Massamedia

Beoordeling 5.5
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 4e klas vwo | 4908 woorden
  • 26 juni 2001
  • 78 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.5
  • 78 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Na eerst de tekst van het hoofdartikel goed bestudeerd te hebben, heb ik artikel 1, Opmerkelijk, gelezen en hier komen mijn antwoorden bij deze vragen:
Antwoorden artikel 1, Opmerkelijk.
1a. Ja, ik ken dat beschreven mechanisme maar al te goed. Als er iets op tv is dat door de hele maatschappij wordt afgekeurd, wil ik juist heel veel informatie er over weten. Het is steeds weer de nieuwsgierigheid die je dan krijgt over, eigenlijk toch wel, schandalige onderwerpen die helemaal niet kunnen.
Die innerlijke tegenstrijdigheid is bij mij meestal niet te stoppen. Van nieuwsgierigheid ga ik naar dat soort programma´s kijken. Het geeft wel meteen weer hoe het leven is aan de ´slechte´ kant. Voorbeeld hiervan is het programma Reportage, te zien op SBS 6.

1b. Ik denk dat een ander goed voorbeeld is voor afschuw en tevens nieuwsgierigheid bij de vuurwerkramp in Enschede, op 13 mei 2000. Mensen probeerden er alles aan te doen om niet getroffen te worden of om er niet in betrokken te worden op de één of andere manier. Maar wanneer het gebied dat weggevaagd is, helemaal met de grond gelijk is gemaakt, wilt iedereen toch wel weten hoe het rampgebied er nu voor staat.
Op de tv-beelden was ook te zien dat de mensen voordat de grote knal was uitgebarsten, nog leuk bleven kijken naar het ontstane vuurwerk, maar toen het eenmaal losgebarsten was, rende iedereen voor zijn leven.
2a. Ja, ik vind de journalistieke methode van Willibrord Fréquin wel toelaatbaar. Je ziet al heel vaak op straat alleen al, dat het volk een innerlijke tegenstrijdigheid bezitten. Die mensen zitten dus voor de buis gekluisterd om dat soort programma´s terug te zien op tv.
Ik vind het ook toelaatbaar, omdat hij laat zien, hoe de wereld er voor sommige mensen eruit kan zien. Vaker dan wel de slechte kant, maar dan weet men tenminste tot wat de maatschappij toe in staat is.
2b. Nee. Men kan, bij de overheid, niet een dergelijk programma verbieden. Maar als er echt iets niet door de beugel kan, dat toch is uitgezonden, dan kunnen er na die uitzending maatregelen genomen worden.
3. Ik vind de programma´s van Willebrord Fréquin behoren tot die van de reality-tv. Hij zoekt op, confronteert en bespreekt. Hiermee bedoel ik dat hij allereerst vraagt welke problemen er gaande zijn en of die door Willebrord op te lossen zijn. Dan zoekt Willebrord het slachtoffer op en gaat naar daarmee naar de boosdoener(s). Daarna bespreekt men vaak een oplossing, die er toch meestal niet komt en waarbij een kort geding aan te pas moet komen.
Dit is pure realiteit wat hij uitzendt. Opzoeken, confronteren, en bespreken.

4. Een toepasselijke tekst zou kunnen zijn:
,,Tja, alweer Spanje hè?. Er zijn weer 9 mensen met uitdrogingsverschijnselen naar het ziekenhuis gebracht en 4 mensen zijn er omgekomen, dat brengt het totaal op 53. Gatver, moet je dat kleine meisje daar zien…………………!!!! Niet te geloven zeg.
Antwoorden Artikel 2, Roddelen en Liegen
1. Ik vind dat het belangrijk is om te weten hoe iemand in elkaar zit. Je kent dan vrijwel geheel zijn achtergronden, zodat je misschien kunt inzien, waarom een beslissing wordt gemaakt, of waarom er een dergelijk uitspraak wordt gedaan over een bepaald onderwerp. Ook hoe gevoelig iemand is, is denk ik toch wel belangrijk om te weten. Maar ik denk dat intieme vragen té ver gaan. Dan komt het toch wel weer wat meer bij de privacy terecht.
2. Andere functies dan amusement voor de media zijn:
- Informatie verstrekken, wat is de actualiteit?
- Reclameboodschappen, de consument informeren over de nieuwtjes in de maatschappij en naamsbekendheid.
- Beïnvloeding van opinies en gedrag, daarbij moeten we vooral denken programma´s onder zendtijd van politieke partijen, maar ook Het Lagerhuis van Paul Witteman is een voorbeeld van beïnvloeding van opinie.
- Onderwijs en voorlichting, school-tv, het beste voorbeeld hiervoor. Ook de postbus51 reclamespotjes.
3a. Ik denk ook dat je tegenwoordig niet meer hoeft te schamen over het lezen van roddelbladen. De maatschappij, die er 10 jaar geleden was, is helemaal aan het veranderen. Alles is veel op de commercie gericht. Zo ontstaat er heel veel concurrentie.
Het lijkt ook alsof er steeds meer mag. Door die ontwikkeling gebeuren er de raarste dingen en daar zijn mensen nogal graag op de hoogte van. Men gaat roddelbladen kopen. En zo gaat deze ontwikkeling ook voort.
3b. Ik denk dat je jezelf het beste kan toetsen door te kijken, of je een roddelblad zou kopen, wanneer er op de cover iets wordt aangekondigd over één van je grootste idolen.
4. De Telegraaf: Elke ochtend, wanneer ik de Telegraaf moet bezorgen, zie je op de voorpagina grote artikelen die vooral op de amusement zijn gericht. Veel kleur, grote letters zorgen al voor een amusante sfeer. Nu alleen nog de krantenkoppen: Bij binnenlands nieuws staan heel vaak grote artikelen zoals: Vrouw slaat man dood met steelpan. Bij het buitenlands nieuws wordt er wel informatie gegeven over de actualiteit in het buitenland.
Dan krijg je natuurlijk, dat het geheel bevestigd, de pagina Privé met Henk van der Meyde.
Financieel Dagblad: Ik denk dat hier de verhouding zeer duidelijk is. Misschien dat er wel eens op de voorpagina een leuke amusante foto staat over een gebeurtenis de dag ervoor, maar dan houdt het ook op. Geheel onthouden van amusementstukjes. Vrijwel alleen maar koersen, valuta´s, beurzen en ga zo maar door.
Trouw is een degelijke krant. Veel informatie, lekker zakelijk, niet te veel amusement, maar er staan toch wel een paar amusementsberichtjes, maar verder ook niet. Daarom is daar de verhouding tussen amusement en informatief bij informatief meer dan bij amusement.
CONCLUSIE:
Mijn conclusie is dat kranten verschillende meningen hebben over het verstrekken van informatie. Ze hebben hun eigen manieren om veel lezers te trekken. De één (de Telegraaf) met heel veel amusement, die dagbladen hebben meestal volwassenen tussen 20-40 jaar. De ander (Trouw) met veel informatie over de actualiteit. De echte zakenmensen en mensen boven de 40 jaar. Zo heeft elke krant dus ook weer zijn eigen doelgroep te pakken. Het Financieele Dagblad heeft als doelgroep beleggers, adviseurs, banken enz….
5.
- Iedereen is nieuwsgierig naar het privé-leven van bekende mensen. Ik ben oneens met deze stelling, omdat je dat gewoonweg niet kunt bewijzen. Er zijn inmiddels meer dan 6 miljard mensen op Aarde en wat te denken van de mensen die in Derde Wereldlanden wonen, die hebben wel wat anders aan hun hoofd. Politici, de meest saaie mensen van de hele wereld, die zullen zich daar niet in interesseren. En een Britney Spears is al bekend, dus…
- Programma´s waar iemand naar kijkt en de bladen die iemand leest, zeggen veel over zijn / haar persoonlijkheid. Met deze stelling ben ik het uiteraard eens. Je kijkt en je leest wat binnen je referentiekader bevindt. Je zoekt de dingen op die je wilt zien, en wilt lezen. Als je bijv. veel voetbal kijkt en veel over voetbal wilt weten, dan zegt het al genoeg dat diegene helemaal gek is van voetbal.
- Sport is geen nieuws. Met deze stelling ben ik het niet mee eens. Sport is de laatste jaren steeds meer een business geworden en daar draait het nu ook veel om commercie. Veel mensen leven nog alleen maar voor de sport. Het is geen vrijetijdsbesteding meer, het is normaal werk. Er wordt geld mee verdiend, dus daarom vind ik dat informatie uit de sportwereld ook nieuws is.
- Om het recht op privacy van haar burgers te waarborgen moet de overheid maatregelen nemen waardoor de persvrijheid noodzakelijk beknot wordt. Met deze stelling ben ik het eens. De pers mag echt niet een hele leven van een persoon kunnen beïnvloeden. Daarom vind ik dat er een maatstaf moet worden bepaald tot waar de pers mag gaan. Anders kan het de komende jaren nog aardig mis gaan.
- Door de opkomst van de nieuwe media als internet en e-mail is de discussie over ethiek en journalistiek volstrekt zinloos geworden. Ik weet niet waar deze stelling op slaat, maar ik vind het nergens op slaan. De discussie wordt denk ik er alleen maar groter op. Je kunt je nu sneller in deze discussie mengen door deze nieuwe media.
Antwoorden bij Artikel 3, Je moet een plaat voor je kop hebben als journalist.
1. Het is duidelijk dat de journalistieke wetten worden aangetast. Deze wetten zijn juiste berichtgeving en hoor- en wedergehoor. De pers is niet meer vrij. Men is afhankelijk van de mensen waarover ze schrijven, men moet nota bene inlichten bij personen of deze artikelen zo in een blad mogen verschijnen.
2. Ik denk dat de kans dat het journalistieke beleid van de voetbalclubs wordt overgenomen best wel groot is. Alles loopt wel goed en dat zien andere sectoren ook wel. De voetbalclubs zouden het dan toch al lang hebben moeten afkeuren, was het beleid niet geslaagd.
3. Het absolute voordeel voor de journalisten is dat ze dan meer lezen te pakken krijgen. Maar daarbij komt wel kijken dat het verslag dat de journalist dan doet, minder van zichzelf komt. Meestal hebben ze wel een hard oordeel, maar die wordt hierbij dan verzacht.
Het voordeel van belanghebbenden is dat je dan je eigen visie kan laten spreken in het artikel dat over jezelf gepubliceerd wordt. Je krijgt daarentegen minder publiek, lijkt me!!!
Antwoorden bij wederom artikel 3, De Roddelpers
Het verschil tussen roddelbladen en landelijke (kwaliteits-)kranten is gewoonweg dat landelijke dagbladen het nieuws vooral verspreid over de actualiteit in de wereld. Informatief of amusement, het maakt niet uit, maar in een dagblad wordt vooral verteld over de situaties in de wereld.
In roddelbladen worden beroemdheden flink aan de tand gevoeld. Beroemdheden zijn heel vaak de klos, er wordt maar geschreven en geschreven, en veel daarvan is ook nog eens niet waar.
 Verschil is eigenlijk dus kort gezegd dat roddelbladen echt de intentie beschikken om de lezer echt helemaal te vermaken. Een dagblad heeft niet als doel om te vermaken, maar als hoofddoel te informeren. Soms staan er rare berichtgevingen, maar dat doet de krant alleen maar om de lezer op de hoogte te houden van de actualiteit.
Het verschil is eigenlijk moeilijk aan te geven, omdat de laatste jaren entertainment, informatie en nieuws flink door elkaar dwarrelen.
Bronnen bij artikel 1t/m 3: De Telegraaf, 7 april 2001
Het Financieele Dagblad, 7 april 2001
Trouw, 7 april 2001
www.malmberg.nl/reflector/
Delphi, maatschappijleer havo/vwo, eerste druk (hoofdstuk 1)
Het stappenplan
1.De Deelvragen.
1.1. Welke regels en wetten bestaan er in Nederland voor journalisten?
1.2. Welk beleid voert de overheid nu ten aanzien van de media en de pers voor het vergaren van nieuws en informatie?
1.3. Hoe staan journalisten tegenover de invoering van een gedragscode?
1.4. Hoe worden klachten van buitenaf opgevangen?
1.5. Is het belangrijk onderscheid te maken tussen roddeljournalist en dagbladjournalist?
1. Antwoord op de deelvragen.
1.1. Zoals al duidelijk in het hoofdartikel staat, gebruiken journalisten de ongeschreven wetten. Toch zijn er twee wetten die belangrijk zijn voor de journalistiek. En wel de wetten van hoor- en wedergehoor en juiste berichtgeving.
Hoor- en wedergehoor houdt in dat journalisten niet iets meteen mogen opschrijven wat ze zomaar via geruchten hebben opgevangen. Men moet uit betrouwbare bronnen het nieuws te zien bevestigen: Juiste berichtgeving.
Wat regels betreft, die gebruiken ze hetzelfde als in het dagelijks leven. Dus gewoon fatsoenlijk met elkaar omgaan. Sommige van die algemene regels zijn toch opgenomen in een wet, zoals bijvoorbeeld als het gaat om smaad en laster.
Dan is er nog één wet die ook voor de journalisten geldt, en die staat in de grondwet, artikel 7, die gaat over de vrijheid van meningsuiting. Deze wet beschermt dus de journalistiek.
1.2 De overheid voert momenteel geen beleid ten aanzien van de media en de pers voor het vergaren van informatie en nieuws. Er zijn ook geen wetten voor journalisten. De pers en de media hebben de vrijheid om nieuws en informatie te vergaren, maar men kan wel op de vingers getikt worden na de berichtgeving van het artikel aan de ´massa´.
1.3 Eigenlijk zou je de journalisten die bij deze vraag komen kijken, twee subgroepen maken. Aan de ene kant de roddelpers en aan de andere kant de serieuze pers. De paparazzi zal het hoogstwaarschijnlijk afkeuren, de invoering van een gedragscode. Voor hen is vrijheid van meningsuiting belangrijk. Dit zou ook ten koste gaan van de reputatie die de roddelbladen inmiddels hebben opgebouwd. Het geheel wordt minder subjectief.
Aan de andere kant dus de serieuze pers. Hierbij moet je denken aan vooral mensen van kwaliteitskranten, dus bijvoorbeeld een journalist van het NRC Handelsblad. Zij zullen er geen problemen mee hebben, maar ze achten het wel niet noodzakelijk.
1.4 Aan klachten van buitenaf kan bijna niks gedaan worden. De gedupeerden kunnen alleen maar hopen dat mensen zo snel mogelijk de krant gebruiken als inpakpapier voor vis. Bij onjuiste berichtgeving vragen deze klagers meestal om rectificatie. Maar hierbij blijkt ook dat een rechter op verzoek van de gedupeerde een medium of een journalist kan veroordelen tot openbaarmaking van een rectificatie op een door de rechter aangewezen manier.
1.5. Het is uiterst belangrijk om onderscheid te maken tussen roddeljournalist en een dagbladjournalist. Oké, we zijn het erover eens dat ze allebei hetzelfde werk doen, alhoewel het er meer op lijkt dat een roddeljournalist het meer doet om de amusement. Hij gaat geheel subjectief schrijven over een bepaald onderwerp en een dagbladjournalist moet zo objectief mogelijk schrijven. Roddeljournalisten zijn dus eigenlijk erger en hebben vaker problemen, omdat sommige dingen gewoon gelogen is.
Vaak kijken ze toch nauwlettend naar elkaar: Neem als voorbeeld de U-bochtconstructie.
2. Informatie verzamelen
2.1 Wat staat er in de grondwet met betrekking tot de vrijheid van meningsuiting, de pers en de privacy van het individu? Wie wordt door deze wetten vooral beschermd!
2.2. Welke journalistieke wetten behoren journalisten in acht te nemen?
2.3. Onder welk ministerie en welke minister/ staatssecretaris valt dit vraagstuk? Heeft dit ministerie reeds initiatieven ontplooid?
2.4. Wat is het standpunt van de Nederlandse Verenging van Journalistiek (NVJ)?
2.5. Wat is het Bedrijfsfonds van de Pers?
2. Informatie verzamelen, antwoorden op de gestelde vragen:
2.1 Klagers trekken vaak aan het kortste eind, wanneer ze een klacht hebben ingediend. De journalisten worden namelijk beschermd door artikel 7 in de grondwet. Die gaat over de vrijheid van meningsuiting en stelt: ´Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Datzelfde geldt ook voor de radio- en televisie-uitzendingen en andere media. De journalisten worden dus vooral door deze wetten beschermd. In artikel 6.1 staat in dat ieder het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
En de laatste die ik erbij doe, is artikel 10.2: De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.
2.2 Journalisten behoren een paar ´wetten´ in acht te nemen. Het zijn weliswaar ongeschreven wetten:
- Toepassen van hoor- en wedergehoor. Het is niet de bedoeling dat deze journalisten maar wat opschrijven, doordat ze dat in de wandelgangen van bijv. Yorin hebben gehoord. Ze moeten dan op zoek naar een betrouwbare bron.
- Dat betekent dus het zorgen voor juiste berichtgeving
- Een vuistregel is dat de journalist betrouwbare bronnen raadpleegt. Dus niet iemand van de straat plukken die de desbetreffende persoon nauwelijks kent, maar echt iemand die dicht bij hem / haar staat.
- Natuurlijk de regels die in het gewone leven ook gelden: fatsoen, sommige van die algemene regels zijn opgenomen in de wet, zoals bijvoorbeeld als het gaat over smaad en laster.
2.3. Het ministerie van justitie valt onder dit vraagstuk. De minister van Justitie in Nederland is minister Korthals, die zich dus vooral bezighoudt met de wetgeving. En nee, het ministerie heeft geen initiatieven ontplooid.
2.4. Nederlandse Vereniging van journalisten
Standpunt herstructurering VNU
Van: Algemeen bestuur NVJ
Betreft: Voorstel tot een openbare reactie plannen VNU m.b.t. de functie hoofdredacteur/ directeur
Datum: 11 mei 1999
Inleiding
Secretariaat en bestuur van de NVJ hebben ter voorbereiding van de standpuntbepaling over de herstructurering van de dagbladengroep van VNU informele, soms ook vertrouwelijke gesprekken gevoerd met de redactievertegenwoordigers, de hoofdredacteuren en de consultants en - vlak vóór de indiening van de plannen - met de concernleiding. Het voorstel van VNU de hoofdredacteuren tevens te belasten met de directionele taken en verantwoordelijkheid, trekt tot nu toe de meeste aandacht. De NVJ heeft de laatste weken het verzoek gekregen met name over de functie hoofdredacteur/ directeur met een helder standpunt te komen. Daarbij spelen ook ervaringen in andere bedrijven een rol in de afweging. Telegraaf en Friesch Dagblad kennen al een hoofdredacteur/ directeur, en niet alleen VNU onderzoekt de grenzen van de hoofdredactionele verantwoordelijkheid.
Tweeëntwintig jaar na de totstandkoming van het redactiestatuut met daarin als kernpunt de waterscheiding tussen redactie en het commerciële bedrijf kan het sowieso geen kwaad om het statuut tegen het licht te houden.
Verwacht mag worden dat het standpunt van de NVJ over de plannen van VNU m.b.t. de hoofdredacteur/ directeur de discussie in de vereniging en daarbuiten in het Genootschap van Hoofdredacteuren stimuleert.
Overwegingen
Hoofdredacties zijn tegenwoordig veel nauwer betrokken bij de zakelijke en commerciële bedrijfsleiding. Vormen van medeverantwoordelijkheid voor niet direct journalistieke zaken zijn zichtbaar. Op zichzelf heeft de NVJ met deze ontwikkeling geen moeite. Een bespreekbare en nuttige verbreding van het werkterrein van hoofdredacties geldt met name waar een duidelijke samenhang bestaat tussen journalistiek/ redactioneel beleid en afstemming op de lezersgroep.
Publicaties zijn er voor de lezers en het ligt voor de hand de hoofdredactie nauw te betrekken bij (commercieel) overleg over bejegening van die (potentiële) lezers. Ook in technische zaken (apparatuur, bezorging) is hoofdredactionele betrokkenheid bij niet-journalistieke, zakelijke beslommeringen soms gewenst of zelfs vanzelfsprekend. Het is een kwestie van semantiek of betrokkenheid iets anders is dan formele medeverantwoordelijkheid.
Behoud van journalistieke onafhankelijkheid is van doorslaggevende betekenis voor het behoud van gezaghebbende media. Dat legt beperkingen op aan de omgang van journalisten (onder wie leden van hoofdredacties) met gezagsdragers of gevestigde belangen op gebieden die worden beschreven.
Maar ook is een scherpe scheiding nodig tussen redacteuren en adverteerders. Hoofdredacties zouden geen betrokkenheid bij of medeverantwoordelijkheid voor de bejegening van adverteerders moeten hebben, om zelfs de schijn van afhankelijkheid te vermijden. Deze, momenteel in het redactiestatuut neergelegde scheiding tussen hoofdredactie en redactie enerzijds en de directie en het commerciële bedrijf anderzijds laat onverlet dat van de hoofdredacteur verwacht mag dat hij oog houdt voor de financiële, commerciële, sociale en technische en administratieve factoren die spelen bij de productie en bezorging van een krant.
In de meeste statuten wordt deze bijkomende rol van de hoofdredactie al jarenlang genoemd.
De dagbladen in Nederland vallen op door de hoge dekking en lezerstrouw.
Het gaat te ver hier diep in te gaan op de historische, demografische en sociologische aspecten die daaraan ten grondslag liggen. In marketingtermen worden dagbladen wel beschreven als de A-merken uit het media-aanbod. Een product dat je niet zomaar wegzapt en bijna je hele leven blijft afnemen.
Menig dagbladuitgever heeft zijn verbaasde buitenlandse collega de afgelopen jaren glimmend kunnen uitleggen dat het feit dat hij geen zeggenschap heeft over de inhoud van de krant, hem alles behalve windeieren bezorgt.
Anders gezegd, de door het redactiestatuut gewaarborgde onafhankelijkheid en de daarbij behorende professionele taakopvatting, blijken bouwstenen van het succes van het A-merk. De waarde van het huidige redactie-statuut werd recent ook nog door de Commissie Mediaconcentraties opgepoetst en als bijzonder instrumenteel aanbevolen.
Conclusie
Het NVJ-bestuur en secretariaat zijn er de afgelopen weken niet van overtuigd geraakt dat er slechts één mogelijkheid is om hoofdredacties meer medeverantwoordelijkheid te geven op het gebied van de lezersmarkt, namelijk door de aanstelling van een directeur/ hoofdredacteur of hoofdredacteur/ directeur. Door de (adjunct)hoofdredacteur q.q. lid te maken van commissies, raden of besturen die bevoegd zijn te beslissen, kan in de praktijk elke gewenste vorm van medeverantwoordelijkheid gestalte krijgen, zij het dat de verantwoordelijkheid in juridische zin (qua ondernemingsrecht) beperkter is dan die van een reguliere 'directeur'. Maar ook in de plannen van de VNU-leiding zou de hoofdredacteur op alle terreinen behalve uiteraard de journalistieke een tweede viool spelen, dus in de praktijk zullen de twee mogelijkheden weinig verschillen. Door niet tot een hr/dir over te gaan worden echter grotere problemen voorkomen: medezeggenschap van niet-journalisten (afgezien van de directie) over benoeming van (adjunct)hoofdredacteuren, greep van ondernemingsraden i.p.v. redactieraden op beleid van (adjunct)hoofdredacteuren, onduidelijkheid over de medeverantwoordelijkheid van (adjunct)hoofdredacteuren op terreinen van advertentiebeleid en daarmee aantasting van het onafhankelijk imago, en dergelijke. Het huidige statuut, de toevoeging daarvan aan individuele arbeidsovereenkomst en de CAO, is bovendien een van de ingrediënten voor de betekenis van de eigen CAO voor journalisten. Blijft over de terechte zorg van alle betrokkenen, directies, hoofdredacteuren, redacteuren, NVJ en Genootschap over het gebrek aan groei dan wel de lichte teruggang van veel regionale dagbladen. De NVJ vindt het reëel om samen met de NDP en het Genootschap, aan de hand van de recente verkenningen van directies van regionale kranten, workshops te organiseren over lezersbehoud en het optimaliseren van de band van de krant met haar regionale lezers en adverteerders. Eerder waren er dergelijke activiteiten in de toenmalige driehoek NDP, Cebuco en NVJ.
De andere voorstellen van VNU met betrekking tot de positie van de dagbladbedrijven, die bij de directies momenteel nog intern worden besproken, zullen de komende weken evenzeer aan de orde gesteld worden, zowel door de NVJ als door de VNU zelf.
2.5. Het Bedrijfsfonds voor de Pers werd aanvankelijk als stichting opgericht op 16 september 1974.
Vanaf 1 januari 1988 functioneert het Bedrijfsfonds voor de Pers op basis van de Mediawet als een zelfstandig bestuursorgaan met rechtpersoonlijkheid. Het Bedrijfsfonds neemt sindsdien zelfstandig beslissingen over financiële steunverlening.
De staatssecretaris van OCenW heeft de bevoegdheid om besluiten van het fonds binnen een periode van vier weken na mededeling daarover voor te dragen voor schorsing, dan wel binnen een periode van zes weken na die mededeling voor te dragen voor vernietiging. Schorsing dan wel vernietiging geschieden bij koninklijk besluit en wegens strijd met het recht.
Het Bedrijfsfonds voor de Pers heeft ten doel het handhaven en bevorderen van de pluriformiteit(veelvormig) van de pers, voor zover die van belang is voor de informatie en opinievorming.
Om aan die doelstelling tegemoet te komen kan het Bedrijfsfonds voor de Pers ten laste van de eigen middelen financiële steun verlenen in de vorm van kredieten, kredietfaciliteiten of uitkeringen. De middelen van het Bedrijfsfonds zijn voornamelijk afkomstig uit de inkomsten uit reclameboodschappen van de STER en van de commerciële omroepinstellingen die toestemming hebben verkregen. In de Mediawet en het Mediabesluit is vastgelegd ten behoeve waarvan financiële steun verleend kan worden:
ten behoeve van afzonderlijke persorganen in de vorm van kredieten, kredietfaciliteiten of uitkeringen;
ten behoeve van dagbladen op grond van de Compensatieregeling voor Dagbladen. Deze regeling beoogt structurele verschillen te compenseren in de concurrentieverhoudingen, waarin dagbladen op de markt worden aangeboden;
aan gezamenlijke projecten van persorganen;
aan organisatieonderzoek, gericht op structurele verbetering van de exploitatie van een persorgaan;
aan onderzoek voor de bedrijfstak als geheel.
Het Bedrijfsfonds voor de Pers is verder belast met:
het beheren van de middelen van het fonds zelf en het houden van toezicht op naleving van de aan de verleende steun verbonden voorwaarden;
het verrichten dan wel doen verrichten van onderzoek met betrekking tot het functioneren van de pers.

Bronvermelding bij stap 1 en 2:
www.minjust.nl
www.mediaeducatie.nl
www.internetcollege.nl/vakken/maatschappij/
hoofdartikel PO
www.nieuwsbank.nl/inp/1999/05/0511F126.ntm#link
Ik heb zoals u ziet een hele rits informatie gegeven, of dit allemaal nodig is, zien we in de
volgende opdracht.
3. Geschiktheid van informatie:
Is de informatie….
3.1 ….bruikbaar en begrijpelijk?
3.2. ….betrouwbaar?
3.3….. representatief?

3. Antwoorden geschiktheid van informatie
3.1 Sommige stukken uit de opgezochte informatie die vallen gewoon niet te snappen, maar het antwoord op de vraag kun je wel gebruiken. Vooral de onderstreepte zinnen. Daarom is het bruikbaar voor dit verslag.
3.2 De informatie is absoluut betrouwbaar. Alleen objectieve kwesties, ik heb ook vooral gezocht via nieuwssites en die geven meestal wel betrouwbare links, waar je gebruik van kunt maken.
3.3 De opvattingen zijn wel degelijk representatief. De internetsites die ik heb gebruikt heb ik via links gekregen van een nieuwssite, dus die kunnen we beschouwen als betrouwbaar.
4. Standpuntbepaling
4.1 Omschrijf in je eigen woorden de kern van het vraagstuk?
4.2 Welke (verschillende) visies hebben de belangengroepen?
4.3 Welke argumenten voor en tegen hebben de belangengroepen?
4.4. Wat zijn de achterliggende waarden en normen?
4. Antwoorden standpuntbepaling
4.1 De titel van het hoofdartikel luidt: Journalisten mogen bijna alles. Daarom denk ik dat de vraag is of de overheid er wat tegen moet doen. De macht van de journalisten zó beperken dat alle belangengroepen met het voorstel door het leven kunnen gaan.
4.2 I. De voornaamste belangengroep zijn de journalisten zelf. Ze hopen natuurlijk niet op een gedragscode. Hun werk zal dan nooit het werk zijn, dat ze het altijd hadden gedaan. Lekker brutaal, hard en ga zo maar door.
II. Belangengroep nummer 2 zouden de betrokkenen kunnen zijn. Dus hier hebben we het eigenlijk om de VIPS. Zij worden toch elke keer maar weer op de huid gezeten door journalisten, en zei zullen blij zijn als er een gedragscode zou komen, lijkt me.
III. Laatste belangengroep die ik kan bedenken zijn de lezers van voornamelijk roddelbladen lezen. Andere soorten tijdschriften en kranten dan roddelbladen, zullen minder last hebben van een eventuele gedragscode. (lezers ook).
4.3 I. De journalisten hebben alleen tegenargumenten. Ze willen hun werk onder hun eigen omstandigheden doen, en ze weten ook niet wat ze verkeerd doen. Ze hebben vrijheid van meningsuiting en tevens worden ze beschermd in artikel 7 van de grondwet, te lezen bij vraag 2.1 van het stappenplan.
II. Tja, de Vips dan. Ik denk dat ze het eeuwige gezeur van deze mensen zat zijn. Maar ja, dat hadden ze eerder moeten bedenken, toen ze nog aan het begin van hun carrière stonden. Het hoort bij VIP zijn. Vips worden denk ik al te veel verwend.
III. De lezers dan. Die zoeken na hun saaie werk wat amusement op door een lekker roddelblad te lezen. Zij hopen dus echt niet dat de gedragscode moet komen, omdat de paparazzi wordt beperkt tot het verstrekken van zeer betrouwbare informatie. Dan gaat de lol ervan af, beter gezegd. En hoe tegenwoordig de amuserende journalistiek in opmars is, zal het dan weer flink gaan duikelen.
4.4. De achterliggende normen en waarden van het hele vraagstuk? Ik denk dat het dan meer gaat om het fatsoen, afspraken nakomen, geen stukken vervalsen. Maar belangrijkste aan de kant van de journalisten vrijheid van meningsuiting.
geconfronteerde mensen  recht op privacy. Hierbij komt nog altijd de journalist als winnaar uit de bus.
De ESSAY
Bij het schrijven van dit essay moeten we één vraag in onze achterliggende gedachte houden: Moet er in Nederland een door de overheid erkende gedragscode komen voor jounalisten? Er zijn verschillende belangengroepen die in deze vraag een rol spelen, lezer, journalist en het individu. De meningen zijn verdeeld. Hoewel ik denk dat de meningen in het voordeel zijn van de individu, toch worden de journalisten beschermd door de grondwet. Het standpunt van de journalisten lijkt me wel duidelijk. Die is uitgebreid in dit verslag opgenomen. Het Bedrijfsfonds voor de Pers, dat ook sinds een paar tientallen jaren bestaat, stimuleert en handhaaft de veelvuldigheid van de pers. Met informeren en opinievormen. Daarom denk ik dat er echt niet gedragscode komt voor de journalisten.
Dat zullen, naar mijn mening, de individuen ambiëren, maar daar moeten ze ook maar mee leven, want ze hebben zelf gekozen om beroemd te worden. Zij hebben ook het nadeel dat de journalisten worden beschermd door de grondwet.
Maar ja, wat te denken wanneer de roddelbladen weg zijn? Dan kunnen we hier in Nederland bijna niet bedenken, omdat heel Nederland één grote roddel is. Er wordt altijd maar gespeculeerd, wanneer er weer iets belangrijks in het nieuws is en aantrekkelijk voor de mensen.
Journalisten gaan toch wel best vaak de fout in. Consequenties die er dan aan hangen, kunnen pas na berichtgeving van het artikel worden gedaan. Men krijgt dan klachten en die klagers vragen dan om rectificatie. Ook kan men ook naar de ombudsman gaan. En als dat nog niet eens genoeg is, bestaat er ook nog de Raad voor je journalistiek.
Wat we vooral niet moeten vergeten is dat er twee soorten journalisten zijn. We moeten de serieuze journalisten niet in een schaal zetten met de journalisten van de roddelpers. De roddelpers is zoals we allemaal weten veel onbeschofter dan de normale journalisten, die verslag doen van bijvoorbeeld de vuurwerkramp in Enschede, alhoewel deze ook een beetje onbeschoft waren. Maar het gaat om het principe, de journalisten van een dagblad zijn toch wel anders dan de journalisten van een roddelblad.
Dus als we het verslag dan helemaal bij elkaar nemen en ook dit essay, gaan we proberen tot een eindconclusie te komen op de onderzoeksvraag: Die onderzoeksvraag zal ik nogmaals herhalen: moet er in Nederland een door de overheid erkende gedragscode komen voor journalisten?
Ik denk dat het niet nodig is momenteel. Zo een grote problemen zijn er niet, dus de gedragscode is niet nodig. Dit is natuurlijk geen goed argument, maar ze overschrijden geen wetten. Ze worden beschermd door artikel 7. En wat er niet in de roddelbladen komt, wordt toch al van bovenaf gecontroleerd: censuur.
Maar ik vrees toch wel voor de journalisten dat er toch nog wel over een paar jaar een gedragscode zal komen, omdat de amuserende journalistiek steeds meer opkomt. Journalistiek wordt dus nog grover, en dan zullen de journalisten ook alle ongeschreven wetten overschrijden.

De meningen zijn overigens helemaal verdeeld in het land. Natuurlijk zullen de lezers van roddelbladen vooral TEGEN de gedragscode zijn.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.