Extra Aantekeningen Aardrijkskunde Domein Migratie en Vervoer (H1 t/m H3)
Hoofdstuk 1
1) Het verschil tussen het aantal immigranten en het aantal emigranten noemt men het migratiesaldo. Dit kan positief of negatief zijn. En het kan in absolute getallen of in relatieve getallen zijn worden uitgedrukt. Bijvoorbeeld:
In een land wonen 18 miljoen mensen. In een jaar komen er door immigratie 180000 mensen bij en er vertrekken door emigratie 150000 mensen.
In absolute getallen is het migratiesaldo 180000-150000= +30000
In relatieve getallen gaat men in de aardrijkskunde uit van promille (0/00), dus moeten we alles delen door 18000 dus is het migratiesaldo 30000:18000= 1,7
2) Omdat men bij een saldo nooit kan zien hoe groot de totale hoeveelheid mensen is die zich verplaatst werkt men ook wel met het begrip mobiliteitsindex: het aantal mensen dat zich ergens vestigt + het aantal mensen dat vertrekt per 1000 inwoners in het voorbeeld is dit dus 180000+15000=33000:18000= 18,3
3) In de geografie maakt men onderscheid tussen stad en platteland. In het verleden was de grens tussen beiden duidelijk aanwezig maar in de loop der jaren is deze vervaagd. De stedelijkheid geeft de dichtheid van menselijke activiteiten weer zoals wonen, werken en winkelen. Alle woningen, bedrijven, winkels enz. hebben een adres. Zijn er veel adressen bij elkaar dan is het gebied stedelijk. Om een duidelijke scheiding aan te brengen tussen landelijk of ruraal en stedelijk of urbaan werkt men met het begrip arbeidsdichtheid: het aantal mensen in de omgeving van ieder adres binnen een straal van 1 km. Is dit minder dan 500 dan spreekt men van een ruraal, is het meer dan 500 dan spreek je van urbaan. Bij urbaan maakt men nog een onderscheidt in suburbaan (500-1500 adressen) en in sterk urbaan (meer dan 1500 adressen).
4) In de loop der jaren zijn landen gevormd door kleine landjes bij elkaar te voegen. We spreken in zo’n geval van compartimentering.
Voorbeelden hiervan zijn Nederland, Duitsland, Engeland en Italië. Daarnaast kennen we ook het verschijnsel dat landen worden opgesplitst. Dit verschijnsel noemen we dencompartimentering. Voorbeelden hiervan zijn Tsjechië – Slowakije, Sovjetunie, Joegoslavië.
5) Tussen 1945 en 1960 kende Nederland een vertrekoverschot. Één van de belangrijkste pushfactoren was in die tijd de mechanisatie van de landbouw. Daarnaast speelde ook de angst voor een 3e WO een rol. De overheid stimuleerde de emigratie. Na 1960 verbeterde de economische situatie in Nederland, waardoor veel Nederlanders terugkeerde en de vraag naar ongeschoold werk toenam. Vanwege deze pullfactor kwamen veel mensen uit het Middellandse Zeegebied naar ons land. In de 1e instantie ging het om Spanjaarden, Italianen en Joegoslaven. Later kwamen ook Turken en Marokkanen.
6) Onder segratie verstaan we letterlijk scheiding. We kunnen verschillende soorten segratie onderscheiden:
A- sociale segratie: hierbij gaat het om de scheiding tussen verschillende bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld arm en rijk of jong en oud.
B- raciale segratie: hierbij gaat het om de scheiding tussen rassen.
C- ruimtelijke segratie: hierbij gaat het om een scheiding tussen verschillende gebieden. Bijvoorbeeld arme woonwijken en rijke woonwijken.
7) de Lorenzkromme kan ook gebruikt worden voor de spreiding van de allochtonen over een stad/ als er in een stad bijvoorbeeld 20% allochtonen wonen dan zal bij een gelijkmatige spreiding elke wijk 20% allochtonen bezitten. In dat geval is de lorenzkromme een rechte lijn. In de praktijk zal de lorenzkromme nooit een rechte lijn zijn omdat bepaalde wijken meer allochtonen kennen dan andere wijken.
Hoofdstuk 2
1) Bij migratie moet je aan 3 voorwaarden voldoen:
A) je moet verhuizen
B) je moet de grens van je eigen gemeenten overschrijden
C) je moet je ergens anders permanent vestigen
2) We kunnen 2 soorten migratie onderscheiden:
A) naar richting
B) naar motief
A) Naar richting zijn er 4 mogelijkheden te onderscheiden:
- urbanisatie (naar stad)
- suburbanisatie (vlakbij stad)
- desurbanisatie ( verhuizen uit een agglomeratie naar een verder weg gelegen gebied)
- reurbanisatie (terug naar stad)
B) Naar motief zijn er 4 hoofdmotieven te onderscheiden:
- arbeidsmotief
- volgmotief
- vluchtmotief
- woonmotief
3) Onder urbanisatiegraad verstaan we de verhoudingen tussen de stedelijke bevolking en de plattelandsbevolking. In rijke landen wonen in verhouding veel meer mensen in steden en dus is er ene hoge urbanisatiegraad. In arme landen ligt het urbanisatietempo veel hoger dan in rijke landen.
4) De bevolking van een stad kan op twee manieren groeien:
- Natuurlijke groei: geboortecijfer is groter dan het sterftecijfer
- Sociale groei: vestigingscijfer groter dan vertrekcijfer
In arme landen komt 40% van de totale groei van de stedelijke bevolking voor rekening van de natuurlijke groei, en 60% van de sociale groei.
5) Een bevolkingsdiagram is de weergave van de verdeling van de bevolking naar geslacht en leeftijd. We kennen 3 soorten bevolkingsdiagrammen;
- Piramidevorm (snelle toename van de bevolking)
- Torenvorm (stabiele bevolking
- Urnvorm (vergrijzing)
6) De leeftijdsopbouw van de bevolking kan veranderen en daardoor ook het bevolkingsdiagram. Een aantal factoren speelt hierbij een rol:
A) Sociaal culturele factoren zoals minder invloed van de kerk of het op latere leeftijd krijgen van kinderen.
B) Economische factoren zoals het feit dat kinderen vroeger een economische noodzaak waren maar door stijging van de welvaart niet meer.
C) Politieke factoren zoals een campagne voeren voor geboortebeperking.
7) Als er in een land sprake is van emigratie dan zal nooit de hele bevolking in aanraking komen om te emigreren. Het gaat altijd om een kleine selecte groep. Daarom is emigratie selectief. In de meeste gevallen zullen de mannen als 1e vertrekken. Uiteraard heeft emigratie invloed op de leeftijdsopbouw van de bevolking.
Hoofdstuk 3
1) Onder ‘global shift’ verstaat men het verschijnsel dat het zwaartepunt van de wereldhandel zich verplaatst. Tot een aantal jaren geleden lag het zwaartepunt in het noordoosten van de VS en het noordwesten van Europa, dus rondom de Atlantische oceaan. Tegenwoordig echter is de pasific hert belangrijkst geworden want rondom de pasific woont 50% van de wereldbevolking. Dit gebied noemen we de Pasific Rim.
2) In de Pasific Rim liggen de NIC’s (Newly Industrializing Country), zoals Taiwan, Mexico, Zuid- Korea, Maleisië, Singapore. De NIC’s leveren op dit moment al 11% van de totale werledproductie aan industriegebieden.
3) Edward Ullman heeft een theorie ontwikkeld waarmee het ontstaan van vervoersstroming kan worden verklaard. Deze theorie heet de interactie theorie. Interactie betekent beweging van mensen en/ of goederen tussen 2 of meer plaatsen. Goederenstroming ontstaat als we voldoen aan 3 voorwaarden:
- tussen 2 plaatsen bestaat een systeem van vraag en aanbod. Als er bijvoorbeeld in Rotterdam vraag is naar sinaasappelen en in Israël worden sinaasappelen geteeld dan ontstaat er een vervoer van sinaasappelen van Israël naar Rotterdam. Deze voorwaarde heet complementariteit.
- De afstand tussen de plaatsen van vraag en aanbod moet tegen een redelijke prijs en met weinig moeite overgebracht moeten worden. Deze voorwaarde heet verplaatsbaarheid.
- Het systeem van vraag en aanbod mag niet worden verstoord door tussenliggende mogelijkheden. In Nederland eten we bijvoorbeeld veel kiwi’s en deze komen uit Nieuw Zeeland. Tegenwoordig worden ook Kiwi’s verbouwd in Italië en daarom worden hier nauwelijks nog Nieuw Zeelandse kiwi’s gekocht.
4) Een halffabrikaat is een product dat al een bepaalde bewerking heeft ondergaan maar nog niet klaar is. Zo kan men uit bauxiet (delfstof) aluinaarde maken en door elektriciteit verkrijgt men aluminium
5) Het vervoer van goederen vind plaats binnen een transportnetwerken systeem van transportlijnen en knooppunten. De knooppunten zijn aangesloten op een wegennetwerk, een railnetwerk, een netwerk van kanalen en rivieren of een pijpleidingennetwerk. De locaties waar goederen worden gelost of overgeladen noemen we knooppunten. Hier worden goederen verzameld of verspreidt. Alle transportlijnen die ervoor zorgen dat goederen worden verzameld noemen we het collectienetwerk. Alle transportlijnen die ervoor zorgen dat de goederen op plaats van bestemming komen noemen we het distributienetwerk. Alle transportlijnen die ervoor zorgen dat alle goederen verplaatst worden noemen we het verplaatsingnetwerk.
6) Hub en spoke is het verschijnsel dat goederen per container op grote schepen worden aangevoerd naar enkele zeer grote havens, de zogenaamde hub’s om vervolgens verder vervoerd te worden via allerlei transport-assen, de spoke’s. Nu ook in de luchtvaart spreekt men tegenwoordig van hub en spoke. Voor intercontinentale vliegroutes wordt gebruik gemaakt van enkele grote luchthavens en van hieruit worden reizigers en vracht met kleinere vliegtuigen verder vervoerd. De allergrootse luchthavens noemt men megahubs.
7) Tussen knooppunten liggen vervoerassen of corridors. Dit zijn gebieden waarin bundels van autowegen, spoorlijnen en waterwegen liggen. In Europa zijn drie grote corridors te onderscheiden:
- Een Zuid-West-corridor: deze loopt van West - Europa naar Zuid-West- Europa.
- Een Noord-Zuid-corridor: deze loopt van West – Europa naar Zuid- Europa.
- Een Zuid-Oost-corridor: Deze loopt van West- Europa naar Zuid-Oost- Europa.
Rotterdam en schiphol liggen min of meer aan het begin van deze corridors.
8) Belangrijke transportknooppunten kunnen uitgroeien tot mainports. Een mainport heeft de volgende kenmerken:
- Het is een knooppunt van verschillende transportmiddelen.
- Het is een knooppunt dat aangesloten is op intercontinentale transportnetwerken.
- Het is 24 uur per dag bereikbaar voor alle soorten van transport.
- Het geeft toegang naar transportnetwerken van een ander schaalniveau, dus het intercontinentale netwerk sluit goed aan bij nationale of regionale netwerken.
- Er is sprake van een goede infrastructuur, met name op het gebied van telematica; het is namelijk van zeer groot belang dat vervoerders weten wanneer en waar hun spullen aankomen en waar ze naar toe moeten.
9) Nederland heeft twee mainports: Rotterdam- Rijnmond en Amsterdam- Schiphol. Andere mainports in de buurt van Nederland zijn: Le Havre, Bremen- hamburg, Antwerpen- Zeebrugge, Londen en Frankfurt.
10) Een mainport heeft een agglomeratie-effect en een multipliereffect. Een agglomeratieeffect houdt in dat in ene plaats een proces van zichzelf versterkende groei zal plaatsvinden. Door groei van economische activiteiten groeit de arbeidsmarkt en de afzetmarkt. De bedrijven en de mensen zijn dus zowel oorzaak als gevolg van de verdere groei van een plaats.
Het multipliereffect houdt in dat de groei van een bepaalde bedrijfstak zorgt voor de groei van een andere, hiervan afgeleide bedrijven. Deze trekken weer mensen, geld en bedrijvigheid van buiten de regio aan. Een containeroverslag bedrijf trekt bijvoorbeeld transportbedrijven aan.
11) Het overladen, verpakken, assembleren van goederen gebeurt in logistieke centra. Het zijn terreinen waar veel transportondernemingen zijn gevestigd. Zij beschikken over goede verbindingen met andere knooppunten. Hoe sneller de afhandeling van het transport, des te lager zijn de kosten. Distriparken zijn hele grote logistieke centra die dankzij hun omvang extra voorzieningen kunnen bieden en gebouwd zijn bij grote containerterminals. In Rotterdam zijn er 3 distriparken:
- Eemhaven
- Botlek
- Maasvlakte
REACTIES
1 seconde geleden