Hoofdstuk 3

Paragraaf 1

Een opvallend verschil tussen landen is de ongelijke welvaart. Ook binnen een land zijn de verschillen groot.

Landen zijn soms moeilijk te vergelijken als je je gegevens uit statistische overzichten verzamelt, zoals uit de Grote Bosatlas. Dit komt doordat:

  • de indicatoren vaak verschillend worden omschreven;
  • veel cijfers zijn verouderd.

De gegevens worden meestal op nationale schaal gegeven, maar binnen een land kunnen grote verschillen bestaan tussen gebieden en bevolkingsgroepen.

Om landen goed te kunnen vergelijken, moet je letten op bevolkingskenmerken. Je hebt drie soorten kenmerken:

  • Economische kenmerken;
  • Demografische kenmerken;
  • Sociaal-culturele kenmerken.

Economische kenmerken:

(Economie gaat over het verdienen van geld en de besteding ervan aan schaarse goederen, zowel aan tastbare materiële goederen als materiële diensten. Economische criteria is gebaseerd op de volgende kenmerken: productie, verdiensten en het werk dat de mensen doen.)

Bruto Nationaal Product (BNP) = de totale productie van goederen
BNP per hoofd wordt vaak gebruikt, maar hier moet je voorzichtig mee zijn, omdat het cijfer niets zegt over de verdeling van het nationaal inkomen.
Het vaststellen van het BNP van een ontwikkelingsland is lastig, omdat de productie vaak niet op papier wordt vastgesteld.
Het BNP is lastig te vergelijken, omdat niet alles in dezelfde valuta is, daarom wordt alles eerst naar dezelfde valuta omgerekend. Men neemt daarvoor meestal de Amerikaanse dollar.

Koopkracht = de hoeveelheid goederen en diensten die je van je salaris of zakgeld kunt kopen.
Een vergelijkingsfactor hiervoor is de zogenoemde hamburgerindex.

Human Development Index (HDI)
Deze wordt berekend als een gewogen gemiddelde van drie criteria:

  • Nationaal inkomen per hoofd (hoeveel verdient de bevolking gemiddeld?);
  • Levensverwachting (hoe oud worden de mensen gemiddeld?);
  • Culturele ontwikkeling (hoeveel mensen hebben leren lezen en schrijven?).

Beroepsbevolking = is het deel van de bevolking dat werkt om geld te verdienen.
Er zijn drie beroepssectoren:

  • Primaire sector (landbouw, visserij en jacht);
  • Secundaire sector (industrie, ambacht, bouwnijverheid, mijnbouw en openbare nutsbedrijven);
  • Tertiaire sector (handel, transport, financiële en zakelijke diensen en bestuurlijke, sociale en culturele diensten).

Vooral het aandeel dat in de landbouw werkt, is veelzeggend: een hoog percentage werkenden in de primaire sector wijst op armoede.
Tot de (mogelijke) beroepsbevolking van een land worden alle mensen tussen de 15 en 65 jaar gerekend.

Paragraaf 2

Demografische kenmerken = de aantallen van de bevolkingen en de verschillen erin.

De bevolkingsdichtheid = is het aantal mensen per km2
het is altijd een gemiddelde

De bevolkingsspreiding = geeft aan hoe de bevolking is verdeeld over een ruimte.

De bevolkingsgroei = de getalsmatige toename of afname van een groep mensen als resultaat van geboorte en sterfte, en vestiging en vertrek.
Geboortes – sterftes = geboorteoverschot
Vestiging – vertrek = migratiesaldo
Geboorteoverschot + migratiesaldo = bevolkingsgroei

Geboortecijfer = (aantal geboorten / aantal inwoners) X 1000

Vruchtbaarheidscijfer = (aantal geboorten / aantal vrouwen (15-45)) X 1000

Sterftecijfer = (aantal sterfgevallen / aantal inwoners) X 1000

Zuigelingensterfte = (aantal sterfgevallen van zuigelingen (0-1) / aantal zuigelingen (0-1)) X 1000

Kindersterfte = (aantal kinderen < 5 jaar, dat sterft / aantal levendgeborenen) X 1000

Groene druk = hoort bij een piramidevormig leeftijdsopbouwmodel
(< 20 jr (in %) / beroepsbevolking (20-64 jr)(in %)) X 100%

Grijze druk = hoort bij een uivormig model
(65+ (in %) / beroepsbevolking (20-64)( in %)) X 100%

Demografische druk = de verhouding tussen de som van het aantal personen van 0-19 en 65+ en de personen van 20-64 jaar.
(groene druk (in %) + grijze druk (in %) / beroepsbevolking
(20-64) (in %)) X 100%

Veranderingen in de leeftijdsopbouw zijn te verklaren met behulp van het model van de demografische transitie (zie figuur in de bijlage).

Dit model laat zien hoe in de loop van de tijd de aantallen geboorten en sterften verschuiven onder invloed van veranderende omstandigheden.

Migreren

Pushfactoren:

  • Uitzichtloosheid;
  • Beperking;
  • Belemmering.

Pullfactoren:

  • Hoop;
  • Kansen;
  • Mogelijkheden.

Over het algemeen worden mensen door een mix van factoren verleid om elders een nieuw bestaan op te bouwen.

Arbeidsmigrant = iemand die zijn (thuis) land verlaat en zich in een ander land vestigt om daar te gaan werken.

Godsdienst

Taal en godsdienst zijn de voornaamste onderdelen van de cultuur en maken met de geschiedenis deel uit van de identiteit van het volk.

De taal is voor de overheid een belangrijk middel om via onderwijs, voorlichting en soms propaganda zijn ideeën te verspreiden en de eenheid van een land te versterken

Paragraaf 3

In de afgelopen eeuwen is een wereldsysteem ontstaan. Dat houdt in dat de wereld ingedeeld is volgens een bepaald model, zoals het centrumperiferiemodel, om de economische en politieke machtsverhoudingen uit te drukken.

De vorige eeuw was gericht op het kolonialisme, het verschijnsel dat een land een ander land in bezit neemt en dit land dan als een deel van zichzelf gaat beschouwen met als doel het verwerven van grondstoffen en een afzetmarkt.

Sommige landen dienden als vestigingskolonie, andere (overzeese) gebiedsdelen werden gezien als exploitatiekolonie. Rond 1970 waren de meeste koloniën zelfstandig = de dekolonisatie.

De oorspronkelijke wereldverhoudingen veranderen in hoog tempo. De voornaamste reden hiervan is dat de productie van goederen en diensten op een andere manier is verspreid over de wereld, er ontstaat een nieuwe internationale arbeidsverdeling.

De BRIC-landen zijn de grootste bijdrage en vertonen de grootste economische groei in de wereld.

Globalisering (mondialisering) gebeurt in de handel/het kapitaal/de communicatie maar ook in de dienstsector.
De wereldwijde verschuiving van productie, handel en vervoer heet global shift.

De G20 bestaat uit 19 landen en de EU. Gezamenlijk beslaan de leden van de landen en de EU zo’n 90% van het wereldtotaal BNP, ⅔ van de wereldbevolking en zo’n 80% van de wereldhandel.

Als gevolg van de nieuwe internationale arbeidsverdeling groeien veel landen economisch naar elkaar toe. De oorspronkelijke periferie (het zuiden) bestaat nu uit opkomende landen, een middengroep en achterblijvers.

Een opkomend land als China kan gerekend worden tot de semiperiferie.

Maar de regionale ongelijkheid en de sociale ongelijkheid binnen de staten wordt (soms) steeds groter.

Niet alle landen klimmen op de economische ladder. In een aantal centrumlanden is de vaart er wat uit. Ze hebben te maken met een toenemende concurrentie als gevolg van de globalisering. Er zijn ook landen in de periferie waar de groei bijna stilstaat. DAT ROEPT SPANNINGEN OP!
Bijvoorbeeld in Egypte groeit het BNP, maar het inkomen per hoofd gaat nauwelijks omhoog:

  • De bevolking groeit snel;
  • De koopkracht daalt door de hoge inflatie;
  • De ongelijkheid in de verdeling van inkomens neemt toe.

Het werkloosheidscijfer is ong. 10%, maar de verborgen werkloosheid is veel groter.
Tot de jaren 60 verbouwde Egypte zijn eigen voedsel. Daarna werden voedselimporten betaald met de opbrengsten van de oliewinning.
Maar die raken nu op!
De staatsschuld is torenhoog, dus de subsidies voor armen werden minder/verdwenen.
De verslechterde levensomstandigheden dreven veel mensen tot protest tegen het autoritaire regime. Egypte zal terugvallen in een nieuwe vorm van dictatuur of het zal uitgroeien tot een stabiele democratie waar de rechten van de minderheden worden gerespecteerd.

Begrippen H3

Analfabetisme
De mate waarin ongeletterdheid in een samenleving voorkomt.

Arbeidsmigratie
De verhuizing van mensen als gevolg van het zoeken naar werk.

Beroepsbevolking
Personen van 15-65 jaar die ten minste 12u per week werken.

Potentiële beroepsbevolking
De bevolking in de leeftijd van 15-65 jaar.

Bevolkingsdichtheid
Het (gemiddelde) aantal inwoners per km2.

Bevolkingsgroei
De getalsmatige toename of afname van een groep mensen als resultaat van geboorte en sterfte (natuurlijke groei) en vestiging en vertrek (sociale groei).

Bevolkingsspreiding
De wijze waarop de bevolking is verdeeld over de geografische ruimte.

BRIC-landen
De (semiperifere) opkomende landen Brazilië, Rusland, India en China.

Bruto Nationaal Product
Alles wat- in geldwaarde uitgedrukt- in een jaar door de staatsburgers van een land wordt geproduceerd of verdiend. Heet tegenwoordig Bruto Nationaal Inkomen.

Centrum
Begrip uit het centrum-periferiemodel: gebied waar de economische en politieke macht is geconcentreerd.

Dekolonisatie
Het politiek onafhankelijk worden van een voormalige kolonie.

Demografische druk
De mate waarin de productieve leeftijdsgroepen de niet-productieve leeftijdsgroepen moeten onderhouden.

Demografische transitie
Model dat de overgang van een hoog niveau van een natuurlijke bevolkingsgroei en de tussenliggende sterke toename van de bevolkingsomvang weergeeft en verklaart.

Exploitatiekolonie
Een buitenlands gebied dat door een bepaalde mogendheid bezet wordt gehouden om te dienen als leverancier van goedkope grondstoffen en arbeidskrachten.

Globalisering
Het steeds verdergaande proces van internationale uitwisseling van goederen, kennis en kapitaal. Ook wel mondialisering genoemd.

Global shift
Wereldwijde verschuiving in productie, handel en vervoer.

Godsdienst
Een levensbeschouwing die uitgaat van het bestaan van een of meer goden. Ook wel religie genoemd.

Grijze druk
De verhouding tussen het aantal personen van 65 jaar of ouder en het aantal personen in de zogenaamde ‘productieve leeftijdsgroep’ van 20 t/m 64 jaar.

Groene druk
De verhouding tussen het aantal personen van 0 tot 19 jaar en het aantal personen in de zogenaamde ‘productieve leeftijdsgroep’ van 20 t/m 64 jaar.

Kolonialisme
Het verschijnsel dat een land (dat vaak rijk en machtig is) een ander land in bezit neemt en dit land dan als deel van zichzelf (als een kolonie) gaat beschouwen met als doel het verwerven van grondstoffen en een afzetmarkt.

Koopkracht
De hoeveelheid goederen en diensten die een bevolking kan verkrijgen voor een gegeven hoeveelheid geld.

Leeftijdsopbouw
De getalsmatige samenstelling van de bevolking naar leeftijd en geslacht.

Mondialisering
Het steeds verdergaande proces van internationale uitwisseling van goederen, kennis en kapitaal; wordt meestal globalisering genoemd.

Nationaal inkomen
Totaaltelling van alle inkomens die in een jaar in een land worden verdiend.

Periferie
Begrip uit het centrum-periferiemodel: randgebied dat buiten het centrum van macht en invloed ligt, maar daarvan wel afhankelijk is.

Regionale ongelijkheid
Situatie dat gebieden binnen een land zo sterk van elkaar verschillen op sociaaleconomisch terrein, dat deze verschillen als een maatschappelijk problemen worden ervaren.

Semiperiferie
Begrip uit het centrum-periferie-model. Gebied dat een tussenpositie inneemt tussen centrum en periferie en onderworpen is aan het centrum, maar macht uitoefent over een deel van de periferie.

Sociale ongelijkheid
Situatie dat de verschillen op sociaaleconomisch terrein tussen de bevolkingsgroepen binnen een land, gebied of plaats zo groot zijn, dat deze verschillen als maatschappelijk probleem worden ervaren.

Taal
Cultuurelement dat een belangrijk middel is in de overdracht van informatie, gevoelens en ideeën.

Vestigingskolonie
Een buitenlands gebied dat door een vreemde mogendheid bezet wordt gehouden om daar een deel van de eigen bevolking te laten wonen.

Vrijhandel
Handel tussen landen die volledig plaatsvindt volgens de wetten van vraag en aanbod. Het tegenovergestelde van vrijhandel is protectionisme.

Wereldsysteem
Indeling van de wereld volgens een bepaald model, zoals het centrum-periferiemodel, om de economische en politieke machtsverhoudingen uit te drukken.

Hoofdstuk 4

Paragraaf 1

De industriële revolutie, die in de 18e en 19e eeuw plaatsvond, ging samen met een sterke verstedelijking en grote migratiestromen.
Veel culturen kwamen samen en zorgde voor vernieuwingen.

Het begrip diffusie (innovatiediffusie) wordt vaak gebruikt om het verspreiden en vermengen van vernieuwingen (innovatie) of ideeën over landen of bevolkingsgroepen aan te duiden. Mensen nemen ideeën over als ze dat nuttig vinden, en passen deze aan de plaatselijke omstandigheden aan.
Diffusie van mensen vindt plaats door handelaren, reizigers, emigranten, enz.

In de 19e eeuw werd de diffusie steeds intensiever door:

  • De koloniale uitbreiding van veel Europese landen;
  • De wereldwijde zoektocht naar grondstoffen en afzetmarkten door rijke landen;
  • Het gebruik van sneller en goedkoper vervoer met behulp van stoomschepen en stoomtreinen;
  • De toename van de wereldhandel door dit alles.

Landen met (ongeveer) dezelfde culturele eigenschappen kunnen worden ingedeeld bij een bepaald cultuurgebied.
Dat is een gebied dat wordt gekenmerkt door een groot aantal min of meer gelijke cultuurelementen, de belangrijkste zijn:

  • Taal;
  • Godsdienst;
  • Gemeenschappelijke geschiedenis.

Culturele grenzen zijn door de huidige migratiestromen en diffusieprocessen echter steeds moeilijker te trekken.
Overgangsgebieden tussen cultuurgebieden vormen een bron van spanningen.

Als gevolg van migratie en globalisering neemt het typisch eigene van een cultuur af. De diepe verbondenheid met de geboortegrond neemt af. Mensen raken daarmee een deel van hun identiteit kwijt.
Dit kan leiden tot verzet tegen veranderingen.

De weerstand tegen cultuurvervaging heeft vaak te maken met de manier waarop de modernisering plaatsvindt.
Arme mensen ondervinden alleen maar de negatieve kanten van de modernisering, alleen de elite die hebben er voordeel aan.
Hierdoor kunnen de sociale en politieke spanningen in een land flink oplopen.

Een wereldstad of metropool is een miljoenenstad die tot op internationaal niveau belangrijke economische, politieke, wetenschappelijke en culturele functies vervult.
De Global cities zijn op mondiaal niveau met elkaar verbonden.
De lingua franca van Nederland is bijvoorbeeld Nederlands zodat iedereen met elkaar kan praten en elkaar kan verstaan.

Bedrijven vestigen zich graag in deze steden omdat:

  • een omgeving waar van alles en nog wat gebeurt, een enorme stroom van contacten, kennis, creativiteit en innovatie oplevert;
  • de concentratie van activiteiten agglomeratievoordelen met zich meebrengt;
  • bedrijven van elkaars aanwezigheid profiteren, doordat ze goederen en kennis kunnen uitwisselen.

Dankzij de vooruitgang in de transporttechnologie werden de vervoermiddelen gedurende de afgelopen eeuw steeds sneller en groter.
Vooral de schepen.

De communicatietechnologie is even belangrijk, dat kwam op door de digitale revolutie.

Als gevolg van de schaalvergroting in de transportwereld dalen de vervoerskosten per eenheid product. Ook zijn de relatieve afstanden afgenomen, de wereld is kleiner geworden.
Tijd-ruimtecompressie = het in elkaar persen van tijdsduur en afstand.

De processen die tegenwoordig het snelst worden afgewikkeld, zijn verspreiding van informatie en de verplaatsing van kapitaal.
Dat is mogelijk dankzij de digitale revolutie, maar de gevolgen zijn ook groot:

  • De verschillen in rijkdom worden groter;
  • Het werk is anders over de wereld verdeeld en het vervoer, de opslag in magazijnen en de distributie van goederen totaal veranderd is;
  • Er zijn wereldwijde netwerken van bedrijven, instellingen en migranten ontstaan. Deze netwerken kunnen intensief worden onderhouden;
  • Burgers van een land kunnen elkaar makkelijker dan voorheen, op de hoogte houden van politieke ontwikkelingen.

Daardoor kunnen de democratisering en de openheid in een land toenemen.

Paragraaf 2

Sinds de Tweede Wereldoorlog is de wereldeconomie snel gegroeid. De productie van goederen is verdriedubbeld. Nooit eerder bereikten zoveel mensen in zoveel landen zo’n hoge welvaart.

De mondiale goederenhandel is, in geld uitgedrukt, tegenwoordig vijfmaal zo groot als in 1960. De groei van de goederen- en vervoersstromen werd nog overtroffen door de groei van de kapitaalgoederen.

Het grootste handelsvolume wordt afgewikkeld tussen de technische hoogontwikkelde industrielanden: de ‘Noord-Noordhandel’. De triade wordt gevormd door:

  1. Noord-Amerika
  2. Japan
  3. West-Europa

Daarnaast is er een veel kleinere goederenstroom tussen de rijke landen en de armere landen: de ‘Noord-Zuidhandel’.
Vroeger was er ruilvoet tussen arme en rijke landen, waar arme landen erg onder leden.

De onderlinge handel tussen de Zuidlanden neemt ook voortdurend toe tegenwoordig.

De internationale migratiestromen zijn al veel jaren Zuid-Noord gericht, maar door de economische ontwikkeling van veel Zuidlanden neemt de internationale Zuid-Zuidmigratie de laatste jaren sterk toe.

Het voortschrijdende proces van internationale uitwisseling van goederen, technologie (kennis) en kapitaal heet economische mondialisering of economische globalisering.

Het globaliseringsproces wordt vooral aangejaagd door wereldwijd opererende multinationale ondernemingen.

Een multinational (MNO) bestaat uit een moederbedrijf met filialen of vestigingen in minstens 2 andere landen, meestal heel veel andere landen.
Een belangrijk kenmerk is dat het moederbedrijf die vestigingen controleert.
Ze heten ook wel transnationale ondernemingen.

Tot nu toe plaatsten de MNO’s vooral de productieafdelingen over naar landen met lage arbeidskosten.

Een belangrijke stap in het globaliseringsproces was het verder in stukjes knippen van het productieproces. Om te kunnen begrijpen wat dit wil zeggen en wat de gevolgen zijn, moet je iets weten over de productieketen of bedrijfsketen van een goed.

Er zijn 3 stappen om (in dit geval een auto) op de markt te zetten:

  • Het bedenken van een (nieuw) model en vat allerlei technische snufjes (valt onder de afdeling onderzoek, ontwerp en ontwikkeling (ook wel Research and Development));
  • De fabricage;
  • De reclame (dit valt onder de afdeling marketing en distributie).

Veel MNO’s besteden allerlei tussenstapjes van het fabricageproces uit aan onderaannemers. Ze vinden dat het bedrijf daar flexibeler van wordt.

Het in stukjes knippen van het productieproces maakt de weg vrij voor een internationale arbeidsverdeling. Daardoor ontstaat er een regionale specialisatie.

Gebieden buiten hun gunstige locatiefactoren uit, zoals lage loonkosten of aanwezige vakkennis.

Bedrijven vinden het ook fijn als de politiek stabiel is en er weinig of niet strenge milieuregels zijn.

Bedrijven vinden het ook fijn als de politiek stabiel is en er weinig of niet strenge milieuregels zijn.

Om de groei en uitbreiding van handelsstromen en investeringen mogelijk te maken, moest worden voldaan aan een groot aantal voorwaarden:

  • Een stelsel van vrijhandel; globalisering komt niet van de grond bij protectionisme, dat houdt in dat ieder land zijn eigen landbouw en industrie beschermt tegen andere landen of bedrijven;
  • De sterke groei van de welvaart in grote delen van de wereld; daardoor ontstaat een mondiale afzetmarkt voor een groeiende stroom consumentengoederen.
  • De ontwikkeling van de transporttechnologie; snellere schepen en vliegtuigen, steeds groter en dus ook steeds goedkoper;
  • De digitale revolutie;
  • Het uiteenvallen van gesloten politiek-militaire blokken.

Globalisering is zowel een economisch als een sociaal-cultureel proces. Op meer plaatsen in de wereld tref je dezelfde ideeën, gebruiken, mode en merken aan. Dit is een voorbeeld van culturele globalisering.
Wordt vaak aangeduid met amerikanisering.

Paragraaf 3

De oorsprong van de snelle verstedelijking ligt in de Industriële Revolutie.

Deze golf van industrialisatie begon in Midden-Engeland, de Midlands. Dankzij de aanwezige steenkoolvoorraden en de toepassing van de stoommachine groeiden Manchester, Birmingham, Leeds, Sheffield en de havenstad Liverpool uit tot indrukwekkende industriesteden die voor de wereldmarkt produceerden.

In de tijd waarin sprake is van deïndustrialisatie van westerse economieën is het lastig voor de oude centra van zware industrie om weer uit het dal op te krabbelen. Deze industrialisatie is het verdwijnen van fabrieken en de bijbehorende werkgelegenheid naar landen waar de productiekosten lager zijn.

De problemen in de Midlands werden vergroot doordat de oude industriesteden worden overvleugeld door de primate city Londen.
Londen is een van de grootste wereldspelers op het gebied van de zakelijke dienstverlening.
Zakelijke dienstverlening houdt zich bezig met het leveren van diensten en het geven van advies.

Terwijl op wereldschaal veel landen in economisch en sociaal opzicht naar elkaar toegroeien, nemen binnen de landen de verschillen soms toe.
Globalisering kan leiden tot meer regionale ongelijkheid.
Op nationaal schaalniveau moesten leidende industriegebieden zoals de Midlands, het Ruhrgebied en Noord-Bohemen, hun centrumfunctie inleveren.
Binnen deze regio’s werden de tegenstellingen eveneens groter.

Tussen 1800 en 1900 waren er veel kolonies, zo ook India.

Het gevolg van de koloniale aanpak was dat in India een gunstig klimaat ontstond voor uitbreiding van de landbouw en industrie. Een grotere welvaart voor de Indiase bevolking bleef echter uit. Dit had twee redenen:

  • De winsten uit de kolonie stroomden naar het moederland; door het afstromen van de welvaart bleven de lonen en koopkracht laag;
  • De bevolking groeide ontzettend snel; door hygiëne en medicatie daalde het kindersterfte.

Dankzij de economische liberalisering groeit de stedelijke middenklasse snel. Op langere termijn kan hierdoor de extreme sociale ongelijkheid tussen rijke elite en arme massa afnemen.

Na de dekolonisatie (1947) werkte India met een planeconomie. De overheid bepaalde uiteindelijk wat er geproduceerd moest worden, waar en hoeveel.

In begin ‘90 werd een koers van liberalisering ingezet en ging het land langzamerhand over op de markteconomie.
Export nam toe, werkgelegenheid groeide en welvaart steeg.

De overheid zette Speciale Economische Zones (SEZ’s) op met belastingvoordelen voor het bedrijfsleven. Dit was aantrekkelijk voor MNO’s.

Aantrekkelijke vestigingsfactoren zijn:

  • De jonge, goed opgeleide, hard werkende en Engelssprekende beroepsbevolking;
  • De relatief lage arbeidskosten;
  • Een enorme binnenlandse afzetmarkt die in aantal mensen en vooral koopkracht groeit.

Begrippen H4

Alpiene plooiingsfase
De meest recente plooiingsperiode, die aan het eind van het Tertiair is begonnen en nog steeds voortduurt.

Basalt
Donker, fijnkorrelig stollingsgesteente dat na vulkanische uitbarstingen als uitvloeiingsgesteente aan de oppervlakte komt.

Caldeira
Een zeer grote inzinking in een vulkaankrater, ontstaan door het instorten van het dak van een leeggelopen magmakamer.

Convergente plaatgrens
Grens tussen twee aardplaten die naar elkaar toe bewegen.

Duurzaam gebruik
Zodanig omgaan met de natuurlijke omgeving dat ook toekomstige generaties er op dezelfde manier gebruik van kunnen maken.

Explosief vulkaantype
Zeer krachtige vulkaanuitbarsting van lava, vulkaanbommen en as die ontstaat onder invloed van hoge gasdruk of als het magma in contact komt met water.

Lava
Al dan niet gestold, over het aardoppervlak uitgevloeid magma.

Stratovulkaan
Vulkaantype waarbij de kegel is opgebouwd uit afwisselend aslagen en lavalagen.

Tuf
Poreus, bruingrijs gesteente dat ontstaat door verkitting van vulkanisch as.

Waterproblematiek
Alle vraagstukken die te maken hebben met de hoeveelheid en de kwaliteit van het water in een gebied.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.