Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Inhoudsopgave Profielwerkstuk over Dementie

Start: Inleiding

Beantwoorden van deelvraag 1: Wat is dementie?
- Dementie in het algemeen
- De belangrijkste symptomen van dementie
- Mogelijke oorzaken van dementie
- Het verloop van het dementeringsproces
- Behandelingsmogelijkheden bij dementie
- Frequentie van ziekte dementie
Deelconclusie deelvraag 1

Beantwoorden van deelvraag 2: Welke vormen van dementie bestaan er?
- Het Korsakov Syndroom
- Lewy Body Ziekte
- Vasculaire Dementie
- Ziekte van Pick
- Ziekte van Parkinson en Dementie
- De Ziekte van Creutzfeld-Jacob
Deelconclusie deelvraag 2

Beantwoorden van deelvraag 3: Hoe groot is de kans dat ik dement word?
- Bedoeling van ons onderzoek
- Onderzoek

Beantwoorden van deelvraag 4: Wat is ‘Ouderdomsdementie’?
- Uitleg van ouderdomsdementie
- Interview met Dhr. Overdevest
Deelconclusie deelvraag 4

Beantwoorden van deelvraag 5: Komt dementie ook bij jongeren voor?
- Beantwoorden van de vraag
- Nederland in cijfers

Beantwoorden van deelvraag 6: Wat merk je aan iemand die dementeert?
- Verschijnselen
- Uitwerkingen van ons eerder gemaakte interview

Beantwoorden van deelvraag 7: Merkt iemand zelf dat hij dementeert?
- Beantwoorden van de vraag
- Uitwerkingen van ons eerder gemaakte interview

Beantwoorden van deelvraag 8: Is elke vergeetachtigheid ook dementie?
- Voorbeelden van vergeetachtigheid
- Beantwoorden van de deelvraag

Beantwoorden van deelvraag 9: Zit dementie in de familie?
- Is dementie erfelijk
- Verschijnselen
- Wat er gebeurt bij Alzheimer?
- Onderzoek op deelvraag 9

Uitleg geven over de hoofdvraag: (Biologische invalshoek) Welke onderzoeken vinden er op dit moment plaats naar dementie in Nederland?
Beantwoording van de hoofdvraag met de volgende drie punten:
- Biologische weg van de Ziekte van Alzheimer
- Kun je de ziekte van Alzheimer voorkomen?
- Uitleg van een bestaand onderzocht onderzoek

Verantwoording: alle gebruikte sites, boeken en spullen om tot ons eindoordeel te komen
- logboek
- bronvermelding: - boeken, internetsites, overige bronnen
- Evaluatie
-Bijlagen: - krantenknipsels, materialenmap

Antwoord op deelvraag 1: Wat is dementie?

In deze deelvraag wordt ten eerste beschreven wat dementie nu eigenlijk inhoudt. Ten tweede wordt duidelijk gemaakt wat de meest voorkomende symptomen van dementie zijn. Vervolgens wordt uitgelegd wat de meest voorkomende oorzaken van dementie zijn. Daaropvolgend de behandelingsmethoden en het verloop van dementie. Als volgend item wordt uitgelegd hoe de buitenstander met een dementerende patiënt om moet gaan. Als laatste wordt beschreven hoe frequent het syndroom van dementie voorkomt.
Dementie in het algemeen
Dementie is een verzamelnaam voor een groep van ziekten met een vaste kern van verschijnselen. Dit wordt ‘een groep van ziekten’ genoemd, omdat er verschillende vormen zijn met verschillende oorzaken, die echter wel een aantal dingen gemeenschappelijk hebben. Bij ieder mens, die aan deze ziekte lijdt, zal de uitingsvorm weer anders zijn en er zijn geen twee demente personen gelijk. “Dement” is een woord dat uit het Latijn afkomstig is en het betekent letterlijk: zonder geest. Bij het zien van dementerende mensen, wordt echter al snel duidelijk dat het niet louter om achteruitgang van de verstandelijke vermogens gaat, maat dat er ook lichamelijke uitingen zijn. In die zin is het woord “dement” misleidend; het slaat niet alleen op stoornissen in de hersenen, maar op de hele persoon. Dementie is geen aangeboren stoornis, maar ontstaat in de loop van het leven. Het is dus niet hetzelfde als idiotie en zwakzinnigheid, die al bij de geboorte ontstaan zijn. Een dementieel beeld hoeft niet altijd een volledige achteruitgang te betekenen.
Sommige vormen zijn behandelbaar, zeker als zij in een vroeg stadium behandeld worden. Gedrag, dat veel op dementie lijkt, kan namelijk door allerlei lichamelijke problemen ontstaan, zoals door een verminderde hartwerking, stoornissen in de urinewegen, slechte voeding, maar ook door geneesmiddelengebruik. Worden deze problemen verholpen, dan is vaak ook de ‘dementie’ genezen. Dus niet alle mensen die verward en vergeetachtig zijn, hoeven dement te zijn.

De belangrijkste symptomen van dementie
Het korte termijn geheugen
Als eerste openbaren zich meestal stoornissen in het korte geheugen, dat wil zeggen voor gebeurtenissen en nieuwe indrukken die pas net voorbij zijn. Bijvoorbeeld weet de persoon in kwestie niet meer wat hij of zij zojuist gegeten heeft, een spelletje spelen gaat niet zo goed meer, iemand vertelt steeds weer dezelfde dingen en herhaalt dezelfde vragen zonder dit zelf in de gaten te hebben, etc. Zowel de patiënt zelf als zijn omgeving heeft er last van. Maar hoewel het voor anderen vervelend kan zijn, is het voor deze mensen steeds weer een nieuwe vraag omdat zij het antwoord weer vergeten zijn. Sommige mensen merken zelf hun geheugenachteruitgang en kunnen daar bang, somber of kwaad van worden. Anderen proberen, dikwijls uit schaamte, de geheugenproblemen te verbloemen door een grapje te maken of een ontwijkend antwoord te geven, of door te ontkennen dat zij iets al eerder gezegd hebben.

Desoriëntatie in tijd, plaats en persoon
Iedereen heeft een soort ingebouwde tijdklok, een besef dat het ongeveer zus of zo laat is. Wanneer dit gevoel niet of minder aanwezig is, dan wordt dat ‘desoriëntatie in tijd’ genoemd. De patiënt weet niet welke dag het is, welk jaar, of het zomer of winter, ochtend of avond is. Wanneer iemand niet meer weet waar hij woont, waar hij nu is, waar de wc in huis te vinden is, dan spreekt men van ‘desoriëntatie in plaats’. De patiënt komt over als een onbekende in zijn eigen huis. Als dementerenden niet meer weten of het dag of nacht is, dan is het niet zo vreemd en onbegrijpelijk dat demente mensen nogal eens ‘s nachts opstaan, zich aankleden en een kopje thee willen gaan zetten.

‘Desoriëntatie in persoon’ wil zeggen dat iemand bekende mensen niet meer herkent, dat hij bijvoorbeeld niet weet of deze vrouw zijn buurvrouw, nicht of echtgenote is. Sommige patiënten herkennen hun eigen spiegelbeeld niet meer en kunnen dan bang worden voor degene die in de spiegel naar hen kijkt en daar zelfs agressief op reageren. Vaak hoort men demente mensen zeggen ‘ik moet naar moeder, waar is moeder’, terwijl deze al jaren geleden is overleden. Soms spreken zij ook hun eigen vrouw als moeder aan. Zoals al gezegd, wordt een gesprek nogal eens opgevuld met niet ter zake doende informatie of met slimme uitvluchten op vragen. Een demente man antwoordde eens op de vraag wat voor dag het was: ‘Dat moet u mijn vrouw maar vragen, die is hier de baas’. Patiënten voelen hun onvermogen, schamen zich ervoor en proberen zich op deze manier nog staande te houden.

Het lange termijn geheugen
Het langere tijd onthouden van informatie en het vasthouden van vroegere kennis, kan verloren gaan. Deze stoornissen komen doorgaans voor bij mensen bij wie de dementie al wat gevorderd is. In het algemeen is het zo, dat nieuwe informatie het snelst verloren gaat, en dat informatie die al heel lang in het geheugen zit, het best bewaard blijft; uiteindelijk zal ook deze afbrokkelen, Van de vorige week kunnen deze ouderen niets meer vertellen, maar wel van hun jeugd. Voor kinderen van deze mensen kan het zeer storend zijn, steeds dezelfde verhalen te horen over vroeger, doch voor ouderen is het hun houvast in de realiteit.

Afasie (taalstoornissen)
Er kunnen taalstoornissen optreden. De patiënt kan dingen die hij of zij ziet of hoort niet meer benoemen. Iemand kan bijvoorbeeld nog wel zijn of haar fiets uit het schuurtje halen en er op rijden, maar het woord ‘fiets’ kan hij of zij niet vinden. Anderen kunnen nog goede zinnen vormen, maar hebben er erg veel tijd voor nodig. In een verder gevorderde fase kan dit vaak niet meer. Dan worden woorden weggelaten, of vervormd tot hele andere woorden. Het kan gebeuren dat de patiënt steeds dezelfde woorden gaat herhalen: bijvoorbeeld loop-loop-loop en dat meerdere malen op een dag. Uiteindelijk kan de achteruitgang zover doorgaan dat de patiënt niets meer zegt. Al deze verschijnselen vatten we samen onder de term afasie. Er zijn drie vormen van afasie te onderscheiden: bij de ene vorm lukt het de patiënt niet om nog iets op de juiste manier te zeggen; bij de andere vorm volgt er een stroom van woorden die echter geen betekenis hebben of onsamenhangend zijn; de derde vorm bestaat uit een gestoord taalbegrip. Afasie kan overigens ook afzonderlijk optreden, bijvoorbeeld na een hersenbeschadiging of een hersenbloeding. De stoornissen doen zich niet alleen in de gesproken taal, maar ook in het geschreven taalgebruik voor.

Apraxie
Een volgende groep problemen heeft te maken met het verrichten van handelingen, zoals aankleden, eten, knoopjes dichtmaken, kortom allerlei dagelijkse levensverrichtingen. Ondanks het feit dat deze mensen niet gehandicapt zijn en hun spieren goed werken, kunnen zij deze praktische handelingen niet uitvoeren. Enkele voorbeelden zijn dat een broek over het hoofd wordt aangetrokken als ware het een hemd, dat thee wordt ingeschonken in de suikerpot, dat iemand niet meer weet hoe hij een schaar moet gebruiken, etc.

Agnosie
Het herkennen van voorwerpen, geluiden, geuren en dergelijke kan eveneens gestoord raken. Dit wordt agnosie genoemd. Belangrijk hierbij is dat iemand wel goed kan zien, horen, ruiken en voelen, maar desondanks het waargenomen niet herkent. Zo kan iemand een pen voor zich hebben liggen en willen beginnen met schrijven, maar de pen niet als pen herkennen en dus niet tot schrijven komen. Of de demente ruikt wel iets, maar herkent de geur niet als die van gas en zal de gaskraan dus niet dichtdraaien. Voor het gehoor geldt bijvoorbeeld, dat de demente iets hoort rinkelen en dit niet als het geluid van de telefoon herkent en dus laat de demente de hoorn op het toestel liggen. Een persoon speelt met glasscherven, herkent deze niet als scherpe voorwerpen en zal er geen gevaar in zien om er mee te spelen.
Deze herkenningsstoornissen, die ‘agnosie’ genoemd worden, kunnen bij alle zintuigen voorkomen. Dat ze gevaarlijk zijn voor de patiënt en zijn omgeving, blijkt wel uit bovenstaande voorbeelden, denk maar aan de gaskraan. Een speciale vorm van agnosie is het niet meer herkennen van de eigen vingers of handen. Deze mensen kunnen wel eens heel verbaasd naar hun eigen handen kijken als waren het de handen van een ander. Als een agnosie, afasie of apraxie voorkomt, hoeft dat nog niet op dementie te wijzen.
Veranderingen in de stemming en de persoonlijkheid
In het begin van de ziekte komt vaak een depressieve stemming en in zichzelf gekeerd zijn voor. Waarschijnlijk heeft dit veel te maken met de moeite om de achteruitgang te accepteren en te verwerken. Gevoelens van onmacht, soms ook van wrok en rancune, tot openlijke agressie kunnen voorkomen. De patiënten raken sneller geëmotioneerd, zij kunnen zo huilen, maar ook zo weer lachen. De stemming kan snel omslaan. Sommige patiënten worden heel druk en opgewekt, anderen heel stil, teruggetrokken en depressief. Vaak is de grondstemming depressief, angstig en vijandig achterdochtig. De persoonlijkheid, of het karakter, kan veranderen. Sommige mensen veranderen in hun tegendeel. Bijvoorbeeld wordt een zeer precies iemand slordig en nonchalant, of een rustig iemand wordt agressief en onhandelbaar. Bij anderen verandert de persoonlijkheid in de zin dat al aanwezige trekjes verscherpt worden. Zo kan iemand die altijd al wat wantrouwend was, nu vreselijk achterdochtig worden, soms in zulke mate dat het de vorm van een waan kan aannemen. Het komt nogal eens voor dat de demente persoon zijn portemonnee kwijt is, maar denkt dat een ander hem gestolen heeft. Er kan aldus een verscherping van een bepaald karakter optreden. Iedere persoon is evenwel anders en verandert anders; er is niet zoiets als een ‘demente persoonlijkheid’. Er kunnen ook hallucinaties voorkomen, dat wil zeggen, dingen zien die er niet zijn, of stemmen horen terwijl er niemand is.

Verdere veranderingen
In het begin van een dementeringsproces kunnen patiënten nogal eens rusteloos zijn en telkens een doelloze activiteit herhalen, zoals lopen ijsberen. De onrust neemt meestal in de middag en avond toe. Later blijven zij vaker apathisch zitten en kunnen zij ook problemen krijgen met lopen. Vooral ‘s nachts kan grote onrust optreden, waardoor de verzorgende partner niet meer aan voldoende slaap toekomt. Ook komt het wel eens voor dat mensen, die alle remmen los laten en zich minder aan de gebruikelijke fatsoensnormen storen. Een voorbeeld hiervan is een keurige, altijd goed verzorgde heer, die nu met zijn broek open en ongeschoren rondloopt. De man gaat zichzelf verwaarlozen en wil geen schone kleding meer aan. Ook bestaat nogal eens de neiging zich midden in de kamer te gaan uitkleden of ontbloot de straat op te willen gaan. Het wassen van deze mensen geeft vaak grote moeilijkheden voor de verzorgers. Deze ‘ontremming’ kan ook op seksueel terrein liggen en tot ongewenste handtastelijkheden leiden. Meestal treedt er interesseverlies op. Dit is niet zo verwonderlijk, gezien het onvermogen zaken te overzien. Incontinentie (het laten lopen van urine en/of ontlasting) treedt op zonder verwondering of bezorgdheid hierover. Waarschijnlijk werd vroeger naar aanleiding van deze verschijnselen van kindsheid gesproken. Vaardigheden als klok kijken gaan vaak al snel verloren. Een veel gehoord verschijnsel, dat met name voor de partner en andere familieleden erg vervelend is, is het verlies van het vermogen om het geld om te gaan. Eerder zeiden we al, dat het bij dementie niet alleen om verval van verstandelijke functies gaat, maar dat er ook lichamelijke veranderingen optreden.

Mogelijke oorzaken van dementie

De meest voorkomende dementiesyndromen op oudere leeftijd zijn de ‘ziekte van Alzheimer’ en de vasculaire dementie. De ziekte van Alzheimer, zoals in deze brochure beschreven, komt in 60% van de gevallen voor, de vasculaire dementie in 15%, een combinatie van Alzheimer en vasculaire dementie in 20% en de resterende 5% bestaat uit overige vormen van dementie.

De vasculaire dementie wordt veroorzaakt door stoornissen in de bloedvaten in de hersenen. Deze vorm werd vroeger ‘aderverkalking’ genoemd. Naar de oorzaken van de ziekte wordt veel onderzoek gedaan, maar tot op heden is er nog niets met zekerheid te zeggen over de processen die een rol spelen.
Daarnaast zijn er talloze ziekten, waarbij een beeld dat lijkt op dementie kan optreden. Voorbeelden hiervan zijn:
* bij de ziekte van Parkinson
* bij hydrocephalus (een teveel aan hersenvocht in de hersenen)
* bij kwaadaardige gezwellen
* bij infectie van de blaas of longen
* bij schildklieraandoeningen
* bij stoornissen in de werking van het hart, de longen, de lever, de nieren
* bij bloedarmoede
* bij geneesmiddelenvergiftiging (veel ouderen gebruiken erg veel medicijnen)
* bij chronisch alcoholgebruik
* bij tekort aan bepaalde vitamines en ondervoeding

Psychosociale factoren
Hiermee bedoelen wij allerlei belangrijke gebeurtenissen en ervaringen in het leven van mensen, welke op hun geestelijk welbevinden van invloed kunnen zijn. Deze ervaringen kunnen mensen kwetsbaar maken en het dement worden bevorderen of versnellen. Zo komen dementeringsverschijnselen vaak naar voren, wanneer iemand plots in een ziekenhuis opgenomen wordt of geweest is, of wanneer de partner overleden is. Om welke gebeurtenissen en ervaringen gaat het dan? Oudere mensen krijgen veel verliezen te verwerken: het overlijden van man of vrouw, soms ook van kinderen, van vrienden en naaste familieleden. Allerlei functies die zijn vervulden, zoals de kost verdienen, kinderen opvoeden, werk in een vereniging en dergelijke, zijn vervallen en daarmee ook het gevoel van eigenwaarde dat aan deze activiteiten ontleend kan worden. Met het wegvallen van het werk vervalt vaak ook een stukje status en macht. Meestal heeft dit tevens financiële gevolgen. Het verwerken van het ouder worden, van de veranderingen aan het lichaam en van mogelijke geestelijke veranderingen, kan diep ingrijpen. De invloed van vereenzaming, van gebrek aan contact met andere mensen, is niet te onderschatten. Ouderen krijgen, mede door hun verminderde zintuiglijke functies (slecht horen, slecht zien), minder prikkels, hetgeen eveneens een dementeringsproces kan bevorderen.

Behandelingsmogelijkheden bij dementie
In de eerste plaats is grondig onderzoek nodig om tot een goede diagnose te komen. Een gedegen lichamelijk en aanvullend laboratoriumonderzoek zijn onontbeerlijk. Temeer daar ouderen zelf dikwijls niet klagen, omdat zij allerlei verschijnselen als gewoon bij de ouderdom behorend beschouwen. Ouderen reageren ook nogal eens met gedragsstoornissen in plaats van koorts op lichamelijke ziekten. Wanneer de onderliggende lichamelijke problemen behandeld zijn, blijkt het dementiele beeld eveneens te verbleken. Blijkt echter eenmaal dat er geen andere oorzaken te vinden zijn en dat er werkelijk sprake is van dementie, dan wordt het moeilijk. Tot nu toe biedt de behandeling van dementie nog weinig perspectief. Dit hangt samen met het feit dat de oorzaak van dementie nog niet bekend is. Toch zijn er therapeutische mogelijkheden aan te geven, waarvan verwacht mag worden dat zij tenminste zullen bijdragen tot de verlangzaming van een voortschrijdend gebeuren, zoals: het zorgen voor een zo goed mogelijke lichamelijke conditie door een optimale voeding (waarbij met name gelet wordt op mineralen en vitamines), voldoende beweging en een goede nachtrust het stimuleren van nog beschikbare mogelijkheden, bijvoorbeeld het weer opnemen van vroegere hobby’s, het bieden van sociaal contact, kortom het scheppen van een omgeving die prikkels bevat en activiteit bevordert.
Medicijnen kunnen, zoals gezegd, het proces van dementeren niet stoppen. Wel zijn er middelen die bepaalde verschijnselen gunstig kunnen beïnvloeden. Door middel van slaapmedicatie kan het dagnachtritme hersteld worden; de nachtelijke onrust is voor de omgeving vaak één van de meest belastende symptomen. Als er sprake is van sterke verwardheid met hallucinaties (dingen zien of horen die er niet zijn), kan het gebruik van een neurolepticum gewenst zijn. Bij depressieve reacties kan verbetering optreden met een antidepressivum. Deze middelen kunnen ertoe bijdragen dat de familie beter met de cliënt om kan gaan en hem of haar daardoor zo lang mogelijk thuis in de eigen omgeving kan houden. In het algemeen zal men echter aan demente mensen liever niet te veel medicijnen geven. Als de verzorger overbelast raakt, kan er wijkverpleging en bejaardenverzorging ter ondersteuning aangevraagd worden. Tegenwoordig bestaat er bij vele verpleeghuizen ook de mogelijkheid tot dagbehandeling, waar dementerende ouderen overdag opgevangen kunnen worden. De naam ‘behandeling’ is wat misleidend, in die zin dat het meer om opvang en activering gaat dan dat er feitelijk behandeld wordt. Meestal gaat het er om de familie wat te ontlasten, zodat zij de thuiszorg zolang mogelijk vol kan houden.
Wordt het thuisfront toch te zwak of worden de stoornissen te ernstig, dan zal opname in een psychogeriatrisch verpleeghuis toch onvermijdelijk zijn. Hier onder vindt u een beschrijving van de meest gebruikte en toegestane medicijnen en welke werking ze hebben. Ook vindt u hier een beschrijving van een aantal alternatieve geneeswijzen.

Medicijnen:
1. Acetylcholine esterase-remmers: in Nederland is dit het bekendste, dat het ziekteproces tijdelijk af kan remmen. Acetylcholine is een chemische boodschapper in onze hersenen. Acetylcholine esterase vernietigt deze boodschapper, nadat deze zijn signaal heeft overgedragen van de ene naar de andere hersencel. De acetylcholine esterase-remmers vertragen de vernietigende werking en geven de “boodschapper”dus meer tijd om zijn werk te doen. Het gevolg is een lichte verbetering van het geheugen en aandacht en een betere communicatie met de omgeving. Alleen een specialist mag de remmers voorschrijven.
2. De eerste acetylcholine esterase-remmer die in Nederland verkrijgbaar was, heet rivastigmine. Dit geneesmiddel kan (afhankelijk van de patiënt) de geestelijke en lichamelijke achteruitgang met ten minste zes maanden vertragen. Het taalgebruik, rekenen en oriëntatievermogen verbeteren door gebruik van het medicijn. Over het gunstige effect van rivastigmine op de langere termijn zijn nog geen gegevens beschikbaar.
3. Een ander product met een vergelijkbare werking is donepezil. Dit medicijn hoeft, in tegenstelling tot rivastigmine, slechts een maal per dag ingenomen worden, terwijl rivastigmine drie maal per dag ingenomen dient te worden. Net zoals rivastigmine zou donepezil en gunstige invloed hebben op de cognitieve problemen bij Alzheimerpatiënten. Hoewel geen van deze medicijnen de ziekte van Alzheimer, kan een deel van de patiënten wel in staat worden gesteld om in het dagelijks leven beter zelfstandig te functioneren. Ook zou zijn gebleken, dat met name patiënten, die nog in de beginfase van het ziekteproces verkeren, er de meeste baat van ondervinden. Dit is ongeveer een kwart van alle Alzheimerpatiënten. Een nadeel van deze medicijnen is dat bij sommige patiënten bijwerkingen zoals misselijkheid, diarree en vermoeidheid kunnen optreden. Indien een van deze middelen wordt voorgeschreven dienen zowel de patiënt als de verzorgers goed over het gebruik en de mogelijke bijwerkingen te worden voorgelicht.
4. Op dit moment zijn er enkele nieuwe medicijnen in ontwikkeling. Een daarvan, galantamine, is in Zweden reeds toegelaten. Naar verwachting zullen andere EU landen dit voorbeeld volgen. Ook dit middel is een acetylcholine esterase-remmer.

Het verloop van het dementeringsproces
Dementie is geen ziekte die bij iedereen een gelijk verloop heeft. Desondanks kan er grofweg wel een bepaalde lijn geschetst worden. Doorgaans zullen in het begin van het dementeringsproces lichte geheugenstoornissen en desoriëntatie op de voorgrond staan en zal de patiënt een sombere stemming tonen. In een meer gevorderd stadium kunnen daar afasie, agnosie en apraxie bij komen, als ook stemmings- en persoonlijkheidsveranderingen. Dit is echter geen vaste volgorde.
De symptomen ontwikkelen zich sluipenderwijs, meestal zonder aanwijsbaar beginpunt. Bovendien kan het beeld wisselen op één dag, of van de ene dag tot de andere. Dat maakt het dan ook zo moeilijk om dementie al in een vroege fase te herkennen en te onderscheiden van normale veroudering. Hoe ouder de patiënt wordt, des te sneller kan hij naar een instelling voor een behandeling. Hier onder geeft een grafiek aan hoe de prevalentielijn loopt naarmate de patiënt ouder wordt.

Frequentie van de ziekte dementie
Het is moeilijk een exact cijfer te noemen over het aantal demente ouderen in Nederland. Dit heeft onder andere te maken met het feit, dat heel wat gevallen onbekend voor de statistieken blijven doordat zij nog niet met hulpverleningsinstanties in aanraking gekomen zijn. Voorts variëren genoemde aantallen afhankelijk van de definitie van ‘dementie’. Spreekt men bijvoorbeeld bij lichte geheugenstoornissen al van dementie, dan komt het getal natuurlijk veel hoger te liggen, dan wanneer pas na uitgebreid onderzoek de diagnose dementie gesteld wordt. Schattingen liggen tussen de vijf en vijftien procent van de ouderen boven de leeftijd van 65 jaar. Er komen steeds meer ouderen en steeds meer ouderen bereiken een zeer hoge leeftijd. Het aantal demente ouderen zal met de toenemende vergrijzing eveneens stijgen. Het aantal matig tot zwaar dementerende ouderen in Nederland zal toenemen van 105.000 in 1990 naar 126.000 in 2000 en zal vervolgens oplopen tot 144.000 in 2010 (Stuurgroep Toekomstscenario’s Gezondheidszorg 1990 in Duijnstee, 1992). Het gaat hier om personen die niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen. Dat dementie een omvangrijk probleem vormt, moge uit deze cijfers en de bovenstaande verschijnselen, duidelijk zijn.

Deelconclusie deelvraag 1
Het syndroom van dementie is een langdurig lopende en slepende ziekte. Bij dit syndroom komen veel verschijnselen voor. Een van de belangrijkste is het verloren gaan van het geheugen. Ook kent het syndroom van dementie meerdere oorzaken, waarvan de abnormale eiwitinkapselingen in de hersenen de belangrijkste zijn. Er zijn een aantal behandelingsmethoden, die het syndroom niet kunnen genezen, maar alleen kunnen remmen. Het syndroom van dementie verloopt langzaam en slepend, meestal tegelijk met het ouder worden. De omgang en de verzorging van dementerenden is een zware taak. Doordat bij de patiënt veel functies niet meer werken, zal de partner of de omgeving veel van zijn taken moeten overnemen. Bovendien begrijpt de patiënt veel dingen niet meer of weet het niet meer, waardoor een gesprek heel moeilijk wordt, wat veel wrijving kan veroorzaken. Door de vergrijzing in Nederland, neemt het aantal dementerende mensen gestaag toe. In 1990 waren het er 105.000 en zal in 2010 zijn toegenomen tot 244.000.

Antwoord op deelvraag 2: Welke vormen van dementie bestaan er?

Het Korsakov Syndroom
Dit is een syndroom dat veroorzaakt wordt door langdurig alcoholgebruik in combinatie met een slechte voeding. In het bijzonder het hierdoor optredende thiamine (vitamine B1) gebrek is verantwoordelijk voor het ontstaan van het Korsakov Syndroom. Ook niet-alcoholisten kunnen een syndroom krijgen, waarbij geheugenverlies optreedt, dat lijkt op het syndroom van Korsakov. Dit kan gebeuren wanneer zij in een slechte voedingstoestand verkeren, door bijvoorbeeld een stoornis in het maagdarmkanaal of gebrek aan primaire voedingsstoffen. Het syndroom van Korsakov wordt soms vooraf gegaan door de ziekte van Wernicke. Dit is een ziektebeeld, dat zich kenmerkt door verwarring en door enkele neurologische afwijkingen (o.a. loopstoornissen en oogspierverlammingen), bij de patiënt. De ziekte van Wernicke ontstaat in de loop van enkele dagen of weken. Als de lichamelijke verschijnselen van de ziekte van Wernicke zijn verdwenen, dan blijft het syndroom van Korsakov over. Het meest in het oog springende kenmerk van het Korsakov syndroom is geheugenverlies. De patiënt kan zich vooral dingen die op de korte termijn zijn gebeurt niet meer herinneren. Herinneringen aan gebeurtenissen, die langer geleden gebeurd zijn, worden vaak veel beter onthouden. Hoewel patiënten met het Korsakov-syndroom zich bepaalde gebeurtenissen nog kunnen herinneren, hebben ze wel problemen met het in een chronologische tijdvolgorde zetten van deze gebeurtenissen. Patiënten met het Korsakov-syndroom zullen hun geheugenverlies niet snel toegeven, want ze vullen de “lege” gaten in hun geheugen op met allerlei fantasieën. Dit wordt confabuleren genoemd. De verhalen zijn zo waarschijnlijk, dat buitenstaanders het idee kunnen krijgen, dat er met het geheugen van de betrokkene niets aan de hand is. Door het geheugenverlies komen patiënten met Korsakov-syndroom dagelijks in de problemen terecht, die ze zelf niet meer kunnen oplossen. Dit maakt hen onzeker en faalangstig. De ene patiënt reageert hierop met een apathische houding; hij trekt zich terug, neemt geen initiatief meer. De ander wordt juist agressief. Behalve geheugenproblemen hebben patiënten met het Korsakov-syndroom oriëntatieproblemen. Wanneer oriëntatie in de tijd gestoord is, dan betekent dit dat het begrip van tijd ontregeld is. De patiënt weet niet, meer welke dag van de week het is, wat er op een bepaalde dag gebeurd is of welk deel van de dag het is. De patiënt leeft als het ware in een chaos. Ook de oriëntatie in plaats kan verstoord raken, waardoor de patiënt moeite heeft met het aanpassen aan een nieuwe omgeving of waar de patiënt zich bevindt. Het herkennen van personen blijft meestal het langst intact, maar ook op de lange duur kan dat verstoord raken. Door deze symptomen lijkt de aandoening soms wat op dementie, maar het verschil is echter dat bij de patiënten met het Korsakov-syndroom de herinneringen uit het verre verleden onthouden worden, evenals de intellectuele vaardigheden. Het begrip blijft relatief goed intact.

Lewy Body Ziekte
Bij een aantal patiënten komen de verschijnselen van Parkisonisme in geringe en in een lichte vorm voor en pas in een laat stadium. Bij ongeveer een kwart van de Lewy Body ziekte patiënten zijn ze juist hevig en begint de ziekte ermee. Bij deze patiënten wordt dan vaak eerst de diagnose gesteld, dat de patiënt de ziekte van Parkinson heeft. Als later blijkt dat het om een combinatie van Parkinsonisme en dementie gaat, wordt de diagnose verfijnd naar de Lewy Body ziekte. Tot voor kort werd deze ziekte als een zeldzame vorm van dementie beschouwd. Kenmerkend zijn de met schommelingen gepaard gaande achteruitgang in het geestelijk functioneren en de aanwezigheid van verschijnselen van Parkinsonisme.
Dit geeft vooral; stijfheid, langzame beweging, een gebogen postuur en een afwijkende manier van lopen. In het begin van de ziekte is de dementering meestal licht, waarbij vooral problemen als aandachtsstoornissen opvallen. Ook zijn er vaak benoemproblemen, maar het geheugen en het uitvoeren van handelingen blijven meestal lange tijd goed. Al vroeg in het ziekenhuisproces kunnen visuele hallucinaties, dat wil zeggen dat de patiënt dingen ziet die er niet zijn, optreden, waardoor de dementie niet al te gemakkelijk te herkennen is.
Dit is een extra groot probleem, omdat Lewy Body patiënten extreem gevoelig kunnen zijn voor de bijwerkingen van middelen tegen deze hallucinaties. De mate van dementie is uiterst variabel van dag tot dag en ook de verschijnselen van het Parkisonisme kunnen sterk variëren. Veel Lewy Body patiënten maken verschillende perioden van verwardheid door. Ook komen andere symptomen van geestelijke achteruitgang voor zoals: depressiviteit.

Vasculaire Dementie
Vasculaire dementie is de meest voorkomende vorm van dementie, na de ziekte van Alzheimer. Bij ongeveer tien tot vijftien procent van de mensen die lijden aan dementie is er sprake van vasculaire dementie. Dat wil zeggen dat het een vorm van dementie is, die wordt veroorzaakt door de vaten. Enkele jaren geleden noemde men dit ook wel “multi-infarct dementie” of “arterosclerotische dementie”. De hersenbeschadigingen, die bij deze vorm van dementie horen, worden veroorzaakt door stoornissen in de bloedvoorziening in de hersenen, waardoor hersenweefsel beschadigt raakt of afsterft. De verschijnselen waarmee de dementie zijn intrede doet, variëren naar gelang welk gebied in de hersenen beschadigd is. Het gevolg hiervan is, dat er meerdere vormen van vasculaire dementie bestaan. Op dit moment is er geen genezing mogelijk en is vasculaire dementie niet terug te draaien. De stoornissen die optreden zijn afhankelijk van de plaats in de hersenen die is beschadigd. Ook al zijn de ziekteverschijnselen niet voor iedereen hetzelfde, toch is er een aantal algemene kenmerken:
- Geestelijke verschijnselen: bij vasculaire dementie zijn de geheugenproblemen en de oriëntatieproblemen in eerste instantie veel minder opvallend, dan bij de ziekte van Alzheimer. Zij treden wel in toenemende mate op, maar doorgaans in een wat later stadium. Regelmatig, vooral bij de ziekte van Binswanger, bemerkt men als eerste een vertraging in de snelheid van het denken, praten of bewegen. Er kunnen problemen met het gebruiken en het begrijpen van taal zijn, problemen met het herkennen van voorwerpen of het uitvoeren van dagelijkse handelingen. Ook kunnen verstoringen optreden in het omgaan met veeleisende situaties en in het vermogen logisch te redeneren.
- Lichamelijke verschijnselen: wellicht het meest kenmerkende van vasculaire dementie is de combinatie van geestelijke achteruitgang en lichamelijke verschijnselen. Als gevolg van de hersenbeschadiging kan een verlamming, spierverstijving of gevoelsverlies ontstaan. Hierdoor kunnen er problemen ontstaan met het lopen, praten, slikken of plassen. Er kan een nieuwe beroerte optreden, waarna nieuwe verschijnselen optreden of bestaande verschijnselen verergeren. Ook zijn er lichamelijke ongemakken, die een gevolg zijn van de hartaandoeningen en de vaataandoeningen, zoals pijn in de borst, kortademigheid of vochtophoping. Met het voortschrijden van de ziekte wordt de patiënt in toenemende mate hulpbehoevend. De patiënt raakt de controle over het lichaam kwijt, wat tot lichamelijke complicaties kan leiden. Vaak dient de patiënt geheel verzorgt te worden en de patiënt kan niet zelfstandig meer eten.
- Emotionele verschijnselen: een ander kenmerk van mensen, die lijden aan vasculaire dementie, is dat ze zich lange tijd bewust kunnen blijven van hun geestelijke achteruitgang. Dit kan sombere, of juist opstandige gevoelens bij de patiënt tot gevolg hebben. De buien van een patiënt kunnen snel wisselen en extreem zijn. Het ene moment zijn er tranen, het andere moment is er een lachbui. Ook de helderheid kan variëren, waarbij goede dagen, wanneer er weinig aan de hand lijkt te zijn, worden afgewisseld met slechte dagen. Soms komen waanideeën en hallucinaties voor, als de patiënt er bijvoorbeeld van overtuigd is te zijn bestolen. Ten slotte kunnen stoornissen in de initiatiefnemer ontstaan; de patiënt komt er steeds minder toe iets te ondernemen.
-
Ziekte van Pick
De ziekte van Pick is een aandoening van vooral het voorste deel van de hersenen, de frontale kwab. De ziekte van Pick noemt men dan ook een frontontemporale dementie. Kenmerkend voor de ziekte van Pick zijn de opgezwollen, ballonvormige zenuwcellen in het voorste deel van de hersenen. De oorzaak van de ziekte van Pick is nog niet bekend. Het ziektebeeld onderscheidt zich in een aantal opzichten duidelijk van andere vormen van dementie, zoals de ziekte van Alzheimer. In een beperkt aantal gevallen wordt de ziekte veroorzaakt door een afwijking in het erfelijke materiaal. De eerste verschijnselen kunnen tussen het veertigste en het zestigste levensjaar optreden. De aandoening begint meestal sluipend. De eerste verschijnselen uiten zich vooral in veranderingen in gedrag en persoonlijkheid. Ook kunnen er lichamelijke stoornissen zoals stereotiepe gelaatstrekken ontstaan. De verschijnselen die bij de ziekte van Pick worden waargenomen komen niet bij elke patiënt voor. - Planning en inzicht: Kenmerkend voor mensen met de ziekte van Pick is, dat het vermogen om te plannen en organiseren is verminderd. Het wordt voor de patiënt steeds moeilijker een complexe handeling uit te voeren of een taak tot een goed einde te brengen. Een ander kenmerk is het verminderde oordeelsvermogen: de patiënt kan geen verband meer leggen tussen oorzaak en gevolg. Hij heeft moeite om zijn eigen situatie in te schatten en kan het effect van zijn eigen gedrag niet beoordelen. Het inzicht van de patiënt in zijn eigen problematiek verdwijnt al snel. - Impulsief en onaangepast gedrag: De dementerende patiënt is vaak erg impulsief. Voorbeelden zijn roekeloosheid in het verkeer en grof taalgebruik. Gecombineerd met een verminderd oordeelsvermogen kan dit aanleiding geven tot sociaal onaangepast gedrag. De patiënt houdt geen rekening met anderen en gedraagt zich egocentrisch, dat willen zeggen: geheel op zichzelf gericht, en kinderlijk. - Ontremming: Het ongeremde kan ook tot uiting komen in het eetgedrag van de patiënt. De dementerende patiënt schrokt het naar binnen en ontwikkelt vaak een voorkeur voor zoetigheid. Het verlies van normen en waarden doet zich soms ook gelden bij seksueel gedrag. De patiënt wordt in dat geval vaak onverschillig in hun relatie.
Dwanghandelingen: Dwangmatig gedrag is een van de meest opvallende en kenmerkende gedragingen bij de ziekte van Pick. Het dagelijkse leven moet volgens een vast patroon lopen. De patiënt gaat bijvoorbeeld elke dag bijvoorbeeld op precies hetzelfde tijdstip eten, ook al is het eten nog niet gaar. De patiënt is meestal niet in staat flexibel te denken en blijft vaak “hangen” in een bepaald gedrag of gewoonte, ook al is dit niet meer functioneel. – Persoonlijkheidsveranderingen: De patiënt kan heel open zijn of juist erg in zichzelf gekeerd. Hij kan uren niksdoen tot iemand hem een opdracht geeft, maar kan ook erg ongeduldig zijn. Wat stemming betreft is er vaak sprake van een soort kinderlijke onnozelheid en vrolijkheid, die voor de omgeving wat overdreven overkomt.
- Taal- en geheugenproblemen: Soms ontstaan taalproblemen al in een vroeg stadium van de ziekte. De patiënt gaat steeds meer hetzelfde woord gebruiken om verschillende dingen aan te duiden, of herhaalt wat een ander zegt.
Hij heeft moeite om losse woorden te ordenen tot een zin. Het begrijpen van gesproken en geschreven taal levert meestal geen problemen op. – Geheugenproblemen: Aanvankelijk staan geheugenproblemen bij de ziekte van Pick niet op de voorgrond. Ook de oriëntatie in plaats, tijd en personen blijft vaak nog lang intact.

Ziekte van Parkinson en Dementie
De ziekte van Parkinson wordt gekenmerkt door stoornissen in het bewegen, waarvan het beven van de vingers en handen wellicht het meest bekend zijn. De ziekte heette in eerste instantie “paralysis agitans”, maar is later vernoemd naar haar ontdekker, de arts James Parkinson. Het begin van de ziekte ligt doorgaans tussen het vijftigste en het vijfenzestigste levensjaar. Er zijn enkele gevallen bekend met een jongere beginleeftijd. Het is een zeldzame aandoening, ongeveer 0,1% van de bevolking wordt er door getroffen. De kans om de ziekte te krijgen, neemt toe met het ouder worden en van de mensen ouder dan vijfenzestig lijdt ongeveer 1% aan deze ziekte. De gemiddelde ziekteduur bedraagt acht jaar, maar kan van een tot dertig jaar. Onderzoek heeft laten zien, dat de stoornissen in het bewegen ontstaan door celverlies in bepaalde dieper gelegen delen van de hersenen. Deze hersendelen zijn onder andere belangrijk bij het in gang zetten van bewegingen. Ook heeft men in die hersendelen de zogenaamde Lewy Bodylichaampjes gevonden. Dit zijn abnormale inkapselingen van eiwitbevattend materiaal in de hersencellen. Verschijnselen die ontstaan bij de ziekte van Parkinson en Dementie zijn o.a.: - Vingers en handen, die vooral in rust hevig beven, zijn wellicht het meest opvallende kenmerk. Maar er zijn ook andere bewegingsstoornissen. Zo worden bewegingen trager, waardoor opstaan uit een stoel bijvoorbeeld meer moeite kost. Ook ontstaat er zogenaamde bewegingsarmoede (hypokinesie). Dit kan zich uiten in een starre, vlakke gezichtsuitdrukking, een monotone stem en een stijve lichaamshouding. Bij het lopen worden de pasjes kleiner en schuifelend en gaat het bovenlichaam voorover hellen. Het schrijven wordt moeilijker omdat de letters kleiner worden. Omdat het stemvolume afneemt en woorden steeds minder duidelijk worden uitgesproken, wordt het moeilijker om de patiënt te verstaan.- De ziekte van Parkinson is een ziekte, die langzaam vordert en niet is te stoppen. Wel zijn enkele medicijnen ontdekt, die het bewegen kunnen verbeteren of tijdelijk kunnen verbeteren. Door het celverlies in de hersenen ontstaat er een tekort aan een bepaalde stof, namelijk dopamine. Deze stof is onder andere belangrijk bij het bewegen, De gebruikte medicijnen kunnen het tekort aan dopamine tijdelijk opvangen. Op de lange termijn wordt echter het gebrek aan dopamine zo groot, dat de medicijnen er niet langer voor kunnen compenseren.- Naast veranderingen in het bewegen, komen er ook depressieve gevoelens voor en kunnen ook veranderingen in het denken optreden. Als deze veranderingen zo ernstig zijn, dat ze het dagelijks functioneren belemmeren, spreekt men van dementie. Uit een aantal onderzoeken komt naar voren, dat vijfendertig tot vijfenvijftig procent van de mensen, die aan Parkinson lijden, daarnaast een vorm van dementie ontwikkelt. De veranderingen in het denken kunnen diverse vormen aannemen. Bij ongeveer twintig procent van de Parkinson patiënten bestaat de dementie uit vertraging van het denken en spreken. Geheugenproblemen hebben betrekking op het zelf ophalen van informatie; het herkennen van informatie is nog goed, Ook het vermogen tot abstract denken neemt af en men neemt steeds minder vaak spontaan het initiatief. Bij een kleine groep mensen met Parkinson staan andere verschijnselen van dementie op de voorgrond. Deze dementie lijkt meer op de verschijnselen van de ziekte van Alzheimer. Er zijn vooral stoornissen in het geheugen en dan vooral het inprentingvermogen en het leervermogen. Problemen met het uiten en begrijpen van taal komen ook voor. Ook het uitvoeren van dagelijkse handelingen wordt steeds moeilijker, zoals het brood smeren of de schoenveters strikken.

De Ziekte van Creutzfeld-Jacob (extra)
In tegenstelling tot de ziekte van Alzheimer, komt de ziekte van Creutzfeld-Jacob in de meeste gevallen al op relatief jonge leeftijd voor. Om precies te zijn tussen de vijftig en de zestig jaar. Het aantal mensen dat aan de ziekte van Creutzfeld-Jacob lijdt is echter beduidend, dan het aantal patiënten dat lijdt aan dementie. De ziekte van Creutzfeld-Jacob is een zeldzame aandoening; een patiënt op de vijfhonderdduizend tot een miljoen mensen. In Nederland zijn ertussen de tien en 20 patiënten, dus een zeer laag aantal. Een aantal dat vrij constant blijft, want er komen weliswaar elk jaar nieuwe patiënten bij, maar ongeveer hetzelfde aantal sterft jaarlijks aan deze hersenziekte. Dit heeft te maken met het zeer snellen verloop van de ziekte. Hoe snel de ziekte van Creutzfeld-Jacob kan verlopen, blijkt wel uit het feit, dat zeker de helft van alle patiënten al na vier tot zes maanden overlijdt. Vaak is dit ten gevolge van een longontsteking. Over het algemeen is een jaar nadat de ziekte zich openbaart, bijna elke patiënt overleden. Bij een klein aantal patiënten beloopt de ziekte twee jaar, bij hoge uitzondering langer. De ziekte van Creutzfeld-Jacob begint vaak met wat vage psychische veranderingen. Die lijken in het begin te wijzen op overspannenheid of neerslachtigheid. Maar binnen enkele weken treden er ernstige geheugenstoornissen op en krijgt de persoon in kwestie bovendien problemen met de verwerking van alles wat hij ziet. En dan wordt al snel duidelijk dat er sprake is van een zeer ernstige ziekte. Daarnaast krijgen de patiënten met de ziekte van Creutzfeld-Jacob problemen met de besturing van hun ledematen. Ze gaan een soort dronkemansloop vertonen. Ook wordt de spraak trager of onduidelijker. In een later stadium doen zich spierschokken voor, worden armen en benen steeds stijver, treedt incontinentie op en kan de patiënt niet meer spreken en bewegen. Waarschijnlijk is de patiënt zich dan niet meer bewust van zijn omgeving en beperkingen.

Deelconclusie deelvraag 2
Er zijn een aantal verschillende vormen van het syndroom van dementie. De belangrijkste zijn Alzheimer (deze vorm van dementie bespreken wij uitgebreider en komt daardoor later in het werkstuk voor) en vasculaire dementie. Elke vorm van het syndroom van dementie heeft zijn eigen specifieke kenmerken. Toch komen vaak een aantal verschijnselen overeen, waardoor het exact vaststellen van welke vorm van dementie het is, wordt bemoeilijkt. Er zijn voor een aantal vormen wel behandelingsmethoden, die het syndroom overigens alleen kunnen remmen. Er zijn ook vormen die bijna tot niet te remmen zijn.

Deelvraag 3: Hoeveel komt Alzheimer voor in Nederland? (in cijfers)

In 1906 was het de Duitse arts Alois Alzheimer die kenmerkende veranderingen ontdekte in het hersenweefsel van mensen die aan dementie waren overleden.
Hij sprak over een vrouw die was overleden na jaren problemen te hebben gehad met haar geheugen, verward overkwam en moeite had met het begrijpen van vragen. Na haar dood deed hij een autopsie op haar hersenen en beschreef opeenhopingen buiten en rondom de hersencellen (amyloïde plaques). Binnenin de hersencellen merkte hij de aanwezigheid van een kluwen vezels op (neurofibribrillaire tangles). De ziekte is tegenwoordig naar hem vernoemd. Het waarnemen van de plaques en tangles tijdens een autopsie is op dit moment nog steeds nodig om de ziekte van Alzheimer met zekerheid vast te stellen.

Op dit moment lijden er waarschijnlijk 130.000 Nederlanders aan de ziekte van Alzheimer.
Alzheimer is voor namelijk leeftijdsgebonden, hoe ouder je wordt hoe meer kans je krijgt dat deze ziekte zich gaat ontwikkelen. Aangezien de levensverwachting nog steeds toeneemt, zal ook het aantal Alzheimerpatiënten toenemen. Tegen het midden van deze eeuw zal het aantal Alzheimerpatiënten de 550.000 zijn gepasseerd. Je hebt dus een grote kans om het te krijgen.

Hoeveel mensen in Nederland lijden aan dementie?
Men schat dat van alle mensen tussen de 65 en 69 jaar 1,5% aan dementie lijdt. De kans op dementie neemt toe met de leeftijd. Zo heeft meer dan 30% van de mensen boven de 85 jaar dementie. (zie figuur 1)

Figuur 1: Voorkomen van dementie in de bevolking, naar leeftijd en geslacht [rivm]

Naar schatting zijn er in Nederland op dit moment 195.000 mensen bij wie de diagnose is gesteld. Daarnaast zijn er ongeveer 60.000 mensen die lijden aan dementie maar bij wie de diagnose nog niet is vastgesteld. Circa 10.000 dementiepatiënten zijn jonger dan zestig. Waarschijnlijk zal het aantal dementerenden tot 2050 nog sterk toenemen. (zie figuur 2) Deze toename wordt met name veroorzaakt door de toenemende vergrijzing.

Figuur 2: Verwacht aantal dementerenden tot het jaar 2050

Feiten over de ziekte van Alzheimer:
De cijfers
- In Nederland leven ruim 3,6 miljoen mensen van vijfenvijftig jaar of ouder. Dat is ongeveer 23% van de totale bevolking. Door de toenemende vergrijzing zal deze groep de komende jaren alleen nog maar groeien. Verwacht wordt dat in het jaar 2050 de groep vijfenvijftig-plussers 34% van de totale Nederlandse bevolking uitmaakt. Dit betekent ruim 5,8 miljoen mensen.
-Leeftijd vormt het grootste risico voor het krijgen van de ziekte van Alzheimer. Naarmate de vergrijzing toeneemt, zal deze ziekte vaker voorkomen.
-Op dit moment lijden ongeveer 180.000 Nederlanders aan een vorm van dementie. In ruim 70% van de gevallen wordt dementie veroorzaakt door de ziekte van Alzheimer. Hiermee komt het aantal Alzheimerpatiënten op ongeveer 130.000. Dat is één op de 123 Nederlanders. In het jaar 2050 zal het aantal dementerenden waarschijnlijk zijn toegenomen tot 550.000. Tegen die tijd zal het aantal Alzheimerpatiënten de ruim 300.000 zijn gepasseerd.
-In meer dan 95% van de ziektegevallen zijn de patiënten ouder dan 55 jaar. Geschat wordt dat 11% van de Nederlanders in de leeftijd 75-84 jaar en 35% van 85 jaar en ouder lijden aan de ziekte van Alzheimer.
-In ons land zijn circa 75.000 mensen opgenomen in een verpleeghuis. Hiervan lijdt 45% aan een vorm van dementie. Onder de ongeveer 34.000 dementerenden bevinden zich naar schatting 24.000 Alzheimerpatiënten. Dit betekent dat ruim 80% van alle Alzheimerpatiënten in ons land in de thuissituatie verzorgd worden. Hierbij is de partner meestal de verzorger.
-Het is bekend dat erfelijkheid een rol kan spelen bij de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer. In hoeverre erfelijke factoren daadwerkelijk tot de ziekte leiden, is echter nog niet bekend.
-Na de ziekte van Alzheimer komt vasculaire dementie het meest voor. Circa 16% van de dementerenden lijdt aan deze vorm van dementie, die wordt veroorzaakt door kleine hersenbloedingen. De derde belangrijke oorzaak van dementie is de ziekte van Parkinson; hier geldt een percentage van 6%.

Antwoord op deelvraag 4: Wat is ‘Ouderdomsdementie’?

Bij deze deelvraag hebben wij ervoor gekozen om een korte uitleg te geven en om een interview te houden met een dementerend persoon. Aan de hand van dit interview gaan wij de conclusie geven op deelvraag 4.

Ouderdomsdementie
Deze term wordt vaak gebruikt als men het heeft over de ziekte van Alzheimer. De ziekte van Alzheimer komt namelijk het meest voor bij oudere mensen: van degenen ouder dan 80 jaar heeft 30% de ziekte van Alzheimer zoals u in deelvraag 3 heeft kunnen lezen.

Interview met Dhr.

Antwoord op deelvraag 5: Komt Alzheimer / dementie ook bij jongeren voor?

Doordat wij bij deze deelvraag weinig tot geen informatie konden vinden hebben wij raad gepleegd bij de hulplijn van de stichting van Alzheimer (030-6567511). Bij dit gesprek werd ons verteld dat de kans dat jongeren (gesproken over een leeftijd tussen de 12 en 20) Alzheimer krijgen minimum is, en dat dit ook de reden is waarom er hier geen informatie over te vinden is. Want de kans dat mensen tussen de 55 en 59 is al bijna 0% nou in ieder geval niet meer als 2% dus laat staan bij mensen met de leeftijd onder de 40 jaar.

Antwoord op deelvraag 6: Wat merk je aan iemand die dementeert?

Bij deze deelvragen hebben wij ervoor gekozen om zelf een observatieopdracht te houden bij een dementerend persoon (deze opdracht zit bij de bijlagen). Ook zullen wij de belangrijkste en de meest voorkomende verschijnselen bespreken om deze deelvraag te beantwoorden. Ook geven wij bij deze deelvraag aan in welke fase de persoon die dementerend is verkeerd. Omdat Alzheimer de meest voorkomende dementie is en wij dit als hoofddoel hebben gekozen geven wij hiervan de fases die voorkomen. Het begint met de beginfase: Al vroeg ontstaan er problemen met het korte termijn geheugen. Het leren van nieuwe informatie, het onthouden van wat je net gezien of gehoord hebt, wordt moeilijker. In het algemeen kost alles waar je het hoofd bij moet houden wat meer inspanning: televisie kijken, een gesprek volgen, plannen maken, dingen op een rijtje zetten, problemen oplossen en beslissingen nemen. Er kunnen karakterveranderingen plaatsvinden. Soms geleidelijk en minder opvallend: iemand is steeds meer met zichzelf bezig; het sociale gedrag neemt af. Soms opvallender: als mensen plotseling erg onverschillig, achterdochtig of agressief worden. Hierna volgt de middenfase in deze fase komen de volgende verschijnselen voor: Er ontstaan stoornissen in het lange termijn geheugen. Naast problemen met het aanleren van nieuwe dingen verdwijnt nu ook de kennis die al in het geheugen was opgenomen. Verder krijgt de patiënt last van: - Oriëntatiestoornissen; Eerst in tijd: niet goed meer weten welke dag, maand of jaar het is of het verliezen van het tijdsgevoel over de dag. Later in plaats en persoon: niet beseffen waar je bent, vergeten wie de mensen om je heen zijn, ook van bekenden. Niet meer weten wie je zelf bent en hoe je leven zich heeft voltrokken. - Afasie; problemen met het gebruik van de taal meestal beginnend met spraak- en schrijfmoeilijkheden, later ook met het begrijpen van taal. - Agnosie; problemen met het herkennen van voorwerpen en geluiden om je heen en waar ze voor dienen. - Apraxie; problemen met het uitvoeren van normale bezigheden die men eerder wel kon uitvoeren; meestal is er vooral moeite met de volgorde van verschillende handelingen om tot iets te komen.
Ook ontstaan er problemen bij het denken. De dementerende beseft niet meer goed wat gepast is of beoordeelt situaties verkeerd. Hij kan zich bijvoorbeeld in gezelschap gaan uitkleden, of is bang voor de televisie omdat de beelden als werkelijk worden beleefd. Opvallend is ook dat de patiënt meestal zelf niet inziet dat hij ziek is. Sommige patiënten wisselen snel van stemming . Iemand kan snel kwaad worden, maar het volgende moment weer goede zin hebben. Dit kan onder andere te maken hebben met het vergeten van de aanleiding tot de kwaadheid. In het algemeen lijkt men de emoties niet meer goed in de hand te hebben. Veel patiënten zijn onrustig en dan voornamelijk ‘s nachts, door de omkering van het dag en nacht ritme. Dementerenden krijgen naast geestelijke problemen ook vaak lichamelijke problemen . Allereerst zullen deze problemen met hun leeftijd samenhangen, maar in latere stadia gaat de dementerende ook achteruit als gevolg van de dementie. Veel voorkomende problemen zijn: vermagering, vermindering van de spierkracht, vermoeidheid en incontinentie. Uiteindelijk komt de dementerende bij de eindfase: In deze laatste fase van dementie is de patiënt geheel afhankelijk. De patiënt praat niet meer, is bedlegerig, is de controle over het lichaam kwijt en heeft vaak last van lichamelijke complicaties. Vaak is de onrust van de eerdere fases veranderd in slapen of doezelen. Soms veroorzaakt de hersenbeschadiging ook epilepsieachtige klachten.

Antwoord op deelvraag 7: Merkt iemand zelf dat hij dementeert?

Ook bij deze deelvraag hebben wij ervoor gekozen om de begin-, midden- en eindstadium toe te passen. Hierdoor willen wij u een beter beeld geven en laten zien in welke fase de dementerende zich bevind. Nu antwoord op deelvraag 7: Merkt iemand zelf dat hij dementeert? Ja, eigenlijk wel. Iemand die lijdt aan de ziekte van Alzheimer weet in het begin misschien niet wat er aan de hand is, maar beseft wel dat er iets mis gaat. Hij verliest geleidelijk aan de greep op de wereld. Later in het ziekteproces lijkt het ziektebesef verloren te gaan. Bij vasculaire dementie heeft de patiënt in de regel veel langer weet van zijn achteruitgang. Het spreekt vanzelf dat dit veel onzekerheid, angst, verdriet en opstandigheid met zich mee kan brengen, bij Alzheimer is dit veel minder. In het begin is er meestal sprake van ongeloof en ontkenning. De dementerende bedient zich van trucjes of leugentjes om de moeilijkheden voor anderen (en zichzelf) te verbergen. Hij zal door het geheugenverlies het gevoel van houvast en tijd verliezen. Dit roept angst op, waarop hij kan reageren met agressie en achterdocht, of juist met somberheid en pessimisme. De dementerende kan proberen de wereld ‘kloppend’ te maken door bijvoorbeeld anderen de schuld te geven als er iets kwijt is. Ook kan hij proberen een gevoel van zekerheid en veiligheid te krijgen door zich vast te klampen aan het verleden of de partner. Soms zal hij andere mensen mijden om niet geconfronteerd te worden met de problemen. Na de beginfase is er een grote fase die te verdelen is in een grote middenfase en een hele kleine eindfase, deze fases volgen heel snel op elkaar waardoor de dementerende als het ware al in de eindfase zal belanden als hij de middenfase in komt. In de middenfase begint het met het verdwijnen van oude kennis, ook verdwijnen steeds meer aanknopingspunten die nodig zijn om iets te begrijpen. Daardoor wordt de omgeving en de situatie steeds als nieuw ervaren. Op een gegeven moment verdwijnt het besef van de toekomst en daarmee verdwijnen vaak ook een aantal zorgen en angsten. Als de scheiding tussen het heden en het verleden wegvalt, wordt het verleden als heden beleefd. Dit is geen terugvluchten meer in het verleden zoals eerder nog wel gebeurde. Men leeft alleen nog hier en nu. Net als bij een klein kind wordt het eigen ik en het eigen lichaam weer het middelpunt van de wereld. Voor de omgeving is het belangrijk te beseffen dat de dementerende nog heel lang gevoelig blijft voor sfeer en emoties van anderen. Hierdoor is het belangrijk dat de omgeving van de dementerende goed met deze gevoelens om kan gaan en er op in te spelen.

Antwoord op deelvraag 8: Is elke vergeetachtigheid ook dementie?

Oudere mensen vinden vaak dat hun geheugen achteruitgaat. Bij sommigen roept dit de angst op aan dementie te lijden. Toch is vergeetachtigheid niet specifiek voor ouderen, ook jongeren hebben hier last van. Wel is het normaal dat het geheugen verandert bij het ouder worden. Het kost bijvoorbeeld meer tijd om informatie uit het geheugen op te roepen. In het algemeen leidt ouderdom echter niet tot een grote achteruitgang van het geheugen. Er zijn wel verschillen tussen normale vergeetachtigheid en de stoornissen zoals die zich voordoen bij dementie:
- Gewone geheugenklachten zijn minder ernstig. Bij gewone vergeetachtigheid gaat het om details, bijvoorbeeld niet meer precies weten wie u allemaal hebben gefeliciteerd met uw verjaardag. Iemand met dementie kan vergeten dat hij zijn verjaardag heeft gevierd. De dementerende vergeet de hele situatie. - Bij vergeetachtigheid weet u het wel, maar u kunt er niet opkomen. Een naam kan later weer te binnen schieten en u herkent de naam feilloos als iemand anders die noemt. Dat betekent dat de naam wél in het geheugen was opgeslagen, maar moeilijk kon worden teruggevonden. De herkenning is dus wel normaal. Bij dementie is het alsof de informatie helemaal uit het geheugen verdwenen is, waardoor herkenning onmogelijk is. - Bij vergeetachtigheid kunt u nog nieuwe informatie opnemen, al gaat het misschien wat langzamer en kost het meer moeite dan vroeger. Bij dementie komt er weinig of geen nieuws meer in het geheugen omdat het leervermogen steeds verder afneemt.
- De dementerende vergeet ook wat hij eerder wél wist, de namen van de kinderen, maar bijvoorbeeld ook hoe je een boterham moet smeren. - Vergeetachtigheid verstoort het dagelijkse leven niet. Iemand die vergeetachtig is, kan zijn eigen huishouden doen, de financiën regelen of ergens naar toe reizen. Bij dementie zal dit al gauw te moeilijk blijken.
- Bij dementie beperken de problemen zich niet tot het geheugen. Er ontstaan moeilijkheden bij dagelijkse handelingen als aankleden of koken, of men verdwaalt in bekende omgeving. Ook kunnen er problemen zijn met het beoordelen van alledaagse situaties waardoor iemand bijvoorbeeld in zijn pyjama boodschappen gaat doen. - Ernstige geheugenstoornissen bij ouderen worden behalve door dementie ook vaak veroorzaakt door: - Verkeerd of overmatig gebruik van geneesmiddelen. Niet alleen blijven medicijnen in het lichaam van ouderen langer actief, ook kan de combinatie van meerdere middelen verschijnselen van dementie veroorzaken. - Depressiviteit, mensen met een depressie hebben nergens zin in. De sombere gedachten bemoeilijken het opslaan en terughalen van informatie, waardoor vaak ernstige geheugenstoornissen optreden. Een psycholoog kan onderscheid maken tussen een depressie en dementie en de eventuele depressie behandelen. - Tekort aan vitamine B of andere vitaminen, door eenzijdige voeding of doordat ouderen sommige vitaminen minder goed uit het voedsel kunnen opnemen. - Ziekten zoals schildklieraandoeningen en suikerziekte. Als bepaalde organen niet goed functioneren, kunnen de hersenen hun werk niet goed doen.

Wanneer moet u naar de dokter?
Een bezoek aan de huisarts is gewenst als u bij uzelf of een ander abnormale vergeetachtigheid of een duidelijke verstoring van het dagelijkse leven ziet. Abnormale vergeetachtigheid kan zich op vele manieren uiten. Het onthouden van namen, adressen en telefoonnummers gaat achteruit, men kan de weg niet meer vinden, raakt dingen kwijt, vergeet het licht of gas uit te doen of kan niet meer goed met geld omgaan. Een waarschuwingsteken is ook dat belangrijke afspraken worden vergeten.
Een onderzoek door de huisarts is ook dringend gewenst bij regelmatige valpartijen. Of bij plotseling krachtverlies in armen of benen, ook als dat langzaam weer herstelt. Let ook op bij een scheve mondhoek, dubbelzien, bij vaak verslikken of moeilijkheden bij het praten.

Antwoord op deelvraag 9: Zit dementie in de familie?

Voor deze deelvraag hebben wij ervoor gekozen om de informatie te vragen door gebruik te maken van de infolijn van de Alzheimer Nederland. Deze mevrouw gaf ons de volgende informatie.

Het is nog niet vastgesteld dat de ziekte van Alzheimer behoort tot de erfelijke ziektes. De wetenschap onderscheidt twee vormen: de vroege vorm (die zich openbaart tussen het 30e en 60e levenjaar) en de late vorm (na 65 jaar). Negentig procent van de mensen lijdt aan deze late vorm en daarvan is (nog) geen patroon van overerving te ontdekken, al denkt men dat er wel degelijk genetische factoren een rol spelen bij de ontwikkeling hiervan. Er zijn mensen die belaste genen in hun erfelijk materiaal hebben, zonder ooit de ziekte van Alzheimer te ontwikkelen; dit terwijl anderen, zonder dit genenmateriaal, wel de ziekte kunnen krijgen. Voor de vroege vorm, waaraan slechts 10% van de Alzheimerpatiënten lijdt, zijn sterkere aanwijzingen voor de erfelijkheid. In dit kader wordt vaak het ApoE gen genoemd.

Antwoord op de hoofdvraag: Welke onderzoeken vinden er op dit moment plaats naar dementie (Alzheimer) in Nederland?

Deze hoofdvraag gaan wij beantwoorden aan de hand van de volgende drie punten: - Biologische weg van de Ziekte van Alzheimer
- Kun je de ziekte van Alzheimer voorkomen?
- Uitleg van een bestaand onderzocht onderzoek

Deze hoofdvraag hebben wij gekozen omdat dit de belangrijkste vraag is om heel de zaak Alzheimer. Met deze vraag zijn doktoren dagelijks bezig dat komt doordat Alzheimer de grootste vorm van dementie is in heel de wereld. Daarom willen we dat deze ziekte behandelbaar wordt en dat er dus een oplossing gevonden wordt. Onze hoofdvraag sluit hierop aan omdat er een oplossing gevonden kan worden na goed wetenschappelijk onderzoek. Onze eerste punt wat wij gaan beantwoorden is de weg die Alzheimer aflegt en hoe deze de hersenen aantast.
Doktoren denken dat in de gebieden van de hersenen die het geheugen en denkvermogen regelen de zenuwcellen beschadigd worden door een bepaald eiwit. Daardoor wordt de uitwisseling van gegevens tussen hersencellen ernstig verstoord hierdoor krijg je de symptomen van de ziekte van Alzheimer. Een van de kenmerken van de ziekte van Alzheimer is de opeenhoping van amyloïde plaques tussen de zenuwcellen in de hersenen. Amyloïde is een algemene term voor het eiwit dat het lichaam normaal aanmaakt. Beta-emyloïde is een eiwit van het veel grotere APP-eiwit (Amyloïd Precursor Protein). In gezonde hersenen worden deze eiwitten afgebroken en verwijderd. In hersenen van een Alzheimerpatiënt stapelen deze eiwitten zich op en vormen stevige, onoplosbare plaques. Neurofibrillaire tangles bestaan uit onoplosbare verharde vezels (knopen) in de hersencellen. Zij bestaan voornamelijk uit het tau-eiwit. Dit eiwit vormt een deel van de structuur van normale zenuwcellen; de zogenoemde microtubule. Dit helpt onder andere bij het transporteren van voedingsstoffen van het ene deel van de zenuwcel naar de andere. Maar bij de ziekte van Alzheimer verandert het tau-eiwit van structuur en vallen de microtubulen uiteen. Dit betekent dat de cortex (denkcentrum) van de hersenen kleiner wordt en er ontstaan lege ruimtes in de hersenen. In dat geval is er sprake van een totale inkrimping van het hersenweefsel. De groeven; de goed ontwikkelde plooien aan de buitenkant van de hersenen. Bovendien zijn de hersenkamers, de ruimtes n in de hersenen zijn merkbaar dieper geworden. Tevens is er inkrimping van de windingen in de hersenen dat hersenvocht bevat, merkbaar vergroot. In de hersenen van Alzheimerpatiënten ontstaat er bovendien een tekort aan bepaalde stoffen (acetylcholine en somatostatine) die nodig zijn voor het goed werken van de hersenen. De kwaliteit van de samenwerking gaat daardoor achteruit. Bij Alzheimer treedt er dus een selectief verlies van neuronen in vitale (associatie, herinneringen, analyse e.a.) corticale hersengebieden op. In de eerste fase van de ontwikkeling van de ziekte van Alzheimer begint het korte termijn geheugen af te nemen (zie ook het kader ‘geheugen’). De cellen in de hippocampus zorgen ervoor dat de mogelijkheid om volgens routine te handelen afneemt. Zodra de ziekte van Alzheimer zich verspreidt in de hersenschors (de buitenkant van de hersenen), gaat het inzicht achteruit. De voortgang van de ziekte leidt tot het afsterven van meer hersencellen en daardoor ontstaan gedragsveranderingen, zoals ronddwalen en gejaagdheid. Ook zal de persoon geen bekende gezichten meer herkennen en het communiceren is in de laatste fase van de ziekte totaal verloren gegaan. Patiënten verliezen de controle over de ontlasting en hebben uiteindelijk constante verzorging nodig.

Op ons volgende punt kunnen wij heel kort zijn. Dit komt doordat er simpel weg geen oplossing voor is. Helaas weten we nog niet goed genoeg waardoor de hersencellen afsterven. Daardoor kunnen we het ook nog niet voorkomen. Er bestaat hierdoor nog geen medicijn of behandeling waarmee de ziekte van Alzheimer kan worden bestreden. Wel zijn er verschillende medicijnen waarmee symptomen tijdelijk kunnen worden uitgeschakeld. Geheugentraining is een hulpmiddel om de symptomen van de ziekte wat uit te stellen. De kans op de ziekte van Alzheimer wordt vergroot door aandoeningen aan hart en bloedvaten. Alles wat de bloedvaten beschermd kan dan ook de kans op de ziekte verkleinen. Dus gezond leven verkleind de kans op Alzheimer.
Het laatste punt geven wij in de vorm van een bestaande onderzoeken weer. Dit hebben wij kunnen bemachtigen.

Onderzoek 1

Onderzoeker: Dr. Ir. Marcel Verbeek
Organisatie: Universiteit van Nijmegen
Project: De rol van apoe bij ab toxiciteit
Periode: 2 jaar
Toegekende subsidie: 68067 euro

De ziekte van Alzheimer wordt gekenmerkt door vorming van de zogenaamde seniele plaques, neurofibrillaire tangles (onregelmatig vormsel van neerslagen van een zenuwcel) en cerebrovasculair (m.b.t. de hersenbloedvaten) amyloïd in de hersenen. Deze bestaan uit onoplosbare eiwitten die de werking van de hersenen op een negatieve manier beïnvloeden. Ook al is slechts een klein percentage Alzheimerpatiënten erfelijke belast, toch is er in gevallen van sporadische ziekte van Alzheimer een genetisch risicofactor vastgesteld, namelijk het apolipoproteïne E (apoE). Er zijn drie verschillende vormen van apoE bekend: apoE2, apoE3, apoE4. De meeste mensen zijn drager van de apoE3 isovorm. Enkele jaren geleden hebben onderzoeken aangetoond dat mensen met apoE4 een hogere kans hebben op het ontwikkelen van de ziekte van Alzheimer en een grotere hoeveelheid seniel plaques en cerebrovasculair amyloïd in de hersenen hebben, terwijl mensen met de apoE2 isovorm relatief goed beschermd lijken. Het mechanisme waardoor apoE de ontwikkeling van Alzheimer beïnvloedt, is nog niet bekend.
Dr. Verbeek is werkzaam geweest op dit terrein, en op grond van zijn voorlopige bevindingen komt hij tot de hypothese dat de absolute hoeveelheid apoE in de hersenen bij mensen met verschillende apoE iso-vormen ook varieert.
Belangrijker is dat een relatief hoge productie van apoE mogelijk bescherming kan bieden tegen het ontwikkelen van Alzheimer, zoals bij mensen met apoE2. Dr. Verbeek stelt verder dat apoE in wisselwerking staat met het amyloïd b-proteïne (Ab). Ab is de belangrijkste component van seniele plaques en cerebrovasculair amyloïd, maar is ook toxisch (schadelijk) voor cellen van het zenuwstelsel. Hoge concentraties apoE kunnen Ab mogelijk remmen in de vorming van schadelijke seniele plaques en cerebrovasculair amyloïd, en aldus de cellen beschermen tegen toxische werking van Ab.
Doel van het onderzoeksproject van Dr. Verbeek is aan te tonen dat het gehalte apoE afhankelijk is van specifieke isovormen, dat de mate van toxiciteit van Ab afhangt van de apoE isovormen die door de cellen geproduceerd worden, en dat deze toxiciteit gemoduleerd wordt door het absolute apoE-gehalte, dat op zijn beurt gereguleerd wordt door het soort ApoE.
Ook zal hij het mechanisme onderzoeken waardoor apoE met Ab in wisselwerking staat met cellen die onder invloed van Ab degenereren.Door dit project wordt de kennis vergroot over het mechanisme waarmee de belangrijkste risicofactor van de ziekte van Alzheimer, namelijk apoE, de ontwikkeling van deze slopende ziekte beïnvloedt. Nieuwe therapeutische methoden zouden ontwikkeld kunnen worden, gericht op optimalisering van de interactie tussen apoE en Ab of stimulering van de apoE-productie. Dit kan met name van belang zijn voor mensen met een hoog risico van de ziekte van Alzheimer die relatief weinig apoE produceren.

Onderzoek 2

Onderzoeker: Dr. A. van der Ven
Organisatie: Academic hospital of Maastricht
Project: Infecties als co-factor van vasculaire dementie
Periode: 2 jaar
Toegekende subsidie: 40840 euro

De ziekte van Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie, maar vasculaire dementie is een steeds belangrijkere oorzaak van deze slopende ziekte. Er worden gemengde syndromen onderkend, en tevens kunnen een beroerte en ischemische processen (processen waardoor weefselbeschadiging optreedt door tekort aan zuurstof) de ziekte van Alzheimer versnellen of versterken. Atherosclerotische cerebrovasculaire aandoeningen kunnen dus een belangrijke rol spelen bij de ontwikkeling van dementie. De typische risicofactoren voor atherosclerose (slagaderverkalking) zijn o.a. hypertensie (te hoge bloeddruk), diabetes mellitus, hyperlipidemie (te hoge vetgehalte in het bloed) en roken. Toch blijft de oorzaak van vasculaire aandoeningen bij veel patiënten onduidelijk. Recente bevindingen hebben infecties in verband gebracht met atherosclerose en trombose. Het duidelijkst is dit bij Chlamydia pneumoniae (bacterie) en Cytomegalovirus infecties (virus). Talrijke onderzoeken hebben dit verband aangetoond, maar gegevens over cerebrovasculaire aandoeningen zijn beperkt.

Beide organismen verspreiden zich door het lichaam middels infectie van mononucleaire (eenkernige bloedcel) bloedcellen. Deze infectie cellen kunnen zich hechten aan atherosclerotische laesies (beschadigingen) middels in aantal toegenomen hechtingsmoleculen. Infectie van de plaques leidt dan tot verergering van de atherosclerose. Ontwikkeling van atherosclerotische cerebrovasculaire aandoeningen beïnvloedt ook het functioneren van de bloed-hersenbarrière. Ook kunnen geïnfecteerde monocyten door de slecht functionerende bloed-hersenbarrière heen breken, en kunnen deze cellen de organismen als een paard van Troje in het centraal zenuwstelsel brengen met als gevolg verergering van de ontsteking en neurodegeneratie (hersenafbraak).

Dr. van der Ven zal in zijn onderzoeksprojecten laten zien dat infectie met Clamydis pneumoniae en Cytomegalovirus kan bijdragen aan de ontwikkeling van vasculaire dementie en cognitieve achteruitgang door versnelling van cerebrovasculaire aandoeningen door verandering van de bloed-hersenbarrière en infectie van het centraal zenuwstelsel. Experimenten met antimicrobiële geneesmiddelen zullen worden uitgevoerd om te onderzoeken of de waargenomen veranderingen omkeerbaar zijn.

Het onderzoeksproject onderzoekt het pathofysiologische (kennis van zieke organen) mechanisme dat verantwoordelijk is voor vasculaire dementie, en kan tot nieuwe therapeutische mogelijkheden leiden

Onderzoek 3

Onderzoeker: Prof. Dr. Monique Breteler
Organisatie: Erasmus universiteit Rotterdam
Project: De werking van de schildklier en het risico van de ziekte van Alzheimer
Periode: 2 jaar
Toegekende subsidie: 68067

De ziekte van Alzheimer gaat vaak samen met endocriene (hormoon producerend) en immunologische (immuunsysteem) disfunctie. De schildklier is een van de grootste endocriene klieren in het lichaam. Hoewel een relatie tussen de werking van de schildklier en de ziekte van Alzheimer vaak wordt verondersteld, is er weinig onderzoek naar gedaan. Bovendien zijn de resultaten van de verrichte onderzoeken zeer tegenstrijdig.

Recentelijk heeft Dr. Breteler een kleinschalig onderzoek gedaan binnen het ERGO onderzoek (in het engels ‘the Rotterdam Study’) waarin werd gevonden dat subklinische hyperthyroïdie (verhoogde werking van de schildklier) bij ouderen zonder dementie in verband stond met bijna 4 maal zo hoge kans op het krijgen van de ziekte van Alzheimer. Als deze ouderen ook nog autoantilichamen hadden, was de kans op het ontwikkelen van de ziekte van Alzheimer 14 maal zo groot als bij mensen zonder autoantilichamen. Hoewel het onderzoek betrekkelijk kleinschalig was, duiden de resultaten erop dat het de moeite waard is om de hypothese te onderzoeken dat hyperthyroïdie in verband staat met een verhoogd risico van de ziekte van Alzheimer, met name bij auto-immuunthyroïditis. De relatie tussen markers van de schildklierwerking zoals vastgesteld in het serum en de kans op de ziekte van Alzheimer zal onderzocht worden in het ERGO onderzoek, een onderzoek onder 7983 personen uit de bevolking van 55 jaar en ouder die in of nabij Rotterdam wonen. Het onderzoek is van start gegaan in 1990, en inmiddels zijn de deelnemers verscheidene keren onderzocht. Bij 343 personen ontwikkelde zich tot januari 2000 de ziekte Alzheimer. Bij aanvang van het onderzoek werd bij de deelnemers bloed afgenomen voor serummonsters, die bewaard bleven voor later gebruik. Ook werd bij 563 deelnemers een MRI (magnetic resonance imaging) van de hersenen gemaakt, en werd het volume van de hippocampus gemeten. In dit onderzoek zullen verscheidene schildklierhormonen en autoantilichamen worden bepaald in de serummonsters van 2000 willekeurig geselecteerde deelnemers en de relatie bestudeerd tussen de concentraties daarvan en de kans op het ontwikkelen van de ziekte van Alzheimer.Ten tweede zal de relatie onderzocht worden tussen deze schildkliermarkers en vermindering van het volume van de hippocampus (sikkelvormige verhevenheid in de hersenen), wat een vroege marker van de ziekte van Alzheimer zou kunnen zijn, bij deelnemers bij wie bij aanvang van het onderzoek in 1990 geen sprake was van dementie.Het onderzoek zal leiden tot een beter begrip van het mogelijke mechanisme dat ten grondslag ligt aan de genoemde relatie, en inzicht verschaffen in potentiële risicofactoren voor de ziekte van Alzheimer. Uiteindelijk zou het onderzoek van nut kunnen zijn voor de preventie of vertraging van het verloop van de ziekte.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

een scholier

een scholier

hallo,
Ik zie op scholieren, dat jullie een pws hebben gemaakt over dementie. Maar hoe komen jullie aan al die informatie, hoe hebben jullie dit aangepakt om te maken, hebben jullie misschien een tip hoe ik het pws over dit onderwerp het beste kan aanpakken?
gr. yvonne

12 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

A.

A.

eej,
ik doe mijn profielwerkstuk voor het vak biologie over het geheugen en herinneringen, ik kan jullie werkstuk goed gebruiken voor mijn gedeelte over dementie, maar ik wilde graag weten op welke school jullie zitten, als dat de lage waard is en het is dezelfde leraar zou het namelijk misschien opvallen...
dus welke school zitten jullie?
bedankt alvast,
kus

13 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast