Hoofdstuk 1 Wereldbeeld

Beoordeling 7.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 4e klas vwo | 3008 woorden
  • 6 juli 2014
  • 48 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.3
  • 48 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

§2 Patronen: verschillen welvaart



Hoe meet je welvaart?




  1. Bnp per inwoner = Waarden van alle goederen + diensten in een land in een jaar + inkomsten uit het buitenland / aantal inwoners



Wordt in dollars of euro’s uitgedrukt. Soms ook met bnp/hoofd gebruikt, dan laat je de inkomsten van het buitenland daarbuiten.




  1. VN-index / welzijnsindex = index loopt van 1 tot 0. Daar let je naast koopkracht ook op levensverwachting en analfabetisme.

  2. Er zijn ook nog reeks van aanwijzingen voor de mate van ontwikkeling, zoals:

                - samenstelling van de beroepsbevolking

                - hygiëne, scholing en gezondheidszorg

                - beschikbaarheid van telefoon en computer



Welzijnsindex zegt meer over hoe het echt met de mensen in het land gaat dan bbp/hoofd.



Problemen bij het meten van de welvaart



Nadelen bnp/hoofd




  • Koopkrachtpariteit (hoeveel goederen/diensten je voor 1 dollar kunt kopen in een land) wordt niet meegerekend.

  • Inkomsten informele sector, de ruilhandel en zelfvoorziening  niet meegeteld.

  • Sociale ongelijkheid (=hoe het geld verdeeld is onder de bevolking) is niet te zien.

  • Regionale ongelijkheid (onrechtvaardige verschillen in welvaart en ontwikkeling tussen gebieden) is niet te zien.



Verdeling welvaart



Wereldsysteem:




  • Centrum = de rijkste landen, vooral westerse landen.




  • Semiperiferie = landen die de laatste 20 jaar een flinke groei hebben doorgemaakt.

  • Periferie = Armste landen



§3 Patronen: bevolkingsspreiding en cultuurgebieden



Bevolkingsdichtheid en spreiding



Bevolkingsspreiding = Manier waarop de bevolking over een gebied is verdeeld.

De meeste concentraties liggen aan de randen van de continenten, in kustvlaktes, langs rivieren en vruchtbare gebieden. Het spreidingspatroon is een momentopname à verschil in natuurlijke groei en migratie verandert het.

Bevolkingsdichtheid = Gemiddeld aantal inwoners per km2

Als je inzoomt op een kaart kun je zien dat ook zeer dichtbevolkte landen streken voorkomen met een erg lage dichtheid, terwijl in dunbevolkte landen soms gebieden met een hoge dichtheid tegenkomt.



De spreiding verklaard




  • De natuurlijke mogelijkheden à geschikt klimaat, vruchtbare bodems en beschikbaarheid van water + gebied niet te bergachtig, geschikt landbouw.

  • De ligging à gebieden gunstig liggen t.o.v. economische kerngebieden of er goed mee verbonden zijn bijv. Nederland.

  • Het koloniale verleden à bevolkingsconcentraties ontstaan langs de Europa gestichte Atlantische kust.



Een mozaïek van culturen



Cultuurgebied = gebied waarin culturen voorkomen die sterk op elkaar lijken.



Cultuur in de geografie: zichtbare sporen in landschap, waarop mensen hun gebied hebben ingericht, bouwstijl van huizen/religieuze gebouwen, wijze bewerken van het land, kleding etc.



Twee belangrijkste cultuurelementen:




  • Taal

  • Godsdienst



Cultuurgebied voortdurend van buitenaf beïnvloedt à vroeger de kolonisatie, nu door toerisme, migratie en de moderne communicatiemiddelen.

à diffusie = de verspreiding van een ruimtelijk verschijnsel (cultuurelement) vanuit een kerngebied. Vaak wordt het nieuwe cultuurelement aangepast aan de bestaande cultuur à cultuurvermenging/acculturatie



We zijn niet op weg naar één wereldcultuur, bijv. in India kan alleen de rijke bovenlaag de westerse goederen kopen, de rest van de bevolking koopt nog gewoon lokale producten.



§4 Patronen: de politieke en sociale wereldkaart



Leven in vrijheid



Soevereine staat = een internationaal erkende staat die als enige macht mag uitoefenen over de bevolking en het grondgebied van de staat.



Globale vormen hoe een staat wordt bestuurd:




  • Democratie = door vrije verkiezingen burgers invloed op het bestuur + andere vrijheden zoals vrijheid van meningsuiting en godsdienst. Vooral in westerse landen.

  • Beperkte (schijn) democratie = bevolking sterk gecontroleerd door de centrale overheid. Burgers wel stemrecht, alleen stemmen op ½ door de overheid gecontroleerde politieke partijen. Ook worden er soms de verkiezingsuitslagen gemanipuleerd, is corruptie aanwezig en zijn sommige groepen uitgesloten van de politieke besluitvorming zoals vrouwen. Vooral in landen in Latijns-Amerika en de nieuwe staten van de voormalige Sovjet-Unie.

  • Dictatuur/totalitaire staat = Het land wordt door één partij/leider autoritair(=zelf regerend, bepaald alles zelf) bestuurd. Politieke en economische macht gaan vaak hierbij samen. Vooral in Afrika, Azië (China) en het Midden-Oosten.



Failed States (mislukte staten) = een staat waarin de centrale overheid praktisch geen tot weinig controle heeft over het eigen grondgebied. Vaak bij landen waarbinnen concurrerende etnische en religieuze groepen samenleven. Voorbeelden zijn Somalia, Afghanistan, Haïti en Sudan.



Van bipolair naar multipolair



In de periode van de Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog (tot 1990) kende de wereld een bipolair machtssysteem: de twee grootmachten VS en de Sovjet Unie.

1990 – 2002 unipolair à VS de enige wereldmacht



Na 9/11, multipolair à opkomst China, BRICS en Turkije. De grootmachten zijn nu de VS, EU, China en Rusland. Ook op lager schaalniveau strijden staten om macht en economische invloed in hun regio. In het Midden-Oosten Israël, Iran en Turkije en in de sub-Sahara Zuid-Afrika, Nigeria en Sudan.



Onderwijs, de motor tot ontwikkeling



Een van de belangrijkste elementen van de welzijnsindex is de alfabeteringsgraad, 1/7 kinderen gaan niet naar school door:




  • Armoede

  • Politieke onrust

  • (burger) oorlogen

  • natuurrampen



Meisjes worden ook thuisgehouden door:




  • hoge schoolkosten

  • belang van onderwijs voor meisjes wordt niet gezien

  • meisjes kunnen al snel in het huishouden meehelpen



Schoolverlaters komen meestal uit een ongeletterd gezin en worden na paar jaar weer analfabeet.



Een goed opgeleide bevolking is een van de belangrijkste voorwaarden om op langere termijn tot ontwikkeling te komen.



§6 Samenhang: ontwikkeling en werk



Ontwikkeling van de beroepsbevolking



Economische geschiedenis van de wereld:




  1. agrarische revolutie: overgang van jagen en verzamelen naar landbouw.

  2. Industriële revolutie: overgang handarbeid naar grootschalige ‘fabrieksmatige’ productie.

  3. Opkomst van de dienstenmaatschappij



Vanaf de jaren ’60 in de westerse landen neemt de secundaire sector in omvang af àmechanisering, automatisering en later uitschuiving naar lageloonlanden. Dienstenmaatschappij neemt toe.

In de Semiperiferie is de overgang van agrarisch naar industriële samenleving pas na de WOII. In de echte periferie landen is het nog voornamelijk agrarisch.



Doorschuiven in de sectoren = opschuiving van de beroepsbevolking van de primaire naar de secundaire en tertiaire sector. Komt het meest door:




  • Stijging welvaart à meer vraag naar hoogwaardige goederen en diensten.

  • Stijging arbeidsproductiviteit à minder mensen nodig om voedsel te produceren en schuiven door naar de secundaire en later de tertiaire sector.



Internationale arbeidsverdeling



Tot 1950, alle producten afkomstig van het land zelf of buurlanden. Door internationalisering raken gebieden steeds meer met elkaar verweven à gevolgen voor internationale arbeidsverdeling (= specialisatie van werkgelegenheid in de verschillende delen van de wereld), deze kun je aflezen aan:




  • Internationale verdeling van de beroepsbevolking

  • Samenstelling van het exportpakket van landen



In de jaren ’60 bestond het exportpakket vooral uit grondstoffen (ertsen, energie, handelsgewassen), nu in de semiperiferie landen vooral industriële producten van de westerse landen over genomen. Vooral landen in Latijns-Amerika en Zuid- en Oost-Azië.



Grondstoffenafhankelijk maakt kwetsbaar



Nadelen van een exportpakket dat uit grondstoffen bestaat:




  • Prijzen van grondstoffen (behalve aardolie) zijn niet veel minder gestegen dan de prijzen van de eindproducten.

  • Prijzen grondstoffen wisselen op de wereldmarkt veel sterker dan eindproducten à inkomsten grondstoffenlanden wisselen sterk, moeilijk veeljarig planning te maken.

  • Export uit handelsgewassen bestaat, kans op misoogsten. Inkomen kan in één klap van een land gehalveerd worden.



Grote vraag grondstoffen en energie à stijgen prijzen laatste jaren sterk. Maar:




  • Veel olievelden + ertsmijnen in handen van multinationals uit westerse landen.

  • Hogere prijzen komen voor het grootste deel bij hun aandeelhouders terecht

  • Nationale elite slaagt in veel arme landen het resterende bedrag naar zich toe te trekken.



§7 Samenhang: ontwikkeling en demografie



Bevolkingsgroei



= toename van de bevolking in een bepaalde periode. Maakt onderscheid tussen de natuurlijke groei (geboortecijfer/sterftecijfer) en sociale groei (vestiging/vertrek).



Groei wereldbevolking, twee opvallende kenmerken:




  1. Groei gaat steeds sneller, bevolking is in de 20ste eeuw 4 keer zo groot.

  2. Groei niet overal zo snel. In Rusland is het sterftecijfer groter dan het geboortecijfer, maar in Niger is de bevolking tussen 1950-2010 ruim 6x zo groot geworden.



Vruchtbaarheid van vrouwen daalt



De natuurlijke bevolkingsgroei is wereldwijd tussen 1970-2009 gedaald van 23 promille naar 12 à relatieve (in %) groei neemt af, maar de absolute groei (aantal) niet à vruchtbaarheid (=het aantal levendgeborenen per jaar per 1000 vrouwen van 15-45 jaar) daalt. Vrouw moet 2,1 kind krijgen om haar generatie te vervangen, westerse landen ligt dit cijfer lager en in Afrika en Midden-Oosten ligt het soms ruimschots erboven.  



Bevolkingsgroei en welvaart



Waarom hebben arme landen hoog geboortecijfer:




  • Demografisch: arme landen hebben jonge leeftijdsopbouw (=verdeling van bevolking over verschillende leeftijdsklassen/cohorten). Veel vrouwen in vruchtbare leeftijd à hoger geboortecijfer dan oudere bevolking.

  • Onderwijs: vruchtbaarheid daalt als scholingsgraad van meisjes stijgt à kennis geboorteregeling + betere carrièremogelijkheden.

  • Religie: katholieke geloof stimuleert grote gezinnen + wilt geen abortus en voorbehoedsmiddelen. Westerse landen ging ontkerkelijking + gebruik pil samen.

  • Gezondheidssituatie: hoge zuigelingsterfte (=aantal baby’s per 1000 levendgeborenen dat in het 1e jr. Sterft.) à hoger geboortecijfer, mensen zeker van zijn dat het aantal kinderen overleeft om later voor de ouders te zorgen.

  • Armoede: verband tussen stijgende welvaart en dalende vruchtbaarheid à beter opgeleid, invloed godsdienst neemt af en sociale zekerheid (bijv. pensioen) wordt groter. Noodzaak groot gezin verdwijnt.



Demografische druk = het niet-actieve deel van de bevolking (0-19 jr. en >65jr.) uitgedrukt als percentage van de actieve bevolking (20-65 jr.)



à rijke landen stijgt de druk door vergrijzing, arme landen door jonge bevolking à het land moet enorm investeren in gezondheidzorg, onderwijs, wonen + krappe arbeidsmarkt.



Demografische transitie



= de gefaseerde overgang van een hoog geboorte- en sterftecijfer naar een laag geboorte- en sterftecijfer. Oftewel de ontwikkeling van het geboorte- en sterftecijfer



Demografisch transitiemodel heeft 4 fasen:




  1. Geboorte- en sterftecijfer zijn hoog, natuurlijke groei is gering.

  2. Geboortecijfer blijft hoog, sterftecijfer daalt à Bevolking groeit snel

  3. Geboortecijfer daalt à bevolking neemt af.

  4. Geboorte- en sterfte cijfer kopen op lager niveau weer in evenwicht.



Deze ontwikkeling hebben de westerse landen al doorlopen, nu ook de arme landen maar in een veel kortere tijd.



§8 Samenhang: ontwikkeling en verstedelijking



Een wereld van steden



Verstedelijking (urbanisatie) = proces waarmee de urbanisatiegraad (= percentage bevolking in de stad woont) per jaar toeneemt.



Maar niet alle landen verstaan hetzelfde onder een stad. Hoogte urbanisatiegraad hangt af van de geografische omstandigheden à zoals Westelijke Sahara waar de urbanisatiegraad 94% is doordat een groot deel daaruit woestijn bestaat.



Arme landen kennen een hoog urbanisatietempo (= snelheid urbanisatiegraad per jaar toeneemt)



Ontwikkeling en verstedelijking



Oorzaken groei steden in de derde wereld:




  • Trek van platteland naar stad; westerse landen al in de 19e eeuw, door industrialisatie. Nu massaal in ontwikkelingslanden à kunnen niet al die arbeidsmigranten werk bieden à grote informele dienstensector.

  • Trek van ene stad naar de andere; eerst middelgrote stad in de buurt en dan naar de grote stad.

  • Natuurlijke bevolkingsgroei; als jongeren eenmaal plek gevonden hebben, stichten ze een gezin. De gezinnen in steden zijn meestal wel kleiner.



Rijke landen versnelde urbanisatie van 1830-1930, na 1960 juist suburbanisatie à toegenomen welvaart à infrastructuur verbeterd + mobiliteit neemt toe à mensen kiezen voor goed bereikbare locatie in de randzone.

In de semiperiferie ook suburbanisatie, in het achterland dure woonwijken voor rijkere.



Het ontstaan van megasteden en primate cities



Arme landen bouwen hun hoofdsteden uit, maar richten dus alleen op 1/2 steden à stedelijk patroon wijkt veel af van westerse landen à De trek naar stad richt zich op primate cities à  megasteden niet meer in westerse gebieden + bevolkingsspreiding ongelijkmatig.



§10 Voedselzekerheid en voedselproductie



Voedselzekerheid is een mensenrecht



Voedselzekerheid = in een land voor iedereen voldoende voedsel van goede kwaliteit beschikbaar is.

Kwalitatieve honger = tekort aan vitaminen en mineralen.



Kwantitatieve honger = te weinig voedsel voor de minimale energiebehoefte.



Het percentage van de hongerlijders nemen af, maar het absolute aantal stijgt nog steeds. Honger is een sluipmoordenaar à gemiddelde levensverwachting in Malawi niet boven 42jr.



Hongersnood het meest op het platteland à natuurlijke omstandigheden bijv. mislukking oogst maar ook gebrek aan geld, namelijk wel op landelijk niveau voldoende voedsel.



Voedselproductie en draagkracht



Belangrijke oorzaak van honger = voedselopbrengst in de hongergebieden te laag à deels te wijten aan natuurlijke omstandigheden. Veel hongergebieden een geringe draagkracht of carrying capacity (=max. Aantal mensen dat in een gebied kan leven zonder onherstelbare schade aan te richten aan de leefomgeving.)



Bodemdegratie = sterke afname productiviteit van bodem door erosie/verzilting/uitputting. Tegen te gaan door te investeren in irrigatie, goede graszaad en kunstmest, maar daarvoor is een goede welvaart nodig.

In Nederland wordt de bevolkingsdichtheid niet meer zo sterk bepaald door de draagkracht van het milieu 



Productiviteit per hectare = landbouwopbrengst per ha. In arme gebieden is dit zeer laag, zij kunnen bijv. geen kunstmest betalen à grond verder uitgeput en productiviteit nog lager.



Bevolking in gebieden met geringe draagkracht groeit snel en door gebrek aan welvaart wordt de draagkracht steeds verder overschreden.



Technologische ontwikkelingen




  • Groene revolutie = veredeling van gewassen zodat de opbrengsten sterk toenamen. Betere zaden à gebruik van irrigatie, kunstmest en bestrijdingsmiddelen. Jaren 70

  • Genetische revolutie = veranderen van erfelijke eigenschappen van gewassen, zodat deze ook onder ongunstige omstandigheden goede opbrengsten opleveren. Jaren 80



Boeren in armen landen passen deze verbeteringen niet toe à hebben niet de kennis + kunnen de investeringen niet betalen of durven de risico’s van vernieuwing niet aan.



§11 Voedselzekerheid en maatschappelijke factoren



Sociale verhoudingen



Sociale-economische stratificatie = classificatie van de bevolking in een samenleving naar bezit of inkomen à rijke en armen en mensen die ertussen zitten.



Op het platteland in ontwikkelingslanden duidelijk te zien aan de scheve grondbezit verhoudingen (= procentuele verdeling van het land over de bevolking).  Bijv. enkele grootgrondbezitters en veel kleine boeren + landloze boerenarbeiders.

Sociaal-culturele factoren dat ervoor zorgt dat arme mensen arm blijven + geen voedselzekerheid hebben:




  • Afhankelijk van rijkeren met meer macht à

               - Grootgrondbezitter à elk jaar in de rats, wordt hun pachtcontract verlengd?

               - Handelarenà betaalt te weinig, kunnen niet ergens anders verkopen, te ver.

               - Corrupte ambtenaren à betalen voor vergunning/overheidssubsidie.

  • Veel geld betalen voor bestrijdingsmiddelen, zaaigoed en kunstmest.



Gezinssituatie



Vooral op het platteland leven in een grootfamilie (=gezinsverband waar ook grootouders, ooms, tantes en hun kinderen bij horen)à vergroot overlevingskansen als oogsten karig zijn.



Grootfamilies steeds minder à modernisering, migratie en oorlogen.



Vrouw cruciaal in de arme families à maakt eten, werkt op het land + verkopen overschotten op de markt. Doordat mannen naar werk zoeken, zijn er meer alleenstaande moeders. Grootste probleem is of er wel voldoende voedsel is en inkomsten.

Aids heeft grote invloed op voedselzekerheid.



Politieke omstandigheden



Veel hongerlanden zijn politiek instabiel (= regeringen elkaar snel afwisselen)waardoor er nooit iets wordt opgebouwd.

Soms ook territoriale conflicten (=conflicten waarbij minderheden zelf beschikking of een eigen staat opeisen).



à boeren vaak hun voedsel weggeven of moeten vluchten.



Verbeteren van politieke stabiliteit is op nationaal niveau een belangrijke voorwaarde voor het aanpakken van honger.



Regeringen buiten de westerse wereld doen vaak niks aan voedsellandbouw:




  • Stimuleren vooral moderne grote landbouwbedrijven, niet de kleine boeren.

  • Overheidsgeld geïnvesteerd in industrie of diensten, niet in landbouw.

  • Het geld voor de landbouw verdwijnt in prestigeprojecten bijv. voetbalstadion.



Dus om de voedselproductie te laten stijgen, moet men investeren in voorlichting, rurale (=agrarische) infrastructuur en betere landbouwtechnieken. Regering moet dit dan wel als prioriteit stellen, wat nu vaak niet gebeurd wordt.



§12 Globalisering



De handel in voedsel



Voedselzekerheid heeft ook te maken met globalisering à Sinds de jaren 80 internationale handel sterk toegenomen door beter + goedkoper transport en moderne telecommunicatie.



à voedsellandbouw geglobaliseerd: wordt mondiaal gehandeld en geïnvesteerd in voedsel). Boeren concurreren wereldwijd met elkaar à betere en goedkopere producten.



Voedselprijzen wisselen onder invloed van vraag en aanbod.

Factoren waardoor de voedselprijzen stijgen:




  • Groeiende bevolking, ook nog welvarender + meer vlees eet (veel graan voor nodig).

  • Stijgende olieprijzen à kostenprijs van voedsel stijgt

  • (klein) deel van voedsel omgezet tot biobrandstoffen



Land beschermen tegen prijsschommelingen à importheffingen, exportsubsidies



World Trade Organisation (WTO) houdt dit tegen à nieuwe handelspolitiek à vrije import en export en schaffen handelsbelemmeringen langzaam af.



à zou vraag en aanbod in evenwicht houden, maar kan in voordeel zijn van de grote moderne landbouwbedrijven + door productiestijging à milieudegradatie.



(Export)subsidies en voedselzekerheid



Andere handelsbelemmeringen die de concurrentie beïnvloeden:




  • Landbouwsubsidies = steun aan boeren om hun kosten te beperken.

  • Dumping = verkopen van gesubsidieerde voedseloverschotten onder de kostprijs op de wereldmarkt.

  • inwoners kopen het geïmporteerde voedsel en eigen boeren krijgen het moeilijk, geven soms hun productie op à leegloop platteland en groei steden. Slecht voor de boeren, maar gewenst voor de arme stedelijke bevolking.



Importbeperkingen en voedselzekerheid



Voordeel afschaffing invoerrechten:




  • Toegang tot westerse markten makkelijker.



Nadeel afschaffing invoerrechten:




  • Een ontwikkeld landbouwsector in de (semi)periferie kan baat hebben bij importheffingen à beschermt de sector tegen goedkopere importen.



Westerse landen willen het goedkoopste voedsel à exportlandbouw in (semi)periferie flink groeien, maar meer moderne exportlandbouw dan voedselproductie voor eigen bevolking à veel werkgelegenheid levert het niet op: de sector is arbeidsextensief.



§13 Voedselzekerheid en ontwikkelingshulp



Doneren van ontwikkelingshulp



Doneren in drie groepen verdelen:




  1. Bilaterale hulp = hulp van de ene overheid aan een andere.

  2. Internationale organisaties, zoals de EU, VN en Wereldbank. Gefinancierd uit bijdragen van de lidstaten à meer kennis, geld en deskundigheid dan land alleen.

  3. Ngo’s, niet gouvernementele organisaties, bijv. Artsen zonder Grenzen. Direct hulp bij belangengroepen, maar ze zijn erg kleinschalig à hoge overheadkosten en geringe effectiviteit.



Soorten ontwikkelingshulp




  • Noodhulp = hulp bedoeld om levensbedreigende situaties op te lossen, vaak in vorm van voedselhulp. Nadeel: bevolking afhankelijk van noodhulp à noodhulp moet tijdelijk zijn.

  • Projecthulp = ontwikkelingshulp in vorm van geld, gedurende enkele jaren, bedoeld om concreet probleem te verhelpen. Bijv. landbouwadviseurs opleiden. Nadeel: die landbouwadviseurs gaan ergens anders een baan zoeken en zijn terug bij af.

  • Programmahulp = ontwikkelingshulp in vorm van geld, ontvangende land kan dat naar eigen inzicht besteden. Nederland geeft dit alleen aan landen die aan de criteria van grote armoede en good governance (=redelijk democratisch en niet corrupt bestuur van een land) voldoen.



De effecten van ontwikkelingshulp op de voedselsituatie




  • Gebonden hulp = ontwikkelingshulp waarbij de donor bepaalt wat er met dat geld moet gebeuren à is inefficiënt en duur, ontwikkelingslanden weten beter waar het geld besteed aan kan worden. Sinds 2001 groot deel projecthulp ongebonden gemaakt, maar niet zo veel bij voedselhulp.

  • Donorlanden zijn vaak incoherent bezig = doelstelling van de verschillende ministeries in het donorland niet goed op elkaar zijn afgestemd. We geven hulp, maar doen dan weer niet aan eerlijke handel.

  • Handelsbelemmeringen (zie paragraaf 12)


REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

M.

M.

Ook cultuur is een reden van waarom arme landen een hoog geboortecijfer hebben, in veel culturen geeft een groot gezin aanzien. Verder een prima samenvatting :)

7 jaar geleden

K.

K.

Meteen in het begin de eerste fout al: het is bbp/hoofd

5 jaar geleden

K.

K.

Sorry hoor maar dit was echt slecht, vol met spelfouten, verkeerde informatie en bovendien onduidelijke zinnen. Kon veel en veel beter voor een VWO leerling.

5 jaar geleden

J.

J.

Heel erg slecht, denk je dat je een Franse samenvatting moet maken met je 'à' ?
Heel jammer dit

5 jaar geleden