Reacties op de examens, het laatste examennieuws, je voorlopige cijfer berekenen en de antwoorden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Sociaalgeografisch

Arm en rijk & Wonen in Nederland

Wereld indelen

Landen vergelijken

  • Economisch (BNP, verdeling sectoren);
  • Sociaal-cultureel;
  • Demografisch (ontwikkeling).

Periferie, semiperiferie, centrum
BNP: Koopkracht verschilt, informele sector telt niet,
regionale en sociale ongelijkheid zie je niet

Sociale ongelijkheid in Shanghai; verschillen tussen bevolkingsgroepen
Regionale : Rijke chinese kust, arm platteland

Koloniaal verleden, natuurlijke mogelijkheden (sahara), ligging tegenovee economische kerngebieden

  • Leeftijdsopbouw;
  • Geboorte, sterfte;
  • Verstedelijking (urbanisatiegraad en tempo);
  • Dit verandert door migratie.

Alleen afgelegen stammen zitten in fase 1 (zie bijlage voor weergave fasen), geen landen meer
Piramide (snelle groei), granaat (langzame groei), en ui/urn (afnemende bevolking)

  • In landen in de periferie is het urbanisatietempo (steden groeien, primate city) hoog, want geen goed inkomen op platteland, mechanisering, beter werk in stad
  • In landen in de periferie is de urbanisatiegraad (aantal mensen in stad) laag, want zo’n 15 miljoen mensen in de stad van de 80 miljoen in een land wonen er, en de meesten wonen nog steeds op het platteland.

Vergelijken van gebieden, door

  • Onderwijs;
  • Alfabetiseringsgraad;
  • Levensverwachting;
  • Drinkwater;
  • Voedselsituatie;
  • Beschikbaarheid telefoon;
  • Politiek;
  • Cultureel (taal, godsdienst, gewoonten, tradities, afkomst (etniciteit), analfabetisme).
    - Westers, Islamitisch, Orthodox etc
    - Diffusie verspreiding cultuur
    - Acculturatie = culturen vermengen

Amerikanisering/verwestering (globalisering) 

Demografisch

  • Bevolkingsspreiding/dichtheid/groei

Zo veel geboorte door

  • Slechte scholing (werkmogelijkheden, geen voorlichting);
  • Veel vrouwen vruchtbare leeftijd;
  • Cultuur (groot gezin voor platteland);
  • Religie (groot gezin, geen voorbehoedsmiddelen, gift van god);
  • Gezondheidssituatie (hoge zuigelingensterfte);
  • Armoede.

Slecht: ziekte, honger, slechte medische zorg, veel kinderen en zuigelingensterfte, werk op platteland, geen geboorteplanning, godsdienst/maatschappij, grondstoflevering

Centrum; Goed: goede zorg, voedselvoorziening, positie vrouwen is beter, later trouwen, geen kinderen nodig, dienstensector.

Globalisering

  • 16e tot 18e eeuw, handelsbetrekking, exloitatiekolonieën (aanleg infrastructuur voor vervoer grondstoffen)
  • Na WO2, dekolonisatie & koude oorlog
  • Sinds 1990, kolonieën onafhankelijk (in atlas), handel weer mogelijk

Global shift 

  1. Vroeger: VS, EU, Japan;
  2. Nu: schuift naar Azië.

Voorwaarden globalisering

  1. Liberalisering;
    - Open grenzen! (Geen protectionisme van eigen handeltjes) WTO streeft naar vrijhandel, maar wij beschermen ook onze eigen boeren (tegen een boete)
  2. Vervoersresolutie
    - Vliegtuigen, vrachtwagens, containers (3 standaardmaten containers!)
    - Invoerrechten en heffingen verlagen, werkvisum verkrijgen, mogelijkheid door transporteren, goede infrastructuur (netwerkkabels, tunnels, connecties)
  3. Digitale revolutie
  4. Complementariteit tussen gebieden
    - Vraag en aanbod (sinaasappels uit spanje)

Periferie is kwetsbaar door

  • Prijzen van grondstoffen (import is duur voor ze, lonen gaan omhoog buiten periferie);
  • Ruilvoetverslechterimg;
  • Afhankelijk van grondstoffen;
  • Gevaar van misoogsten;
  • Winst gaat naar de multinational.

Semiperiferie

  • Geen grondstoffen uitvoeren
  • Halffabrikaten invoeren
  • Assemblage industrie
  • 50% van exportwaarde in industriële producten

Gunstig voor MNO’s

  • Soepele milieueisen
  • Stabiel politiek klimaat (geen regelverandering)
  • Lage belasting
  • Geen vakbonden
  • Krachtige overheid
  • SEZ (speciaal economische zone) en EPZ (export processing zones)
  • Vervoersnetwerk en digitalisering

Voorwaarden handel

  • Complementariteit
  • Transporteerbaarheid
  • Geen hindernissen (wel mogelijkheden)

Aspecten globalisering

  • Politiek
  • Economisch
    - Elke bedrijf wil winst maken; massaproductie (goedkoop) hebben; en grootschalig transport (1x varen ipv 3x)
       - Productieomstandigheden (laag loon, warm weer)
       - Ruimtelijke specialisatie, landen die ergens goed in zijn.
    - ¾ van de handel is in de triade met China

Agrarisch > landbouw op 1 plek

Industriële revolutie: 1850!

1950: producten werden in eigen land gemaakt, nu over hele wereld (Internationale arbeidsverdeling) 1960: suburbanisatie NL, welvaart stijgt, lonen stijgen

(dus produtcie in lage lonen land, mechanisering

1990: val van Berlijnse muur

1848: In San Francisco werd er goud gevonden waardoor veel mensen er naartoe trokken.  1868: De aanleg van de spoorverbinding met het oosten leidde tot een versnelde bevolkingsgroei.

  • Het aangename klimaat en de veelzijdigheid van de stad hebben nog steeds grote aantrekkingskracht.
  • Ten zuiden de stad ligt Silicon Valley, het centrum van de high-tech- en computerindustrie.
  • Vanwege de strakblauwe hemel en het aangename klimaat zit de ruimtevaartindustrie en de filmindustrie er.

Verbouw van citrusvruchten, rijst, katoen en noten is belangrijke pijler van de landbouw en trekt andere industrie aan. 

Spijkerbroek op wereldreis!
Is een land geglobaliseerd? Kijk naar wat landen exporteren.

Globalisering/modialisering is toenemend

  • Uitwisseling van goederen, kennis, en kapitaal
  • Slow world (periferie), fast world 
  • Fagmentarische modernisering, maar een deel van een land is al modern.

Leg uit wat in de legenda staat! Volledige zinnen. Economische groei door exportgerichte industrie.

Ruimtelijke samenhang
Mondiale spreiding

Globalisering zorgt voor verbrokkeling en eenwording

Voordelen

  • Productie op elkaar afgestemd
  • Economisch verbonden en afhankelijk

Nadeel

  • Sommige gebieden doen nauwelijks mee
  • Spanningen door jaloezie en religie

Politieke globalisering

Nationale staat verliest invloed door

  • Opkomst MNO’s en NGO’s (internationale instellingen)
  • Blokvorming, samenwerking (integratie, bv EU)
    - NAFTA, ASEAN, verwijderen van handelbarrieres tussen bepaalde landen.
    - Gemeenschappelijke buitentarieven
    - Vrij verkeer, goederen, arbeid, kapitaal, diensten (EU) Inzicht in ontwikkeling en samenhang tussen verschillende gebieden in de wereld.

Samenwerken? Ja. Fuseren? Nope.

Culturele globalisering
Internationale contacten
Opvattingen levenswijzen
Islamitisch fundamenttalisme
Amerikanisering

Eenworden
Verwestering, wereld wordt eenvormig

Verbrokkeling
Identiteit benadrukken (taal, religie, feesten, tradities)

Toename polarisatie en spanningen
Uitbuiting sociaal zwakkeren (arbeidsomstandigheden en kinderarbeid)

Economische samenwerking, de EURO (1 beleid)

Wonen in Nederland

Waar moeten woningen en bedrijven komen?

Ruimtelijke ordening is lastig in het kleine Nederland.

  • Natuurbescherming, woningen etc. 
  • Steden zijn kenniseconomie
  • Sociale polarisatie in wijken en bevolkingsgroepen

Botsende belangen

  • Transportondernemingen;
  • Winkeliers;
  • Winkelend publiek;
  • Stadsbestuur (bebouwing verdichten);
  • Concurrentie voor ruimte;
  • Hoge prijzen in centrum;
  • Stad is verzorgingscentrum.

Kenniseconomie en de creatieve stad (mode, architecten, kunst etc.)

Voordelen van de stad (agglomeratievoordelen)

  • Lage productiekosten (samen inkopen)
  • Investeringen van de overheid (afslag voor meerdere bedrijven)

Problemen  

(Duale arbeidsmarkt -> ruimtelijke polarisatie) Allemaal 1? Nee, culturele identiteit is moeilijk te veranderen.

Bewonerskenmerken

  • Etniciteit
  • Gezinsfase
  • Inkomen
  • Grootte huishouden

Woonomgeving

  • Subjectieve veiligheid (gevoel)
    - Politietoezicht
    - Sociale cohesie
    - Buurt en wijkvoorzieningen
  • Objectieve veiligheid

Herkomst immigranten 1960-1990:

  • uit landen rond de Middellandse Zee
  • uit rijksdelen overzee Na 1980:
  • gezinshereniging
  • politieke vluchtelingen
  • economische vluchtelingen en illegalen Na 2004:
  • ook arbeidskrachten uit Oost-Europa

Suburbanisatie slecht voor de stad:                 

  • koopkracht lekt weg  
  • druk van buitenaf op voorzieningen blijft     
  • nieuwe bewoners dragen weinig geld bij       
  • blijvers drukken zwaar op voorzieningen     
  • bevolkingssamenstelling verandert 
    - naar leeftijd
    - naar gezinsstatus
    - naar etniciteit

Steden werken samen (soms krijgen ze hier geld voor). PPS: Publiek private samenwerking, gemeente legt infrastructuur aan en partijen werken in PPS samen (ruimtelijke onprdening)

Buurtprofiel

  • Ouderdom
  • Eigendom
  • Woningtype
  • Staat van onderhoud
  1. Rijk hielp mee aan stadsvernieuweing (jaren 80), mensen bleven er wonen.
  2. Nu herstructuering; stukje arme mensen, stukje rijke mensen, stukje oude mensen etc. Veel nieuwbouwprojecten. Nieuwe wegen, park, speeltuintjes. 
  3. Hierdoor gentrificatie, oude bewoners kunnen niet meer wonen in dure woningen
  4. Niet overal, alleen goed bereikbare (dicht bij centrum), karakteristiek (glas in lood etc), arbeiderswijken van armere mensen.
  5. Projectontwikkelaar investeert en woningen worden duur. (De jordaan)

India

India & GB economisch            

  • Regel: Invloeden blijven bestaan na dekolonialisatie.      
  • Engelse taal in India, softball in India
  • GB: Oorsprong Industriële revolutie, textiel en zware industrie
    - Oude gebouwen worden opgeknapt (gentrificatie)
  • India, Pakistan en Bangladesh (brits indie)
    - Industrie in GB verplaatst naar die in India

Zit een bedrijf niet aan een vliegveld of haven? IT-bedrijf.

  • Na 1991 kiest de overheid voor openheid (groei BNP)
  • Liberalisering markt
  • Grenzen open
  • EPZ stichten
  • Veel IT in India (lage lonen, engelse taal, redelijke scholing)
  • Grote sociale en regionale ongelijkheid
  • Urbanisatietempo

Fysisch

Mechanische bouw van de aarde

Divergentie

  • Effusief
  • Schildvulkaan
  • Dunne lava
  • Amper wrijving, aardbeving max 2-3 (ondiepe aardbeving)
  • (Trap die uit elkaar gaat, transform)
  • Mid-oceanische ruggen

Convergentie

  • Explosief
  • Strato/kegelvulkaan
  • Dikke taaielava (veel gas)
  • “Bulldozereffect”, wrijving maakt veel sediment (buitenboog eilanden in Indonesië).
  • Binnenboog, de grote eilanden, ontstaan door vulkanen.

Subductie

Geen subductie bij -> Himalaya,        
plooiingsgebergte (orgenese, gebergtevorming, verdwijnen van korst tussen continenten) korst bestond uit oceanische en continentale plaat, de oceanische verdween.

De oceanische plaat duikt onder de continentale en zinkt in de mantel. De plek waar dit gebeurt heet subductiezone en is te herkennen aan de diepzeetrog. Daarnaast zie je altijd een gebergte en heftige vulkanen. 

Ten tweede kunnen twee stukken continentale korst botsen. Op deze platen liggen uitgestrekte stabiele delen, die we schilden noemen. Daartussen ontstaan door een botsing plooiingsgebergten. Er zijn vaak aardbevingen.

Ten derde kunnen twee oceanische platen botsen. De oudste plaat duikt dan onder de jongere plaat en er ontstaat een vulkanische eilandenboog.

Subductie (vulkaan, aardbeving, tsunami)

  • Oceaan naar continentaal (over het algemeen)
  • Lava en aardbeving (schokken van een meter)
  • Er is ook wrijving tussen “appelstroop” en de continentale
  • Naar elkaar toe -> hoe ouder hoe zwaarder (al afgekoeld), gaat subduceren onder de andere plaat (trog, vulkanen)
  • Plaat gaat naar driehoekjes toe

Aardbeving onder water wordt tsunami. Hoe dieper, hoe sterker:
Schaal van richter: 3 is 10 keer zo zwaar als die van 2. 

Transversale beweging

Bij een transversale beweging schuiven platen langs elkaar.

Bij een breuk zijn door spanningen in de aardkorst gesteenten langs breukvlakken gebroken. Naast horizontale verschuiving kan ook opschuiving en afschuiving plaatsvinden. Dat leidt tot horsten (hoge zones) en slenken (laag). De gebergten die hier ontstaan worden breukgebergten genoemd.

Stollingsgesteenten (verschillen in magmasamenatelling magma/lava koelt af)

  • Basalt, divergentie
  • Graniet, magma koelde langzaam af, kristallen konden groter worden in lange tijd 
  • Hoe langer de tijd om af te koelen, hoe groter de kristallen

Sedimentgesteenten (bodem rivier/zee, dikke laag, onderste laag perst zo erg samen, gesteente ontstaat

  • Zandsteen, strand
  • Schalie, kleine kleideeltjes, diep in de oceaan
  • Kalksteen, in tropische zee, van diertjes met kalken behuizing

Metamorfe gesteente (gesteente nodig voordat deze vormen, door druk veranderd, platen bewegen naar elkaar toe, samenstelling hetzelfde, uiterlijk anders)

  • Kaalksteen > marmer
  • Schalie > schist
  • Zandsteen > kwartsiet

Afbraak van het landschap

  • Verwering- afbraak door weer, blijft op plek
  • Erosie - verweringsmateriaal wordt getransporteerd

Mechanisch, verschillen in temperatuur 

  • Overdag, gesteente warmt op, nacht, gesteente verkleint.
  • Scheuren ontstaan in gesteente, stukken steen vallen naar beneden 
  • Spleetvorst; bevriezen van water tussen scheuren.

Het gesteente dat door verwering wordt afgebroken is verweringsmateriaal

  • Erosie water - Grand Canyon
  • Erosie ijs - U-dal
  • Erosie wind - Zandstraling (zacht schuurt weg, hard blijft staan) 

Chemisch
Regen, chemische reactie met mineralen, vocht en warmte, tropische gebieden, oplossen van kalksteen, druipsteengrotten

Biologisch
Gesteente wordt uiteen gedrukt door planten, bacteriën. De zuren die vrijkomen bij het oplossen van de planten of bacteriën,

Sedimentatie

Ontbossing > Door bodemerosie komt er meer sediment in de rivier.
tuwdammen > Stuwdam (wekt energie op, soms water tegenhouden voor drogere seizoenen) in de middenloop houdt het sediment tegen.

Klimaat

Coriolisch effect, (wind)

  • Noordelijk halfrond rechts
  • Zuidelijk halfrond links
  • Lagedrukgebied: warme lucht stijgt, lucht koelt af, waterdamp condenseert, neerslag.
  • Hogedrukgebied: koude lucht daalt, lucht warmt op, kan meer waterdamp bevatten, is droog.

Moessons (Azië)

  • Januari: aflandige moesson, geen regen (vanuit Australië, te weinig zee om vocht op te nemen) -

Zuidelijke moesson

  • Juli: moesson vanuit zee, stortbuien (lange afstand over zee, neemt vocht mee)

Passaten (Amerika)

  • Wind van zee naar land
  • Brengt altijd vocht mee
  • Komt uit oosten

Zeestromen

Thermohaline circulatie warmt het klimaat op (zeeklimaat in NL, zachte winter koude zomer)

  • Warme, minder zoute oppervlakte stroom, tussen VS en Rusland naar Groenland
  • Koud, zout water, Groenland naar VS/Rusland
  • Evenaar verdampt water
  • Evenaar wordt water opgewarmd
  • Zachte winters, warme zeestromen brengen warm water naar gematigde breedte
  • Koude zeestromen brengen koud water naar lagere breedtes, lagere temperatuur in zomer

Water

Watercyclus

Lucht verplaatst van hoog naar laag, niet het drukgebied!

Intertropische convergentiezone (zon schijnt loodrecht op deze plek, lagedrukgebied)

  • December: ITC is ten zuiden van de evenaar.
  • Maart/september: ITC is ten noorden van de evenaar.

Klimaat van Köppen (f regent hele jaar door, s zomerdroogte, w winterdroogte) Minder dan 50 mm in een maand is droog klimaat

  • Sumatra heeft het hele jaar door neerslag
  • Jakarta heeft in de zomermaanden een droog klimaat (kortere afstand over zee)

Klimaatverandering

De verandering in het neerslagregiem heeft enkele gevolgen. 

  • Een grotere hoeveelheid neerslag (vooral in de winter).
  • Meer kans op perioden met extreme neerslag. Meer kans op natte jaren. Minder zomerse regendagen, maar de hevigheid van extreme buien neemt toe.

Stijging temperatuur heeft ook gevolgen:

  • Minder sneeuw, maar meer regen.
  • Sneeuw die valt, zal eerder smelten.

Rivieren

De hoeveelheid water op aarde is constant en vormt een hydrologische kringloop in lucht, op land en in oceanen. Tijdens deze kringloop wordt verweringsmateriaal verplaatst.

De neerslag valt en infiltreert in de grond, verdampt of stroomt af. Verdamping die plaatsvindt vanaf open water heet evaporatie.

Verdamping uit huidmondjes van planten noemen we transpiratie. Samen vormen ze de evapotranspiratie.

                                               

Bovenloop

Middenloop

Benedenloop

Verhang

groot

middel 

klein

Stroomsnelheid

snel

middel 

klein

Diepte erosie (kloof)

ja

nee       

nee

Breedte erosie (meanderen)

nee

ja          

nee

Sedimentatie

nee

ja          

ja

  • Bovenloop
  • Middenloop
  • Benedenloop
  • Delta, sedimentatie veroorzaakt verschillende lopen van de rivier, of;
  • Estuarium (NL), water trekt weg van kust bij eb, water gaat heen en weer, geen sedimentatie.

Water gaat snel in een buitenbocht.

Regiem, hoeveelheid water die rivier afvoert in een jaar (per maand)
Debiet, water dat alleen op dat moment door de rivier stroomt

Verdamping van water en geen afvoer van smeltwater

  • Regenrivier, voert regenwater af (Maas) 
  • Gemengde rivier, voert regenwater en smeltwater af (Rijn, regelmatig regiem)

Regiem

  • Smeltwater en regen
  • Klimaatomstandigheden (sneeuw in winter)
  • Eigenschappen stroomgebied (rotsbodem infiltreert water niet en zandbodem neemt het wel op)
  • Ingrepen van de mens (ontbossing en verstening) de vertragingstijd (tijd die nodig is voor neerslag om in de rivier te komen) neemt af

Hoogwatergolf bestaat uit piekafvoeren, verstening verergert deze piek

Maatregelen tegen overstromingen (na 1995, klimaatverandering)

  • Drietrapsstrategie
    - vasthouden in grondwater, bergen in . oppervlaktewater, afvoeren naar zee, of een gebied die normaal niet onder water zijn zoals akkers
  • Nieuwe natuur, versterken landbouw, recreatiemogelijkheden

Winterbed = uiterwaar + zomerbed

Maatregelen tegen nieuwe overstromingen (voor 1995)

  • Dijkverzwaring
  • Dijkverhoging
  • Kanaliseren bovenloop
  • Stuwen
  • Extra rivierlopen om water te verspreiden

Ruimte voor de rivier

  • Afgraven uiterwaarden (buitendijks gebied)
  • Nevengeul in uiterwaard (buitendijks gebied)
  • Hoogwatergeul, tijdelijk onderwater (binnendijks gebied)
  • Retentiebekken, ofwel bergen (binnendijks gebied)
  • Noodoverloopgebied (binnendijks gebied) nooit uitgevoerd!

Klimaatverandering

  • Korte hevige buien, vaker piekafvoer, onregelmatig regiem
  • Relatieve zeespiegelstijging 
  • Doorgaande bodemdaling
  • Hierdoor grote kans op overstromingen
  • Risico = kans x gevolg (schade)

Indonesië Actueel

Geschiedenis

Soekarno werd de eerste president van Indonesië. Hij probeerde moeizaam een eenheidsstaat te maken. Met het leger als stok achter de deur, wist de regering zich te handhaven.

Het streven naar de eenheidsstaat is nog steeds niet voltooid. De provincie Aceh bijvoorbeeld, wil afscheiding van de staat.

De nationalisten, de islamisten en de communisten streden om de macht. Soekarno veranderde de parlementaire democratie in een geleide democratie. Hij benoemde zichzelf tot president voor het leven en stelde een Nationale Raad in. De Naskom (Nationalisme, Agama (godsdienst), Kommunisme) moest ervoor zorgen dat er een eenheid kwam tussen nationalisten, moslims en communisten.

In 1965 probeerde een groep communisten de macht te grijpen. Onder leiding van generaal Soeharto wist het leger de controle te heroveren. Soeharto werd de nieuwe president. De communisten moesten het zwaar ontgelden.

Soeharto wilde met zijn Nieuwe Orde de politiek en economie van Indonesië stabiel maken. Er kwamen drie politieke partijen: een islamitische, een nationalistische en Golkar (een samenwerking van ambtenaren, militairen en massaorganisaties).

Tijdens het ruim 30-jarige bewind van Soeharto werd Indonesië weer aantrekkelijk voor buitenlandse investeerders. De economie groeide, net als zijn eigen vermogen. De kloof tussen rijk en arm werd enorm groot.

Toen het geld dat Indonesië ontving om de Azië-crisis te bestrijden grotendeels in de zakken van Soeharto verdween, kwam hetkruitvat tot ontploffing. in 1998 moest hij aftreden.

Indonesië is langzamhand weer op weg om een parlementaire democratie te worden.
Sinds 2001 is er op bestuurlijk vlak sprake van regionale autonomie. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden die tot die tijd bij de landelijke overheid lagen, werden naar de provincies, steden of regentschappen overgeheveld. De opbrengsten uit de natuurlijke bronnen die in de regio’s zelf voorkomen, kunnen nu voor het grootste deel voor het eigen gebied worden behouden.
De bestuurlijke indeling van Indonesië bestaat nu uit 33 provincies. Elke provincie heeft zijn eigen wetgevende macht en gouverneur. De provincies Aceh, Jakarta, Yogyakarta, Papoea en West-Papoea hebben grotere bestuurlijke privileges en een hogere mate van autonomie dan de andere provincies.

Demografisch

De bevolking, een etnisch en cultureel mozaïek

Er zijn in Indonesië grote etnische verschillen: veel volken en veel talen.

De grootste etnische groepering, de Javanen, maakt op cultureel en politiek gebied de dienst uit.
In Jakarta lijken de culturele verschillen te zijn weggevallen.

De veelheid aan volken en culturen kan worden verklaard door de vele migratiegolven vanaf het vasteland van Azië en door de eilandstructuur van Indonesië.

Op Java zijn de fossiele resten gevonden van mensen die één miljoen jaar geleden op het eiland hebben geleefd.
Rond het begin van de jaartelling vestigden de eerste mensen uit India zich op Java, Sumatra en Sulawesi. Zij kwamen om handelsposten op te richten, maar zorgden er tevens voor dat het hindoeïsme en het boeddhisme zich verspreidden over Indonesië.
Handelaren uit Arabië zorgden er vanaf de dertiende eeuw voor dat de islam over Indonesië werd verspreid. Het merendeel van de Indonesische bevolking is moslim.

Eenheid in veelheid

Indonesië is een koloniale uitvinding: onder het Nederlandse bewind werden allerlei volken bij elkaar gevoegd.

Een van de manieren om een eenheidsstaat te bereiken, is het hebben van een gemeenschappelijke taal. De grote meerderheid van de bevolking spreekt de eenheidstaal Bahasa Indonesia, Het is een lingua franca: de taal die op grote schaal als gemeenschappelijk communicatiemiddel wordt gebruikt tussen mensen met een verschillende moedertaal.

De taalkundige verschillen verdwijnen langzaam maar zeker.
De religieuze verschillen leveren af en toe grote problemen op.

De Chinezen zijn een belangrijke etnische minderheid. In de koloniale tijd werden zij naar Indonesië gehaald om op de plantages te werken en de handel te organiseren. Chinezen wonen vooral in de grote steden. Na de onafhankelijkheid werden zij de dupe van het nationalisme. Nog steeds leidt de economisch sterke positie van de Chinese bevolkingsgroep soms tot sociale spanningen.

Aziëcrisis en de gevolgen

Indonesië werd in 1997 hard getroffen door de Aziëcrisis. Eén van de oorzaken had te maken met de buitenlandse leningen. Deze moesten vaak worden terugbetaald in dollars, terwijl de inkomsten van de investeringen binnenkwamen in roepia’s.
Ook andere (inter)nationale ontwikkelingen zijn direct merkbaar in de Indonesische economie:

  • de aanslag op het World Trade Center in New York in 2001.
  • de bomaanslagen die in 2002 en 2005 op Bali werden gepleegd door moslimactivisten.
  • de hoge internationale olieprijzen.

Tropisch regenwoud

De bodem van het regenwoud is arm aan voedingstoffen. Dode planten en dieren worden snel afgebroken, waardoor de humuslaag dun is. De bij afbraak vrijkomende voedingsstoffen worden snel opgenomen door planten en dieren.
Zou dat niet gebeuren, dan zouden de voedingsstoffen door uitspoeling met regenwater uit de kringloop verdwijnen.

Naast de voedselkringloop is er de waterkringloop. Neerslag verdampt snel door evaporatie. Planten en dieren geven zelf ook vocht af (transpiratie), een deel van het water spoelt uit. Per saldo is er een evenwicht tussen het inkomende water en uitgaande water in tropische regenwouden. Dat wordt weergegeven in de waterbalans.

De interne stabiliteit van een tropisch regenwoud is groot: planten- en diersoorten houden elkaar in evenwicht. Het vermogen van soorten om in een ecosysteem te overleven, heet draagkracht. ● De draagkracht is al jaren in gevaar door verstorende activiteiten van mensen. Het regenwoud kan verstoringen moeilijk opvangen: de externe stabiliteit is daarvoor te klein.

Zwerflandbouw

De bevolking leefde eeuwenlang in evenwicht met het woud. Voor landbouw werden stukken oerwoud platgebrand en 1 tot 2 jaar benut. Dat heet shifting cultivation.
Deze vorm van landbouw werkt bij een lage bevolkingsdruk. Groeit het aantal mensen, dan worden akkers langer bewerkt en de ooit verlaten akkers te snel weer gebruikt. Samen met commerciële houtkap en de aanleg van plantages is het een aanslag op het ecosysteem.

Armoede en behoefte aan hout

Ontbossing hangt niet alleen samen met de behoefte aan hout, maar heeft meer oorzaken:

  • Er is veel legale en illegale commerciële houtkap.
  • Voor het opgraven van delfstoffen is veel ruimte in het woud nodig.
  • Grote stukken woud worden gekapt voor hout- en palmolieplantages.
  • Voor kleine boeren en transmigranten werd veel woud gekapt en veranderd in landbouwgrond.
  • Steeds meer ruimte voor ladangbouw.
  • Ook bosbranden vernietigen regelmatig veel van het regenwoud. 

Verstoorde kringlopen

Ontbossing leidt op lokale en regionale schaal tot verstoring van de water- en de voedselkringloop.

Bos remt afstromend water uit neerslag niet meer af, dat leidt tot bodemerosie. Het vermogen van de bodem om water vast te houden (de sponswerking), vermindert. In droge perioden drogen de nietbegroeide hellingen sterk uit en de temperatuurverschillen van de aardkorst nemen toe; organisch materiaal wordt hierdoor te snel afgebroken. Alle bodemverslechteringen noemen we landdegradatie. 
Het slib van afstromend water komt nu in beekjes en rivieren terecht, waar zand- en kleibanken ontstaan, met de kans op overstroming.
Met het verdwijnen van bossen verdwijnt ook voedsel uit het ecosysteem. De natuurlijke vegetatie kan zich niet meer herstellen.

De grootschalige houtkap tast ook het leefgebied en de cultuur van de oorspronkelijke landbouwende bevolking aan.

Gevolgen van de ontbossing op wereldschaal

Een belangrijk effect van ontbossing is de versterking van het natuurlijke broeikaseffect. De hoeveelheid CO2 in de atmosfeer neemt toe door verminderde opname van CO2 door planten.

Ook het draineren van de bodem voor oliepalmplantages leidt tot rottend plantenmateriaal, wat veel kooldioxide in de lucht brengt.

Door het weghalen van het tropisch woud verdwijnt een groot deel van de flora en fauna voorgoed van de aarde. Een deel daarvan zijn kruiden, die ook belangrijk zijn om medicijnen te maken.

Binnenlandse oplossingen

Waarom komt er geen oplossing voor dit probleem?
Een reden is de tweeslachtige rol van de Indonesische overheid: de houtkap levert veel geld op, maar als het te snel gaat, is de inkomstenbron op.
In Boswetten staan regels voor de commerciële exploitatie van productiebossen. Het duurzaam bosbeheer wordt belangrijker.
In contracten tussen de overheid en exploitanten zijn afspraken vastgelegd over de omvang van de oogst.
Op papier ziet dit er mooi uit, maar de praktijk is anders.

  • Exploitanten hebben een tekort aan geschoold personeel en er is geen begeleiding door deskundige bosbouwers.
  • Het toezicht van de overheid is slecht en er is corruptie bij de politie. Indonesië is een soft state: weinig bestuurlijke kracht en wetshandhaving.
  • De bestrijding is ook lastig omdat er vanuit westerse landen een grote vraag naar hout is en er veel armoede is in Indonesië.
  • Tot slot zijn er conflicten over landrechten. 

Chinese migratie

Van oudsher hebben Chinezen hun invloedssfeer uitgebreid over delen van hun buurlanden. Migratie naar die landen speelde daarbij een grote rol. Hongersnood, werkloosheid en politieke onrust dwongen zo’n twee miljoen Chinezen elders hun geluk te zoeken.

Chinezen vormen de grootste minderheidsgroep in Indonesië. De Chinezen zijn economisch gezien relatief machtig maar worden politiek onderdrukt. Ze vormen een handelsminderheid.

In het begin van de vijftiende eeuw waren er al Chinese handelaren in het land actief. Ze hadden zich blijvend in Indonesië gevestigd en waren via huwelijken in de autochtone bevolking opgegaan, waardoor de culturele verschillen klein waren.

Onder het koloniale bewind van Nederland, werden Chinezen aangemoedigd naar Batavia te komen om in de bouw en op de suikerplantages net buiten de stad te werken. Landbezit door Chinezen was niet toegestaan, zodat veel Chinezen zich op de handel richtten. Omdat ze daarin succesvol waren, werd de afgunst en de vijandige houding van de lokale bevolking én de Nederlanders tegenover de Chinezen steeds groter.

Voor de Chinese immigranten die in de eerste helft van de twintigste eeuw naar Indonesië kwamen, is de assimilatie minder vanzelfsprekend geworden.

Chinezen als zondebok

De regering houdt het beeld van ‘de rijke Chinees’ graag in stand. Enerzijds maken ze gebruik van de Chinezen door handelsovereenkomsten met hen te sluiten. Anderzijds leggen ze ook tegenwoordig nog de schuld bij hen wanneer het economisch slecht gaat.

Vooral tijdens het bewind van president Soeharto (1967-1998) zijn de Chinezen politiek onder druk gezet en werden een half miljoen mensen vermoord. Soeharto verdacht onder meer de Chinezen van nauwe banden met de Volksrepubliek China. In 1967 verbood Soeharto daarom alle openbare uitingen van de Chinese cultuur. Er werd een politiek van gedwongen assimilatie ingevoerd.

De integratie is niet groot: de Chinezen hebben eigen scholen en ze zijn steeds hoger opgeleid. Vooral wanneer het economisch slechter gaat, worden Chinezen aangewezen als zondebok (discriminatie)
De meest recente uitbarsting van geweld was in 1998, met name in de Chinese wijk Glodok in Jakarta.

Sinds 2000, na de val van het bewind van Soeharto, hebben de Chinezen meer vrijheden gekregen.
De politieke en culturele omslag heeft echter geen eind gemaakt aan de discriminatie. 

Islamisering

De invloed van Arabische kooplieden leidde vanaf de dertiende eeuw tot de islamisering van Indonesië.
De kolonisatie door Europese landen bracht het christendom binnen.
De godsdiensten verspreidden zich onder invloed van economische ontwikkeling en afhankelijk van wie de politieke macht had in een gebied. 

De Molukken

De Molukken telt ruim duizend eilanden waarvan meer dan de helft onbewoond is. De eilandengroep bestaat uit twee provincies: de provincie Maluku Utara in de Noord-Molukken en de provincie Maluku met de hoofdstad Ambon in de Midden- en Zuidelijke Molukken.

Op de Molukken is 40% van de bevolking christen (zuiden) en ruim 50% moslim (noorden).
De wortels liggen in de koloniale tijd waarin christenen bevoordeeld werden.

Toen Indonesië in 1949 een eenheidsstaat werd, waren de moslims in de meerderheid. De christelijke Zuidelijke Molukken riepen een eigen republiek uit, zij wilden zich afscheiden (separatisme). De eigen republiek werd snel ontbonden door het leger.
In de nieuwe staat kregen moslims voorrang bij overheidsaanstellingen. Dat gaf anti-Indonesische gevoelens bij de christelijke Molukkers.
Ook de toename van het aantal moslims door (trans)migratie leidde tot een andere verhouding tussen moslims en christenen. Molukse christenen zijn economisch gezien nu relatief zwak.
Het gebied is nog steeds een brandhaard.

Het conflict tussen moslims en christenen in de Molukse geschiedenis speelde zich af tussen 1999 en 2002. Werkloosheid en corruptie door de overheid en het leger zorgden voor veel onvrede onder Molukse christenen.

Aceh, een andere brandhaard

In Aceh, het noordelijk deel van Sumatra, is ruim 90% Atjeeër. Zij willen zelfbestuur en autonomie (regionalisme). Aceh kent een lange geschiedenis van verzet tegen indringers van buitenaf.
Aceh bleef onafhankelijk tot 1949 en werd daarna onderdeel van de staat Indonesië.

De regering heeft strategische (de gunstige ligging) en economische (aardolie) belangen. Ze smoort iedere opstand en schendt regelmatig de mensenrechten.

Na Soeharto’s aftreden kwam meer ruimte voor decentralisatie van wetten. Het lokale bestuur krijgt steeds meer macht. De regering hoopt dat zo de roep om onafhankelijkheid minder wordt.

Provincies die rijk zijn aan grondstoffen, kregen een speciale status en hadden politiek en economisch meer zelfstandigheid. Wellicht een tactische zet ?
Het verzet van Atjeeërs is sterk beïnvloed door een streng islamitisch geloof (religieus fundamentalisme). Zij willen de vorming van een eigen islamitische staat. De vrijheidsstrijders in Aceh strijden voor een (eigen) staat op islamitische grondslag (politieke islam). Ook het feit dat de economische rijkdom van Aceh niet ten goede komt aan de eigen bevolking, is een bron van voortdurende conflicten.

Wat moet je weten?

Gebiedskenmerken van Indonesië

Economisch

De demografische verandering en de economische ontwikkeling in Indonesië vertonen relaties. Indonesië maakt een snelle economische ontwikkeling door.

  • Binnen de primaire en de secundaire sector zijn grote verschillen in productiewijzen (traditioneel en modern).
  • Indonesië exporteert vooral grondstoffen, (arbeidsintensieve) halffabricaten en ook steeds meer industriële eindproducten.
  • Er zijn grote regionale verschillen in de economische ontwikkeling binnen Indonesië. 
  • Als gevolg van het archipelkarakter zijn er grote culturele verschillen binnen Indonesië

Economisch-geografisch

  • De economie van Indonesië is steeds meer mondiaal gericht. 
  • Naarmate Indonesië welvarender wordt, neemt het economisch belang van de landbouw af. De secundaire sector wordt belangrijker. 
  • De informele sector is belangrijk in de hele economie, en met name in de tertiaire sector. 
  • De herwaardering voor grondstoffen leidt tot onder andere de productie en export van hout en palmolie (naar EU en China).   De centrum-periferie tegenstelling is binnen Indonesië vooral zichtbaar in de tegenstelling tussen Java & de Buitengewesten.

Mondialisering

Indonesië concurreert met China & bv Vietnam & Cambodja als vestigingsplaats voor arbeidsintensieve industrieën, China wordt steeds belangrijker als afzetgebied van Indonesië.
Japan (of Zuid-Korea) investeert in de Indonesische economie d.m.v. overnames, joint ventures en grote bouwprojecten. 
Indonesië biedt (onder andere) Japan een omvangrijke afzetmarkt en goedkope arbeid

Geografisch

  • Het oosten van Indonesië is droger dan het Westen. 
  • Er zijn regionale verschillen in natuurlijke gevaren.

Demografisch

  • Het dichtstbevolkte eiland Java heeft ook het meest volledige stedelijk netwerk.
  • Transmigratie leidde tot Javanisering, met positieve en negatieve gevolgen.

Spreiding

Op basis van economische indicatoren kan de wereld ingedeeld worden in een wereldsysteem met een centrum, periferie en semiperiferie.

Het (oorspronkelijke) mondiale centrumperiferie patroon hangt samen met de erfenis van het koloniale verleden en de internationale arbeidsverdeling die daar uit naar voren kwam.
De periferie (het zuiden) raakt meer gedifferentieerd (opkomende landen, middengroep, achterblijvers). Op basis van de demografische indicatoren kan de wereld ingedeeld worden naar fasen in de demografische transitie. 

Demografische transities zijn vaak gerelateerd aan economische ontwikkeling. Op basis van culturele indicatoren kan de wereld ingedeeld worden in cultuurgebieden. 

  • Talen en godsdiensten zijn (o.a.) door kolonialisme en migratie verspreid. 
  • Culturele grenzen zijn door huidige migratie en culturele uitwisseling steeds moeilijker te trekken.

Handel

Internationale handels- en investeringsstromen voltrekken zich in grote mate binnen/tussen de drie kerngebieden (triade). 

Opkomende economieën en MNO’s uit deze landen spelen een steeds grotere rol in internationale handels- en investeringsstromen, China krijgt een grotere rol op het wereldtoneel, Zuid-Zuid handel en investeringen worden belangrijker. 

Internationale migratiestromen zijn al geruime tijd in grote mate Zuid-Noord gericht met als belangrijkste bestemmingen: Noord-Amerika, EU en Midden-Oosten. 

Internationale Zuid-Zuid migratie neemt toe met de economische ontwikkeling van gebieden / regio’s.

Mondialisering

  • Globalisering leidt tot integratie van verschillende gebieden en samenlevingen. 
  • Technologische innovatie en vrijhandel zijn de motoren van het globaliseringsproces. 
  • Economische ‘eenwording’ leidt (ook) tot grotere economische verschillen en concurrentie tussen gebieden en groepen mensen. 
  • Culturele ‘eenwording’ leidt tot tegenreacties zoals de herwaardering van regionale (en nationale) identiteiten. 
  • Netwerken (van bedrijven, instellingen, migranten) omspannen de wereld en oefenen hun invloed uit op steden en gebieden, op sociale groepen en individuen. Wereldsteden spelen een belangrijke rol in deze netwerken.

Politiek

  • De zee in de Indonesische archipel vormt zowel een verbinding als een barrière. 
  • Een staat met een archipelstructuur heeft grote moeite een eenheidsstaat te worden.
  • Een archipelstaat kent een relatief grote externe beïnvloeding. De handel met India, Zuidoost-Azië, de Arabische landen en Europa leidde tot beïnvloeding door achtereenvolgens hindoeïsme, boeddhisme, islam en christendom. 

Systeem aarde

Platen

  • Platentektoniek is een systeem van interacties tussen delen van de aardkorst. De beweging en de interactie worden veroorzaakt door de interne hitte van de aarde. 
  • Het actualiteitsbeginsel: the present is the key to the past. (Het uitgangspunt dat fysische processen zoals die nu plaatsvinden in het verleden ook zo plaatsvonden). 
  • Plaatbewegingen veranderen de aardkorst: vulkanen, aardbevingen en gebergten ontstaan.   Het eruptietype van een vulkaan weerspiegelt zich in de vorm.

Landschapszones

  • Het landschap is een dynamisch systeem: als één van de geofactoren verandert, leidt dat tot verandering van de andere factoren. 
  • Vooral het klimaat is bepalend voor de natuurlijke begroeiing. 
  • De combinatie van klimaatzone en begroeiing vormt de (natuurlijke) landschapszones op aarde. 
  • De grenzen tussen klimaat- en landschapszones vallen niet altijd met elkaar samen, waardoor de grenzen tussen de landschapszones geleidelijke overgangen zijn.

Aardoppervlak

  • Door verwering en erosie worden gesteenten afgebroken. 
  • De verweringsvorm die overheerst in een gebied wordt hoofdzakelijk bepaald door klimaatomstandigheden. 
  • Stroomsnelheid en transportmechanisme bepalen de korrelgrootteverdeling van het sediment.

Endogeen en extern

  • Endogene krachten bouwen het reliëf voornamelijk op en exogene krachten breken het voornamelijk af.
  • Zee- en luchtstromen zorgen voor verdeling van koude en warmte over de aarde. 
  • De verdeling land-zee veroorzaakt op diverse schalen een aanpassing van het algemene klimaatpatroon. 
  • De ligging van hooggebergten veroorzaakt op diverse schalen een aanpassing van het algemene klimaatpatroon.

Nederland

Rivieren

  • Klimaatverandering lijkt bij te dragen aan een onregelmatiger regiem van de rivieren. 
  • Menselijk ingrijpen in het stroomgebied heeft geleid tot een onregelmatiger regiem, verkorting van de vertragingstijd en verhoogde piekafvoer. 
  • Klimaatverandering leidt tot afvoerproblemen van de grote rivieren en daardoor tot een hoger overstromingsrisico. 
  • Menselijk ingrijpen leidt enerzijds tot het onder controle brengen en houden van de aan- en afvoer van de grote rivieren. Anderzijds leidt het juist tot verhoogde aan- en afvoer van rivierwater.

Rivierbeleid

  • Maatregelen ter beheersing van het regiem betreffen niet alleen het rivierstelsel, maar omvatten het gehele stroomgebied. 
  • Er is in Nederland in 1995 een breuk opgetreden in het denken over overstromingsgevaar van de grote rivieren. 
  • Vasthouden en waterberging dienen zo veel mogelijk stroomopwaarts plaats te vinden.

Sociaaleconomisch

  • Steden zijn de motor van de kenniseconomie, de creatieve economie wordt steeds belangrijker. 
  • Bereikbaarheid en congestie zijn een belangrijk vraagstuk in stedelijke economische ontwikkeling.
    - Locatievraagstukken (behoefte aan en concurrentie om de ruimte) in en rond steden vergen complexe afwegingsprocessen van belangen. 
  • Stedelijke (economische) ontwikkeling vereist bestuurlijke samenwerking over de grenzen van de stad heen.

Wijken en buurten

In Nederlandse steden wonen arm en rijk in beperkte mate gesegregeerd. De ruimtelijke segregatie naar etnische achtergrond is sterker. 

Leefbaarheid van wijken hangt samen met kenmerken van de woningen, van de woonomgeving en van de bewoners. Wijken rond het stadscentrum hebben vaak een slechtere objectieve veiligheid. Vinexwijken hebben vaak minder voorzieningen dan oudere wijken. 

De leefbaarheid en de sociale veiligheid in de directe leefomgeving (wijk, buurt) hangen samen met de sociale cohesie en de sociale netwerken op deze microschaal. 

De beleving van de openbare ruimte, dus ook van de sociale veiligheid van de woonomgeving, is ten dele subjectief en hangt samen met persoonskenmerken zoals leeftijd en sekse. 

Bij stadsvernieuwing was er sprake van het fysiek opknappen van de woning voorraad, bij herstructurering wordt ook in de aard van de woningvoorraad (en daarmee de bevolkingssamenstelling) ingegrepen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.