Ak samenvatting

Beoordeling 10
Foto van jolijn
  • Samenvatting door jolijn
  • 6e klas vwo | 1067 woorden
  • 1 juni 2022
  • 1 keer beoordeeld
  • Cijfer 10
  • 1 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!

AK aantekeningen



1.1 welvaart


Welvaart kun je in meten:





  • BNP/hoofd (binnen en buitenlands)






  • Verdeling van beroepsbevolking




  1. primaire (landbouw, mijnbouw)

  2. secundair (verwerken naar product)

  3. tertiair (diensten)





  • De VN-ontwikkelingsindex




  1. levensverwachting

  2. welvaart

  3. analfabetisme



Nadelen BNP/koopkracht



  • Informele sector telt niet mee.

  • Sociale ongelijkheid ⇨ aantal mensen zorgen dat het gemiddelde veel hoger ligt dan het daadwerkelijk is.

  • Regionale verschillen niet zichtbaar. 

  • Koopkracht telt niet mee. ⇨ voor hetzelfde geld kun je in elk land andere dingen kopen. 



Rijke landen = centrum landen


Landen die de afgelopen 20 jaar veel ontwikkeling hebben doorgemaakt = semi periferie


Armste landen = periferie landen


Samen vormen deze landen een wereldsysteem. 




1.2 Waar wonen mensen?



Er zijn 3 verklaringen voor bevolkingsspreiding:



  • Natuurlijke omstandigheden ⇨ weinig reliëf, zoet water voorraden, vruchtbare grond & klimaat.

  • Ligging (ten opzichte van andere plekken)

  • Koloniale verleden 



Culturele diffusie ⇨ beïnvloeding van andere cultuurelementen.




1.3 Politieke en sociale welvaart



Er zijn 3 soorten bestuursvormen:



  1. democratie

  2. beperkte democratie

  3. dictatuur



Vaak gaan kleinere landen met elkaar samenwerken, dit heeft samenwerkingsverbanden. 



1.4 Samenhang; ontwikkeling en werk



De drie ingrijpende economische veranderingen in de geschiedenis:



  1. Agrarische revolutie

  2. de industriële revolutie

  3. opkomst van dienstenmaatschappij



De verdeling van beroepsbevolking verschuift van de ene sector naar de andere. Dit komt door:
1) Mechanisering, robotisering en automatisering, hierdoor zijn er minder arbeidskrachten nodig.


2) De stijging van welvaart



De internationale arbeidsverdeling is de specialisatie van de werkgelegenheid over de hele wereld. Dit is af te lezen door:



  • De verdeling van de beroepsbevolking

  • Samenstelling exportpakket van alle landen



De nadelen van wanneer een exportpakket van een land uit grondstoffen bestaat:



  1. De prijzen van grondstoffen (behalve olie) zijn minder snel gestegen als dat van eindproducten.

  2. De prijzen van grondstoffen dalen en stijgen veel meer dan die van eindproducten. Met als gevolg dat de inkomens van grondstof landen heel erg wisselen.

  3. Het gevaar van misoogsten is heel erg aanwezig, waardoor het inkomen kan worden gehalveerd. Ook komt het inkomen lang niet altijd bij de burgers. Het komt vaak in handen van multinationals.



1.5 samenhang: ontwikkeling en demografie



De redenen dat de de relatieve groei van de wereldbevolking afneemt, maar de absolute groei toeneemt:



  1. de vruchtbaarheid, hoeveel kinderen een vrouw krijgt, neemt af.

  2. Er is een stijging van de levensverwachting.



De redenen dat arme landen een hoog geboortecijfer hebben:



  1. Demografisch; arme landen hebben een jonge leeftijdsopbouw en hebben veel jonge vruchtbare vrouwen.

  2. Slecht onderwijs; wanneer het onderwijs stijgt, daalt de vruchtbaarheid.

  3. Religie; Het katholieke  geloof keurt voorbehoedsmiddelen en abortus af.

  4. Cultuur; in sommige culturen zijn de gezinnen heel groot.

  5. gezondheidssituatie; hoge kindersterfte, waardoor moeders veel kinderen nemen.

  6. Armoede; Er is een verband tussen de stijgende welvaart en dalende vruchtbaarheid.



Demografische druk: Het jonge/werkende deel van de bevolking kan het niet-actieve deel van de bevolking niet meer supporten door de vergrijzing. 



De ontwikkeling en geboortecijfer kun je teruglezen in het demografisch transitiemodel. (filmpje over kijken) Dit model heeft 4 fases:



  1. Het geboorte en sterftecijfer is hoog. 

  2. het geboortecijfer is hoog, maar het sterftecijfer daalt. De bevolking groeit snel.

  3. Het geboortecijfer daalt en de groei neemt af.

  4. Geboorte en sterftecijfer zijn in evenwicht. Soms krimpt de bevolking zelfs.




Samenhang: ontwikkeling en verstedelijking



Verstedelijking = Het proces waarbij het aandeel van de bevolking die in stedelijke gebieden toeneemt. Dit druk je uit in de verstedelijkingsgraad (urbanisatiegraad) = hoeveel procent van de bevolking woont in een stad.



Verstedelijkingstempo: het tempo van mensen naar de stad trekt.



Hoe welvarender een land, hoe hoger de verstedelijkingsgraad. (omdat er al veel mensen in de stad wonen, dus de urbanisatiegraad al hoog is)


Hoe lager de welvaart, hoe hoger het verstedelijkingstempo. (veel mensen trekken naar de stad op de hoop op een betere toekomst)



De groei van steden in arme landen heeft 3 oorzaken:



  1. De trek van platteland naar de stad. 

  2. Uitbreiding van de stad

  3. Natuurlijke bevolkingsgroei



Suburbanisatie  = Mensen verlaten de stad en trekken naar het platteland.


Mensen kiezen voor suburbanisatie omdat door de welvaart de infrastructuur is verbeterd, de mobiliteit is toegenomen en mensen een leuk huis in het groen kunnen permitteren.



1.7 Voedsel: productie, handel en consumptie



Theorie van Ullman


Voedsel van de ene plek naar de andere plek brengen heeft alleen maar zin als het aan de  volgende eisen voldoet:



  1. Complementariteit = Importeren wat je nodig hebt.

  2. Transporteerbaarheid = De relatieve afstand moet niet te groot zijn.

  3. Geen tussenliggende mogelijkheden = Landen moeten kiezen voor de makkelijkste mogelijkheid.



Kwalitatieve honger = Als mensen te weinig calorieën binnenkrijgen


Kwalitatieve honger = Genoeg calorieën, maar te weinig vitaminen en en mineralen.



1.8  Globalisering en het voedselvraagstuk



Comparatieve voordelen = voordelen die optreden wanneer een land een product goedkoper kan produceren dan andere landen. Nederland is bijvoorbeeld goed in aardappels telen, en Brazilië in soja telen. Dit noem je regionale specialisatie.



Er zijn 2 valkuilen bij het succes van exportlandbouw:



  1. In landen waar veel grond wordt gebruikt,  is minder grond beschikbaar voor voedselproductie.

  2. De efficiënte en goedkope landbouw verslaat traditionele landbouw. Daardoor wordt het goedkoper om te importeren dan producten uit eigen land te gebruiken.



2 technologische ontwikkelingen:



  1.  De groene revolutie; door het kruisen van gewassen ontstaan er hogere opbrengsten.

  2. Genetische modificatie; In het DNA van gewassen worden aanpassingen aangebracht.



De FAO is een voedsel en landbouw organisatie, helpt overheden met een duurzamere actie. (geen giftige bestrijdingsmiddelen, kunstmest)



1.9 Kwetsbare gebieden en mensen



De draagkracht = de hoeveelheid mensen die een gebied kan leven zonder schade aan te richten aan het ecosysteem.


Als een gebied wordt overbelast leidt dit tot bodemdegradatie. De bodemkwaliteit verminderd. Bodemdegradatie is te bestrijden door boeren droogteresistentie te vergroten.



Grondbezitsverhoudingen = Weinig mensen hebben het grootste deel van de landbouwgrond in handen. 



Sociale stratificatie = Verschillen tussen bepaalde groepen. Er zijn 3 factoren waardoor zwakkere groepen in de samenleving kwetsbaar zijn voor voedseltekort:



  1. Onderwijs

  2. Eigendom

  3. Voordelen en discriminatie 



Op het platteland leven er vaak grootfamilies.



1.10 Beleid om voedselzekerheid te vergroten



Noodhulp = Levensbedreigende situaties, tijdelijk (vis)


Projecthulp = Hulp waarbij ze de mensen opleiden om zichzelf te kunnen voeden. (hengel)


Programmahulp = Langdurig, hulp om de landbouw en gezondheidszorg te verbeteren (zelf een hengel maken)



Interne factoren die voedselzekerheid beïnvloeden:



  1. het neerslagregime  

  2. Opleiding droogte landbouw

  3. good governance

  4. territoriale conflicten (Geweld binnen het land)

  5. Ongelijkheid bezit





H2 klimaat



Weer



  • neerslag

  • temperatuur

  • licht



Klimaat



  • Gemiddelde temperatuur / neerslag

  • over 30 jaar.




0 graden = warm en nat, lage druk


30 graden = droog, hoge druk


60 graden = nat,  


90 graden = droog en koud



Stijgende lucht zorgt voor wolkvorming. 



  • Stijgingsregen = verdamping door de zon

  • Frontale regen = Als warme lucht tegen een koufront aankomt

  • stuwingsregen = 



De wet van Buys Ballot is een theorie =



  1. Wind waait altijd van hoog naar lage druk

  2. Op het noordelijk halfrond heeft de wind een afwijking naar rechts, en op het zuidelijk halfrond naar rechts. 

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Ook geschreven door jolijn