Hou jij van lezen of juist helemaal niet? Doe mee aan deze vragenlijst en maak kans op 15 euro Bol.com-tegoed!

Het Romeinse leger

Beoordeling 6.1
Foto van een scholier
  • Profielwerkstuk door een scholier
  • 5e klas havo | 6013 woorden
  • 12 april 2001
  • 416 keer beoordeeld
Cijfer 6.1
416 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE

Waarin maak jij het verschil? Klik en ontdek de bachelors van Wageningen University

Bekijk alle 20 bachelors van Wageningen University

Ooit zei Sulla, een grote politieke tegenstander van Julius Caesar en Mariussen: `een Caesar is erger dan een dozijn Mariussen.' En Sulla kreeg gelijk, Julius Caesar schakelde al zijn politieke vijanden uit en werk Keizer van het Romeinse Rijk!

Inleiding Voor het profielwerkstuk heb ik het vak geschiedenis gekozen met als onderwerp: `Het Romeinse leger'. Geschiedenis heb ik gekozen omdat dit vak gewoon leuk is. Verder koos ik het Romeinse leger omdat ik al vanaf de basisschool een grote belangstelling had voor het Romeinse rijk. Ik verbaas me nog steeds hoe het mogelijk is dat een man de macht kon hebben over 1/4de van de wereld en regeerde over alles wat er in dat rijk leefde. De Keizers heerste dan ook over zo een groot rijk door een groot en goed georganiseerd leger te hebben dat naar hem luisterde en dan ook alleen naar hem. De angst voor het Romeinse leger was groot. In de verscheidene 100de jaren dat het Romeinse rijk bestond, waren er maar enkele grote veldslagen die het Romeinse rijk echt aan het wankelen bracht. Hannibal was een van de invallers geweest die zelf tot Rome zijn poorten is gekomen, de uitdrukking `Hannibal ad portas' is zelfs nog jaren later in gebruik gebleven. (`Hannibal ad portas' betekent in het Latijns, `Hannibal [staat] voor de poort' wat je kunt vertalen naar `de nood is aan de man'.) Verder was het zo dat het Romeinse leger juist aanvallen uitvoerde en zijn wereldrijk vergrote. De grote vraag is natuurlijk hoe dit gigantische systeem kon standhouden met een eveneens groot leger. Daarom is de hoofdvraag van dit werkstuk `Wat zijn de veranderingen in het Romeinse leger geweest ten tijde van de Republiek tot en met het leger van het Keizerrijk.' En onderzoeken we hoe het Romeinse leger door de eeuwen zich steeds aanpaste aan de omstandigheden om zich heen met de steeds wisselende samenstelling van het bestuur en de steeds maar weer wisselende grote van het land en de vorm van tegenstand die tegenkwamen. De deelvragen zijn:

- Hoe is het Romeinse leger ontstaan. - Wat is het Romeinse leger. - Wat voor ontwikkelingen waren er in het Romeinse leger tijdens vrede- en oorlogstijd. - Tot wat was het Romeinse leger in staat. - Waar bestond het Romeinse leger uit (De samenstelling en grootte). - Waar en wat voor oorlog voerde de Romeinen. - Wat was de kracht van het Romeinse leger.

Met deze vragen probeer ik een goed beeld te geven van het Romeinse leger en wat het in feite heeft gepresteerd en onder welke omstandigheden.

Hoe is het Romeinse leger ontstaan? Rome werd gesticht tijdens de Europese ijzertijd in het jaar 752 v. Chr. Aanvankelijk was het een klein dorp aan de Tiber. De officiële verhalen werden veranderd namaten het Romeinse Rijk groter werd. Maar de erkende versie werd dat Aeneas, zoon van Aprodite, een man uit Troje naar Latium kwam. Zijn zoon stichtte Alba Longa en de tweelingzonen van de Koning van Alba Longa stichtte uiteindelijk de stad Rome. In deze tijd was Rome nog geen koningrijk, in feite was het een dorp dat tussen twee dalen in lag. De volgende 6 eeuwen zal Rome zijn macht proberen uit te breiden met oorlogen in de omstreken, de oorlog zullen zo nu en dan in het voordeel van de Romeinen zijn, en op andere momenten was het Rijk bijna vernietigd door Germaanse invallen die tot de poorten van Capitool waren gekomen. De Romeinen kregen een oneervol vredesverdrag, wat dan wel onredelijk was maar wat het voortbestaan van Rome vrijstelde.

In deze tijd had het Romeinse gebied (een Rijk kun je het nog niet noemen) een leger dat bestond uit 3000 zwaarbewapende soldaten te voet, ook wel infanterie genoemd en een ruiterij bestaand uit 300 ruiters te paard. Deze groep in zijn geheel werd ook wel een legioen genoemd. De lichtingen in het Romeinse leger bestond alleen maar uit mensen die iets bezaten. De rijke konden te paard oorlog voeren en de minder rijke werden ingedeeld in de infanterie. Het idee hierachter is dat als je rijk bent en grond bezit je wel moet vechten. Dit vechten is dus nodig om je grond, geld en dus macht te behouden. De arme die toch niks bezaten werden niet in het leger toegelaten omdat ze toch niets hadden om voor te vechten.

De lichting gebeurde dan ook elk jaar opnieuw om elk jaar weer andere mensen uit te kiezen. Aan het begin van het jaar werden er twee consuls gekozen, deze kozen dan een groep mensen die zijn stafofficieren zullen zijn. Deze mensen heten ook wel tribunen. Daarna werd de bezittende klasse in de leeftijd van 17 tot 45 jaar opgesteld op de heuvel bij het Capitool. Daar werden ze opgedeeld in leeftijd en lengte. Daarna moesten de mensen in groepen van 4 naar voren treden en werd er om de beurt door elke consuls een man uitgekozen. Zo werd elke keer de meest ervaren man gekozen en was de samenstelling van elk legioen evengoed in samenstelling van ervaring en kwaliteit. Zo is simpel en effectief een leger ontstaan.

Na de eerste Romeinse burgeroorlog bleef dit gebruik voorbestaan tijdens de Republiek. En ten tijde van de Keizers zullen de rijke geen belangstelling meer tonen in oorlog voering en zullen ook arme deel nemen aan het leger.

De veldslag tegen het Macedonische leger De Romeinen voerde al enkele jaren een oorlog in Griekenland. Deze veldslag duurde al 3 jaar. Toen Aemilius Paullus gekozen werd als een van de twee consuls werd gekozen, moest hij de oorlog tot een snel einde brengen. Paullus gaf opdracht om de legioenen van 4200 naar 5000 te vergroten. Hierdoor kreeg hij ongeveer 20.000 man op de been om de Grieken mee aan te vallen. Het leger werd in gescheept en vertrok maar eerst werden ze ingedeeld bij een centuriën. De armste en jongste rekruten kregen een plaats in de voorhoede. De sterkste kregen een plaats bij de zware infanterie en de oudsten werden bij de achterhoede geplaatst.

Nu was het leger aangevuld en klaar om een oorlog te voeren. Paullus ging op zoek naar het Macedonische leger dat zich ergens in de buurt van Olympus (een berg) aan de oostkust had verschanst. Elke keer als een Romeinse consul erheen trok om oorlog te voeren, waren de Macedoniërs gevlucht. Daarom werden de extraordinarii ingezet, dit is het deel van het leger dat speciale taken kreeg aangewezen. Deze eenheid bestond uit 1/5de van de infanterie en 1/3de van de cavalerie. Ze moeste door een omtrekkende beweging over land de wegen afsnijden. De vloot deed ditzelfde maar dan op zee. Paullus liet een bliksemaanval plaats vinden op het kamp en vertrok daarna om de volgende dag het Macedonische kamp leeg aan te treffen. De Macedonische voelde zich niet meer veilig en zijn s'nachts vertrokken. De verkenners lieten weten dat de tegenstander naar de Olympus reisde en daarop stuurde Paullus een eenheid vooruit om een geschrikte plek voor een kamp op te zoeken. Op ongeveer een kilometer afstand van de tegenstander werd een smalle strook glooiend land gevonden met een stroom water. Een kamp werd opgezet, dit werd gedaan door een deel van de soldaten tussen de werkzaamheden en de vijand in te zetten voor de veiligheid, en een ander deel ging aan het kamp werken. De Romeinen wilde namelijk nog geen oorlog voeren omdat ze na een lange mars en door de hitte van een warme zomerdag niet op volle kracht kunnen vechten.

De volgende dag verzamelde de Macedoniërs hun voorledige legermacht en trokken ten strijd tegen de Romeinen. 20.000 Macedoniërs kwamen in slagorde aangemarcheerd. Paullus stuurde zijn ruiters erop uit om de opmars te vertragen samen met de velites. De velites is een eenheid soldaten die verdeel werd over de 5000 man grote legioen. Deze eenheid was in totaal ongeveer 800 man groot. Na dit gedaan te hebben zette Paullus zijn soldaten daarna in de slagorde. Na het signaal van de trompetten trokken de ruiters en velites zich terug en stelde zich naast de legioenen op. En de legioenen trokken op. Toen de twee legers elkaar bijna raakte, gooide de legioensoldaten hun pila, een zware speer en vielen daarna met getrokken zwaard aan. De Romeinse soldaten hielden in hun andere hand hun schild dat vast werd genageld door de speren van de Macedoniërs. De Macedoniërs hadden allemaal hele lange speren die in de schilden kwamen vast te zitten. Op deze manier stonden beide legers helemaal stil. Maar door het ligt glooiende terrein was er hier en daar een bres ontstaat in de falanx van de Macedoniërs. Daarom gaf Paullus zijn soldaten opdracht om onafhankelijk door de gaten in de bressen te komen en de vijand zelfstandig aan te vallen. De centurio's (officier over ongeveer 100 man) voerde dit uit. Door deze bressen aan te vallen vielen de legioensoldaten de Macedoniërs van dichtbij aan en zaten de lange speren alleen nog maar in de weg. Daarnaast werd deze tactiek ook toegepast bij door het midden van de falanx aan te vallen, deze brak in tweeën en maakte een bres met een grote opening die dan ook gretig werd aangevallen door de Romeinse soldaten. De zon ging aan het einde van de dag onder toen Paullus zijn soldaten terug riep, zijn gesneuvelde waren er 100 in totaal, tegen 20.000 Macedoniërs!

Wat was de uitrusting van het Romeinse leger en de tactiek die ze hierbij toepasten? In het vorige hoofdstuk kwamen enkele zaken naar voren die de Romeinse soldaat kon doen. In dit gevecht is daarom ook duidelijk te zien wat de tactiek van de Romeinse soldaten is. De bescherming van de soldaat was door de tijd altijd hetzelfde, wel werden er soms ver- beteringen aangebracht of werd een model vervangen door een ander maar het idee bleef hetzelfde. De wapenuitrusting die de Romeinslegioensoldaat gebruikte was nageaapt van andere volkeren. De maliënkolder afkomstig uit Gallië, het korte zwaard is overgenomen van de Spaanse Kelten en de helm werd samen met de overige bepantsering gebruikt volgens de Griekse manier. Een soldaat werd namelijk te allen tijde beschermd door een schild dat vanaf zijn iets onder zijn knie tot zijn borst reikte. Dit schild had een kromming erin zitten zodat het om de soldaat heen gebogen was. De Romeinse soldaten konden met deze schilden een formatie vormen die uniek is in de vechtkunst, `de schildpad' formatie. Deze formatie hield in dat de soldaten die werden aangevallen door pijlen in het voorste gelid zich knielde en het schild voor zich op de grond neerzetten. De soldaat daarachter tilde het schild op en zette het op het andere schild dat verticaal staat dat er zowel boven als voor een schild staat tegen alles wat er afgevuurd werd. Deze formatie bood bijna gehele dekking van pijlen en stenen uit een slinger. Verder was van het voorste been de scheen beschermd door een metalen scheen- beschermer. De Soldaat droeg verder standaard een maliënkolder of andere bescherming voor zijn borst en een helm. De maliënkolder was vooral licht en bood weinig bescherming omdat de soldaat zich vooral op snelheid toelegt en het schild de meeste klappen moest opvangen. De wapenuitrusting van de gewone soldaat bestond uit een zware speer en een lichte speer en een zwaard dat tot het type kortzwaard behoorde.

De aanval van de Romeinen vond dan ook altijd plaats in gesloten formatie in het openveld zodat ze optimaal gebruik kunnen maken van hun aanvalstactiek. De tactiek ging als volgt. De Legioenen stelde zich in slagorde op door naast elkaar te gaan staan. Ze werden in hun rug gedekt door de velites, en de buitenste flank bestond uit de ruiterij. Als de soldaten naar de vijand liepen ging iedereen in de aanval. (Behalve de achterhoede, zij dekte de soldaten gewoon, de velites ging pas aanvallen als de leiding daar opdracht toe gaf omdat de voorhoede het niet alleen af kon of om ergens extra druk op te zetten zoals bij de Macedoniërs.) De soldaten in de voorhoede die de vijand naderde hielden in hun hand de lichte speer, deze speer wierpen zij op de tegenstander zodra ze hem op 20 meter waren genaderd, daarna gooide ze de zware speer. Het idee van deze tactiek is dat de lichte speer, de pila de tegenstander raakt en verwond of dat de tegenstander zijn schild heft en de aankomende speer tegenhoudt door hem in zijn schild te laten binnendringen. Maar de Romeinse speer was gemaakt van een stevige houten schacht met aan het einde een dunne metalen lange punt die zicht verboog bij het binnendringen van de tegenstander zijn lichaam of schild. Hierdoor was de speer onbruikbaar om terug te gooien en het schild werd extra verzwaard door een speer, de soldaat kon kiezen tussen weggooien of meeslepen. Als hij zijn schild te vroeg weggooide kwam er namelijk nog een tweede zware speer, ook een pila erachter aan en verwonde of dode de soldaat. Daarna trok de Romeinse soldaat zijn zwaard en viel de tegenstander aan.

De aanval die werd uitgevoerd bestond vooral uit een frontale aanval met als doel om het centrum vernietigend onder druk te zetten en daarna het gespleten leger van de tegenstander in de daardoor gemaakte flanken aan te vallen. Deze tactiek ging meestal goed maar mislukte tegen de grote denker Hannibal die zijn centrum juist uit de strijd haalde en deze juist gebruikte om de flanken van de Romeinen aan te vallen en daarna zelfs de achterhoede met de ruiterij. Deze tactiek van Hannibal werd ook door Sciptio toegepast in het Romeinse leger en Caesar wijzigde de tactiek ook hierna.

Caesar aan de macht In het jaar 100 v.Chr is Julius Gaius Caesar geboren in Rome. Al als jonge aristocraat maakte

Julius Caesar wel enkele fouten die hem bijna zijn leven kosten en erg levensbedreigend waren en enkele blunders die zijn reputatie aantaste, maar op zijn 22ste was hij ervaren genoeg om een politieke baan te beginnen. Deze mislukte en hij ging een tijdje weg uit Rome, hij werd zelfs nog gevangen genomen door zeerovers die hij later aanviel en alle ophing. Toen hij met zijn groep soldaten bij een legioen kwam om zich aan te sluiten, kreeg hij een brief dat er een functie open was in de College van Priesters die kon leiden tot een functie tot hoge priester. Caesar vertrok meteen naar Rome terug. Hier ontving hij ook een lage ambtsfunctie als een van de 6 krijgstribunen. Dit was een niet zo belangrijke functie in het leger, maar een goed begin op de ladder van de ambtelijke ladder. Julius Caesar werkte vooral in het Forum waar hij zijn zaken afhandelde en mensen te woord stond die zijn hulp goed konden gebruiken. Hij had altijd een vriendelijk woord klaar of maakte een grapje. Verder onderhield hij contacten met mensen die later van nut konden zijn. Toen werd Julius Caesar door het volk gekozen voor een belangrijke functie in een belangrijke ambt, een der twintig quaestores of te wel schatmeesters. Via deze weg kun je gekozen worden in de Senaat, het meest belangrijke ambt systeem in het Romeinse rijk. Maar deze moest in Spanje worden vervult en ver van het politieke spel. Maar voordat Caesar een ambt jaar had vervuld, was hij terug in Rome om mee te spelen in de Politiek. Na veel handelingen hielp hij een rijke man met zijn contacten en maakte gebruik van zijn geld. Daarmee kon Julius Caesar zijn verkiezingscampagne bekostigen wat leidde tot zijn leven en dood, als hij niet werd gekozen voor de functie van Hoge Priester werd zijn leven in gevaar gebracht door de vele schuldeisers. Maar Julius Caesar werd gekozen door het volk. En wilde een volksopstand organiseren omdat hij net als het volk een hekel heeft aan geldschieters die je helemaal uitpersen. Dit plan hield hij voor zich zodat niemand dit te weten kwam van zijn tegenstanders tot zijn plan is uitgevoerd. Maar Caesar werd Consul van een legioen en ging in Spanje op veldtocht en voerde een leger aan. Hij deed alles samen met zijn legioen, hij at hetzelfde, sliep met hen in de open lucht en liep de lange marsen met hun. Terug in Rome werd hij niet gehuldigd door tegenstrijdige wetten maar liet zich wel herkiesbaar stellen en werd weer Consul met een mede consul Bibulus. Verder sloot Julius Caesar een driemanverbond met Pompeius en Calpurnia en dwong de Senaat tot enkele vreedzame wetten door te voeren door met zijn verbond de Senaat te bedreigen. Mensen die zich verzetten werden beledigd of door het leger tijdelijk uit het Forum verwijdert. Zo werd het verzet tegen gegaan.(Pompeius was de leider van het leger en Caesar had een legioen.) Toen het Senaat Caesar de functie gaven van het beschermen en onderhouden van bos en voetpaden was hij zo beledigd dat de Senaat dit veranderde in een functie tot opzichter van Gallië benoemde, het Senaat veranderde deze ook nog eens door de Franse kust eraan toe te voegen en het ambt van 1 of 2 jaar naar 5 jaar te verlengen. (Gallië was tot de net over de Frans en Italiaanse Alpen en de rest moest nog veroverd worden.) Caesar veroverde Gallië en werd een groot generaal in de daarop volgende jaren. Vele veldslagen volgden in de daarop komende jaren, enkele van deze veldslagen zullen in de volgende hoofdstukken te spraken komen. Nadat de oorlog minder werd en Caesar terug kwam in Rome werd hij lang gehuldigd. Maar werd niet gekozen voor een belangrijke functie nu zijn 5 jarige ambt over was. Caesar moest zijn wapens neerleggen of vogelvrij worden verklaard. Dit stond hij niet toe en trok met een kleine groep soldaten (1500 man) naar Rome om Pompeius te verdrijven die openlijk partij koos voor de tegenstanders van Caesar. Dit kon een burgeroorlog veroorzaken die inderdaad volgde. Pompeius stierf en Caesar dode de meeste tegenstanders. Toen hij terug kwam in Rome herstelde hij de orde en zette zijn vrienden in belangrijke sleutelposities en vroeg de senaat of hij de verkiezingen mocht leiden en voor het ambt dictator voor 10 jaar mag worden gekozen! Dit lukte, het volk was op handen van Caesar maar de aristocratie was tegen de wetten die Caesar tegen hen maakte, dit deel van de bevolking waren juist de rijken die vroeger veel meer mochten. De Senaat die hier ook toe behoorde vermoorde Caesar op een vergaderdag door hem openlijk te vermoorden. De gevolgen en onrust die hierop volgde waren enorm. Duizenden stierven met Caesar als straf voor hun verraad. Augustus, een goede vriend van Caesar werd hierna Keizer. Hij zal het Romeinse rijk zijn trots terug geven en het leger laten vechten.

[plaatje]

Zo zal het Keizerrijk er ongeveer uit zien tijdens de top van zijn macht in handen van Gaius Actavius Augustus. Augustus zal de orde handhaven met behulp van het leger. En zal het werk voortzetten dat Caesar achter liet. Wel waren er geschiedenisschrijvers die vertelde dat Augustus en gesloten man was die opgeschrikt was voor deze functie maar niet geheel terecht is. De Caesar leefde voort in deze trotse man die het Keizerrijk voorliet gaan en zijn privé-leven verzaakte en Rome zijn kracht liet behouden, wat met de republiek alleen niet was gelukt.

Geniewerk door het Romeinse leger In dit hoofdstuk word verteld waar de kracht van het Romeinse leger in zat verscholen. De Romeinen waren in staat om onuitputtelijk en dus totaal zonder ophouden aan een klus te beginnen en deze te klaren. Naast de vechtkunst school de kracht van de Romeinen ook in het soldatenwerk. Dit werk werd gedaan door alle gewone soldaten. Soldatenwerk is het aanleggen van wegen, bruggen en aquaducten. De soldaten hadden aan dit werk een hekel. Ze moesten namelijk de hele dag zwoegen om allemaal materialen af en aan te slepen om iets aan te leggen voor de beschaving van het rijk. Deze arbeid werd zo onvermoeibaar gedaan, dat op de dag van vandaag nog steeds de sporen van de soldaten terug is te vinden in de Franse Alpen op 500 meter boven de eeuwige sneeuwgrens in vorm van een weg. Dit werk werd verricht door genie soldaten die getraind en opgeleid waren in het verrichten van dit soort werk. Een soldaat merkte ooit op: `Als je een behoorlijk werk verricht wilt hebben, neem dan het leger om het te doen'.

Maar naast het vorige schitterend geniewerk was er nog een bezigheid bij de genie soldaten die de vorige overtreft, de belegering tactieken van de Romeinen. Het vertrouwen in de Romeinse belegeringswerken was zo groot dat toen de Romeinen een stad hadden omsingeld de bevelhebber werd benaderd door een gezant uit de stad die meedeelde dat de stad voor 10 jaar voedsel had opgeslagen. De Romein antwoordt heel simpel: `Dan neem ik de stad in het 11de jaar in'. Het gevolg was dat de stad zich meteen overgaf.

Meestal lukte dit niet. Sommige vijanden zoals de Germanen wilden zich gewoon niet zo gemakkelijk over geven. Onder leiding van Caesar werd daarom een belegerd voor een lange tijdsduur voorbereid. Toen in Gallië de leider Veringetorix in opstand kwam en na een overwinning te overmoedig Caesar wilde vernietigen maar zijn gehele Cavalerie werd vernietigd en daarna vluchtte naar een stad op een heuvel. Gingen de Romeinen een blokkade oprichten met behulp van een dubbele gracht, een palissade met om de 25 meter een toren. Voor de grachten werden houten staken schuin in de grond gestoken en er werden kuilen gegraven met palen en daarvoor werden gemene kraaienpoten en ijzeren pennen in de grond gestoken om de vijand het lopen te bemoeilijken en laat staan de grachten te bereiken! Deze linie was 16 kilometer lang, er werd aan 13.000 m2 plaggen afgestoken en 20.000 kubieke meter aarde verplaatst om wallen op te werpen. En omdat Caesar een bevrijdingsleger van de Galliërs verwachte bouwde hij een tweede linie naar buiten toe, deze linie was 20 kilometer lang. Verder werden er 23 forten langs de linie gebouwd. Veringetorix zijn eten raakte op en de kinderen, vrouwen en ouderen werden de stad uitgestuurd en verhongerde in dit stukje niemandsland tussen de Romeinen en de Galliërs. Veringetorix begon aan het begin met 80. 000 soldaten die proberen te ontsnappen maar zijn laatste ontsnappings aanval telde nog maar 60.000 soldaten die dwars door de linies heen wilde breken. Dit mislukte, en het aanvallende ontzettingsleger van de Galliërs, geschat op een kwart miljoen werd ook terug gedreven. Veringetorix gaf zich de volgende dag over. De bezetting was gelukt.

Dit werk was verricht met een simpele houweel, een turfsnijder en een soort houweel schep waarmee kon worden gegraven. Met dit gereedschap werd ook het basiskamp gebouwd dat de soldaten maakten voor de nacht. Dit kamp werd elke dag opnieuw gemaakt voor de veiligheid van de soldaten die relatief goed beschermd werden door een kleine kuil en een klein heuveltje daarachter die door de kuil is gemaakt.

Maar naast het maken van dit soort simpele zaken, waren de soldaten prima in staat om naast een langdurig beleg ook een stad aan te vallen. Bij het aanvallen van een tegenstander waren er twee mogelijkheden, de ene is een langdurig beleg met de zekerheid dat de tegenstander op de lange duur vanzelf wel komt onderhandelen, met als gevolg dat de buit voor het grootste deel voor het rijk is en de officieren. Of er wordt om gevochten door inname en de soldaten kapen een groot deel weg. Dit laatste gebeurde in Jeruzalem en in Avaricum. In Avaricum werd een beleg gemaakt bij een zeer goed verdedigde stad. De muren lagen boven op een hoge heuvel, om de stad in te nemen moest je 25 meter stijgen om bij de top van de muren te komen. Om de stad in te nemen werd er op 100 meter breedte een geweldige dam gebouwd die 25 meter hoog was, daarboven op kwamen twee belegeringstorens die op veilige afstand waren gebouwd en voor het beleg tegen de muur aan waren gezet. Deze opvulling in de dal van de heuvel naar de muur was in een maand verricht. Hierna konden de soldaten de stad aanvallen en innemen. Deze aanval gebruikte de Romeinen ook tegen Jeruzalem. Toen ze na maanden werken de stad hadden ingenomen stond er in een straal van 18 kilometer geen enkele boom meer. Als de Romeinen een bestorming maakte, werd dit gedaan door katapulten en boogschutters om stelling te brengen en onophoudelijk de muren te beschieten. Op deze manier konden de soldaten de muren benaderen in de schilpad formatie en de stormrammen in stelling brengen of de torens. Deze stijl is van de Grieken overgenomen. De stormrammen waren zo veilig gemaakt dat brand nog stenen de mensen erbinnen kon deren. Dit werd gedaan door van het geheel van stevige balken te maken en daarna van twijgen platen een vlechtwerk te maken dat de val van de stenen zal breken, daarop weer huiden en nat zeewier met ongelooide huiden die brand tegengaan. Op deze manier konden de mannen binnen rustig te werk gaan met het slopen van de muren. Dat werd bereikt met de stormram die uit een houtenbalk bestond met touw en huiden met als kop een metalen kop van een ram.

Verder zijn er ook katapulten gebruikt die pijlen en stenen afvuurden. In Engeland konden deze pijlenschietende katapulten, genaamd ballista's wel 150 meter ver schieten. De pijlen werden heel nauwkeurig afgeschoten en raakte meestal hun doel! Verder werden er ook stenen afgeschoten. Deze stenen werden niet altijd in een steil opgaande baan afgevuurd maar in een lage baan. Tijdens het beleg van Jeruzalem konden de wachter de lichte stenen zien aankomen in het donker, toen de Romeinen dit doorhadden werden ze donker geverfd en raakten ze vaker doel, een man verteld hoe het hoofd van een wachter wel 600 meter verderop werd gevonden nadat hij door een ballista is geraakt.

Zoals u had kunnen lezen, de Romeinse soldaten gebruikte de katapult bij elk beleg, maar verder werden ze ook op zee en in een gewone veldslag gebruikt. Tijdens de veldslag werden vooral de lichte katapulten gebruikt omdat deze snel te laden zijn, en geen grote doelen moeten raken.

De Genie was een onmisbare soldaat in het leger, ze waren intelligent en waren echt doorzetters. Geen enkel doel was te groot of ver of ze vonden wel een methode die niet alleen efficiënt was maar ook nog eens veilig voor de gewone soldaat.

Wat was de samenstelling in het Romeinse leger? De Legioenen zagen er in het algemeen bijna hetzelfde uit, zowel bij de Republiek als bij de Keizer. Hieronder is het leger van de Republiek uitgelegd. De Keizerlijke zal ik klassikaal uitleggen als daar belangstelling voor is. Maar zoals te lezen was in hoofdstuk 2 is er een bepaalde samenstelling die altijd hetzelfde bleef. De Romeinen hadden namelijk altijd een ruiterij van ongeveer 1 ruiter op de 10 tot 25 soldaten. Dit geldt niet voor het leger dat gewoon geen ruiterij erop nahield die toch moest vechten, dan waren er gewoon wat verkenners die boodschappen rondbrachten deze bestond dan uit ongeveer 120 man. De grote van het leger was tijdens de republiek 4200 man en werd vergroot naar 5000. Dit was de grote van een legioen, maar daarnaast werden er net zoveel bondgenoten verzameld die meehielpen. Deze bondgenoten bestonden uit mensen van de regio die de wegen kende en uit boogschutters en slingeraars uit het oosten die de soldaten op deze manier konden ondersteunen. Daarnaast waren er ook gewone soldaten die lichter waren bewapend, deze soldaten droegen een kleiner rond schild, met een paar werpspiesen en een zwaard. Deze hulpsoldaten werden in de voorhoede geplaatst en liepen voor het leger om problemen op te lossen. Deze soldaten waren zo licht bewapend om zich namelijk zo snel mogelijk te verplaatsen.

De gewone legioenen kunnen we opdelen in 4 onderdelen, de hulp soldaten van net worden de Velites genoemd, daarnaast waren er de Hastati en Principes. Dit waren de soldaten in de kracht van hun leven die de gewone bewapening droegen, dit is de helm, schild, twee werpsperen en het zwaard. Verder droegen ze een gewoon maliënkolder of een borstplaat. De armste en jongste jongens van de Hastati en Principes werden in de voorhoede gezet naast of achter de Velites maar meestal is de Velites verdeelt over het rest van het leger. Verder is er nog een laatste groep, de Triarius, dit zijn de oudste mannen die de achterste gelederen bezetten en bijna nooit in de strijd worden gebracht. Zij hadden geen twee werpsperen maar een lange lans. Dit was een kleinere eenheid, en dit waren de veteranen die al zeker 15 jaar hebben gediend.

Deze mannen werden aangevoerd door het opperbevel die weer officieren onder zich had. Het opperbevel bestaat uit 6 man die tribunen heten, daarna kwamen de eenheden van 80 tot 100 man die aangevoerd werd door een Centurio, elke Centurio koos een plaatsvervangend commandant, de optio. De andere officieren zijn: de vaandrig, de trompetter en een tesserarius. Deze man krijgt elke dag de wachtwoorden op een kleitablet.

De Centurië waren ook verschillend in rang, de eerst gekozen Centurio was hoger in rang dan de volgende Centurio. Een leger in het geheel bestond uit 10 manipels Hastati en tien manipel Principes. Dan nog eens 10 manipel Triarius en 10 trumae cavalerie. Een manipel van de Hastati uit 120 tot 150 legioensoldaten met speren en 50 tot 60 Velites. Deze manschappen werden opgedeeld onder twee Centurië's. De manipels van de Triarii bestond uit 60 speerdragers, de oudere soldaten en een even groot aantal Velites. Deze werd ook door de twee Centurion's gecommandeerd.

Verder zijn er ook nog ruiters, de ruiterij bestaat uit eenheid van 30 ruiters genaamd de turma, deze bestaat uit 3 eskadrons van elk 10 man groot die elk onder leiding stond van een decurio en leiding na de decurio was de optio, net als bij de legioenen de optio de plaatsvervanger is van een Centurio.

Net als de legioenen werden de bondgenoten opgedeeld in ruiterij en infanterie en maar was de ruiterij 3 maal zo groot als die van de Romeinen omdat de Romeinen zo een slechte ruiterij hadden. De bondgenoten werden tijdens oorlogstijd in hun eigen regio ingezet omdat zij de omgeving kennen en dus goed van pas kunnen komen in de lokale gevechten. Maar zodra er vrede is worden ze ingezet in grensgebieden om de lokale invallen tegen te houden. Dit was vooral bedoeld om de gewone legioensoldaat te ontzien en hem vooral in het

Binnenland te laten vechten en aldaar de interne problemen op te lossen. Maar in oorlogstijd trokken de legioenen uit om de problemen op te lossen, meestal verzamelde ze genoeg soldaten om de tegenstander tot stand te brengen maar in gevallen als de aanval van Hannibal werden zelfs de Pretorianen ingezet. De Pretorianen waren de soldaten van Rome zelf en behoorde tot de Keizerlijke lijfwacht, verder waren er ook soldaten die als politieagent en als brandweerman optraden in de stad. In vredestijd en tijdens de winter, gingen de soldaten terug naar hun winterverblijf omdat het vechten bemoeilijkt werd door de kou en het tekort aan voedsel.

De officieren tekenden net als de gewone soldaat voor 25 jaar. Ze werden wel beter beloond dan de gewone soldaat. Maar daarnaast was hun taak ook veel belangrijker. De Vaandrig droeg bijvoorbeeld de standaard van een cohort, en de standaard was de trots van een eenheid. De standaard wordt alleen maar buiten het kamp meegenomen als het hele legioen het kamp verlaat. En als tijdens de oorlog een standaard wordt gestolen door de vijand, dan werd de eenheid ontbonden en verspreid over de rest van het leger. De standaard werd tijdens Caesar gemaakt van zilver en goud en na hem werden de standaarden van goud gemaakt. De pretorianen hadden ook een stadaard, deze had een beeltenis van de Keizerlijke familie en de pretorianen werden 3 ½ maal zoveel betaald als een legioensoldaat voor hun trouw aan de Keizer. Ze hadden als taak de Keizer te beschermen, wat niet altijd lukte…

[plaatje]

Zowel links als rechts is een Romeinse soldaat te zien die in voorledige wapen uitrusting op het veld is. Dit is te zien aan de helm, soldaten droegen namelijk niet graag hun helm, maar waren verplicht om deze tijdens dienst te dragen, in dit geval hebben beide dienst en dragen hun helm voor een daarvoor vereiste taak.

[plaatje]

Hiernaast is een eenheid soldaten te zien die met getrokken zwaard in gesloten slagorde ten strijd trekken, wat niet klopt is de versiering, deze zit namelijk door zijn grote gewicht in de weg en werd voor de strijd juist verwijderd.

[plaatje]

Een eenheid soldaten staat vrij van elkaar, klaar om hun speren te werpen.

Uitbreiding over de zwaarden Zowel onder als boven zijn de Romeinse wapens te zien die ze hebben overgenomen van de Spaanse Kelten. Deze kort zwaarden hebben een rare vorm, ze zijn zeer breed met aan het einde een snel smaller wordend lemmet. Deze hebben een lemmet van ongeveer 60 centimeter lang en 5 centimeter breed, de grip was meestal van bot gemaakt. Deze zwaarden droegen ze aan de linkerkant. Verder werd er aan de rechterkant een kort mes gedragen van ongeveer 25 centimeter lang.

Slot Het Romeinse leger was de macht in het Romeinse Keizerrijk. De soldaten probeerde de tegenstander buiten de grenzen te houden en loste binnenlandse problemen op. Ze waren de macht die alles bij elkaar hield en de macht die de Keizers steunde in hun veroveringen. De Keizers waren zich hiervan bewust en konden daarom alleen Keizer zijn als het leger hen steunde. Het geheim achter de macht van de soldaten ligt in hun discipline, harde en efficiënte training en de snelheid waarmee ze nieuwe tactieken leerde. Deze macht werd hen geleerd door hun generaals, zoals Caesar en het grote denkvermogen om de tegenstander te doorzien en te verslaan met hun alwetendheid. Want toen Caesar met een minderheid van 3 tegen 1 stond. Werd de tegenstander verslagen door hem in zijn onwetendheid te ontwrichten in zijn massale aanval, te verspreiden en daarna te laten vluchten. De Romeinse soldaten hadden bijna geen verliezen tegenover een bijna totaal omgekomen legermacht van de tegenstander. Dit soort overwinningen werden gemaakt omdat de Romeinen wisten dat hun vechtkunst een overmacht aankon als ze de vijand maar genoeg verwarde en op het verkeerd been brachten. Ze waren dan ook moedig in hun strijd. Deze discipline is in geen enkel leger terug te vinden.

Het vermogen om zich aan te passen voor elk gevecht is erg toepasselijk bij de inname van de steden. De Romeinen oefenden vlak voor het innemen van een stad de technieken die ze nodig hadden om zo goed mogelijk over de muren te klimmen met volle bewapening. En hoe ze op de smalle kantelen toch zo efficiënt mogelijk konden vechten met hun grote schilden en korte zwaarden.

Deze macht heerste eeuwen over een kwart van de wereld. Volkeren verzetten zich soms, soms met succes en meestal niet. Soms werd het rijk bijna veroverd en vernietigd, maar altijd kwamen ze na zo een gevecht sterker uit de strijd omdat ze er iets van geleerd hebben. Zelfs Hannibal kon de Romeinen niet vernietigen, zijn tactiek was er precies voor gemaakt om de Romeinse soldaten in een gevecht te verslaan, en de olifanten waar ontzettend enge dieren. Maar zelfs hij kon niet zo een groot land onder de duim krijgen en houden. De macht die het leger daarvoor bezat in hun aanpassingsvermogen was gewoon te groot. En hun vertrouwen in hun vechtkunst ook.

Bronvermelding soort bron naam

Boeken -`Het Romeinse leger' door Peter Connolly van de Zuid-Nederlandse Uitgeverij Centrale Uitgeverij in Hardewijk, 1975. (923.4 conn r)

-`Caesar' door Irwin Isenberg en Richard M. Haywood van de Uitgeverij W. Gaade in Den haag, 1964. (923.4 isen c)

-`De geschiedenis van het Romeinse Keizerrijk' door Jaap ter Haar en Dr K. Spreyvan van de Uitgeverij C.A.J van Dishoeck in Bussum, aug 1961. (923.4 haar g)

-Grote Winkler Prins encyclopedie in 25 delen van AmsterdamElsevierBrussel, achtste druk 1966-1975 (041 grot dl 1/25 diverse delen)

-`Spiegel' Historiael (maandblad over geschiedenis en archeolo-gie) oktober 1972, 7de jaargang nr. 10

-`Spiegel' Historiael, (idem boven) november 1972 nr. 11

Film -`Gladiator' met Russel Crowe (acteur) and a Ridley Scott Film. 2000 Universal Pictures Video and 2000 Dreamworks LLC and Universal Studios, ca 150 minuten.

Televisie - BBC, geschiedenis programma's over de inname van Engeland, Maandag van 2100 tot 2200 `The attackt to Britain by Caesar’. (3 maal)

-Film over de inname van een Israëlisch fort. (naam niet meer bekend)

Internet -diverse site zijn gebruikt voor illustratie materiaal.

REACTIES

D.

D.

leuk werkstuk, veel informatie ik kan het goed gebruiken...

21 jaar geleden

P.

P.

goed werkstuk maar, waar zij de plaatjes gebleven die zou ik ook wel graag willen hebben!?

21 jaar geleden

F.

F.

ik doe ook een profielwerkstuk over het romeinse leger, dus vandaar dat ik jou'n werkstuk aan het lezen was, en ben op zoek naar een goeie Hoofdvraag, ik vond die van jou wat vaag:
Wat zijn de veranderingen geweest in het romeinse leger tt van de republiek tot en met het keizerijk...
Kun jij misschien dat nog wat toelichten, en heb je misschien nog goeie tips of informatiebronnen over het romeinse leger..
alvast bedankt

frans
vwo 6

21 jaar geleden

B.

B.

goed werkstuk maar, waar zij de plaatjes gebleven die zou ik ook wel graag willen hebben!?

11 jaar geleden

J.

J.

hee,

hier heb ik echt heel veel aan voor mijn werkstuk of het romeinse leger!! veel informatie, bedankt hiervoor,

Gr. Jan

11 jaar geleden

T.

T.

jammer, dat je in de eerste alinea al een fout maakt, Caesar (als je Gaius Julius Caesar bedoeld) is nooit keizer geweest...

9 jaar geleden

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.