Hoofdstuk 1 en 2, Mens en milieu

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 1396 woorden
  • 22 maart 2004
  • 74 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.1
  • 74 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
Aardrijkskunde boek 2 samenvatting/uittreksel H1 en H2

Hoofdstuk 1: Landschappelijke diversiteit

§1 vensters op het landschap


1 meter + NAP-lijn: deze lijn geeft aan tot waar NL onder water zou lopen als het vloed is en er geen duinen/dijken zouden zijn.
HUN-lijn = lijn tot waar het landijs is gekomen in NL
Landschapsgenese = het beschrijven en verklaren van de geologische ontstaanswijze van het landschap
Rurale gebieden = landelijk gebied, platteland, niet stedelijk

Natuurlandschap = niet door de mens ingericht landschap
Cultuurlandschap = een landschap dat door meer of, mindere mate is beïnvloed en ingericht door de mens
Morfologie = de uiterlijke verschijningsvorm van het landschap
Infrastructuur = het zichtbare netwerk van verbindingen (bijv wegen, dijken, sloten)
Verkaveling = de vorm en de grootte van de percelen in het agrarisch gebied.
· blokverkaveling: gekenmerkt door relatief kleine stukken land die onregelmatig van vorm zijn.
· Strokenverkaveling: landerijen zijn lang en smal, gescheiden door sloten.
· Modern-rationele verkaveling: gekenmerkt door grote, rechthoekige akkers en weilanden.
Men begon met blokverkaveling omdat er nog geen mogelijkheden waren tot rechthoekige stroken land. Later kwam dit steeds meer op.

Bodemgebruik = de manier waarop de bodem wordt benut. Bijv. bouwland, weideland, hooiland, bedrijfsterrein enz.

Agrarisch bodemgebruik = akkerbouw, veehouderij en tuinbouw.
Cultuurgrond = grondoppervlakte die in beslag wordt genomen door akkerbouw, veehouderij of tuinbouw.
Bebouwingsvorm = de manier waarop de mens gebouwen neerzet ten opzichte van elkaar en van de infrastructuur à meestal dorp/stad
Streekdorp = langgerekt dorp waarvan het structurerende element een weg, kanaal, rivier of dijk is à lineaire nederzetting
Belevingswaarde = de emotionele waarde die een landschap voor bewoner of bezoeker heeft

Systeem = een samenhangend geheel, 3waarin alle samenstellende elementen elkaar beïnvloeden en onderdeel uitmaken van het geheel
Men ging landschap steeds meer zien als iets dat aangepast en benut kan worden à leidde tot verstoring systemen.
Eutrofiering = toevoeging van voedingsstoffen (zoals fosfaten en nitraten) aan een ecosysteem.


Ecologie = de studie naar levende wezens en hun omgeving
Biosfeer = alle delen van de aarde die de levende wereld vormen

Onderverdeeld in ecosystemen.
Ecosysteem = geheel van relaties tussen organismen onderling en hun niet-levende omgeving. à onder te verdelen in ecotopen
Ecotoop = gebied van beperkte omvang waarbinnen bepaalt ecosysteem voorkomt
Vb. ecosysteem beekdal kan bestaan uit ecotopen beekmoeras, beekgrasland enz. à vaak afgesloten door compartimenten

Abiotische omgeving = de niet-levende omgeving binnen een ecosysteem
Biotische omgeving = de levende omgeving binnen een ecosysteem
Natuur is in evenwicht
oa door negatieve terugkoppeling = vb. teveel aan vis wordt door otters teruggedrongen, teveel otters wordt terug gedrongen door voedselschaarste. Visstand neemt weer toe.
Gradiënt = overgang van ene ecosysteem naar de andere

Invloeden van buitenaf kunnen evenwicht verstoren. Diversiteit neemt af. sommige soorten nemen toe. Afname van complexiteit en stabiliteit.

Welke taken vervult de omgeving voor de mens?
1. draagfunctie = de mate waarin het landschap als drager van inrichtingselementen en activiteiten functioneert.landschap draagt huizen. , kantoren, akkers enz. is draagkracht wel sterk genoeg? Vb in geval van veen.
2. productiefunctie = de mate waarin het landschap als producent van grond- en hulpstoffen functioneert.
3. regulatiefunctie = het mechanisme om veranderingen binnen een ecosysteem in te passen in het susteem.
4. informatiefunctie = de natuur waarschuwt als er iets mis is.

§2 het natuurlandschap

Quartair = laatste 2,4 miljoen jaar van de geschiedenis van de aarde.
Warme en koude tijden wisselde elkaar vaak af.
Glaciaal = koude perioden. Landijs kwam in NL
Interglaciaal = warmere perioden tussen 2 glacialen
Holoceen = tijd waar wij nu in leven

Pleistoceen
NL was nog onder water à zat in groot dalingsgebied = gebied dat daling tov zeespiegel ondergaat. à rivier en zee leggen afzettingen neer à sedimentatie = proces waarbij materiaal dat afkomstig is van afbraak van de aardkorst wordt afgezet door water, wind of ijs.
Alle sedimenten samen vormen substraat = de grondsoort als basis van het landschap

Vroeg-Pleistoceen / Preglaciaal
Smeltwater zorgde in NL voor puinwaaiers.
Puinwaaier = opeenhoping van sedimenten in vorm van afbellende waaier

Midden-Pleistoceen / Glaciaal
Zomers koeler en winters iets warmer. Sneeuw smolt niet en landijs kwam in noord-NLà stuwwallen ontstonden à onder aan stuwwallen ontstonden spoelzandvlakten en oerstroomdalen (vb Betuwe, Vechtdal en Hunzedal), uitgeslepen door rivieren.
Stuwwal = heuvelrug die is ontstaan van opschuiven van de ondergrond door landijs.
Spoelzandvlakten = vlak terrein aan rand va stuwwal dat bestaat uit afgespoeld materiaal.
Oerstroomdalen = breed dal dat gevormd is door de afvoer van smeltwater van het landijs.
· Veel zwerfstenen in NL
· Veel keileem in NL à keileem = grondsoort bestaande uit zeer verschillend materiaal dat achterblijft na smelten van gletsjer.

Laat-Pleistoceen / Postglaciaal
Aarde warmde weer op maar in ‘Weichseltijd’ kwam kou weer terug.
Wind ging zijn gang à dekzandruggen ontstonden.
dekzandrug = Heuvelrug die bestaat uit opgewaaid (dek) zand
dekzand à in Limburg zo fijn dat het loss heet.
Loss = grondsoort die bestaat uit de fijnste deeltjes dekzand dat in post-glaciaal werd afgezet.
In Weichselien: permafrost = permanent bevroren grond à droogdalen ontstonden want water kon de grond niet in en vormde dus meer.

Holoceen
Gevolgen van temperatuurstijging:
1. zeespiegel rees à landijs smolt à Noordzee ontstond
2. vegetatie veranderde van Toendra naar natuurlijke plantengroei van nu.

Holoceen in Laag-Nederland
Zoute moerassen ontstaan à zitten nu diep in de grond à basisveen.
Strandwallen = zandrug die bij vloed boven waterspiegel uitkomt. Ontstaan door sedimentatie tgv zeestromingen en getijdenwerking.
1000 voor Christus: NL bedekt met veen à ontstaan uit afgestorven bossen en moerassen à Hollandveen.
Overstromingen zorgden ook voor vruchtbaarheid.

Holoceen in Hoog-Nederland
Waar waterafvoer stagneerde instond laag veen à groeide uit tot hoogveen
Hoogveen = veenpakket dat boven de grondwaterspiegel ontstaat
Door ontbossing en overbegrazing ontstonden zandverstuivingen
Zandverstuivingen = zandgebied dat onder invloed staat (of stond) van de wind
Inklinken = het dalen van bodem met name door ontwatering
Reliëfinversie = proces waarbij tgv verschillen in inklinking bepaalde delen van het land die eerst hoog lagen nu laag liggen.
Kommen = laaggelegen gebied in rivierenlandschap


Hoofdstuk 2. Toenemende landschappelijke verscheidenheid: het cultuurlandschap


Antropogene landschap = landschap dat zodanig door mens is aangepast dat oorspronkelijke natuurlandschap vrijwel onherkenbaar is. Vb. IJsselmeerpolder, Westland.

§3. het zand- en losslandschap

sterke punten van zand- en losslandschappen:
1. genoeg droge plekken voor bewoning en verbouwing gewassen
2. veel reliëf dus combi van akkerbouw en vee was mogelijk

men brandde bos af voor akkerland à uitputting ontstond à bos veranderde in heide en weiland à mest was nodig voor akkerland à te weinig mest à landen vruchtbaar door nest en stalstrooisel à te weinig à bovenlaag heidevelden afgegraven voor op akkerland à strooiselroof à zand ging verstuiven

kunstmest kwam op.
Veel heide werd akkerland en bos à moest geld opleveren

Na WO2: mechanisatie vroeg om grote bedrijven en specialisatie.
Ruilverkaveling = het herschikken van landbouwkavels. Verbeterd productie omstandigheden.
Waterhuishouding = de mate waarin de afvoer en het vastouden van neerslag mogelijk is à verbetering waterhuishouding.

§4 het duingebied

oude duinen = landschap dat bestaat uit lage duinen
Veel van oude duinen werd gebruikt om bijv Amsterdam op te hogen. Afgravingen waren perfect voor geestgronden
Geestgrond = zandlandschap dat ontstond na afgraven Oude Duinen
Indeling duinen vanaf de zee gezien:
· zeereep = buitenste duinrij
· jonge duinen = na jaar 1000 gevormde duinen à veel reliëf
· oude duinen


zandsuppletie = aanvulling van zand op plaatsen waar duinzand door kustafslag weg is.

§5 de zeeklei- en de rivierlandschappen

men bouwde terpen om zich tegen het opkomende water te beschermen
terp = door de mens gemaakte verhoging ter bescherming van de zee.
Later bouwde men dijken tegen het water.
Zeepolders ontstonden.
Zeepolder = gebied dat na aanslibbing dor de zee is bedijkt en waarin waterstand kunstmatig wordt geregeld.
Droogmakerij = door dijk omgeven drooggemalen meer of deel van zee.

Incompleet esdorpensysteem = landbouw systeem van het gemengde bedrijf waarin dankzij voldoende voedselrijkdom heideveld ontbreekt.
Cultuurtechnische maatregelen = ingreep in de infrastructuur van een landbouwgebied ter verbetering van de productie omstandigheden:
· afwatering verbeterde
· diepploegen zorgde ervoor dat klei zich vermengde met zand. Aanleg landwegen
· bedrijfsverplaatsing

§6 de veengebieden

Veengebieden zijn duidelijk door mens aangelegd. West NL lag 600 na Christus vol veen en hoger dan nu. Hier en daar doorsneden door laaglandrivieren. Later werd erop gebouwd en werden sloten gegraven à slagenlandschap
Cope = veenontginning in het Utrechts-Hollands Veengebied volgens vastgelegde regels
Door ontwatering kwam inklinking en boeren gingen over op veehouderij à grond bleef zakken dus grondwaterspiegel steeds hoger à pompen of verzuipen à pompen à inklinking à veenpolders
Veenpolder = door een dijk omgeven veengebied waarin het waterpeil kunstmatig wordt geregeld.
Men groep veel turf af.
Natte vervening = wijze van turfwinning waarbij het veen onder de waterspiegel wordt afgegraven. à petgaten / weren ontstonden tussen legakkars
bagger werd hier te drogen gelegd. Door grote afgravingen zijn plassen ontstaan à nu perfect voor recreatie.

Men won uit veen ook zout. Zout grondwater (zoute kwel) werd afgegraven en verbrand à erg duur.
Hoogveen was voor 1600 onbewoonbaar gebied. Later ging men kanalen enz. graven. Waterwegen zorgde voor ontwatering van veen en voor goed vaarwater voor afvoer van turf. Vraag naar turf was groot à veenkoloniën ontstonden à dalgronden à lagen gebied door het afgraven van veen.
Vooral akkerbouw werd mogelijk door ontwatering.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

J.

J.

Hey!

Heb je van de rest van het boekje ook een samenvatting?

groeten Jan

17 jaar geleden