Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

BuiteNLand Aardrijkskunde 5VWO Samenvatting H3

Beoordeling 8.3
Foto van een scholier
  • Samenvatting door een scholier
  • 5e klas vwo | 2727 woorden
  • 28 maart 2019
  • 10 keer beoordeeld
  • Cijfer 8.3
  • 10 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!

3.1 Natuurlijke gevaren in Zuid-Amerika



Subductiezone westkant Z-Amerika:




  • Nazcaplaat en Amerikaanse plaat onder Antarctische plaat

  • Veel vulkaanuitbarstingen + aardbevingen



Gevolg aardbevingen: in de zeebodem voor de kust tsunami’s (vloedgolven).



Vulkanen zijn direct gevolg van subductie, en komen voor in gebieden waar aardbevingen voorkomen.




  • Stratovulkanen die regelmatig uitbarsten, maar niet erg gevaarlijk zijn (aswolken + dunbevolkt gebied)



Indirecte gevolgen van bevingen zijn aardverschuivingen/massabeweging, ontstaan door:




  • Afschuivende delen op instabiele hellingen bij een aardbeving

  • Het schuiven van modder, puin en gesteente van een helling bij overvloedige neerslag à schade aan wegen, gebouwen en landbouwgrond

  • Ontstaan van lahars bij een vulkaanuitbarsting

    • Modderstromen

    • Ontstaan doordat sneeuw en ijs hoog op de vulkaanhellingen smelten bij de vulkaanuitbarsting à komen met grote snelheid naar beneden met modder, puin, ijs en stenen.





Krotwoningen op hellingen schuiven vaak door aardverschuivingen naar beneden.



In de nattere gedeelten van Z-Amerika zijn er veel overstromingen.




  • Berggebieden: flash floods


    • Rivieren hebben opeens een zeer hoge piekafvoer

    • Door hevige regenval in de bovenloop loopt de bedding snel vol en stort het (vermengde) water naar beneden



  • Vlakkere gebieden: high floods

    • Rivieren hebben vaak een groot debiet

    • Het niveau stijgt traag, tot de rivier overstroomt à door langdurige regenbuien en tropische stortbuien





De mens is vaak oorzaak van deze rampen, door ontbossing.




  • De hellingen komen kaal te liggen à water infiltreert bijna niet in de bodem à stroomt af via het oppervlak

    • Afstroming kan bevorderd worden door verkeerd landgebruik, stedenbouw en wegenaanleg





à verharding van het oppervlak leidt tot een kortere vertragingstijd.



Ook hebben stedelijke agglomeraties slechte rioleringssystemen.





3.2 Hazard management



Sinds 1960 is er meer economische schade door natuurrampen. Oorzaken:




  • Urbanisatie

  • Armoede

  • Slecht bestuur

  • Constructie van gebouwen en infrastructuur op kwetsbare plekken

  • Klimaatverandering + El Niño

  • Ontbossing



Het grotere verlies van mensenlevens in ontwikkelingslanden dan in rijke landen komt door:




  • Een verkeerde locatiekeuze voor bouw- en infrastructuur

  • Het zich niet houden aan bouwvoorschriften

  • Verkeerd omgaan met natuurlijke bronnen (bijv. ontbossing)

  • Gebrek aan een rampenplan



Er zijn hoge bevolkingsdichtheden in rivierdalen en delta’s, wegen en woningbouw op instabiele hellingen en gevaarlijke mijnen.



Vooral de armere bevolking in krottenwijken lopen het grootste risico. Bij hun is de risicoperceptie laag = de mate waarin men het risico om zelf slachtoffer te worden (omdat natuurlijke gevaren zich vaak met lange en wisselende tussenpozen voordoen).



3 (elkaar versterkende) factoren die bepalen hoe hoog het risico voor een natuurramp met catastrofale gevolgen is:




  1. De aard van de natuurramp

    • Soort ramp + intensiteit

    • Schaal + gerelateerde schadelijke gevolgen



  2. Het aantal mensen en gebouwen dat bij de ramp betrokken is, en hoeveel infrastructuur verwoest wordt

    • Grotere steden hebben meer schade



  3. De kwetsbaarheid van een samenleving

    • Bepaald door:

      • Fysieke factoren à slechte constructie van gebouwen en landgebruik dat bodemerosie bevordert

      • Sociale factoren à bepaalde bevolkingsgroepen die achtergesteld worden, arm zijn en minder kansen hebben op bijv. een goede huisvesting.

      • Economische factoren à de onverzekerde informele sector, afhankelijkheid van 1 inkomstenbron, ongunstige voedselvoorziening

      • Milieufactoren à uitputting van hulpbronnen zoals water en landbouwgrond, klimaatverandering







Tot 1970 was er nauwelijks sprake van hazard management = beleid om schade bij natuurrampen te beperken/voorkomen. Er kwam hiervoor pas besef in de loop van de jaren ’70 en ’80. Pas na enkele catastrofale natuurrampen kwam en in actie.



Nu bestaat hazard management uit maatregelen vooraf (risico-inschatting, rampenplan aanwezig) en maatregelen erna (eerste hulp, herstel, reconstructie).



Onderdelen van actieplannen:




  1. Mogelijke risico’s herkennen, vaststellen en begrijpen door het doen van onderzoek.

  2. Verminderen van het risico. Door bijv. wetten op te stellen met betrekking tot bouwlocaties en bouwvoorschriften; het behoud van moerasgebieden, mangrovebossen, lagunes en riffen aan kusten; tegengaan van houtkap op hellingen; milieumanagement in stroomgebieden, ecosystemen en stedelijke gebieden. Vooral ook handhaven vd wetten.

  3. Klaar zijn voor als het toch misgaat, om zo veel mogelijk levens en leefomgevingen te redden. Door: wetenschappelijke voorspellingen en waarschuwingssystemen, het opstellen van reddingsplannen + het voorbereiden van hulp aan lokale gemeenschappen.

  4. Opzetten van rampenfondsen en afsluiten van verzekeringen om de schade te kunnen dekken.

  5. Stimuleren van de veerkracht onder de bevolking en het efficiënt organiseren van redding en constructie na een ramp.



In een paar landen probeert men de aandacht voor hazard management in sectoren als transport, toerisme, landbouw, water, energie, onderwijs en gezondheidszorg te vergroten.





3.3 De stad



Netwerksamenleving = dat grote delen van de wereld door globalisering met elkaar zijn verbonden. Belangrijke knooppunten zijn wereldsteden. Deze vormen samen een stedelijke netwerk, het fundament van de moderne wereldeconomie (São Paulo).



Z-Amerika heeft veel urbanisatie en veel megasteden. Deze hebben vaak problemen op het gebied van:




  • Werken

  • Wonen

  • Verkeer

  • Sanitaire voorzieningen



Een groot deel van de bevolking woont in een sloppenwijk.



Toch leven de meeste stedelingen in middelgrote steden, die het snelst groeien (door ruraal-urbane migratie en natuurlijke groei). Een deel van de steden is ontstaan aan ontwikkelingscorridors = door de overheid aangelegde transportroutes die gebieden ontsluiten of een mijnbouw-/toeristische functie hebben.  



De steden die gesticht waren door de Spaanse kolonisten:




  • Hebben een schaakbordpatroon.

  • In het centrum zijn er nog meer elementen uit het koloniale verleden te vinden, als belangrijkst de plaza mayor. Dit is een centraal plein met gebouwen met een publieke functie en een kathedraal.

  • Daaromheen liggen vooral winkelstraten.

  • Vanuit het centrum zijn vanaf begin 20e eeuw avenida’s (brede wegen in sterpatroon) aangelegd.



In de jaren ’50 en ’60 kwam er veel urbanisering en namen aan de rand van de stad de favela’s (sloppenwijken) toe.



Sinds jaren 80 is er een groeiende aandacht voor cultureel erfgoed en vindt er gentrificatie plaats (in centrumgebied). Doordat welgestelden/organisaties die een centrale ligging verkiezen, historische panden opkopen + renoveren.



Buurten worden aantrekkelijker door de komst van theaters, restaurants, bars.



Gated communities = ommuurde woonwijken voor de elite, soms naast een krottenwijk.



Op plekken met een goede bereikbaarheid komen winkelcentra, kantoorcomplexen en bedrijventerreinen.



Bewoning: invasie + successie




  • Middenklasse trekt in woningen die door de elite verlaten worden & lagere inkomensgroepen trekken in woningen die door de middenklasse verlaten worden.



Armen in de stad moeten zelf huizen bouwen omdat overheden niet in staat zijn voor de arme bevolking woningen te bouwen en projectontwikkelaars/bouwondernemingen liever bouwen voor hogere inkomens.



Deze zelfbouw vindt plaats aan de rand van de stad à ontstaan informele stad




  • Nieuwkomers komen legaal of illegaal aan een stukje grond en bouwen daar een krotje. Deze wordt steeds verbeterd en vergroot, alleen als de bewoner zekerheid heeft daar te mogen blijven wonen. Deze zekerheid wordt gekregen:

    • Als de overheid accepteert dat er een nieuwe wijk is gekomen

    • Als die watertappunten, elektriciteit, riolering, verharde wegen aanlegt en vuilnis ophaalt.

      • = slum upgrading







Urban sprawl = het snelle groeien van steden in Z-Amerika die daarbei het omliggende platteland en randgemeenten opslokken.




  • Verdwijning vruchtbare landbouwgrond onder de bebouwing door het grote ruimtebeslag van informele woonbuurten en commerciële megaprojecten.

  • Aanleg basisvoorzieningen en infrastructuur worden duur door de toenemende afstand tot het centrum.





3.4 Het platteland



Begin 20e eeuw:




  • Z-Amerika in handen van de elite:

  • Bezaten plantages + latifundia (grootschalige landbouwbedrijven)

  • 80% van plattelandsbevolking bestond uit zelfvoorzienende boeren op minifundia (kleinschalige bedrijven) + arme landarbeiders



Jaren 60: groene revolutie




  • Nieuwe gewasvariëteiten ingezaaid die een grotere oogst moesten opleveren m.b.v. kunstmest, irrigatie en bestrijdingsmiddelen.

  • Met exportgewassen (koffie, suiker, rijst, mais, tarwe, katoen)

  • Grote boeren profiteerden hiervan à ongelijkheid nam toe op het platteland



Ook ontstond er een toenemende invloed van de agri-business op de landbouw.




  • = grote multinationale ondernemingen die de hele productiekolom beheersen (Chiquita)



Er kwamen toen landhervormingen in de politiek, het verdelen van grootgrondbezit onder kleine boeren. Dit leverde weinig op door het verzet van grootgrondbezitters.



Brazilië à men stapte over op agrarische kolonisatie, waarbij bosgebieden werden ontgonnen om kleine boeren aan grond te helpen.



Eind jaren 80: beleid van liberalisering à begin globalisering landbouw




  • Handel in landbouwproducten werd mondiaal

  • Die commercialisering heeft invloed op de export vanuit Z-Amerika

  • Ondernemende boeren gaan zich toeleggen op commerciële landbouw met bijzondere exportgewassen

  • De situatie verslechterde voor de kleine boeren door de afbouw van subsidies en kredietmogelijkheden en verhoging van de productiekosten.



Er kwam verbetering van de gezondheidszorg en het onderwijs en er kwam armoedebestrijding in veel plattelandsgebieden door ngo’s.



Jaren 90: werk gemaakt van landadministratieprogramma’s waarbinnen kadasters werden opgericht en boeren individuele eigendomstitels verwierven. Dit is een voorbeeld van goed geregeld eigendom van grond.



Sinds 2008/2009: grote run op landbouwgrond door de mondiaal gestegen vraag naar voedsel en biobrandstoffen. Er komt landgrabbing = grote landbouwondernemingen uit verschillende westerse landen + landen met weinig landbouwgrond proberen grootschalige landbouwarealen te verwerven in andere delen van de wereld.




  • In Z-Amerika voor de teelt van flex crops (3.5)



à Er komen monocultuurachtige plantagegebieden met een enorm oppervlak à ontstaan ‘sojarepubliek’.



Er is hiertegen veel protest:




  • Verdwijnen van de lokale voedselproductie

  • Problemen met waterrechten

  • Vervuiling (pesticiden + kunstmest)

  • Uitputting van de grond

  • Gevaren van genetische modificatie

  • Afname van de werkgelegenheid door mechanisatie



Delen van het platteland komen onder druk te staan door mijnbouwgebieden, waterkrachtcentrales en stuwmeren. Steden + dorpen groeien ook door de toestroom van migrantengeld (remittances) waarmee grond wordt aangekocht en huizen gebouwd en omvangrijke toeristische complexen voor Amerikaanse gepensioneerden worden gebouwd.



Verstedelijkt platteland = een groot deel van de rurale bevolking woont in verstedelijkte gebieden, en stedelijke kenmerken spreiden zich uit over het omringende platteland.





3.5 De winning van natuurlijke hulpbronnen



Z-Amerika heeft veel natuurlijke hulpbronnen: vooral delfstoffen, aardolie & gas. Ook heeft het vruchtbare bodems waarop vee wordt vetgemest en flex crops worden verbouwd = gewassen die voor allerlei producten gebruikt kunnen worden (suikerriet, soja, palmolie).



Amazonia:



Jaren 60 en 70: door aanleg van wegen het Amazonegebied opengelegd. Kolonisten begonnen met ontginning van het tropisch regenwoud, waarna de grond na enkele jaren was uitgeput. Dit werd opgelost door het verplaatsen van de ‘frontier’ + lieten grond achter die alleen nog geschikt was voor extensieve veeteelt of secundair bos.



Ontbossing van het Amazonegebied is een van de meest dramatische milieuproblemen van de 20e eeuw. Oorzaken:




  1. Er wordt veel bos gekapt, vooral langs transportroutes om tegemoet te komen aan de vraag van hout. Ze proberen in korte tijd zoveel mogelijk winst te maken, er is geen sprake van herbebossing.

  2. Er vindt grootschalige ontginning plaats voor de verbouw van soja. Dit gaat meestal samen met landgrabbing(landroof).

  3. 80% van alle hydro-elektriciteit in Brazilië wordt opgewekt in het Amazonegebied.

  4. 20% van de export van Brazilië bestaat uit delfstoffen. Deze worden vooral gewonnen in Amazonia, in de vorm van dagbouw. Hierbij zijn grote (buitenlandse) mijnbouwbedrijven betrokken en ook bij de aanleg van spoorlijnen, wegen en havens voor het transport en de aanleg van waterkrachtcentrales voor energie.



Bolivia:



Boliviaanse economie: mijnbouw




  • Zilver (Potosí)

  • Tin

  • Lithium (zoutvlakte Salar de Uyuni)

    • Batterijen

      • Strategisch mineraal



    • Indium

      • LCD-schermen

        • Strategisch mineraal



      • Aardgas > aardolie







Mijnbouw- en oliebedrijven in handen van mno’s (Japan, India, VS)




  • Groot deel v winst



Ook snelle ontbossing voor:




  • Productie hout

  • Verbouw landbouwgewassen (soja)

  • Veeteelt

  • Cocateelt





3.6 Gevolgen van de winning van natuurlijke hulpbronnen



Winning natuurlijke hulpbronnen Amazonia + Bolivia versterkt de economie, maar is niet duurzaam:




  1. Ontbossing

    • Draagt bij aan mondiale klimaatverandering (verbranding à meer CO2 dan opgenomen)

    • Verlies biodiversiteit

    • Landdegradatie

      • Door bodemerosie + uitdroging + het snel uitspoelen van voedingsstoffen



    • Waterhuishouding verstoord

      • Doordat bodemwater niet meer vastgehouden wordt + rivieren snel verzanden + er minder evapotranspiratie plaatsvindt



    • Draagkracht van het gebied gaat achteruit

      • Door landdegradatie + verstoring waterhuishouding



    • Doordat nieuwe bossen alleen aangeplant worden in de vorm van monocultuur om voor rijke landen CO2-reductie te bewerkstelligen



  2. Grootschalige (soja) landbouw

    • Grond uitgeput

      • Door monocultuur



    • Water vervuild

      • Door pesticiden & kunstmest








  1. Opwekking hydro-elektriciteit

    • Waterbalans wordt verstoord


      • Doordat gebieden benedenstrooms vd dam veel minder aanvoer van rivierwater krijgen + de aanwezigheid van het stuwmeer tot meer verdamping leidt








  1. Mijnbouw

    • Er wordt grootschalig gebruik gemaakt van water + het grond- en oppervlakte water raakt vervuilt met zware metalen (kwik) en vergif (cyanide)

    • Dagbouwmijnen tasten het landschap aan





Sociaaleconomische nadelen:




  • Er ontstaan conflicten met de inheemse bevolking door:

    • De aantasting van hun leefmilieu

    • Dat ze verjaagd worden voor landbouw, mijnbouw en het enorme ruimtebeslag van stuwmeren, stuwdammen en hoogspanningsleidingen



  • De gemechaniseerde sojateelt biedt weinig werk, de sociale ongelijkheid neemt toe doordat:

    • Een klein aantal rijke grootgrondbezitter vrijwel al het land bezitten



  • Een groot deel van de opbrengsten verdwijnt naar het buiteland, als buitenlandse bedrijven de grond of de mijnen exploiteren



 Er is veel protest:




  • Brazilië: inheemse bevolking

    • Hun leefmilieu wordt bedreigd



  • Bolivia: inheemse bevolking

    • Er is geen eerlijke verdeling van de inkomsten





Voorbeelden activisme:




  • Massaal protest van alle indianenstammen langs de Xingurivier tegen de bouw van de Belo Montedam in Brazilië

  • Landloze boeren in Brazilië die zich goed hebben georganiseerd in een grote sociale beweging (MST) organiseren landbezettingen om zo grond te verwerven

  • De gasoorlog in Bolivia. De eis van de Aymara-indianen om mee te delen in de winsten, leidde tot massademonstraties en politiegeweld met zestig doden tot gevolg

  • Massaal verzet tegen twee zink- en zilvermijnen in de provincie Oruro in Bolivia tegen de vervuiling en uitputting van drinkwater en het droogvallen van een meer



De ontwikkeling van het Amazonegebied is belangrijk voor de Braziliaanse overheid.




  • In de jaren 90 kwam er een stop van ontbossing, met succes

  • Invoering politiek van Pachamama (‘eerbied voor moeder aarde’) in Bolivia moet er meer duurzaamheid komen

    • In de praktijk vindt er echter nog steeds veel verontreiniging en vernietiging van het milieu plaats en neemt de exploitatie van gas door buitenlandse bedrijven toe







3.7 Inheemse volken



Inheemse bevolking = oorspronkelijke bevolking Zuid-Amerika (indianen) met een heel eigen cultuur. Ongeveer 8% van de totale bevolking in Z-Amerika, maar ze zijn ongelijk verspreid (Ecuador, Bolivia, Peru).



De Spanjaarden lieten de indianen een vorm van dwangarbeid doen en voerden een bestuur in gebaseerd op een standenscheiding: república de españoles + república de indios.




  • Indianen hadden zelfbestuur over de gebieden waarin ze woonden à cultuur behouden



Bij de onafhankelijk van de Andeslanden begin 19e eeuw werden deze wetten afgeschaft, maar bleef de tweedeling in de samenleving bestaan.



Het belangrijkste meningsverschil in de periode daarna waren de communale gronden die de indianen bezaten:




  • Gemeenschappelijk grondbezit werd gezien als een rem op economische ontwikkeling

  • Er kwamen wetten die daar een einde aan maakten, als onderdeel van de machtspolitiek van de blanke elite



Eerste helft 20e eeuw: doel de integratie van de indianen in de moderne samenleving. Er was eigenlijk assimilatie, omdat de blanken ervan uitgingen dat de inheemse volken minderwaardig waren die zich moesten aanpassen aan de ‘superieure blanke’ normen en waarden.



à Protest + sinds jaren 80 worden de rechten van de indianen opgenomen in de grondwet.



Inheemse volken vinden een duurzame relatie tussen mens en natuur belangrijker dan het streven naar winst van het kapitalisme.



Behoud en bescherming van de culturele eigenheid van de indianen is belangrijk voor de identiteit van inheemse volken.



Toch worden indianen niet erg gerespecteerd, ook al staat dit op papier. Taal is vaak het probleem, waardoor veel verschillende indiaanse talen verdwijnen.





 3.8 De huidige positie van de inheemse volken



Indianen hebben sinds de komst van de Europeanen veel te lijden gehad:




  • 80% inheemse bevolking in 500 jaar uitgeroeid door volkenmoord, overdracht van Europese ziektes & verdrijving uit het leefmilieu. Ook werden ze als minderwaardig beschouwd en uitgebuit, en nu zijn ze vaak slachtoffer van discriminatie.



Toch zijn de leefomstandigheden van de inheemse volken verbeterd en is de armoede afgenomen.



De meeste inheemsen zijn arm en doen ongeschoold/laaggeschoold werk.



Er kwam in Z-Amerika in de jaren 80 een democratiseringsgolf na een periode van dictaturen à snelle groep van maatschappelijke politieke actie (indianen) à indiaanse bevolking is een belangrijke politieke factor geworden.



Indianen hebben hun eigen sociale structuren en normen en waarden, die afwijken van de westerse:




  • Inheems gewoonterecht

    • Rechtspreken binnen de gemeenschap

    • Genegeerd door machthebbers sinds de kolonisatie





Ze wouden ook recht om mee te beslissen in de regionale en nationale besluitvorming, zo hebben ze terrein gewonnen.



Het toestaan van enige vorm van regionale autonomie (zelfbestuur in het eigen woongebied) is echter zeldzaam.



Land- en waterrechten staan centraal in de culturele en fysieke overleving van de indianen.




  • Communale gronden

  • Gebieden met spirituele relatie tot hun voorouders

    • Het opdelen in individuele landrechten vinden zij onmogelijk





Er moet worden bewezen dat de grond- en/of waterbron tot een bepaalde groep behoord à teruggeven van grond is moeilijker à territoriale conflicten over het eigenaarschap van grond en waterbronnen.



Aanhangers economische groei ßà inheemse bevolkingsgroepen die opkomen voor behoud van natuur en milieu.



Vooral in Brazilië worden inheemse stammen in hun leefgebied bedreigd door bijv. de aanleg van ranches, bouw van stuwdammen, mijnbouw en de aanleg van wegen.



à Hele gemeenschappen raken door de ontginning uit hun isolement, maar raken ook vaak land kwijt (door racisme).


REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.