ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis

H1 Actuele vraagstukken van overstromingen en wateroverlast in Nederland

Paragraaf 1: Veiligheid en klimaat

Klimaatverandering:

  • Winters: zachter & natter (door meer westenwind).
  • Zomers: warmer & droger (door meer oostenwind).
  • Absolute zeespiegelstijging: afsmelten ijskappen (85-130 cm in 2100).
  • Relatieve zeespiegelstijging: daling van de grond.
  • Meer piekafvoeren van Rijn en Maas.

Piekafvoeren Rijn en Maas:

  • Hevigere en langdurigere neerslag.
  • Slecht doorlatende bodem (sponskarakter).
  • Grotere toevoer smeltwater.
  • Benedenrivierengebied: zeespiegelstijging doet vrije verval afnemen.
  • Maatgevende afvoer moet omhoog.

 

Paragraaf 2: Veiligheid in het rivierengebied

Afvoer neerslag- en/of smeltwater:

  • Vasthouden (retentie) op de bodem.
  • Bergen in oppervlaktewater.
  • Afvoer door rivierloop.

Sponskarakter:

  • Bepaalt vertragingstijd.
  • Rond 800: groot sponskarakter, de rivier had ruimte.
  • Vanaf 1100: verkleinend sponskarakter, door ontginning. Zorgde voor hoge waterstanden. Bedijking werd noodzakelijk.

Bedijking:

  • Eerst aanleg winterdijken. Uiterwaarden groeide hierdoor. Winning van de zandige klei heeft in de uiterwaarden plassen doen ontstaan.
  • Door bedijking waren er hogere waterstanden en regelmatig dijkdoorbraken (ontstaan wielen).
  • Zomerdijken werden aangelegd om uiterwaarden in de zomer bruikbaarder voor de landbouw te maken.

Normalisatie:

  • Vanaf 1900.
  • De hoofdgeul van de rivier werd door kribben vastgelegd.
  • Stuwen beïnvloeden het waterpeil.

Actieplan Hoogwater Rijn:

  • 1998.
  • Betere retentie in het Rijnstroomgebied.
  • Betere retentie in de Rijnloop.
  • Betere hoogwatervoorspelling.

Ruimte voor de Rivier:

  • 2007
  • Afgraven van klei in winterbed.
  • Nevengeul maken.
  • Verwijderen van obstakels in de uiterwaarden.
  • Dijkverlegging (ontpoldering).
  • Kribverlaging in zomerbed.
  • Verdieping van zomerbed.
  • Aanleg hoogwatergeul.
  • Aanwijzing van noodoverloopgebieden (retentiegebieden). Niet in het benedenrivierengebied, want daar zijn ze niet effectief door invloed getij en storm op zee.
  • Dijkverbetering.

 

Paragraaf 3: Veiligheid in het kustgebied

Waterkering:

  • Harde kust (dijken).
  • Zachte kust (duinen).

Drie soorten kustgebieden:

  • Zuidwest-Nederland: estuariumkust (veel rivieren monden uit in zee in trechtervorm).
  • Centraal-West-Nederland: zachte kust. (Alleen bij Petten zeedijk.)
  • Noord-Nederland: waddenkust (Waddenzee zijde heeft harde kust, Noordzee zijde heeft zachte kust).

Zandtransport (natuurlijk ontstaan duinen):

  • Evenwijdig aan kust: toevoer van zand dat van de zee- of rivierbodem komt, en door eb en vloed wordt verplaats.
  • Loodrecht op de kust, golven die door de oplopende kust worden afgeremd vormen brandingsgolven. Brandingsgolven werpen bij vloed zand op het strand. Bij eb droogt het op en verplaats de wind het landinwaarts.
  • Planten houden de duinen bij elkaar.

Overheid:

  • Zachte kust waar het kan, harde kust waar het moet.
  • Kustafslag en erosie moet worden tegengehouden door goed duinbeheer en zandsuppletie (jaarlijks).
  • Zandsuppletie moet voor het handhaven van de basiskustlijn zorgen (komende tientallen jaren).
  • Zandsuppletie moet zorgen dat het kustfundament meegroeit met de zeespiegelstijging (komende 50-200 jaar).

 

H2 De leefbaarheid van steden en stedelijke gebieden

Paragraaf 1: Steden en stedelijke gebieden in soorten en maten

Historische steden:

  • Tot 1870: groei door handel en bestuur (Gouden Eeuw). Historische binnenstad breidt uit.
  • 1870-1950: groei door komst van industrie. Woonwijken om historische binnenstad.
  • Na 1950: groei door ontwikkeling tot dienstencentra. Meer woongebieden rondom oude woongebieden.

Industriesteden:

  • Niet opgebouwd vanuit historische binnenstad. Locatie van industrie bepaald ligging arbeiderswijken.
  • Zijn ontstaan in nabijheid van grondstoffen als steenkool.
  • Zijn ontstaan door aanwezigheid van goedkope arbeidskrachten.

Beleidssteden:

  • Ontstaan omdat de overheid de sterke uitgroei van steden in de Randstad wil voorkomen omdat die het Groene Hart bedreigt.
  • Groeisteden: vangen mensen en bedrijven op buiten de randstad. (Meer spreiding van steden.)
  • Groeikernen: vangen suburbanisatie vanuit naburige grote steden op.
  • Vinex-wijken: nieuwe woongebieden nabij grote steden. Vangen stedelijke groei op.

Vijf fasen in de ontwikkeling van steden:

  • De compacte stad (tot 1920): (historisch) stadcentrum.
  • De uitschuivende stad (1920-1950): vorming agglomeratie.
  • De suburbaniserende stad (1950-1970): ontstaan stadsgewest.
  • De stedelijke zone (1970-1990): steden en stadsgewesten vormen steeds meer een samenhangend geheel.
  • Opbouw van stedelijke netwerken (na 1990): Als de economische relatief in een stedelijke zone toenemen en er steeds meer sprake is van een taakverdeling en specialisatie, ontstaat er een stedelijk netwerk met een of meer centrale steden.

 

Paragraaf 2: Drie groepen stedelijke netwerken in Nederland

Randstad:

  • Stedenring met drie stedelijke zones (Noordvleugel met Amsterdam, zuidvleugel met Rotterdam en Den Haag, Utrechtse stedelijke zone met Utrecht, Hilversum en Amersfoort).
  • Middengebied: het Groene Hart.
  • De overloopzones: een gebied aan de buitenkant van de Randstad, waar de groeikernen liggen.

Halfwegzone:

  • Uitstralingsgebied van de Randstad.
  • Heeft eigen groeikracht door internationale transportroutes.
  • Twee stedelijke netwerken (Arnhem-Nijmegen, Brabantstad).

Perifere zone:

  • Verste weg van Randstad.
  • Drie stedelijke netwerken (Groningen/Assen, Twente, Zuid-Limburg).

Paragraaf 3: De Randstad als economische motor van Nederland

Mainports:

  • Sneeuwbaleffect: opgang brengen van economische motor.

Mainport Rotterdam:

  • Economische motor zuidelijke Randstad.
  • Haven is internationaal knooppunt.
  • Trekt logistieke activiteiten en bedrijven aan.

Mainport Schiphol:

  • Economische motor noordelijke Randstad.
  • Distributiecentra verwerken vooral dure goederen en goederen waarvoor snel vervoer nodig is.

Paragraaf 4: Vraagstukken van grote en middelgrote steden in Nederland

Problemen:

  • Afnemende bereikbaarheid (congestievraagstuk). Tast distributiefunctie aan.
  • Ruimtegebrek (locatievraagstuk).
  • Problemen door komt van allochtone migranten (sociaal-culturele vraagstuk). Positief: verrijking van de cultuur. Negatief: ruimtelijke en sociale segregatie, polarisatie, duale arbeidsmarkt (allochtonen hebben vaak een lager opleidingsniveau, en te maken met discriminatie).
  • Vernieuwing van de economie is nodig om internationale concurrentiekracht te behouden (innovatievraagstuk).

Problemen:

  • Afnemende bereikbaarheid (congestievraagstuk). Tast distributiefunctie aan.
  • Ruimtegebrek (locatievraagstuk).
  • Problemen door komt van allochtone migranten (sociaal-culturele vraagstuk). Positief: verrijking van de cultuur. Negatief: ruimtelijke en sociale segregatie, polarisatie, duale arbeidsmarkt (allochtonen hebben vaak een lager opleidingsniveau, en te maken met discriminatie).
  • Vernieuwing van de economie is nodig om internationale concurrentiekracht te behouden (innovatievraagstuk).

Oplossingen congestievraagstuk:

  • Invoeren kilometerheffing.
  • Uitbreiden capaciteit van wegen.
  • Bevordering van openbaar vervoer.

Oplossingen locatievraagstuk:

  • Economische belangen en belangen van de natuur moeten tegen elkaar worden afgewogen.

Oplossingen sociaal-culturele vraagstuk:

  • Integratie bevorderen.
  • Onderling begrip kweken.

Oplossingen innovatievraagstuk:

  • Oprichting van kenniscentra.
  • Vernieuwing van creatieve bedrijvigheid.

 

Paragraaf 5: De leefbaarheid van de stadswijken in Nederland

Leefbaarheid:

  • Fysieke leefbaarheid: kwaliteit van woningen en woonomgeving.
  • Sociale leefbaarheid: contacten tussen bewoners en betrokkenheid bewoners.
  • Veiligheid: voelen bewoners zich beschermd.
  • Objectieve leefbaarheid: aan de hand van cijfers.
  • Subjectieve leefbaarheid: aan de hand van gevoel.

Probleemwijken:

  • Oud en slecht onderhouden.
  • Veel allochtonen.
  • Veel vandalisme en andere veiligheidsproblemen.
  • De overheid doet hier aan herstructurering, maar heeft ook aandacht voor het verbeteren van sociale cohesie (door mensen in te burgeren) en het verbeteren van de veiligheid.

Vier bouwperioden (fysieke leefbaarheid):

  • Voor 1920: weinig problemen door gentrificatie.
  • 1920-1950: weinig problemen, lage bebouwingsdichtheid.
  • 1950-1970: probleemwijken, goedkope en sobere huurwoningen.
  • Na 1970: weinig problemen, grote verscheidenheid aan woningtypen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.