Hoofdstuk 4 “De Wereld Indelen”
§ 4.1 Tjechië en Egypte vergeleken

Door landen met elkaar te vergelijken kun je beter begrijpen wat er in de wereld gebeurt en wat de oorzaken en gevolgen van problemen zijn. In deze paragraaf leer je welke economische, demografische en sociaal-culturele indicatoren er zijn voor het vergelijken van landen. Als voorbeeldlanden worden Tsjechië en Egypte gebruikt.

Economische kenmerken

Als je naar verschillende landen gaat kijken zie je dat de welvaart sterk verschilt. Om de mate van welvaart te kunnen meten maak je gebruikt van het BNP per inwoner zodat het aantal inwoners niet uitmaakt en je een goed economisch beeld krijgt van een land. Als je een geografisch beeld van een land wilt krijgen moet je kijken naar de kenmerken die van belang zijn voor de manier waarop het landschap word ingericht zoals economische kenmerken, demografische kenmerken en sociaal-culturele kenmerken.
Economie gaat over het verdienen van geld en de besteding daarvan aan goederen of diensten. Als je landen op economisch gebied wilt vergelijken kun je kijken naar de kenmerken productie, verdiensten en werk. Het nationaal inkomen per hoofd van de bevolking is de meest gebruikte indicator voor de ontwikkeling van een land. Er zijn 3 manieren om dat te berekenen:
1. Alle inkomens die in 1 jaar worden verdiend uit loon, winst, rente en pacht bij elkaar optellen.
2. De totaaltelling van alle toegevoegde waarden in een economie (nationaal product).
3. De totaaltelling van alle bestedingen in een land zoals consumptie van burgers, investeringen, overheidsuitgaven en export min bestedingen voor importen.
Het BNP is de totale productie van economische goederen uitgedrukt in geld, dus alle omzet die in een jaar gemaakt wordt. Als het BNP stijgt wil dat niet persé zeggen dat de welvaart in een land ook stijgt want als er bijvoorbeeld een ramp gebeurt levert dat werk en bestellingen op wat goed is voor het BNP.
Het BNP word vaak gebruikt als critirium voor ontwikkeling, maar dit is niet altijd juist. Ten eerste is het moeilijk om in een ontwikkelingsland het BNP vast te stellen doordat veel mensen zelfvoorzienend zijn. Ook speelt geld een minder belangrijke rol en is het dus moeilijker voor registratiediensten om een nauwkeurig beeld te schetsen. Daarnaast werken deze registratiediensten veel minder efficient dan in Westerse landen. Ten tweede is het een probleem om de valuta te vergelijken met een ander land doordat de officiele wisselkoersen vaak sterk verschillen van de werkelijke waarde. Ten derde heb je in ontwikkelingslanden vaak een schatrijke elite en een straatarme massa, dus het gemiddelde BNP zegt niets over de verhoudingen in een land. Ten vierde verschilt de hamburgerindex vaak tussen landen.
Met koopkracht wordt de hoeveelheid goederen die je kunt kopen van je salaris/geld bedoeld. Men vergelijkt de koopkracht in een land door te kijken hoeveel je moet betalen voor een standaard mandje met goederen dat een gemiddeld huishouden in een bepaalde periode zal aanschaffen (de index). Een soortgelijk vergelijkings instrument is de hamburgerindex waarbij de prijs die je voor een hamburger moet betalen in een land vergeleken wordt. Doordat je overal McDonald’s vestigingen hebt kun je de koopkracht op deze manier vergelijken.
Doordat de betrouwbaarheid van het BNP als vergelijkingsinstrument omstreden is, is er een nieuwe indicator in het leven geroepen: de Human Development Index die ook andere economische en sociale indicatoren gebruiken om een directer beeld te geven. De HDI, of IMO (Index Menselijke Ontwikkeling) heeft de volgende kenmerken:
1. Hoeveel verdient de bevolking gemiddeld?
2. Hoe oud worden de mensen gemiddeld?
3. Hoeveel mensen hebben leren lezen en schrijven?
De bestaansmiddelen worden verdeeld in 3 groepen: De primaire, secundaire en tertiaire sector. De primaire sector bestaat uit landbouw, de secundaire sector uit industrie en de tertiaire sector uit handel. Als het percentage van de beroepsbevolking dat werkt in de primaire sector hoog is, zegt dat veel over de welvaart. In ontwikkelingslanden werken vaak ook veel mensen in de secundaire en de tertiaire sector waar de lonen ook laag liggen, dat is dus geen goede vergelijkings maatstaf. Ook werken veel mensen in de informele sector, waar dus geen cijfers van bekend zijn.
Economische kenmerken:
- BNP per hoofd van bevolking
- Koopkracht
- Grootte van beroepsbevolking
Demografische Kenmerken
Demografie gaat over de aantallen van de bevolking en alles wat daarmee te maken heeft zoals de vergrijzing en vertrek uit een bepaald gebied en probeert dit te verklaren. Ze gaan dus over bevolkingsdichtheid en –spreiding.
Om te kijken waar mensen wonen in een gebied word een choropletenkaart gebruikt waarop de gemiddelde bevolkingsdicht word aangegeven in kleinere eenheden. Bevolkingsdichtheid en –spreiding zeggen niks over de ontwikkeling van een land, de bevolkingsgroei doet dit wel. De leeftijdsopbouw is ook een indicator voor ontwikkeling, hiermee wordt de samenstelling van de bevolking van leeftijd naar geslacht bedoeld. Dit wordt weergegeven in een bevolkingspiramide. Er zijn 3 soorten piramide-modellen te onderscheiden: de normale piramide vorm die typerend is voor ontwikkelingslanden. De kogel vorm wat een stagnerende bevolkingsgroei weergeeft met veel jongeren en weinig ouderen en het ui model geeft omgekeerde weer. Hier zijn er veel problemen met vergrijzing wat veel geld kost aan pensioenuitkeringen en bejaardenzorg.
De piramide modellen geven weer hoe zwaar de niet-productieven profiteren van diegenen die moeten werken voor de samenleving. De demografische modellen geven aan hoe groot de groene druk is en hoe groot de grijze druk, en de demografische druk is de optelsom hiervan.
Demografische kenmerken:
- Bevolkingsspreiding
- Bevolkingsgroei
- Leeftijdsopbouw
Sociaal-culturele kenmerken
De voornaamste kenmerken van een cultuur zijn taal en godsdienst, maar je kunt ze niet als criterium voor welvaart gebruiken. Ze zeggen wel veel over een land. Godsdienst is bijv. van invloed op de manier waarop een land wordt ingericht. De hoeveelheid analfabeten in een land is een belangrijke voorwaarde voor de ontwikkeling van een land, daarom is dit criterium ook opgenomen in de HDI.
Sociaal culturele kenmerken:
- Taal (analfabetisme)
- Godsdienst
§ 4.2 Verschuivende werelden

De afgelopen periode is de wereld grofweg te verdelen in rijk, arm, onderontwikkeld en hoogontwikkeld. Het werd verdeeld in een kapitalistische/democratische wereld, de derde wereld en een tweede communistische wereld met een door de overheid geregelde planeconomie. Dit is de afgelopen 20 jaar verandert doordat de verhoudingen tussen de landen veranderen en dit heeft weer gevolgen voor de welvaart en de demografische en sociaal-culturele indicatoren.
Vroeger hadden veel landen koloniën die dienden als vestigingsland of als leverancier van tropische producten en grondstoffen. Na 1970 waren de meeste koloniën zelfstandig maar de welvaart bleef laag. Volgens deskundigen komt dit doordat de arme massa altijd wordt uitgebuit door een rijke elite. De verhoudingen tussen de rijke landen en de arme landen word weergegeven in een centrum-periferie model. In het centrum bevind zich de macht, in de periferie de arme massa. Binnen het centrum en periferie heb je ook weer een centrum-periferie model met een rijke elite en een arme massa. Je hebt ook landen die er een beetje tussenin vallen en die noem je semi-periferie. Tsjechië is hiervan een voorbeeld.
Het centrum-periferie model is aan het veranderen. Het Europese kerngebied (de blauwe banaan) is aan het uitbreiden terwijl het zwaartepunt zich naar het westen verschuift. Landen die binnenkort waarschijnlijk centrumlanden worden worden transitielanden genoemd. De afgelopen 50 jaar heeft de distributie van goederen zich over de hele wereld verspreid. De verspreiding van productie, handel en vervoer wordt global shift genoemd. Hierdoor verandert het centrum-periferie model ook.
Als de economische en sociale ontwikkeling in een land toeneemt daalt het geboortecijfer. De leeftijdsopbouw verandert ook en de bevolkingspiramide krijgt een andere vorm en de vergrijzing neemt toe. Maar in landen waar gewapende conflicten, epidemieën, hongernoden en aids hun tol eisen heeft de bevolkingsgroei pieken en dalen.
Je kunt landen ook indelen in een cultuurgebied waarbij de taal, godsdienst en gemeenschappelijke geschiedenis ongeveer gelijk zijn. De overgangsgrenzen tussen cultuurgebieden zijn vaak een plek van geweldadige spanningen waarbij godsdienstig fundamentalisme een grote rol speelt. Fundamentalisme is het letterlijk interpreteren van godsdienstige geschriften en geworteld in een onwankelbaar geloof wat vaak leidt tot militant optreden.
De verspreiding en vermening van nieuwe dingen en ideeën tussen landen of bevolkingsgroepen word ook wel diffusie genoemd. Culturele diffusie vindt plaats door contacten van handelaren, reizigers en emigranten. In de negentiende eeuw vond er veel culturele diffusie plaats door het kolonialisme en het zoeken naar grondstoffen. Dit ging mede zo snel doordat er nieuwe snellere vervoersmiddelen uitgevonden werden. Tegenwoordig zijn de grenzen tussen cultuurgebieden zo vaag en door het proces van globalisering kan de westerse cultuur zich uitbreiden over de hele wereld. Alle grote metropolen zijn door handel en internationale netwerken met elkaar verbonden, de lingua franca (voertaal) is hierbij engels. Nieuwe trends, ideeën, producten en technieken verspreiden zich volgens de diffusietheorie snel over een gebied waarbij de gebieden die het dichts bij het innovatiecentrum liggen als eerst hiervan profiteren. Deze plekken worden ook wel de ‘fast world’ genoemd. Gebieden die slecht bereikbaar zijn met een oeroude cultuur worden de ‘slow world’ genoemd.
Door de netwerkwerksamenleving worden de relatieve afstanden waarin diffusie plaatsvindt steeds korter. Er is sprake van tijd-ruimte compressie, de wereld wordt kleiner. Door moderne communicatiemiddelen is er sprake van modernisering en amerikanisering. Niet iedereen zit hierop te wachten, als een cultuur word aangetast leidt dat altijd tot verzet.
In veel landen vindt de modernisering maar gedeeltelijk plaats. Je spreekt dan van een fragmentarische modernisering. Ze nemen dan vaak alleen de materiële zaken over als telefoons, auto’s, computers.
Tijdens het proces van globalisering vinden er ook culturele confrontaties plaats. Hierbij vindt er polarisatie plaats, het versterken van tegenstellingen tussen bevolkingsgroepen. Bijvoorbeeld tussen arbeiders en middenstanders, mensen met een andere etnische achtergrond, met verschillende geloven en mensen met een andere taal.
§ 4.3 Handel, investeringen en migratie

Sinds de koude oorlog voorbij was is er sprake geweest van een toenemende internationalisering op economisch en sociaal-cultureel gebied. De migratie neemt toe naar gebieden met groeiende welvaart en werkgelegenheid wat een belangrijke oorzaak is voor de verspreiding van culturen.
Na de Tweede Wereldoorlog nam de wereldhandel enorm toe waardoor de welvaart in veel landen ook toenam. Kapitaalstromen groeiden ook, welke bestaan uit betaling voor allerlei goederen en diensten en investeringen in het buitenland. De meeste handel vindt plaats tussen Noord-Amerika, West-Europa en Japan, de handelstriade genoemd (of de noord-noord handel). Er vindt ook handel plaats tussen de rijke industrie landen en de Derde Wereld landen. Ze importeren goedkope grondstoffen en ruilen dat voor dure industrieproducten (noord-zuid handel). Een nadeel hiervan is dat de kloof tussen arm en rijk groter word, en dat de arme landen in de toekomst geen grondstoffen meer hebben. Een voordeel hiervan is dat de werkgelegenheid in de Derde wereldlanden toeneemt. De internationale uitwisseling van ideeën, kapitaal en goederen heet globalisering en wordt vooral aangejaagd door Multinationale Ondernemingen. Deze MNO’s hebben hun hoofdkantoren in een centrumland staan en hun productieafdelingen in een periferie land.
De productieketen in een bedrijf is vaak in kleine stukjes geknipt. Sommige MNO’s besteden alles wat niet bij de kerntaken hoort uit aan kleinere bedrijfjes die vaak in gezinsverband werken voor een hongerloontje. Dit productiesysteem wordt door sommigen uitbuiting genoemd.
Sommige gebieden houden zich bezig met de productie van een bepaald goed omdat ze er goed in zijn, de lonen er laag liggen of omdat de milieu- en arbeidsregels niet zo goed worden nageleefd. Dit wordt regionale specialisatie genoemd. Soms worden hoogwaardige functies ook uitbesteed aan lage lonen landen, zoals het schrijven van software programma’s. Dit wordt outsourcing genoemd.
Als er in een bepaalde stad of regio een bepaald soort bedrijven is gevestigd kan het voor andere bedrijven handig zijn om zich hier ook te vestigen doordat zij gebruik maken van dezelfde leveranciers en klanten en hun werknemers beschikken over een goede kennis die weer voor innovaties zorgen. Zo’n gebied wordt een cluster genoemd.
De volgende voorwaarden maakten de economische mondiale uitbreiding en de Global Shift mogelijk:
Economische voorwaarden:
- Vrijhandel. Geen invoerrechten en importbellemerende regels dus.
- Welvaart in de wereld. Dit zorgt voor voldoende afzetmarkten
Technische voorwaarden:
- Goede transporttechnologie. Snelle schepen en vliegtuigen etc.
- Moderne communicatietechnologie. Telefoons, satellieten, internet.
Politieke voorwaarden:
- Geen gesloten politiek-militaire blokken die de economische samenwerking belemmeren.
De handelsblokken als NAFTA en EU bieden voordelen zoals een betere mondiale samenwerking, maar ook nadelen zoals belangentegenstellingen en nieuwe landen die meer profiteren van subsidies. In opkomende ecomische landen krijg je ook tweedelingen tussen de bevolking. In het centrum heb je een dynamische economische kernzone en daarbuiten blijft de traditionele samenleving overeind met als gevolg dat er grote welvaartsverschillen zijn en migratiestromingen.
De geograaf Edward Ullman heeft een theorie ontwikkeld waarmee het ontstaan van vervoersstromen kan worden verklaard. Deze theorie wordt de interactietheorie genoemd. “Interactie” betekent beweging van mensen en/of goederen tussen twee of meer plaatsen. Goederenstromen ontstaan wanneer tussen twee plaatsen een systeem van vraag en aanbod bestaat. Er ontstaat vervoer van bijvoorbeeld sinaasappels van Israël naar Rotterdam als er in Rotterdam vraag is naar sinaasappels en Israël aan die vraag kan voldoen. Ullman noemt dit complementarity (complementariteit). Ten tweede moet de afstand tussen de punten van vraag en aanbod tegen een redelijke prijs en met weinig moeite overbrugd kunnen worden. Ullman noemt dit transferibility (verplaatsbaarheid). Tenslotte mag dit systeem van vraag en aanbod niet worden verstoord door intervening opportunities (tussenliggende mogelijkheden) die een alternatief kunnen bieden. De relatie tussen een plaats in Israël waar de sinaasappels worden geoogst, en een bedrijf in Rotterdam dat de sinaasappels koopt, wordt verstoord als blijkt dat ook in Portugal sinaasappels kunnen worden verbouwd. Het bedrijf in Rotterdam zal geneigd zijn de sinaasappels uit het dichterbij gelegen EU-land Portugal halen, om zo de transportkosten te verlagen.
De afgelopen eeuw nam de relatieve afstand in economisch, cultureel en sociaal opzicht sterk af.
Ruimtelijke complemantariteit: Twee regio’s die elkaar aanvullen, die elkaar nodig hebben. Beide regio’s bieden iets wat de ander nodig heeft.
Tussenliggende mogelijkheid: Hoe verder 2 gebieden uit elkaar liggen, hoe groter de kans dat ergens tussenin zich een mogelijkheid voordoet om dezelfde spullen te verkopen/kopen.
Tussenliggende hindernis: Een hindernis in een route die ‘dichtbij’ opeens veel verder maakt. Bv een brug die gesloten word.
De transporteerdheid hangt af van de kosten, het vervoersmiddel en de infrastructuur.
In sommige gebieden neemt de welvaart toe waar andere gebieden achterblijven. Dit is voor sommigen een stimulans om ernaartoe te emigreren. Sommigen raken thuis in hun nieuwe land en integreren, de nieuwe identiteit over landsgrenzen heenreikt noem je dit een transnantionale identiteit.
§ 4.4 Groot-Brittanië en India in wereldperspectief
Groot-Brittannië stond aan het begin van het globaliseringsproces doordat daar ook de industrialisatie begon. India was een kolonie van Groot-Brittanië en trok hun dus mee in dit proces.
Tegenwoordig woont 89% van de engelse bevolking in steden. Vroeger was dit veel minder, maar door de industriele revolutie gingen steeds meer mensen naar de steden vanwege de werkgelegenheid. Door de steenkoolvoorraden en de stoommachine konden veel plaatsen uitgroeien tot grote industrie steden. Die industrie is inmiddels verplaatst naar de lagelonenlanden. Er is sprake van deindustrialisatie waardoor de oude steden moeite hebben om weer een nieuwe economie op te bouwen. Dit probleem word versterkt door de grote metropool londen waar de meeste nieuwe bedrijven zich vestigen.
Binnen landen nemen de regionale ongelijkheid toe terwijl veel landen naar elkaar toe groeien op economisch en sociaal gebied. De britse industrie moest zijn centrumfunctie opgeven waardoor de tegenstellingen groeide. Daarnaast heb je ook oude verwaarloosde industriegebieden tegenover nieuwbouwwijken, en een grote groep arme allochtone mensen tegenover een welvarende middenklasse. Dit zijn drie voorbeelden van tegenstellingen binnen een land.
Tussen 1800 en 1914 was het tijdperk van het imperialisme. In deze periode maakte Groot-Brittanië een kolonie van India voor hun grondstoffenn. Ook probeerden ze hun besturingssysteem aan hun op te leggen. De kolonisatoren schakelden de inlandse vorsten en hoofden in om hun wetten en regels aan de miljoenen inwoners op te leggen, indirect rule genoemd. De Britten gebruikte India als exploitatiekolonie en niet als vestigingskolonie omdat het er daar te dichtbevolkt voor was.
De Britten kregen steeds meer controle in India. De officele taal in het bestuur en onderwijs werd Engels. Het gevolg van de koloniale aanpak was dat de industrie en landbouw uitgebreid konden worden maar de Indiase bevolking had hier niet veel aan want welvaart bleef uit doordat alle winsten naar het moederland gingen waardoor de lonen + koopkracht laag bleven. Daarnaast groeide de bevolking snel doordat het kindersterftecijfer daalde en de hygiene en medische zorg werden verbeterd.
De steden in India bestaan uit 4 delen en worden daarom 4-in-1 cities genoemd. Ze bestaan uit:
- Oude administratieve en religieuze centra die omheind en beschermd zijn als een fort.
- Een koloniale stad met mooie huizen en brede pleinen, staat vaak tegen de oude stad aan.
- Een post-koloniale stad met een westers uiterlijk, moderne hoogbouw en kantoren.
- Krottenwijken
Calcutta was tot 1911 de hoofdstad van Brits Indië en was een megastad waar veel problemen speelden met daklozen en waar de nutsvoorzieningen erg slecht waren. Delhi was vele eeuwen de hoofdstad van India, in 1931 werd New Delhi gesticht door de Britten. Beide megasteden wordenn overschaduwd door Mumbai met meer dan 15 miljoen inwoners. 2/3e van de bevolking woont er in krottenwijken en nieuwe migranten gaan niet werken in de industrie maar in de informele dienstensector zoals schoenenpoetsen op straat of andere slecht betaalde klussen. Megasteden groeien snel door een hoge migratiestroom en geboorteoverschot. Megesteden roepen 3 problemen op:
- Vervuiling, weinig voorzieningen, congestie, werkloosheid
- In de omgeving worden veel bomen gekapt, daalt het grondwaterpeil, luchtvervuiling
- Een megastad trekt mensen en bedrijvigheid aan wat ten koste gaat van andere steden
India is een land van grote tegenstellingen. Het verschil tussen arm en rijk is enorm groot. Het meeste geld gaat naar de grotere boeren waardoor veel boeren het niet redden. De middenklasse groeit maar veel bevolkingsgroepen blijven arm. 35% is analfabeet en 200 miljoen mensen zijn ondervoed terwijl er genoeg voedsel beschikbaar is.
Na de dekolonisatie in 1947 werkte india met een economisch systeem waarbij er sprake was van een sterke bemoeienis van de staat. In de jaren 90 richtte het land zich meer op de markteconomie waarna de welvaart groeide. Maar dit riep ook tegenstand op toen de boeren moesten gaan concurreren met andere landen waarbij de rijke landen de WTO regels in eigen voordeel wijzigen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

josie

josie

taal en analfabetisme is niet hetzelfde tho

7 maanden geleden

Antwoorden

gast

gast

K.

K.

ah dit is echt fijn, aleen zou ik wat meer met alinea's werken, dat leest wat makkelijker.

3 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

dit is H3

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

S.

S.

mensen die de toets al hebben gehad hoe was die toets en als je dit leert weet je dan al ong genoeg?

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

T.

T.

Okaayy deze samenvatting is gewoon bijna evenveel tekst als dat hele hoofdstuk.. Niet echt handig als je even snel wil leren..

6 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Jesse Tekkelenburg

Jesse Tekkelenburg

Erg veel spelfouten! Druk voor dat je het document op internet zet even op spellingscontrole ;)

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

dit heb je dus echt niet van je zelf hea.

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

B.

B.

als je trouwens je samenvatting verslag langer wil maken zonder meer te scrhrijven gewoon al je komma's en punten groter maken ;)

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

D.

D.

goede samenvatting! k had vandaag ak les & we hadden 4.2 nog niet gehad & k wist veel dingen al omdat k had doorgelezenn, k heb aankomende maandag toetss.. thanx :)

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

C.

C.

Je schrijft wel als een kleuter. Maar alles staat er in.

7 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

M.

M.

dankzij jou samenvatting een 71

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

Karin

Karin

goede samenvatting, er staat precies in wat je moet weten. tnxx!

8 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast