Hoofdstuk 2

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 1975 woorden
  • 18 juni 2013
  • 12 keer beoordeeld
Cijfer 5.5
12 keer beoordeeld

ADVERTENTIE
Interesse in een creatieve of digitale opleiding, maar nog geen keuze gemaakt?

Doe nu de keuzetest en ontdek welke 2- of 4-jarige opleiding bij jou past binnen media, communicatie, design of tech. Vergelijk en maak makkelijker je keuze. Inschrijven kan tot 1 juli.

Naar de keuzetest

SAMENVATTING H2 AK

§1

Globalisering vanuit 3 dimensies/aspecten:

  1. 1.       De economische dimensie (samenwerking tussen bedrijven):

Een bedrijf zal altijd streven naar totale opbrengsten te vergroten en de totale kosten te verminderen. Er zijn 2 manieren om dit door middel van globalisering te bereiken:

  • Schaalvergroting, grotere eenheden wat de kosten verminderd, zoals bij mechanisatie en intensivering.
  • Specialisatie, producten worden verder ontwikkeld, waarvoor meer kennis nodig is.

Deze vorm van globalisering zorgt voor selectieproces: de keuze die bedrijven maken bij het zoeken naar de juiste locatie in de wereld voor een vestiging in hoog ontwikkelde landen (vooral voor specialisatie) of in minder ontwikkelde landen (vooral voor goedkope schaalvergroting). 

  1. 2.       De sociaal-culturele dimensie (samenwerking tussen bevolkingen):

Er zijn migranten in vorm van politieke vluchtelingen, economische migranten en asielzoekers, waardoor er veel culturele verspreiding is (ook via producten).  Welvaart wordt bepaald door de migranten.

  1. 3.       De politieke dimensie (samenwerking tussen overheden):

Landen willen economische welvaart vergroten, dus komen er handelsblokken en vriendjespolitiek. Andere landen verweren zich daartegen d.m.v. protectie (handelsbelemmeringen, zoals invoerbelastingen/tarifering en hoeveelheid beperken van import/ contingentering). Overheid wil protectie beperken en los van economische welvaart ook politieke macht krijgen, hierbij spelen internationale overheidsorganisaties een rol.

§2

Er waren forse uitbreidingen nodig voor het British Empire. De snel groeiende industrie had meer grondstoffen, landbouwproducten en afzetmarkten nodig tijdens de kolonisatie. In 1914 ontstond the British Empire uit:

  • Het moederland zelf (Groot-Brittannië).
  • De dominions (De blanke koloniën, zoals Canada en Australië).
  • De koloniën (Cariben, Singapore, Kenia, etc).
  • India (was een kolonie, maar eigenlijk een rijk in een rijk).
  • De militaire steunpunten.

In 1650 – 1785 is India een handelskolonisatie. Na 1785 wordt India ook bestuurlijk en militair door de Britten gekoloniseerd → India is een exploitatiekolonie. Groot-Brittannië is het centrum en regelt de zaken en de koloniën het periferie. De kolonie levert grondstoffen (steenkool en vooral ijzererts) en agrarische producten (juten,thee). Alle katoen vanuit India werd in GB verwerkt en weer naar India geëxporteerd. Door concurrentie in massaproductie met grote steden,

raakten Indiase ambachtslieden failliet.

In India ontstond een koloniale ruimtelijke structuur (ruimtelijke inrichting, bepaald

door economische functie). Belangrijkste Indiase factorijen: Bombay, Madras en Calcutta.

De opbouw van het spoorwegennet in India heeft vooral economische motieven:

  • Snelle industrialisering, dus goedkoop naar de kust en dan verschepen naar GB.
  • Aanvoerlijnen, dus transport voor Britse industrieproducten.

Na de WOI komt dekolonisatie, dat begint bij de dominions (vestigingskolonie) à zoektocht economische mogelijkheden, ontkomen aan religieuze vervolgingen en ontlopen van gevangenis à Conferentie in Londen, waarbij de dominions zelfstandig werden binnen Britse wereldrijk. De naam van dat rijk: Commonwealth of Nations; Britse gemenebest. Na de WOII voegen de andere koloniën zich ook bij het gemenebest. à bindingen tussen landen van het Gemenebest à Commonwealth games om de binding te houden. à voorkeursrechten voor onderlinge handel à vaste handelsrelaties en

afzetmarkten.

In 1850 keert de Indiase bovenlaag zich tegen de Britten, omdat de Britten niks doet voor India, maar het blijft wel een

exploitatiekolonie.

In 1855 werd the Indian National Congres opgericht (partij voor onafhankelijkheid). Het werd, onder leiding van Mahatma Gandhi , een volksbeweging.  Doordat de Britten zo onder druk stonden, werd India in 1947 onafhankelijk, waardoor ook Pakistan ontstond waar de moslims gingen wonen.

India startte zijn eigen ontwikkelingsweg:

  • Politiek gebied: de staatsvorm werd een parlementaire democratie (met een president, regering, volk en algemeen kiesrecht) en een federale democratie (met aan de ene kant centrum met nationale regering en andere kant deelstaten. Er vormde zich een nationale eenheid (national building).
  • Sociaal gebied: iedereen werd gelijk / kastenstelsel. Bevolking werd verdeeld in groepen/kasten op basis van je geboorte. Kastenstelsel is verworpen en menselijke grondrechten zijn vastgesteld, maar het bestaat nog steeds.
  • Economisch gebied: van traditioneel-agrarische samenleving met lage productie naar gemoderniseerde agrarische en industriële samenleving. Er was sprake van een mengvorm tussen kapitalisme en centraal geleide economie: socialistische planeconomie:     
    • Landbouw: productieverhoging d.m.v. plantages voor wereldbevolking en zelfvoorzienend landbouw voor de Indiase bevolking.
    • Industrie: importvervangende industrialisatie. Dus Snelle opbouw van nationale, zware industrie, wat een sterke overheidsinvloed vergt.           

§3

Groot-Brittannië: Engeland, Schotland en Wales.

Het Verenigd Koninkrijk (United Kingdom of Great Britain and Northern Ireland): Engeland, Schotland, Wales en Noord-Ierland.

Industriële economie àIndustrieën verliezen terrein in GB àdienstensector groeit àBritse economie verandert naar diensteneconomie. Fasen in veranderingen in de industriële ontwikkeling:

  1. Opkomst van oude traditionele industrie: vanaf 18e eeuw industrieën zoals koolmijnbouw, ijzer-, staalindustrie, steenkoolvelden, etc. arbeiders woonden dichtbij industrie, vandaar waren industriegebieden stedelijk (Glasgow, Newcastle, Liverpool). Wolindustrie in zuidwesten van Yorkshire, katoenindustrie in zuidoosten van Lancashire. Er was nauwelijks landbouw, dus was de bevolking gemotiveerd om landbouw te gebruiken voor industrie (garens spinnen, stoffen weven en kleding in fabrieken maken).
  2. Afbraak van oude industrie: door toename van mondiale concurrentie en afzetproblemen. Industrie verplaatst naar goedkope landen (verschuiving), waardoor de plaatsen waar industrie oorspronkelijk lag ‘depressed areas’ werden met grote werkloosheid.
  3. 3.       Herstructurering van oude industriegebieden: ‘depressed areas’ à ‘developement areas’: 
  • Ontwikkeling van nieuwe infrastructuur: auto-, defensie-, vliegtuig- en elektronische audio- en optische industrie neemt toe.
  • Revitalisering (herleving) van steden in oude industriegebieden: gebieden rond Birmingham, Londen, Leicester, Liverpool, Manchester en Leeds kregen grote aantrekkingskracht (door goed ingericht, modern stadscentrum).
  1. Filiaaleconomie van multinationals: veel investeringen in vestigen van MNO’s in (vooral het zuiden van) GB. Gunstige vestigingsvoorwaarden van GB: fijn belastingsysteem, lagere loonkosten en Engelse taal. Nadeel van filiaaleconomie is dat kwetsbaarheid stijgt.

Diensteneconomie eind 20e eeuw groeit enorm. Londen(in City & Docklands) is belangrijkste financiële centrum van de wereld met de hoogste concentratie van binnen- en buitenlandse banken. Londen is aantrekkelijke vestigingsplaats voor hoofdkantoren door concentratie van banken en verzekeringsmaatschappijen. Ook Edinburgh en Manchester behoort tot belangrijke dienstencentra.

Ontstaan van tweedeling in Noordelijke en Zuidelijke regio’s: Noord is economisch zwak met afbrokkeling aan industrie à verlies aan arbeidsplaatsen en deel v/d bevolking vertrekt. Zuid is economisch sterk (lage werkloosheid, economische groei, toestroom van jonge, hoogopgeleiden met moderne dienstensector). Ook zijn er grote inkomensverschillen tussen Noord en Zuid.

In GB is globalisering duidelijk te zien aan bevolkingssamenstelling en migratie à ontstaan van multiculti samenleving. Oude koloniën (India, Pakistan, Jamaica, etc) trokken naar GB vanwege betere economie. Na 1962 komen er beperkingen (belemmeringen) in migratie.

Negatieve gevolgen van migratie: hoogopgeleiden uit een culturele minderheid heeft minder kans op een baan; ruimtelijke segregatie (steden en wijken zijn etnisch samengesteld); sociale segregatie (woonscheiding tussen autochtoon en allochtoon) door inkomstenverschillen, waardoor suburbanisatie(stad naar platteland) is, ongelijkheid versterkt en conflicten komen.

Positieve gevolgen van migratie: culturele diversiteit en internationale oriëntering versterken Britse wereldmarkt (door veel buitenlandse invloeden wordt GB internationaler).

Veranderingen in politieke dimensie in GB: schaalverandering; vroeger was GB machtigste land net mondiale centrumpositie, maar door kwijtraken van koloniën daalde economie en nam macht af. Wel is GB permanent lid van Veiligheidsraad (belangrijkste orgaan van VN) en G-8 (overlegorgaan van machtige, industriële regeringsleiders). Pas in 1973 werd GB lid van de EU. De Europeanen heten volgens de Britten ‘the continent’. GB neem aparte positie in in EU volgens Britten:

  • Pond ipv. Euro als betaalmiddel.
  • Deelt niet mee bij Schengenverdrag.
  • In Britse Labour Partij en de Conservatieven zitten tegenstanders van EU, dus zal GB nooit actieve politiek voeren in EU.
  • Veel Euroscepten (mensen die niet weten dat ze Europeaans zijn) die denken dat EU bureaucratisch en ondemocratisch is. Ook schrijven The Sun en The Daily Mirror negatief over Europa.
  • GB richt zich meer op de VS dan op de EU. VS en GB nemen deel aan Anglosphere (Engelstalige landen met dezelfde historie, politiek, sociaal-culturele kenmerken).

§4

Na 1947 was India onafhankelijk en een traditionele agrarische samenleving. Patroon als ontwikkelingslanden (zoals India) industrialiseren:

  1. 1.       Importvervangende industrialisatie, waaronder opbouw van 3 soorten industrie:
  • Zware industrie (staatsbedrijven): mijnbouw, ijzer- en staalindustrie en chemische industrie.
  • Consumptiegoederenindustrie (staats- & particuliere bedrijven): industrie gericht op kleding, textiel, leer, voedingsmiddelen, etc.
  • Voorlopers van informatietechnologieindustrie (staatsbedrijven met koppeling aan research & developement): hightechnologie, dus machinebouw, auto-industrie, lucht- en ruimtevaart en defensie.
  1. 2.       Exportgeoriënteerde industrialisatie (na 1990): periode van economische liberalisering (India wordt marktgerichte en open economie). Door toenemende contacten zou Indiase ID in gevaar komen, concurrentie stijgt, inefficiënte industrie met slechte en dure producten. India volgt dezelfde ontwikkelingskoers als de NIC’s (Newly Industrializing Countries). India probeert nieuwe investeerders en buitenlandse bedrijven aan te trekken dmv: omvangrijke arbeidsmarkt met lage lonen en goed opgeleide mensen, belastingsvoordelen, waardoor er veel productievestigingen (van chemische, elektronische, auto- en voedselmiddelenindustrie) zijn in India. 2 dominante Indiase industriële sectoren zijn:
  • Textiel-/kledingindustrie: Indiase textiel industrie richt zich meer op natuurlijke stoffen (wol, zijde en linnen) en synthetische vezels (polyester en viscose). Om deze industrie te vergroten, willen ze nog meer buitenlandse bedrijven aantrekken d.m.v. lage lonen en traditioneel vakmanschap.
  • IT-industrie: India profiteert van veel staatsinvesteringen in hightechnologie. Start van opbouw van industrie gericht op productie van Softwares. Er zijn veel natuurwetenschappelijk goed opgeleide mensen, die goedkoop zijn en wat aantrekkelijk is voor buitenlandse bedrijven. STP’s (Software Technology Parks) zijn industrieparken die worden gebruikt voor industrie van buitenlandse bedrijven. Voordelen van STP’s: gunstige belastingen, vergunningen, exportprocedures en communicatieverbindingen.

Diensten in India worden steeds belangrijker, als dienstensector toeneemt, komt er structurele verandering in Indiase economie, namelijk richting de ontwikkelde landen. Outsourcing: uitbesteden van diensten in IT-sector, namelijk administratie van VS bedrijven wordt overgelaten aan Indiase bedrijven. Deze vorm van dienstverlening van India is aantrekkelijk door:

-          Grote Engelstalige groep hoog opgeleiden.

-          Lage lonen.

-          Goedkope satelliet- en internetverbindingen.

-          Gunstige ligging i.v.m. tijdsverschillen.

Ontstaan van tweedeling in oost en west: door ontwikkeling van industrie en diensten. Oostelijke deel is vooral ontwikkeld in importvervangende industrialisatie, veel zware industrie. Overheid verstrekt subsidies aan roestgordel (rustbelt) van India (Kolkata), waarbij andere oude industrie d.m.v. kinderarbeid overeind staat. Economie is landelijk georiënteerd.

Het westelijk deel is vooral ontwikkeld in exportgeoriënteerde industrialisatie, ontwikkeling is te vergelijken met de NIC’s. Economische ontwikkeling is mondiaal georiënteerd.

Er zijn 3 migratiestromen in India:

  1. Migratie van platteland naar stad (urbanisatie).
  2. Migratie naar geïndustrialiseerde landen (VS, Canada, GB). Migranten willen permanent een nieuw bestaan vestigen.
  3. Migratie naar Golfstaten. Door stijgende olieprijzen, komen buitenlandse arbeidskrachten. Geld wordt via Golfstaten naar India gestuurd, waarvan huizen bijv. worden verbeterd.

Binnen het Kastenstelsel is de samenleving globaal verdeeld:

-          Vier Varnas (standen) in volgorde van reinheid en rang. Brahmanen zijn de hoogste rang en mogen alleen Brahmaans voedsel eten. De varnas zijn endogaam.

-          De Paria’s (untouchables) die niemand mogen aanraken van de Varnas. Ze doen het vuile werk, wonen aan randsteden en halen water uit rivieren.

Varna’s zijn gesplit in Jati’s, oftewel kasten. Kasten zijn op basis van beroep geordend.

De onaanraakbaren hebben ook hun eigen kasten, Dalits.

Globalisering bevordert het ontstaan van de middenklasse. Kastenstelsel zorgde voor traditionele samenleving à modernere samenleving. Industrialisering zorgde voor verstedelijking. Verschillende kasten gingen naar steden om te werken en moesten vaak samen in 1 bedrijf, waardoor het kastenstelsel werd verbroken. Ook kwam er een middenklasse, andere godsdienst, beroepen en opleidingsniveaus. Des te beter je opgeleid bent, hoe hoger de baan, hoe hogere klasse.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.