Inhoudsopgave

Hoofd- en deelvragen

Inleiding
Inleiding op de deelvragen Resultaten:

Hoe was de huisvesting, en hoe ontwikkelde die zich?

Hoe was de voedselverzameling en hoe ontwikkelde die zich?
Welke technieken waren er, en hoe ontwikkelde die zich?

Hoe was de omgang met de doden, hoe ontwikkelde die zich?

Was er al religie, en ontwikkelde die zich?

Was er kunst, hoe ontwikkelde die zich?

Welke verschillende culturen waren er?

Conclusie

Inleiding

Door de jaren heen ben ik geïnteresseerd geraakt in geschiedenis, en daarmee vooral de prehistorie. Wat mij in het bijzonder aanspreekt is dat toen de aarde nog leeg was, alles moest nog ontwikkeld worden tot wat het nu is.

Toen ik wat jonger was heb ik alle boeken van de serie Kinderen van Moeder Aarde, J.M Auel gelezen. Dat gaat over een meisje in de prehistorie, er wordt wel duidelijk in beschreven hoe mensen in die tijd samenleefden, geloofde, enz., op basis van haar onderzoeksresultaten. Hierdoor werd mijn interesse nog verder opgewekt. Recent ben ik aan een andere serie over de mens in het stenentijdperk beginnen.

Omdat ik dit allemaal zo leuk vind heb ik besloten om mijn profielwerkstuk over de steentijd te doen. Het was vanzelfsprekend dat ik hierbij het werelddeel Europa koos. Hier woon ik zelf, en het lijkt me dan ook erg leuk om te weten hoe mijn verre voorouders leefden.

Deze hoofd en deel vragen heb ik onderzocht:

Hoofdvraag:

Hoe ontwikkelde de menselijke beschaving zich in het stenentijdperk, in Europa?

Deelvragen:

Hoe was de huisvesting, en hoe ontwikkelde die zich?

Hoe was de voedselverzameling en hoe ontwikkelde die zich?

Welke technieken waren er, en hoe ontwikkelde die zich?

Was er al religie, en ontwikkelde die zich?

Hoe was de omgang met de doden, hoe ontwikkelde die zich?

Was er kunst, hoe ontwikkelde die zich?

Welke verschillende culturen waren er?

Wat ik vooral verwachte van het onderzoek was een duidelijker beeld te krijgen over HOE de mensen overleefde. In de zin van: Hoe zorgde ze ervoor dat ze warm bleven in de winter. Of: Hoe kwamen ze aan eten.

Iets anders wat ik ook verwachtte was er achter te komen hoe ze in staat waren zich te ontwikkelen. Wat voor oorzaken dat had.

De bijdrage aan het profielvak is natuurlijk dat de steentijd alles met de historie (geschiedenis) te maken heeft, ook al is het prehistorie.

Inleiding op de deelvragen

Hieronder volgt een korte inleiding over wat de steentijd precies is, en nog wat uitleg over mijn hoe het profielwerkstuk in elkaar zit. Dit is om de komende hoofdstukken te verduidelijken.

De steentijd is een periode uit de prehistorie. In dit tijdperk werden er voornamelijk gebruiksvoorwerpen van steen gebruikt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan gereedschappen. Vandaar de naam. Heel waarschijnlijk hebben ze ook wel houten voorwerpen gemaakt en gebruikt, maar dat is niet bewaard gebleven.

Meestal word de steentijd, in Europa, op deze 3 manieren ingedeeld:
- De oude steentijd, het Paleolithicum, deze duurde het langst, van ongeveer 2 miljoen jaar geleden tot ongeveer 300.000 jaar geleden. Vooral jagers, verzamelaars, deze periode begon al toen wij, de homo sapiens, er nog niet waren.
- De midden steentijd, het Mesolithicum, 300.000 tot 35.000 jaar geleden. Hierin vooral culturen van jager-verzamelaars, ook later een overgangsfase van jacht naar landbouw.
- De jonge steentijd, het Neolithicum, 35.000 tot jaar geleden. Hierin was landbouw de belangrijkste manier van voedsel verzamelen.
De precieze tijden zijn erg moeilijk vast te stellen, elk gebied had een andere ontwikkeling. Het duurde vaak wel een poosje voordat iedereen was overgegaan naar het volgende tijdperk. Gelukkig is het voor Europa wel redelijk samen te vatten.
Mijn deelvragen gaan allemaal over de ontwikkeling in de steentijd, dit omdat er duidelijke verschillen zijn in de jonge en oude steentijd. Dus bij elke deelvraag wordt er ingegaan op de ontwikkeling.
Naarmate ik vorderde met het schrijven van mijn profielwerkstuk werd mij duidelijk dat niet alles bekend is. Een voorbeeld: Van gebieden in Nederland is over het algemeen redelijk veel bekend. Dit komt doordat Nederland klein is en we redelijk veel bouwen. Hierbij worden soms opgravingen gedaan die eventueel uit de steentijd komen. Zo worden er steeds nieuwe dingen ontdekt. Spanje is veel groter, er liggen waarschijnlijk nog veel resten onder de grond die ons meer kunnen vertellen. Bij het maken van de deelvragen heb ik geprobeerd een zo compleet mogelijk beeld te geven.

Hoe ontwikkelde de huisvesting zich?

Uit de steentijd zijn er veel resten van huisvesting gevonden. Zo is er dus vrij veel te vertellen over de manier waarop onze voorouders woonden. Daar gaat dit hoofdstuk over.

In de oude steentijd bestond de bevolking van Europa voornamelijk uit jagers en verzamelaars. Ze leefden vaak in grotten, soms ook in tijdelijke tenten als er geen grotten in de buurt waren, en trokken soms weer verder. Er zijn ook resten gevonden van zomerkampen, ook dit waren tenten. Waarschijnlijk werd de ruimte van grotten verdeelt in een soort van vuurplaatsen. Ieder gezin kreeg een bepaald gedeelte.

In de midden steentijd verlieten veel jagers vaker en langer hun grotten om steeds meer in de open lucht te gaan leven. Dit kwam onder andere doordat het klimaat wat warmer werd, de laatste ijstijd was afgelopen. De grotten werden later gebruikt om in te overnachten tijdens de jacht, of als schaapskooi. Rondom het Middellandse Zeegebied werden de grotten nog wat langer bewoond.

Doordat het nu wat warmer werd was landbouw mogelijk. Dit betekende dat permanente vestiging noodzakelijk was om de grond te kunnen bewerken oogsten en voedsel op te slaan. Zo gingen mensen permanent in tenten wonen, en begonnen daarna huizen te bouwen.

De tenten werden vaak gebouwen van dierenbotten die als een geraamte functioneerden. Daar over heen kwamen dan dierenhuiden. Voor de huizen waren hout en klei, zowel in natte als droge gebieden, de belangrijkste bouwmaterialen. Waar het guur was, dus veel wind, werden de onderkomens grotendeels onder de grond gebouwd. Er werd dan een kuil gegraven waar dan weer verscheidene hutten in werden geplaatst. Een klein stukje van het dak stak er dan nog boven uit. Dit was bijvoorbeeld het geval op de Orkney Islands ten noorden van Schotland, hoewel hier ook gebruik werd gemaakt van de heuvelachtige omgeving. De foto hieronder is nagebouwd.

Er zijn ook dorpen terug gevonden uit de jonge steentijd. Wat je hierbij moet voorstellen is slechts een klein gehucht op een vlakte of in een vallei, het waren slechts enkele huizen. Er was altijd een waterbron in de nabijheid, dit kon ook een zelfgemaakte waterput zijn. Zo’n huis werd gemiddeld vijfentwintig tot dertig jaar bewoond, en ongeveer elke tien jaar opnieuw gebouwd.

Het grootst gevonden dorp is in Passo di Corvo, Italië. Verspreid over 40 ha staan ongeveer honderd woningen, ze stammen niet allemaal uit de zelfde tijd. Er woonden in dat dorp slechts vijfentwintig tot dertig families. Op de Balkan en de eilanden in de Eigesche zee zijn er dorpen gevonden die echt volgens een plan zijn gebouwd. De ligging van de huizen werden bepaald door de windrichting. Rond 4.000 v.Chr. beginnen ze daar zelfs aan een soort van stedenbouw.

Wat opvalt aan alle terug gevonden huizen en hutten, is dat er geen bepaalde hiërarchie in terug te zien is. Er is bijvoorbeeld niet een huis opvallend groter dan de ander. Dit kan betekenen dat huisvesting niet echt als een vorm van luxe werd gezien, meer als iets wat echt nodig was.

De ontwikkeling van het huisvesten had dus vooral te maken met warmer worden van het klimaat, en de daarop volgende mogelijkheid tot landbouw. Door het bewerken van de grond bleven de voormalige jagers in de jonge steentijd ook echt permanent in de openlucht leven.

Hoe ontwikkelde de voedselverzameling zich?

In tegenstelling tot de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen zijn uit de prehistorie geen recepten overgeleverd aangezien de mensen in deze periode niet konden schrijven. We zullen daarom nooit precies weten wat voor gerechten onze prehistorische voorouders aten. We weten wel hoe ze aan voedsel kwamen, daar gaat dit hoofdstuk over.

Voor de oude steentijd hebben we een unieke bron in de vorm van de grotschilderingen uit Spanje en Frankrijk, waarop veel jachtwild is afgebeeld. Zie ook het hoofdstuk over kunst. Extra aanwijzingen over het dierlijke aandeel van de voeding leveren de botten van jachtdieren, die bij opgravingen worden gevonden. Een aantal van deze dieren zijn uitgestorven zoals de wolharige neushoorn, de holebeer, de mammoet, het reuzenhert, het oerrund, en de steppenwinsent. De mannen jaagden dus op allerlei wild. De vrouwen verzamelden waarschijnlijk meer dan dat ze ook echt jaagden. Voorbeelden van wat ze verzamelden zijn noten, bessen en planten.

Hiernaast zie je een schedel van steppenwinset. Dit om een idee te geven waar de mensen op jaagden, ernaast staat een mensenschedel om te vergelijken. Dit is natuurlijk nog helemaal niets vergeleken met de nog grotere mamoetten, waar de mens ook op jaagde.

De oude steentijd was een periode met ijstijden. Daardoor was het behoorlijk koud in Europa. Het was erg moeilijk om in de winter aan voedsel te komen door bijvoorbeeld sneeuwstormen. Het was dus extra belangrijk om voedsel goed op te kunnen slaan om zo de winter door te komen. Dit deden ze door het vlees te roken en de te drogen. De noten en bessen en planten werden verwerkt en opgeslagen. Doordat er het meest van de tijd een grote plak ijs over het noordelijkere deel van Europa lag was de grond in de winter vaak helemaal bevroren. Ze groeven hierin dan een kuil, deze kon dan als koelkast en/of diepvries dienst doen.

Rond 8000 v. Chr. begint het klimaat te lijken op wat we nu kennen. De laatste ijstijd is afgelopen, de middensteentijd breekt aan. En hiermee ook de ontwikkeling van jager verzamelaar naar landbouwer. Omdat het klimaat warmer word en hiermee de levensomstandigheden verbeteren werd het leven in de open lucht veel gemakkelijker, er ontstond een mogelijkheid tot landbouw. Voorheen was dat praktisch gezien bijna onmogelijk vanwege de kou, en de constant bevroregrond. Bij deze ontwikkeling bleven de mensen, die al enigszins het land verbouwen, nog steeds jagen als aanvulling. Naast landbouw begint men ook met het domesticeren van dieren. Dat wil zeggen dat de mens begint met het domineren van dieren. Veeteelt ontstaat.

Met de ontwikkeling naar landbouw en veeteelt bestaan er in de jonge steentijd veel meer voedingsmiddelen: Graan, erwten, linzen, lijnzaad, maanzaad, maar ook dierlijke producten afkomstig van geiten en schapen. Deze zaken zijn van oorsprong niet inheems, maar komen uit het Nabije Oosten, met uitzondering van maanzaad dat zijn oorsprong heeft in Zuidwest-Europa. Bovendien werden runderen en varkens gehouden. In de loop van de nieuwe steentijd gingen de boeren ook gerst en broodtarwe verbouwen.

Je kunt dus zien dat de mens langzaamaan van jager en verzamelaar naar landbouwer en veeteelthouder overgaat. Hierdoor kunnen er meer voedingsmiddelen genuttigd worden, het leven word ook wat zekerder. De mens is niet meer alleen afhankelijk van wat de natuur bied, maar kan zelf ook wat verbouwen.

Hoe ontwikkelden de technieken zich?

Wat betreft technieken in de steentijd, is er vooral wat te vertellen over de gereedschappen. Deze waren van steen, en zijn dus ook veelvuldig terug gevonden. Er waren wel meer technieken maar omdat hierover weinig is te vertellen, heb ik deze weg gelaten.

Bij de ontwikkeling van gereedschappen zijn er overeenkomsten gevonden tussen de oude en jonge steentijd, ook enkele verschillen. Het eerste verschil is dat de jongst gevonden gereedschappen meteen iets zeggen. Bijvoorbeeld: bijl of pijlpunt. Als tweede verschil is dat de nieuwe gereedschappen uit verschillende onderdelen zijn gemaakt.

Een duidelijke ontwikkeling van gereedschap zie je bij de vondsten van verschillende bijlen. Een gevonden bijl uit de vroege steentijd is slechts een steen die wat scherper is gemaakt door er een scherpe rand aan te slaan, deze werden ook gebruikt als mes of schraper.

Uit de midden steentijd zijn bijlen gevonden die aan stelen werden bevestigd, hierdoor ze lichter en kon er een grotere kracht mee worden uitgeoefend.

De bijlen uit de nieuwe steentijd, waren vaak mooie glad geslepen stenen bijlen van vuursteen of andere steensoorten, en zaten ook aan een steel vast.

Deze keg is in Denmarken gevonden. Hij werd gebruikt om boomstammen en grote takken te splijten. Er kwam dus langzaam aan ook gespecialiseerd gereedschap.
Daarnaast vond men in deze periode nog een nieuw middel uit, de pijl en boog. Hiermee werd het bereik bij de jacht enorm vergroot. Ook werd toen de eerste kano uitgevonden

Hier zie je een aantal messen, ook uit de midden steentijd. Deze zijn in Colmschate, ???? gevonden. Ze werden gebruikt om te snijden, ongeveer zoals we tegenwoordig ook messen gebruiken.

Hier zie je een schrabber, weer uit de midden steentijd. Hij is van vuursteen gemaakt. Een schrabber werd bijvoorbeeld gebruikt voor het schoonschrapen van de binnenkant van een dierenhuid.

Aan het einde van de steentijd, tijdens de overgang naar de kopertijd, werden ook koperen bijlen gemaakt, die in vorm gegoten werden. Deze hadden dezelfde vlakke vorm als de stenen bijlen.

We kunnen dus gerust vaststellen dat naarmate de tijd vorderde, de gereedschappen beter werden. Het gereedschap werd steeds meer gespecialiseerd. Ook werden er nieuwe uitgevonden wat leven een stuk makkelijker maakte.

Hoe ontwikkelde de omgang met de doden zich?

Wat in ieder geval vast staat over de dood in de steentijd was dat het wezenlijk onderdeel van het leven was. Zelfs meer dan dat het nu is. De kindersterfte was hoog, er was veel risico op een ziekte, tel daar honger en veel ongevallen bij op dan begrijp je dat de levensverwachting niet erg hoog was. Omdat mensen in kleine groepen leefden was de impact van een sterfgeval relatief groot. Daarnaast was de mens zelf ook de hele dag bezig met doden, het jagen. Waarschijnlijk zocht men dat ook naar verschillende middelen om dit verdriet, wat vaak voorkwam te verzachten. Je kunt hierbij denken aan het geloven in het verder leven na de dood. Er zijn hier dan ook verschillende bewijzen voor terug gevonden.

Van de oude steentijd zijn er enkele graven terug gevonden. Het lijkt erop dat er toen wel werd begraven, maar er nog niet echt sprake was van een begrafenis cultuur. Dit kan natuurlijk ook zijn omdat er vrij weinig van terug is gevonden. Wel is duidelijk dat de mensen elkaar niet zo maar lieten liggen. Er werden vaak ook grafgiften in het graf gestopt. De echte begraafplaatsen waren toen nog niet aanwezig. Waarschijnlijk ook door de geringe bevolkingsaantallen, en omdat ze vaak weer verder trokken. Je kan moeilijk terug gaan naar de plek van twee jaar geleden om een moeder naast haar dochtertje te begraven. Pas later kwamen er tekenen van echt duidelijke begrafenissen en graven.

De uitgestrekte begraafplaatsen verschijnen tegelijkertijd met overgang naar landbouw. Dit is natuurlijk ook wel enigszins logisch, aangezien de mens nu langer op een plek verblijft. Hoe jonger zo’n begraafplaats hoe meer mensen er begraven liggen. Dit vertelt ons dat er een bevolkingstoename was.

Een goed voorbeeld van hoe er met doden werd omgegaan, in de jonge steentijd, zijn de hunnenbedden. Deze waren onderdeel van een megalieten bouw die overal in Europa word terug gevonden. Ruim 5000 jaar geleden zijn deze hunebedden gebouwd in noord Europa. De bouwers waren de mensen uit de trechterbekercultuur. De hunebedden werden allemaal in slechts 200 jaar gebouwd. Van 3400 v.Ch. tot 3200 v.Ch. Ze bleven wel langer in gebruik, het waren dan ook massagraven. Na 2850 v.Ch. was de periode van hunebedden definitief voorbij, hiermee verdween ook de trechterbekercultuur. Zie ook het hoofdstuk over de verschillende culturen.

Over de bouwwijze bestaan eigenlijk alleen maar theorieën. De naam hunnenbed komt van het woord huynen, enorm sterke reuzen. De meest geloofwaardige theorie is dat de keien met de platte zijde met hefbomen en touwen op houten rollers of sleeën werden gezet. Zo werden ze naar de plaats van bestemming vervoerd. Daar werden de draag- en sluitstenen rechtop in vooraf gegraven sleuven geplaatst en vastgezet. Vervolgens bouwde men er een heuvel overheen om langs de glooiingen de dekstenen omhoog te slepen.

Een ander zeer beroemd voorbeeld uit de megalieten bouw is natuurlijk Stonehenge. Recent is daar vlakbij een nederzetting opgegraven. Volgens de onderzoekers lijkt het erop dat de bewoners het dorp vooral gebruikten voor begrafenis rituelen. De resten die worden opgegraven zijn, werden niet gebruikt voor alledaagse activiteiten. Er zijn bijvoorbeeld geen werktuigen gevonden voor het schoonmaken van dierenhuiden. Dit betekent dat er op die plek zelf dus geen nieuwe kleren of dekens zijn gemaakt, mensen namen ze dus mee daar naar toe. Daarnaast is er ook geen spoor van landbouw terug gevonden, wat toch kenmerkend was voor die tijd. De onderzoekers vermoeden dat er in het dorp een dodencultus plaatsvond, waarbij de doden via de rivier Avon naar het hiernamaals werden gestuurd. De nederzetting zou dateren van 2.600 tot 2.500 v. Chr. , ongeveer uit dezelfde periode als Stonehenge. In totaal bestond het dorp uit een honderdtal huizen.

Wat in ieder geval vast staat is dat de hunebedden en Stonehenge slechts een onderdeel waren van de megalieten bouw/religie in Europa. De andere megalieten hebben echter vaak ook nog een ander religieus doel. Hierover meer in het hoofdstuk religie.

Er is dus een duidelijke ontwikkeling te zien in het begraven van mensen. In het begin word er ogenschijnlijk vrij weinig aan gedaan, afgezien van de grafgiften. Later word er meer aandacht aan besteed in de vorm van gedenkstenen en echte begraafplaatsen. Dit heeft te maken met de toename van de bevolking en dat er langer op een plek word gebleven.

Hoe ontwikkelde de religie zich?

Wat er omging in de hoofden van mensen uit de steentijd kunnen we helaas moeilijk achterhalen. Met gebruik van verschillende vondsten kunnen we het wel proberen te raden. Daar gaat dit hoofdstuk over.

Er zijn grafgiften uit de oude steentijd gevonden, deze zijn meer dan 100.000 jaar oud. Deze wijzen erop dat men geloofde dat de dood niet het einde van het leven was, maar een overgang naar een ander leven. Hoe deze mensen zich het hiernamaals voorstelde is helaas niet bekend. Het is in ieder geval duidelijk dat begrafenis rituelen bij de oudste bewijzen van religie horen.

Ook zijn er veel afbeeldingen van dieren gevonden uit deze tijd, denk hierbij aan de grottekeningen, zie ook het hoofdstuk over kunst. Dit wijst er op dat er waarschijnlijk een zekere verering van dieren was. Dit is logisch omdat de mensen toen voornamelijk van jagen leefden. Misschien wilden ze de geesten van de overleden dieren tevreden houden, of vereeren. Zodat ze in de toekomst meerdere vangsten konden doen. Je kunt hierbij denken aan een oproeping van geesten van de gevangen en gedode dieren na een geslaagde jacht.

Waarschijnlijk leefden er in de stammen in de oude steentijd meestal een soort van geestelijke leiders (nu sjamanen). Deze hadden helende krachten doordat ze planten gebruikten om mensen te genezen. Een voorbeeld hiervan is wilgenbast, deze werkt pijnverlichtend. Er bestaat een mogelijkheid dat de mensen van de stam dachten dat de genezer hierdoor magische krachten had.

Ook zijn er in grotten schedels gevonden van mensen, die duidelijk ook functioneerden in een ceremonieel ritueel. Misschien een soort van voorouder vereering. Er zijn in Europa ook bewijzen gevonden van holenbeer verering. Hierbij werd ook weer de schedel gebruikt in rituelen. Waarschijnlijk waren dit de neanderthalers. Zie ook het hoofdstuk over culturen.

Ook zijn er sporen gevonden van het gebruik van planten waarvan mensen gingen trippen. Dit is waarschijnlijk ook spiritueel gebruikt, om meer over zichzelf en de natuur om zich heen te leren. Hierbij werd er bijvoorbeeld kalmoeswortel gebruikt. Dit werd tot een papje gekauwd in een kom gespuugd, zo ontstond er een sterk hallucienerend middel.

Omstreeks 8000 v. Chr. vind er een verandering plaats. De menselijke gestalte krijgt wat meer een rol. Dat duidt op een nieuw zelfvertrouwen. Naarmate het midden stenen tijdperk vordert worden er steeds meer menselijke beeldjes gemaakt, deze worden vooral terug gevonden in Oost-Europa. Vaak zijn ze van onbekend geslacht. Sommige hebben erg vrouwelijke weelderige vormen. Zoals zeer brede heupen en grote borsten. Dit lijkt aan te tonen dat er een soort van vruchtbaarheidcultus is ontstaan. Een soort verering van de vruchtbaarheid, het nieuwe leven. In west Europa lijkt dit ook deze verandering te volgen, ze zijn daar alleen wat minder kunstzinnig. Ook in Spanje en Portugal zijn vrouwelijke beeldjes gevonden.

Megalieten waren grote stenen bouwwerken. Deze worden overal in Europa terug gevonden, een voorbeeld ervan is Stonehenge. Zie ook het hoofdstuk over de doden. Lange tijd heeft men gedacht dat het graven waren. Maar er zijn ook megalieten gevonden zonder menselijke resten. Dit maakt dus duidelijk dat het dus ook godsdienstige voorwerpen geweest zijn. Ze zijn er met veel moeite neergezet, dat word niet zomaar gedaan.

De Bretonse megalieten in Frankrijk, in het jonge stenen tijdperk, omstreeks 4.000 v Chr. laten zien dat de vruchtbaarheidscultus ook nu blijft voort bestaan. Deze megalieten, die in grafkamers staan zijn hoogst waarschijnlijk vrouwelijke beelden. Ook worden er borsten op de muren van grafmonumenten gebeiteld, soms versierd met een ketting. Waarschijnlijk heeft deze vruchtbaarheidscultus zich doorgezet en verder verspreid tot het einde van de steentijd.

We zien dus een duidelijke ontwikkeling van het afbeelden en vereeren van dieren, en een geloof in reincarnatie, naar een vereering van menselijke beeldjes. Dit is logisch omdat de mensen in de oude steentijd het veel moeilijker hadden met overleven. Ze leefden vooral van vlees, zo zagen ze dieren waarschijnlijk als het middelpunt van de wereld. Toen het leven wat gemakkelijker werd, konden ze zichzelf meer ontwikkelen, en kregen zo meer zelfvertrouwen. Ze zagen zichzelf waarschijnlijk van af toen meer als middelpunt van de wereld.

Hoe ontwikkelde de kunst zich?

Ook in deze tijd doen we aan kunst. Maar moeten we ons voorstellen bij kunst uit de prehistorie? En wat voor betekenis had het voor de mensen? Daar gaat dit hoofdstuk over.
Van de oude steentijd zijn bijna alleen maar rotstekeningen terug gevonden. Het zijn dan ook de meest beroemde overblijfselen van de prehistorische mens natuurlijk de rotstekeningen. Hieronder volgen er een paar.
Tussen 35.000 en 16.000 duizend jaar geleden werd het in het noorden van Europa zo koud, dat hier geen mensen meer konden leven. De jagers trokken naar Zuid-Frankrijk en Spanje, waar het klimaat wat aangenamer was. Ze leefden daar in redelijk grote groepen in grotten.

Er zijn daar dan ook veel rotstekeningen gevonden. In Altamira, Spanje is in een 270 meter lange grot, waarvan de hoogte varieert van 2 tot 6 meter, 150. Ook zijn er handafdrukken gevonden. De ouderdom wordt geschat op 15.000 jaar. De kleuren zijn zwart, oker en rood. De kunstenaars maakten dankbaar gebruik van de welvingen van de rotswand om hun schilderingen een extra dimensie te geven. Waarschijnlijk werden deze grotten ook gebruikt voor religieuze doeleinden, zie voor verdere informatie het hoofdstuk over religie.

De rotstekeningen in de grot van Chauvet in de Franse Ardèche, zijn de oudste tot nu toe gevonden tekeningen, ze zijn 38.000 jaar geleden gemaakt, waarschijnlijk door Neanderthalers, zie ook het hoofdstuk over culturen.

Als verf werd er een mengsel van water, dierlijke vetten en natuurlijke pigmenten zoals mangaanoxide, rode en gele oker, houtskool gebruikt.
Als kwasten gebruikte ze penselen van mos en boombast, en holle botjes als verfspuit, terwijl er ook verfmengsels met lucht vermengt met de mond op de ondergrond gespoten werd, de eerste airbrush-kunst.

Een mooi voorbeeld van kleurstelling en lijnvoering is het Przewalski paard.
De weergave is zo duidelijk dat het dier na zeventienduizend jaar nog geïdentificeerd kon worden. Het is een kleine paardensoort die nu nog in Azië voorkomt.

Ongeveer omstreeks 8.000 v.Chr., aan het begin van de middensteentijd raakt deze kunstvorm uit de gratie. Naarmate de mens het makkelijker krijgt, met eindigen van de ijstijden, beginnen we te zien dat er meer versieringen worden aangebracht bij alledaagse gebruiksvoorwerpen. Waarschijnlijk is dit omdat er meer tijd overblijft voor dit soort dingen. Ook zien we in deze periode een belangrijke ontwikkeling van steeds minder rotstekeningen naar beeldjes, dit is omstreeks 6.000 v.Chr. Dit begint in midden Europa en op de Balkan. De beeldjes zijn ongeveer 15 centimeter of kleiner, ze hebben menselijke vormen. Mannen worden niet echt duidelijk afgebeeld, vrouwen juist erg overdreven. Denk hierbij aan zeer grote borsten en erg ronde heupen. Kijk voor verdere informatie bij het hoofdstuk religie.

In de nieuwe steentijd komt ook het aardewerk en keramiek op, dit is omdat mensen vanaf deze periode steeds meer op een plek blijven. Aardewerk en keramiek moeten steeds weer meegenomen worden en is dus niet geschikt voor de jagers die steeds verder trekken. Een voorbeeld hier van is de trechtbeker cultuur in Noord-Europa. De aardewerken potten die van deze mensen zijn gevonden laat zien dat ze meer waren dan alleen gebruiksvoorwerp. Ze werden versierd terwijl de klei nog ongebakken was met motieven. De vorm van deze potten hebben een trechtervormige hals, waar deze cultuur dan ook naar vernoemd is.

Dit hoofdstuk heeft een duidelijke samenhang met het hoofdstuk over religie. We kunnen hieruit dus concluderen dat kunst waarschijnlijk voor een groot deel werd gebruikt om religieuze doeleinden te beoefenen. Daarnaast werden het aardewerk waarschijnlijk gewoon versierd om het mooier te maken of om de status te verhogen. Dit is nu ook nog zo. Voor mooie spullen krijg je bewondering. Wat betreft de ontwikkeling valt het vooral op dat de mens eerst dieren afbeeld en dan aan een soort van zeer (vrouwelijke beeldjes) begint te kleien. Wat duid op een veranderend zelfbeeld.

Welke verschillende culturen waren er?

Hieronder beschrijf ik enkelen van de culturen die er in de steentijd in Europa zijn geweest. Ik kan ze niet allemaal gaan beschrijven want dat worden er erg veel. Welke ik in de voorgaande hoofdstukken heb vermeld behandel ik, en nog enkele die ik zelf interessant vind. De meeste hebben geleefd in de jonge steentijd. Dit is omdat vanaf toen de mensen meer op een plek bleven, vanwege de landbouw. Er is dus daardoor meer van over gebleven. Ook konden zich toen pas echt culturen gaan vormen. De culturen zijn grotendeels vernoemd naar hun aardewerk, of naar de plaats waar de eerst vondst is gedaan.
Een van de meest bekende cultuur is de neanderthaler. Eigenlijk is dit geen cultuur maar een menssoort, een van de vele die er geweest zijn, tot dat wij de homo-sapiens opkwamen. Deze mensen verschijnen vanaf 200.000 v Chr. in Europa, in het jaar 50.000 v. Chr. sterven ze uit. In principe was het niet echt een cultuur, meer een andere menssoort.
Er bestaan verschillende theorieën over de neanderthalers. Bij opgravingen van schedels bleken deze een vlakke schedel te hebben dan ons. Het voorhoofd ontbreekt als het ware. Daar tegen over staat dat de achterkant van de schedel veel groter was. Dat is het deel van de hersenen waarin het geheugen ligt. Hieruit komt de theorie voort dat neanderthalers niet zo als ons het vermogen hadden om te leren, ze sloegen herinneringen daar op, als ze vervolgens weer kinderen kregen werden ze geboren met deze herinneringen. Of dit waar is zullen we waarschijnlijk nooit te weten komen.
Feit is dat ze verdwenen zijn, of ze zijn uitgestorven, of opgegaan in onze soort, is nog de vraag, waarschijnlijk het eerste. De Neanderthalers hadden waarschijnlijk ook een andere levenstijl, dit blijkt uit verschillende vondsten. Het gereedschap werd anders bewerkt, en ze hadden een andere godsdienst. Sommige beweren dat de homo-sapiens en de neanderthaler een tijd naast elkaar hebben geleefd. Of dit waar is zal eventueel uit toekomstige opgravingen moeten blijken.

Neanderthaler Homo-sapiens

De Ertebøllecultuur, 5300 v. Chr. - 3950 v. Chr. is de naam van een Zuid-Scandinavische cultuur van jager-verzamelaars en vissers van het eind van de midden steentijd. Omdat de cultuur erg overeenkomt met de Ellerbeckcultuur, Noord-Duitsland, wordt ook de naam Ertebølle-Ellerbeckcultuur of Ellerbeck-Ertebøllecultuur wel gebruikt. Er zijn ook grote overeenkomsten met de Swifterbantcultuur, deze 3 samen vormen een erg goed beeld van de bewoning van Noord-Europa in het begin van de jonge steentijd. De bevolking had veel verschillende middelen van bestaan, maar het belangrijkst was de zee en de rivieren. Doordat ze veel te eten hadden zijn ze waarschijnlijk jagers/vissers/verzamelaars gebleven. Ze deden dan ook veel aan botenbouw, boomstam kano’s. Daarmee jaagden ze op zeehonden e.d
De swifterband cultuur, 4.900 tot 3.400 v. Chr. Deze mensen woonden vooral in waterrijke gebieden, aan de oevers van de Overijsselse Vecht in de ijstijd. Dit gebied werd ook al bewoond in de midden steentijd. Ze leefden vooral van vissen en jagen, later ook van landbouw en veeteelt, deze hebben echter nooit een erg belangrijke rol gespeeld. Door de stijgende zeespiegel hebben deze mensen waarschijnlijk hun woonplaats verlaten.
De Ertebølle-Ellerbeckcultuur en de swifterbandcultuur waren de voorlopers van de trechterbekercultuur. Dit waren de mensen die de hunenbedden bouwden. Dit volk was verspreid over Noord-Europa, waar je deze grafbouwwerken dus ook kan terug vinden. Zie voor meer informatie de voorgaande hoofdstukken over de doden.

Dit volk is bekend om zijn trechtervormige aardewerk. Omstreeks 4.000 v. Chr. kwam dit volk op, de jongste resten die gevonden zijn dateren uit 2.900 v Chr. Ook hun manier van huizen bouwen was apart.
De touwbekercultuur is de opvolger van de trechterbeker cultuur. De naam komt van het met touwindrukken of een visgraatrand versierde keramiek.Vanwege de typische stenen strijdbijlen en hamers die als grafgift in de graven uit die periode zijn aangetroffen wordt ook de naam strijdbijlcultuur en steenhamervolk gebruikt. Wat deze cultuur bijzonder maakt is dat er stenen bijlen zijn gevonden, die duidelijk gekopieerd waren van koperen bijlen. Soms is zelfs de typische naad die op koperen bijlen word aangetroffen is overgenomen. Waarschijnlijk zijn deze bijlen niet gebruikt. De touwbekercultuur markeert de overgang van de middensteentijd naar de bronstijd.
De Starčevo-Köröscultuur, is een cultuur die helemaal aan het begin van de jonge steentijd bestond in Oost-Europa en de Balkan, tussen 6200 en 5600 v. Ch. Deze mensen hadden al landbouw, toch waren jagen en verzamelen nog de belangrijkste bestaansmiddelen. Hun keramiek, met meerdere pootjes, 3 tot 6, zijn kenmerkend voor deze cultuur.
Deze cultuur werd opgevolgd door de De Vinčacultuur, tussen het 6e en het 3e millennium v. Chr. over Servië en delen van Roemenië en Bulgarije verspreid was en waarvan, volgens een theorie, op aardewerk gevonden tekens het oudste schrift van de mensheid zouden zijn. Het was een cultuur, die hoofdzakelijk berustte op akkerbouw en veeteelt, ondersteund door enige jacht en verzamelen van wilde planten. Deze cultuur bleef bestaan tot de kopertijd.
De Starčevo-Köröscultuur/ Köröscultuur, heeft een basis gelegd voor de bandkeramische cultuur. Deze liep van 5500 v Chr. tot 4400 v. Chr. Ook hier weer heeft deze cultuur zijn naam direct te danken aan het versierde aardewerk. Deze mensen woonden op de hogere vruchtbare gronden van Zuid-Limburg. Toen deze cultuur ontstond deed het jonge stenen tijdperk zijn intrede in Centraal-Europa.

Na de bandkeramische cultuur kregen we de Michelsbergcultuur, omstreeks 4.250 v Chr. Deze mensen leefden in Zuid-Nederland, West-Duitsland en België, van veeteelt landbouw en een geringe vorm van jagen. De gevonden aardwerken liggen in de regel op heuveltoppen en wekken de indruk versterkte nederzettingen te zijn geweest. Uit diverse vondsten zijn brandlagen bekend die op oorlogshandelingen wijzen.

Net als de voorgenoemde culturen heeft ook de Michelsbergcultuur hun eigen aardewerk. Zogenaamde "Tulpbekers", flessen en schalen.

Conclusie

Je kunt dus zien dat de gehele ontwikkeling van de mens in de steentijd, in Europa met betrekking op huisvesting, voedselverzameling, en technieken in het teken staat van het verbeteren van de oudere middelen.

De technieken worden op zichzelf verbetert omdat het dan makkelijker word om in de levensbehoeften te voorzien, er worden ook nieuwe uitgevonden. De huisvesting verandert omdat het mogelijk word om permanent in de openlucht te leven in plaats van in grotten, waaruit de landbouw weer voortkomt na eeuwen van jagen.

Door deze verbeteringen ontwikkelt de kunst, omgang met de doden en de religie zich ook weer. De kunst en religie omdat de mens zichzelf meer centraal ziet staan, zo plaats de mens zichzelf meer in het centrum in plaats van dieren. De omgang met de doden omdat er andere leefomstandigheden gelden zoals het langer verblijven op een plek, zodat er een (massalere) begrafeniscultuur ontstaat.

Deze conclusie komt redelijk overeen met wat ik al wist. Het is natuurlijk een algemeen verspreid beeld dat de vroege mens met primitief gereedschap in donkere grotten leefden. Dit beeld klopt niet helemaal met de werkelijkheid, al zit er wel wat in. Het was mij ook wel bekend dat landbouw pas later kwam, en de technieken langzaam aan beter werden.

Wat ik nog niet wist, en ook totaal geen beeld bij had was het verschil van tijd tussen de grottekeningen en de beeldjes. Daar had ik nooit goed bij na gedacht, al wist ik wel dat beide bestonden. Nu weet ik dus hoe beide van betekenis waren.

Wat ook opviel, en wat ik nog niet wist of besefte toen ik het onderzoek startte, is dat de ontwikkeling van omgang met de doden, religie, en kunst een gevolg zijn van het verbeteren van de leefomstandigheden. Op zich is dit wel heel logisch.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.