuwkomers niet bijbenen > uitgestrekte slums, overbelaste infrastructuur en de uitdijende informele sector.


Verschillende manieren om overbevolking van steden te bestrijden:


• Toegang verbieden;


• Onder dwang verwijderen  bijv. naar platteland brengen;


• Opvangen en reguleren.


Vluchtsector: nieuwkomers die nog niet officieel geregistreerd zijn, zoeken een baantje in de informele sector.


Urbane involutie: het, net als op het platteland, vollopen van de marktsector met nieuwkomers, waardoor het aanwezige werk onder steeds meer mensen verdeeld wordt.


 §9. Ontwikkeling in verschillende snelheden


Door de globalisering en de eraan gekoppelde nieuwe internationale arbeidsverdeling is Zuidoost-Azië misschien wel de meest dynamische regio van dit moment.


• Er is niet alleen sprake van een global shift van productiearbeid, maar ook dat kapitaalstromen zich mondiaal aan het verleggen zijn.


• Het zorgt voor een toename van de regionale en sociale ongelijkheid binnen het gebied.


In centrumgebieden vindt een meer autonome ontwikkeling plaats. (ontwikkeling zonder externe invloeden)


In periferiegebieden vindt een meer afgeleide ontwikkeling plaats. (andere partijen bepalen de koers van het gebied)


Het platteland ondervindt vaak afroming: in een gebied wordt het beste aan natuur, arbeid en kapitaal weggenomen of ingezet ten behoeve van een ander gebeid.


(ontbossing, landdegradatie, deagrarisatie, braindrain en cirkelmigratie)


Als twee ongelijke gebieden relaties met elkaar onderhouden, de voordelen van die contacten vooral terechtkomen in het gebied dat een autonome ontwikkeling kent. De nadelen komen terecht in het gebied dat een afgeleide ontwikkeling kent.


Er vormt zich langzaam een middenklasse die overgaat op een meer mondiale levenswijze en daarbij bepaalde tradities loslaat.


Interactietheorie van Ullman: de drie voorwaarden die nodig zijn voor uitwisseling van goederen:


• Complementariteit;


• Transporteerbaarheid;


• Tussenliggende mogelijkheden.


Deze voorwaarden laten ook het verschil in snelheden voor globalisering zien.


§10. Conflicten met mensen


Door exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen in het leefgebied van inheemse volkeren raakt hun bestaansbron, het oerwoud, in de verdrukking. In de ogen van de overheden zitten de inheemse volkeren in de weg. Echter kunnen deze volkeren wegens een dermate marginaal bestaan geen echte vuist maken tegen de dominante partijen.


• Exploitatie: bebouwing, ontginning, uitbating uitbuiting.


De Chinezen pasten zich in hun nieuwe vaderland enigszins aan, maar bouwden vooral ijverig aan een stevig eigen sociaal en economisch netwerk. Door de Chinezen zich sterk hechten aan persoonlijke relaties en een blind vertrouwen in elkaar hebben, voelt de niet-Chinese meerderheid in een Zuidoost-Aziatisch land zich vaak economisch buitengesloten door de succesvolle Chinezen.


Chinese immigranten spelen een dynamische rol in de huidige ontwikkeling van Zuidoost-Azië.


Toch vormen de Chinese immigranten in de Zuidoost-Aziatische landen een etnisch en culturele minderheid. Chinezen de ‘Joden van Azië’ genoemd.


De meeste landen in Zuidoost-Azië kennen sinds hun zelfstandigheid een autocratisch regime, dat ondanks de grote culturele en etnische verscheidenheid in het land probeert een eenheidsstaat op te bouwen; soms met dwang.


Doordat vijandigheden zich uiten in discriminatie, geweldpleging, brandstichting en valse beschuldigingen, durven veel Chinezen in de volkstellingen niet te zeggen dat ze van Chinese komaf zijn.


Integratie: je maakt deel uit van de nieuwe samenleving, maar blijft als minderheid wel herkenbaar.


Assimilatie: je past je volledig aan en je gaat op in de samenleving.


Het behoud van eigen identiteit hangt af van:


• Het aandeel van de populatie in het land.


• De mate waarin zij in het verleden gedwongen zijn te assimileren.


• De mate waarin hun cultuur verschilt van de inlandse cultuur.


• De mate van politieke vrijheid.


• De mate van ‘verwestersing’ van het land.


In Thailand wordt een assimilatiepolitiek gevoerd.


In landen waar het democratisch gehalte hoger is en er dus meer vrijheid is voor de burgers, zie je dat de Chinese minderheid weer meer voor haar eigen identiteit durft uit te komen. Veel overzeese Chinezen voelen zich moreel gesterkt door de opkomst van China als economische reus en supermacht.


§11. Conflicten met gebieden


Er zijn in Zuidoost-Azië meer binnenlandse territoriale conflicten.


Economische en politieke tegenstellingen worden vaak langs etnische of religieuze lijnen uitgevochten.


Regionale autonomie: de mensen in een gebieden hebben eigen zeggenschap over de inrichting van de ruimte. Grote regionale autonomie bij:


• Grote sociale en regionale ongelijkheid binnen een land;


• Grote etnische en culturele verschillen binnen een land;


• Het ruimtelijk gescheiden wonen van volkeren binnen een land;


• Een grillige vorm van een land.


Overheden zien de minderheidsgroepen in perifere delen vaak als bezetters van staatsgrond > de staat wil voor deze grond kap- en mijnbouwvergunningen voor afgeven.


Separatisme: het streven naar een (formele) terugtrekking uit een bestaande organisatie of staat, en het oprichten van een eigen organisatie of staat.


Nation building: het voorkomen van separatismedoor de overheden d.m.v. een proces waarbij getracht wordt een nationale eenheid en identiteit te smeden of forceren. Ambtenaren uit het centrumgebied worden naar de periferie gestuurd om te fungeren als een zendmast voor de dominante cultuur.


Reacties van staat op de roep om grotere regionale autonomie:


• Het verzet met militair geweld de kop indrukken.


• Een vorm van regionalisme toestaan: de regio krijgt een zekere autonomie(zelfbestuur).


• Voor een federale staatsvorm kiezen. De afzonderlijke politieke eenheden gaan dan op in een overkoepelend politiek systeem met een hecht samenwerkingsverband.


• Separatisme toestaan al of niet onder internationale druk.


 §12. Internationale conflicten


Door economische ontwikkeling en modernisering in Zuidoost-Azië neemt regionale en sociale ongelijkheid toe. Door verschillende religiestromingen wordt de samenleving naar bepaalde traditionele opvattingen ingericht.


Sommige islamitische stromingen willen het geloof juist inpassen in de moderne samenleving.


Regionale gebeurtenissen hebben in een globaliserende wereld vaak mondiale gevolgen.


Door de ‘War on Terror’ voelen de regeringen in Zuidoost-Azië zich gesterkt hard in te grijpen en wordt een dictatoriale regeringsstijl min of meer gelegitimeerd.


Elk conflict kan uitgroeien tot nationale en mogelijk zelfs internationale problemen. Voorbeelden:


• Myanmar pakt niet, zoals de buurlanden wel doen, de papaverteelt aan in de Gouden Driehoek. Bovendien heeft Thailand de buik vol van de aanhoudende vluchtelingenstroom uit Myanmar.


• Vietnam, Brunei, Taiwan, Maleisië, de Filippijnen en China maken ruzie over de Spratly-eilanden. Het oppervlak van de eilanden is slechts 5 km2, maar het bezit ervan vergroot de territoriale wateren, wardoor je meer vis kunt vangen en naar olie en gas kunt boren.


• Cambodja en Thailand ruziën al tientallen jaren over grensgebieden waar tempelcomplexen liggen die zijn uitgroepen tot werelderfgoed.


Er is ook ruzie over ecosystemen en gastarbeid.


§13. International samenwerking: ASEAN


Tijdens de Vietnamese Oorlog richtten de niet-communistische staten van Zuidoost-Azië het samenwerkingsverband Association of Southeast Asian Nations (ASEAN) op. Zij wilden niet vermalen worden tussen het kapitalistische Westen en het communistische Oosten. Oorspronkelijk was het eerder een verdedigende bondgenootschap dan een handelsverbond. In politiek opzicht speelt de ASEAN soms een rol bij de vreedzame afwikkeling van geschillen tussen landen.


Wel hebben zij een overeenkomst getekend waarin ze beloven te streven naar democratie in land.


Ook zijn er voorzichtige pogingen om in ASEAN-verband milieuproblemen aan te pakken en internationaal hazardmanagement op te zetten.


De toekomst moet uitwijzen of de ASEAN een krachtig politiek en economisch machtsblok in Zuidoost-Azië zal worden dat kan concurreren met de grote spelers op het wereldtoneel.


Good governance: het land kent een democratisch bestuur, geen machtsmisbruik en corruptie door ambtenaren en militairen dat op grote schaal voorkomt. Good governance zowel doel als middel.


Corruptie: het zich laten omkopen door het aannemen van steekpenningen of geschenken, om in strijd met zijn ambtsplicht te handelen.


Voordelen democratie:


• Het biedt de best mogelijke bescherming van de burgerlijke vrijheden


• Een democratisch gekozen regering handelt doelmatiger omdat ze gecontroleerd worden en de plicht heeft zich te verantwoorden.


Toenemende economische vervlechting binnen, tussen en buiten ASEAN-landen.


ASEAN + 3: De ASEAN-landen + China, Japan en Zuid-Korea. (vanaf 1997)


ASEAN + 6: De ASEAN-landen + China, Japan, Zuid-Korea, India, Australië en Nieuw-Zeeland. (2005)


De verschillen tussen de economisch sterkste en zwakste leden zijn vele malen groter dan binnen EU.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.