Gezocht: VWO'ers uit de 4e/5e met N&T of interesse in techniek. Doe mee aan een online community over een nieuwe studie en verdien een cadeaubon van 50 euro!

Meedoen
Alle literatuurprijzen

Demokritos - atoomtheorie

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 5e klas vwo | 7759 woorden
  • 29 augustus 2005
  • 44 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 44 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
KCV
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
1 Inleiding
Dingen die je niet kunt zien. Dáár zijn mensen van over de hele wereld, de hele wereldgeschiedenis door, al mee bezig geweest. Moleculen, atomen, protonen, elektronen, quarks en het Higgsdeeltje. Het wordt steeds kleiner.
Ook in de oudheid waren de filosofen al druk bezig om te kijken hoe alles om ons heen in elkaar zit. Heel bekend was de aarde-water-vuur-lucht-theorie van Empedokles. Deze theorie is zelfs heel lang in stand gebleven.
Maar in de oudheid bestond ook al de idee dat de natuur bestond uit allerlei heel kleine deeltjes. Het is ongeveer dezelfde idee als die we nu nog hanteren. Deze idee stamt af van Demokritos en Leukippos.

De atoomtheorie, dat is het onderwerp van deze PO. En alles draait om de vraag: wat was de idee van Demokritos over de atomen en wat is de invloed daarvan op de latere filosofen en huidige wetenschappers? Uit deze vraag komen de volgende deelvragen te voorschijn.
Wie was Demokritos? Voordat je de vraag gaat beantwoorden is het wel gemakkelijk als je de verschillende onderdelen van de vraag begrijpt en weet waar het over gaat. Daarom wordt in het eerste hoofdstuk een korte biografie van Demokritos en een samenvatting van zijn belangrijkste ideeën gegeven.
Om dezelfde reden is de tweede vraag: wat hield de atoomtheorie van Demokritos in? Voordat je kunt gaan kijken wat de invloed van die theorie op de later theorieën is, moet je natuurlijk wel weten hoe de theorie in elkaar zit.
De laatste deelvraag is opgesplitst in verschillende delen. De vraag luidt: wat is de invloed van de theorie op latere filosofen en wetenschappers? In het eerste deel komen er verschillende filosofen uit de klassieke wereld aan het woord en in het tweede deel wordt er gekeken naar de huidige stand van zaken. In hoe verre is de theorie van Demokritos bewaard gebleven?
Mijn motivatie om juist met dit onderwerp bezig te zijn, is dat ik erg exact ingesteld ben. Dit onderwerp past dus precies bij mijn interessegebied. Bij scheikunde krijg je vaak te maken met atomen. Dan is het leuk om te zien hoe de theorie over de atomen zich in de loop der eeuwen heeft ontwikkeld.

2 Demokritos van Abdera
In dit hoofdstuk wordt de eerste deelvraag behandeld: wie was Demokritos? Er wordt een korte biografie gegeven en de belangrijkste punten uit Demokritos’ ideeën worden weergegeven.

2.1 Leven
Over het leven van Demokritos is niet veel bekend. Hij is geboren in 460 voor Christus en leefde tot 370 voor Christus (andere bronnen zeggen 460-356, 460-400 of 460-390). Hij was een inwoner van de stad Abdera, een stad aan de kust van Thracië in het noorden van Griekenland, hoewel andere verhalen zeggen dat hij in Miletus woonde. Abdera was een stad waarover nogal minachtend gesproken werd. Een Abderiet was iemand die achterlijk en onopgevoed was.

Als leermeesters van Demokritos worden Leukippos, Empedokles, Anaxagoras en de pythagoreeër Filolaos genoemd. Hij was bekend met de theorieën van Parmenides en Zeno. Hij kende ook de sofist Protagoras.
Er is niet veel van het werk van Demokritos overgebleven. Alles wat we van hem weten komt uit geschriften uit de tweede hand. Aristoteles, die hem als een grote rivaal in de natuurlijke filosofie beschouwde, heeft een groot werk over hem geschreven, maar ook daarvan zijn slechts citaten in andere boeken overgebleven.
Over het levenseinde van Demokritos doen verschillende verhalen de ronde. Zo zou hij zich enkele dagen voor zijn dood in leven hebben gehouden met het opsnuiven van de geur van warme broden.
Een ander verhaal zegt dat hij blind werd kort voor zijn dood. Dit verhaal komt waarschijnlijk voort uit Demokritos’ idee dat de zintuigen niet geheel betrouwbaar zijn en dat echte kennis alleen verworven kan worden door de geest. Hij zou zich hebben beroofd van zijn ogen, om zijn geest te bevrijden van de obstakels van de zintuigen. Volgens de kerkvader Tertullianus heeft hij zich de ogen uitgestoken, omdat hij het niet meer kon verdragen om mooie vrouwen te zien lopen, terwijl hij vanwege zijn hoge leeftijd geen gemeenschap meer met hen kon hebben.

2.2 Leer
Demokritos heeft zich met veel dingen beziggehouden. Hij heeft niet alleen de atoomtheorie van Leukippos verder uitgewerkt, maar ook veel ideeën gepubliceerd over allerlei andere onderwerpen: ethiek, natuurwetenschap, wiskunde, muziek, kosmologie, literatuur, taal en techniek (medicijnen, landbouw, schilderen en krijgskunde).
Het ging Demokritos hierbij vooral om het opsporen van de oorzaken van verschijnselen om ons heen. Alleen Aristoteles kon zich met hem meten, wat betreft veelzijdigheid, productiviteit en diepgang. Aristoteles zelf vindt hem als natuurfilosoof beter dan Plato. Demokritos laat in zijn werken zien dat hij goed op de hoogte is van de filosofische discussies in zijn dagen.
Natuurlijk heeft Demokritos nog veel meer over de onderwerpen gezegd die hieronder staan, maar het zou te ver gaan om dat allemaal uitgebreid te behandelen.

2.2.1 Wiskunde
In zijn wiskundige theorieën werd Demokritos sterk beïnvloed door zijn natuurfilosofische en atomistische manier van denken.
Demokritos nam aan dat atomen een bepaalde afmeting hebben en dat zij niet oneindig zijn (oneindig in omvang: elk atoom had een grens, het aantal atomen was wel oneindig). Zo dacht hij ook in de wiskunde: wiskundige lichamen hadden een afmeting. Daarmee ondergroef hij volgens de ouden de fundamenten van de wiskunde.
Alle wiskunde lichamen, zoals lijnen, bollen, vlakken en cirkels bestaan uit punten met een bepaalde afmeting. Atomen zijn onzichtbaar, maar zij bestaan wel. Zo zijn ook de punten van een wiskundig figuur aanwezig, hoewel ze onzichtbaar zijn. Door die onzichtbaarheid hoeft een lijn dus ook niet helemaal loodrecht zijn: een punt kan iets afwijken van de lijn, zonder dat je het ziet. Op die manier kan Demokritos ook een cirkel een hoek noemen, omdat alle punten iets afwijken van de cirkel, zodat het een hoek wordt, hoewel het een cirkel lijkt (fragment 106, zie paragraaf 2.3).

2.2.2 Geneeskunde en biologie
Van Demokritos’ geschriften over geneeskunde en biologie is ook maar heel weinig overgebleven, maar we kunnen nog veel te weten komen uit de bestrijding van de geschriften door Aristoteles.
Demokritos ging ervan uit dat de vrouw ook zaad produceerde (fragment 50). Het zaad kwam volgens hem uit alle delen van het lichaam en niet alleen uit het bloed of uit het merg, zoals velen dachten in die tijd (fragment 48). Het bewijs daarvoor was volgens hem, dat kinderen in alle lichaamsdelen op hun ouders lijken.
Overerving vond plaats doordat een bepaald deel van het ene zaad overhand kreeg over het vergelijkbare deel van het zaad van het andere. Als bijvoorbeeld de genitaliën in het vrouwelijke zaad overhand kregen over de genitaliën in het mannelijke zaad, dan werd het kind een meisje.

2.2.3 Ethiek
Het hoogste levensdoel lag voor Demokritos in het bereiken van het geluk. De geestestoestand waarin je dan ligt, beschrijft hij als blijmoedigheid, welzijn, onverstoorbaarheid, evenwichtigheid en harmonie (fragment 122). Om deze reden wordt hij ook wel de lachende filosoof genoemd.
Deze toestand kan je bereiken door niet te hoog te grijpen in het leven, door je niet met te veel zaken in te laten en door tevreden te zijn met wat je hebt.
Als je kinderen hebt, moet je ze goed opvoeden, omdat de opvoeding hen beschermt tegen allerlei narigheid. Opvoeding vormt mensen om en voltooit zo het werk van de natuur.
2.3 Fragmenten over Demokritos’ theorieën
Hier volgen enkele kenmerkende fragmenten van Demokritos over de atoomtheorie. De nummers voor de fragmenten zijn de nummers zoals ze in stofjes in het zonlicht voorkomen. In dat boek staan ook omrekentabellen naar Diels-Kranz, Löbl, Luria en Mansfeld.
48. Volgens Demokritos komt het zaad uit lichamen in hun totaliteit en de belangrijkste delen, zoals botten, vlees en pezen.
50. Epikouros en Demokritos leerden dat ook vrouwen zaad uitstoten; ze hebben namelijk testikels die naar binnen gevouwen zijn; daarom kennen ze ook het verlangen om te paren.
106. Volgens Demokritos is de bol een soort hoek en kan hij snijden. [Aristoteles, Over de hemel 307a17; Simplikios (Commentaar op ‘Over de hemel’ van Aristoteles p. 262, 10) legt dit als volgt uit:] de bol als geheel is een hoek, want als het gebogene een hoek is en de bol als geheel op zichzelf gebogen is, is het logisch dat de bol als geheel een hoek wordt genoemd.
122. Het geluk noemt hij ook blijmoedigheid, welzijn, harmonie, evenwichtigheid en onverstoorbaarheid; het ontstaat uit het onderscheiden en kritisch beoordelen van de genietingen; het is het mooiste en het nuttigste voor de mens.

3 De atoomtheorie
Dit hoofdstuk gaat in op het belangrijkste werk uit het leven van Demokritos: de atoomtheorie. Hoe functioneerden de atomen volgens Demokritos? Hoe maakten ze de werkelijkheid uit? Wat stelde Demokritos zich voor bij de atomen? Dat zijn vragen die aan bod komen.

3.1 De werkelijkheid
Met ‘de werkelijkheid’ bedoelt Demokritos alles om ons heen. Dat is niet alleen dat wat je ziet, maar ook het onzienlijke. Het is alles wat bestaat. Het valt uiteen in het Volle en het Lege, of ook wel het iets en het niets of het zijnde en het niet-zijnde.
Dat is natuurlijk erg apart: wat moet je je eigenlijk voorstellen bij ‘het Lege’? Dat is moeilijk uit te leggen, vandaar ook dat veel filosofen deze theorie niet aannemelijk achtten. De filosofen die deze leer aanhingen, moesten hun theorie dus op een bepaalde manier aannemelijk maken.
Deze filosofen, onder wie dus ook Demokritos, zeggen dat er geen beweging zou zijn van de ene plaats naar de andere plaats als het Lege niet bestond. Deze beweging houdt niet alleen een verplaatsing in, maar ook de groei. Het Volle is niet in staat om deeltjes op te nemen. Als een voorwerp dus beweegt, kan dat alleen naar een plaats waar van te voren het Lege, het Niets was. Hieruit blijkt dus dat het zijnde in het niet-zijnde zweeft. Om het zijnde is het niet-zijnde, zodat het zijnde altijd kan bewegen.
Deze theorie wordt staande gehouden tegen bijvoorbeeld Parmenides, die had gezegd dat verandering niet kan gebeuren zonder dat iets uit niets komt. En omdat algemeen werd aanvaard dat het onmogelijk is, om iets uit niets te laten komen, was Parmenides van mening dat verandering dus een illusie is.
Hij bedoelde daarmee dat als iets groeit, er iets bij moet komen. Omdat toen de wetenschap nog niet zo ver ontwikkeld was als nu, kwam dat voor alsof er iets zomaar bijkwam. Het kwam dus uit niets. En dat kon niet. Dus is deze hele groei een illusie geweest. Er is helemaal geen groei geweest.
Ook andere filosofen, zoals Melissus ontkenden het bestaan van het niet-zijnde. Het is natuurlijk ook moeilijk om te zeggen dat ‘wat niet is’, bestaat. Daarom koppelden de filosofen het niet-zijnde aan het zijnde: Ze zeiden dat het niet-zijnde de afwezigheid is van het zijnde en dus ook bestond.
Melissus en Parmenides hadden beredeneerd, dat het niet-zijnde er niet was, zodat er ook geen beweging was. De filosofen die aanhangers waren van de theorie van het zijnde en niet-zijnde redeneerden precies andersom: omdat er beweging is, moet het niet-zijnde er ook zijn.
Omdat beweging ook als een vorm van verandering werd beschouwd, zitten Parmenides en Melissus dus op één lijn. Melissus zegt dat beweging er niet is. Iets wat moeilijk staande is te houden, omdat beweging gewoon gezien kan worden. Parmenides had gezegd dat verandering een illusie is. Dat is natuurlijk makkelijker te verdedigen dat de theorie van Melissus.

3.2 De atomen
Het zijnde bestaat uit zeer kleine deeltjes, die Demokritos de , ondeelbare vorm, noemde. In het Nederlands worden deze deeltjes tot op de dag van vandaag atomen genoemd, waarom zijn theorie ook de atoomtheorie wordt genoemd.
Leukippos had al eerder een soortgelijke atoomtheorie opgesteld. Demokritos heeft deze theorie verder uitgewerkt en er meer over geschreven. Omdat verder van Leukippos niet zo veel bekend is, wordt de atoomtheorie aan Demokritos toegeschreven.
In het kort houd de atoomtheorie het volgende in: het zijnde bestaat uit een oneindig aantal, ondeelbare, eeuwige en onveranderlijke deeltjes: atomen. Deze atomen zijn oneindig in aantal en verscheiden in vorm, orde ten opzichte van elkaar en oriëntatie. Er is alleen een kwantitatief verschil tussen de atomen: in de ene stof zitten meer atomen dan in de andere. Dat zorgt ervoor dat de stof andere eigenschappen heeft. In de atoomtheorie wordt alles zuiver kwantitatief of mechanisch geïnterpreteerd en het kwalitatieve wordt volledig uitgesloten.
De atomen zijn onveranderlijk en niet te vernietigen. De atomen zijn ook voor ons oog niet waar te nemen. Je kunt ze alleen met het oog van je geest zien: de reden waarom Demokritos ze wel ‘gezien’ heeft. Ze vliegen door het zijnde in heftige opwinding (fragment 9, zie paragraaf 3.4).

3.2.1 Beweging
De beweging van de atomen is volgens Demokritos noodzakelijk en komt van binnenuit de atomen. De belangrijkste reden voor de beweging lijkt de botsing met andere atomen. Hun ‘wederzijdse weerzin’ of  zorgt ervoor dat ze van elkaar af bewegen.
Beweging kan ook ontstaan door het gewicht van de atomen, hoewel het onduidelijk is of de atomen in Demokritos’ theorie wel gewicht hadden, of dat dit door invloed van latere filosofen in de theorie is gekomen, zie paragraaf 3.2.4. Ook komen er begrippen voor als drang en klap, die allemaal op een beweging van binnenuit duiden.
Als de atomen bij elkaar komen ontstaat een wervelende, draaikolkachtige beweging. Door deze werveling worden de fijnere en lichtere atomen naar de rand ‘uitgezeefd’, terwijl de zwaardere naar het centrum worden getrokken.
Elk van deze kolken wordt door een soort atomennet van de rest van het atomennet en van de rest van het heelal afgezonderd en maakt daardoor een eigen ‘wereld’ uit. Op die manier bestaat er een oneindig aantal werelden, omdat er ook een oneindig aantal atomen is.
Het principe dat gelijk bij gelijk wil komen, geldt ook voor atomen. Tussen ijzer en een magneet stromen gelijksoortige atomen naar elkaar toe door een inwendige kracht. Op dezelfde manier stromen gelijke atomen naar elkaar toe in het heelal.

3.2.2 Aanhechting van atomen
Als de atomen op elkaar botsen, kunnen ze zich aan elkaar vastgrijpen, omdat ze allen een andere vorm hebben. Zo zijn er atomen met een bobbelig oppervlak en atomen met haakjes die zich kunnen vastgrijpen aan die bobbels. Er zijn holle en bolle atomen die ook goed in elkaar passen. Zo zijn er nog tientallen andere verschillen waarmee de atomen in aan elkaar kunnen hechten.
Natuurlijk zitten de atomen dan niet aan elkaar vast als één lichaam. Het zou namelijk dwaasheid zijn om te veronderstellen dat uit twee één wordt. De atomen blijven zo lang bij elkaar totdat een krachtiger noodzaak, die uit hun omgeving op hen afkomt, ze door elkaar schudt, ze scheidt en verstrooit.
Deze geboorte en scheiding komen niet alleen bij dieren voor, maar ook bij planten en werelden, kortom bij alle waarneembare lichamen.
Als de atomen van elkaar losraken, verdwijnen de dingen weer die zijn ontstaan bij de aanhechting van de atomen en treedt de dood in. Een nieuwe cyclus begint.

3.2.3 Deelbaarheid
De atomen zijn ondeelbaar, omdat ze geen leegte bevatten, waardoor een snijlijn zou kunnen worden aangebracht (fragment 10). Het is eigenlijk onduidelijk waarom de filosofen wilden dat de atomen ondeelbaar waren. In ieder geval zegt hun theorie over het aan elkaar vastgrijpen van de atomen iets dat zelfs de kleinste atomen onderdelen hadden, zij het alleen in wiskundige vorm. Blijkbaar konden deze onderdelen niet van het atoom af. Op dit punt is het een beetje onduidelijk wat de filosofen nou precies bedoelden.

3.2.4 Andere eigenschappen
Onduidelijk is of de atomen gewicht hebben of dat ze pas gewicht krijgen nadat ze zijn samengevoegd met andere atomen. In ieder geval hebben alle voorwerpen die we om ons heen zien gewicht, dus moeten aan elkaar gehechte atomen ook gewicht hebben.
Het probleem is eigenlijk opgeworpen door Aristoteles, die ervan uitging dat alles wat gewicht heeft, naar beneden bewoog. Omdat de atomen van Demokritos alle richtingen opbewegen, zouden ze dan geen gewicht moeten hebben.
Maar zwaarte van atomen houdt in de visie van Demokritos niet in dat ze altijd naar beneden vliegen, zodat het heel aannemelijk is, dat de atomen wel gewicht hebben (fragment 25 en 26). Een verschillend gewicht zou in ieder geval de verschillende snelheid van de atomen kunnen verklaren.
Bij het ontstaan van de wereld uit atomen (zie paragraaf 3.3) lijkt Demokritos toeval te gebruiken. Alsof alles door toeval ontstaat. Maar Demokritos zegt zelf dat bij kleinere dingen het toeval nooit oorzaak is. Hij schrijft altijd iets aan andere dingen toe. Als je een schat vindt, dan lijkt dat toeval te zijn, maar in werkelijkheid is het geen toeval. Het graven naar de schat is de oorzaak. De beweging van de atomen, het samenklonteren, het losraken, alles wat atomen doen, komt voort uit een innerlijke drang.

3.3 Het ontstaan van het heelal
Door het bewegen van de atomen ontstonden allemaal kleine werelden (zie paragraaf 3.2.1). Uit deze ‘werelden’ ontstonden de vier elementen aarde, water, vuur en lucht.
Vervolgens wordt in het centrum van het heelal de aarde gevormd en komen in het uitspansel de vurige hemellichamen tot stand. Een wereld die zo ontstaan is, is omgeven door een vlies dat in de ongeordende massa van atomen orde aanbrengt. Hierbij grijpt geen god of geest in, maar alles gebeurt door de innerlijke drijfveer van de atomen. Die doet ze bewegen, op elkaar botsen en aan elkaar vasthaken.
De aarde heeft de vorm van een trommel of schijf en is anderhalf keer zo lang als breed. In het midden zit een holte. Dat is de verklaring waarom de zon op de ene plaats later opkomt dan op een andere plaats (fragment 40).
Aardbevingen, bliksem en donder worden niet door goden veroorzaakt om mensen bang te maken, maar zijn gewone natuurverschijnselen waarvoor een natuurlijke verklaring bestaat (fragment 43.

3.4 Fragmenten over de atoomtheorie
Hier volgen enkele kenmerkende fragmenten van Demokritos over de atoomtheorie. De nummers voor de fragmenten zijn de nummers zoals ze in stofjes in het zonlicht voorkomen. In dat boek staan ook omrekentabellen naar Diels-Kranz, Löbl, Luria en Mansfeld.
9. Want wat zegt Demokritos? Dat er in het lege, overal verspreid, substanties rondvliegen die oneindig in aantal zijn, ondeelbaar en onveranderlijk en ook zonder hoedanigheden en zonder invloed vanbuiten te ondergaan. Wanneer ze in elkaars buurt komen of tegen elkaar aan stoten of zich met elkaar vervlechten, vertoont zo’n combinatie zich soms als water, soms als vuur, soms als een plant, soms als een mens; maar alle dingen zijn ondeelbare vormen zoals hij ze noemt, en verder niets.
10. Demokritos verklaarde dat de grondslagen van de bestaande dingen ondeelbare lichamen zijn, alleen zichtbaar voor het rationele denken; ze zijn zonder leegte, ongeworden, eeuwig en onvernietigbaar; ze kunnen niet in stukken worden gehakt en niet met behulp van hun delen een vorm aannemen en evenmin een verandering ondergaan. Ze kunnen alleen met het rationele denken gezien worden. Ze bewegen zich in het lege en door het lege; het lege zelf is oneindig en ook die lichamen zijn oneindig in aantal. De vorm [het atoom] werd niet ondeelbaar genoemd omdat hij zeer klein was, maar omdat hij niet doormidden gesneden kan worden, daar hij niets kon ondergaan en zonder leegte was. Als iemand dus zegt dat het atoom niet in stukken gehakt kan worden, zegt hij ook dat het niets kan ondergaan en zonder leegte is.
25. Demokritos zegt dat alle ondeelbare dingen [de atomen] in gewicht verschillen in overeenstemming met afmeting.
26. Demokritos zegt dat de eerste lichamen geen gewicht hebben…
Commentaar fragment 25 en 26: deze fragmenten spreken elkaar volledig tegen. Hieruit blijkt dus al de onduidelijkheid of de atomen nu wel of niet gewicht hadden.
40. Demokritos zei dat de aarde de vorm van een brede platte schijf had met een holte in het midden. In het zuiden is de lucht zwakker waardoor de aarde wat afbuigt; want de noordelijke streken zijn heel koud en de zuidelijke streken gematigd; daardoor wordt de aarde daar zwaarder, waar een overvloed aan vruchten en groei is.

4 Invloed op latere theorieën
In dit hoofdstuk komt de laatste deelvraag aan bod: wat is de invloed van Demokritos’ theorie op latere filosofen en wetenschappers? Verschillende filosofen uit de Klassieke Oudheid komen aan bod, maar de huidige stand van zaken wordt ook belicht.

4.1 Algemeen
In het algemeen kan gezegd worden dat andere vormen van het Griekse atomisme hoofdzakelijk op drie punten verschillen van de atoomtheorie van Demokritos:
Demokritos nam alleen kwantitatieve verschillen tussen atomen aan (zie paragraaf 3.2), maar andere atomisten accepteerden ook verschillen in kwaliteit.
Het volgende verschil berust op de ondeelbaarheid van de atomen. Als Demokritos ondeelbaar zegt, dan bedoeld hij dat ook: de atomen zijn niet doormidden te delen. Latere filosofen zeiden dat het meer een relatieve ondeelbaarheid was: een atoom kan je wel doormidden delen, maar dan verliest het direct zijn eigenschappen en het wordt een ander atoom.
Tenslotte: volgens Demokritos’ atoomleer zijn de atomen de oorzaak van alle vormen in de natuur. De vorm, de omvang, het aantal en de beweging van de atomen zorgen voor de verschillende vormen in de natuur. Andere theorieën nemen altijd ook op de een of andere manier een niet-materiële oorzaak voor het ontstaan van de vormen in de natuur. Die theorieën schrijven niet alles toe aan de atomen.

4.2 Parmenides
Eigenlijk hoort deze filosoof hier helemaal niet thuis, omdat Parmenides, die leefde van 515 tot 440 voor Christus, eigenlijk een voorganger van Demokritos was. Ik heb hem er hier wel bij gezet, omdat Demokritos zijn theorie van die van Parmenides heeft afgeleid. Parmenides heeft dus grote invloed gehad op Demokritos.
Parmenides was zwaar onder de indruk van het menselijke intellect. Vanuit dat standpunt kwam hij tot de conclusie, dat alleen dát kan bestaan, wat begrepen kan worden. En daarvandaan redeneerde hij weer verder: de werkelijkheid is één en onveranderlijk. Dit standpunt hield hij vast, ondanks alle bewijzen die hem door de natuur om hem heen geleverd werden, dat het niet zo is.
Deze aanpak is dus veel te eenzijdig. Daarom kwam zijn tijdgenoot Heraclitus tot de bewering dat alles veranderlijk is. Ook hij zag alle veranderingen in de natuur om hem heen en trok daar zijn conclusies uit.
Demokritos’ atoomleer kan gezien worden als een combinatie van Parmenides’ theorie en de realiteit van alledag: verandering en verscheidenheid. Zo had hij alles bij elkaar: Parmenides’ aanpak was nodig voor een rationele benadering en hij kwam zo ook niet in botsing met de werkelijkheid. De verscheidenheid en kwalitatieve verschillen in de natuur, kunnen met gemak worden verklaard door kwantitatieve verschillen tussen atomen en door hun beweging, die ervoor zorgt dat ze kunnen combineren met elkaar.

4.3 Plato
Plato heeft zich eigenlijk weinig met de atoomtheorie van Demokritos bemoeid. Omdat het toch een erg bekende filosoof is, wil ik hier toch in het kort iets over zijn ideeën vertellen. De reden waarom ik hem vrijwel direct aan het begin van het hoofdstuk neerzet, is omdat hij zijn theorie bouwde op de theorieën van Parmenides en Heraclitus, die in de vorige paragraaf aan bod zijn gekomen.
Plato accepteert beide theorieën, maar koppelt ze aan verschillende werelden. De idee van Parmenides koppelde hij aan de onveranderlijke wereld van de ideeën, terwijl hij Heraclitus’ verbond met de veranderlijke wereld van het hier en nu. De tweede wereld is een imperfecte belichaming van de eerste. Daarom is de wetenschap ook imperfect. Dit houdt ook in dat de orde en de vormen die in de natuur te zien zijn, niet uit die natuur zelf voortkomen (zoals Demokritos in feite aannam), maar uit de eerstgenoemde wereld, waarvan de tweede is afgeleid.
Plato’s atoomtheorie berust op Empedokles’ theorie van aarde, water, lucht en vuur. Hij maakt van deze elementen atomen en geeft er een wiskundige vorm aan. Het element aarde, bijvoorbeeld, is in Plato’s gedachten een kubus.
Plato heeft dus weinig tot niets van Demokritos overgenomen. De idee van de atomen nam hij wel over, maar hij gaf er een heel andere invulling aan. Hij neigde meer naar de kant van Empedokles. Maar hij heeft wel, net als Demokritos, geprobeerd de theorieën van Parmenides en Heraclitus te verenigen.

4.4 Aristoteles
Aristoteles is voortdurend in debat met Demokritos in zijn geschriften. Hij slaat hem als natuurfilosoof hoger aan dan Plato. Hij zegt dat Demokritos ‘de eerste filosoof is geweest die dicht kwam bij het definiëren van het wezen van de dingen, niet eens omdat hij het noodzakelijk vond voor de natuurwetenschap, maar doordat hij door de feiten zelf op dat spoor werd gezet’.
Hij accepteerde Demokritos’ idee, dat alle waarneembare verandering slechts toevallig is, niet. Atomisme kon wel toevallige veranderingen, waarbij de natuur van de dingen niet veranderde, verklaren, maar niet de veranderingen waarbij de natuur van de dingen wel veranderde. Ook kon atomisme de natuurlijke variatie in dingen niet verklaren. Het kon wel toevallige variatie verklaren, maar het probleem was juist dat de natuur die variatie in een bepaalde volgorde doorvoerde en dat die variatie constant bleef.
Hieraan is te zien dat Aristoteles de idee van Demokritos dat alles gebeurde door een innerlijke drang van de atomen, volkomen negeerden. Hij versimpelde de theorie, waarna hij hem aanviel. Dat is te kort door de bocht.
Aristoteles nam aan dat de natuur niet enkelvoudig was, zoals Parmenides aannam, maar dat de natuur juist complex was. Anders kan je niet de twee kanten van verandering verklaren: aan de ene kant blijft er iets (het blijvende), aan de andere kant komt er iets compleet nieuws (het nieuwe).
Demokritos volgde deze gedachtegang tot op zekere hoogte. Het verschil tussen hem en Aristoteles is dat Demokritos van de dingen die blijven, het permanente, een substantie maakte: de atomen. Zij waren voorwerpen en zij bestonden.
In Aristoteles’ ogen kon het blijvende niet een ding zijn, maar alleen een principe: het was niet een substantie, maar materie: een vermogen om vormen te ontvangen. En omdat materie geen substantie is, kunnen allerlei radicale veranderingen doorgevoerd worden. De radicaalste veranderingen zijn die, waarin dingen een nieuwe vorm krijgen. In dat geval verandert hun hele natuur.
In Aristoteles’ manier van denken is er geen plaats voor onveranderlijke atomen. Toch lijkt het erop dat Aristoteles ook zijn gedachten had over kleine deeltjes. Er staan een paar opmerkingen in zijn kritiek op Anaxagoras’ theorieën, die daarop wijzen.
Deze kleinste deeltjes waren bij Aristoteles ook ondeelbaar, maar ze pasten in Aristoteles’ teleologische denkkader. De kleinste deeltjes waren niet onveranderlijk, maar konden in elkaar overgaan.
Aristoteles en Demokritos hadden dus wel dezelfde manier van denken, maar kwamen op een heel ander punt uit. Beiden hadden het over een complexe natuur, maar Demokritos laat verandering bij toeval ontstaan door wezenlijke dingen, terwijl Aristoteles de verandering toeschrijft aan een immateriële oorzaak. Deze oorzaak zorgt niet voor toevallige, maar voor gerichte veranderingen.

4.5 Epikouros
De filosoof Epikouros heeft Demokritos’ theorieën vrijwel helemaal overgenomen, maar hij heeft er toch een aantal belangrijke verschillen in aangebracht. De belangrijkste punten waarop Epikouros afwijkt van Demokritos zijn de volgende:
1. Het aantal vormen van de atomen is niet oneindig en het atoom is alleen fysisch ondeelbaar. Demokritos had een oneindig aantal atomen in gedachten. Volgens Epikouros was een atoom dus wel deelbaar, maar was het daarna geen atoom meer (zie paragraaf 4.1).
2. De beweging van de atomen wordt veroorzaakt door hun gewicht; deze beweging gaat altijd naar beneden. Het naar beneden bewegen van dingen door hun gewicht wordt beschreven in paragraaf 3.2.4. Deze idee komt van Aristoteles af. De idee dat de beweging van atomen wordt veroorzaakt door hun gewicht staat tegenover Demokritos’ idee, dat de beweging van atomen door een drang van binnenuit veroorzaakt wordt.
3. De beweging van atomen is niet rechtlijnig en vastgelegd; atomen kunnen van hun baan afwijken. Hierop fundeert Epikouros zijn gedachte dat mensen vrijheid van handelen hebben. Bij Demokritos is de beweging van de atomen een drang van binnenuit. Ze volgen een baan waar ze niet van kunnen afwijken.
Hoewel er dus belangrijke verschillen tussen Epikouros en Demokritos zitten, blijkt toch dat Epikouros Demokritos’ theorie heeft voortgezet. De kernpunten zitten er namelijk in: atomen en leegte vormen de kern van de wereld, het heelal is oneindig, natuurverschijnselen worden niet door goden veroorzaakt en voor goden hoef je niet bang te zijn.

4.6 Anaxagoras
Anaxagoras, van wie gezegd wordt dat hij Demokritos kende, verschilde vooral op de hoofdpunten die in paragraaf 4.1 genoemd worden, van mening met Demokritos. Zo nam hij aan dat er net zoveel kwalitatief verschillende atomen waren als dat er verschillende natuurlijke soorten substanties zijn. Elke natuurlijke stof bestond dus volgens hem uit andere atomen. Dit gaat zelfs nog verder dan andere filosofen die vonden dat er kwalitatieve verschillen tussen de atomen zijn: zij vonden dat het aantal kwalitatief verschillende atomen gelimiteerd is.
Anaxagoras zei ook dat de atomen gewoon gedeeld konden worden. Andere filosofen zeiden dan dat de atomen hun natuur en eigenschappen verloren, maar Anaxagoras vond dat niet: volgens hem bleven de eigenschappen gewoon bewaard.
Anaxagoras accepteert dus wel het hoofdthema van de atoomtheorie, maar verschilt radicaal van mening met Demokritos over de dingen er omheen.

4.7 Overgang: van klassiek naar modern
De overgang van de klassieke filosofie naar de moderne wetenschap heeft enorm lang geduurd. Demokritos heeft zijn atoomleer in de vijfde of vierde eeuw voor Christus opgesteld. Al de andere filosofen die tot dusver behandeld zijn, leefden ook voor Christus. Maar pas rond de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw ná Christus komt de huidige wetenschap op. Tot die tijd geloofden veel wetenschappers nog in de theorie van Empedokles, of in de atoomtheorie van Aristoteles.
In de Middeleeuwen konden de filosofen alle natuurkundige problemen nog begrijpen en verklaren met de atoomtheorie van Aristoteles. Daarom lieten ze de verdachte atoomtheorie van Demokritos onbesproken. De theorie van Demokritos stond namelijk totaal los van de goden. En dat was in de Middeleeuwen taboe. Aristoteles’ theorie had tenminste nog iets met de goden te maken: bij hem bepaalde de goden de verandering, terwijl bij Demokritos alles door toeval gebeurde (althans, volgens Aristoteles), of, volgens Demokritos zelf, door een innerlijke dwang, zonder dat de goden eraan te pas kwamen.
Dit veranderde in de vijftiende eeuw, toen de vertaling van het werk van Diogenes Laertios en van de gedichten van Lucretius gepubliceerd werd. Zij hadden beiden de atoomtheorie van Demokritos beschreven. De theorie werd vooral populair, doordat mensen zich bevrijd voelden van de goddelijke macht en voorzienigheid, die bij Aristoteles nog een rol speelde. De mensen voelden zich meer aangetrokken door de interne natuurwetten van Demokritos.
Zo schreef Leonardo da Vinci (1452-1519) over kleine, niet-zichtbare atomen, die zichtbaar werden in het zonlicht dat door een venster valt. Dus op precies dezelfde manier als Demokritos zich uitdrukte over de atomen. Giordano Bruno beriep zich op de atoomtheorie om Aristoteles en de kerkleer te weerleggen en moest dit met de dood op de brandstapel bekopen. Ook Galileo Galilei onttrekt argumenten aan Demokritos, zonder hem bij name te noemen, uit tactische overwegingen.

4.8 Van klassiek atoom naar modern atoom
Nu de overgang van het klassieke denken naar het moderne denken gedeeltelijk beschreven is, moet nu aan bod komen hoe men aan de moderne atomen gekomen is. In deze paragraaf wordt direct ook de rest van de omslag van het klassieke denken naar het moderne denken verteld.
Allerlei wetenschappers zijn er letterlijk eeuwen mee bezig geweest, voordat men wist hoe de wereld van de atomen er nu precies uitzag. Een belangrijk probleem daarbij was het verschijnsel ‘lucht’ in samenhang met de fotosynthese: bekend was dat planten iets doen met lucht, waardoor ‘slechte lucht’ weer ‘goede lucht’ werd.
De Duitse chemicus Sennert (1572-1637) probeerde de atoomtheorie experimenteel te bewijzen: hij ontdekte dat zilver in salpeterzuur oplost, maar dat het zilver weer tevoorschijn kwam, als het salpeterzuur weggehaald werd. Hij concludeerde dat er onzichtbare atomen zilver in het salpeterzuur bleven bestaan, die zich weer tot zichtbaar zilver konden samenvoegen.
Dat niet iedereen in die tijd tot de atomistische gedachte neigde, bewijst Johannes Baptista van Helmont (1579-1644). Hij was ervan overtuigd dat alle stoffen ontstaan uit water en aarde. Hij is dus min of meer een aanhanger van Empedokles. Hij ‘bewees’ dat met het volgende experiment: hij stopte een klein plantje in een pot met aarde en gaf het water als het dat nodig had. Hij dekte de pot af met een plaat tin, die wel doorlatend was door verschillende gaten. Na vijf jaar was de plant aanzienlijk gegroeid en veel zwaarder dan toen hij de plant in de pot pootte. De aarde was nauwelijks in gewicht afgenomen. Van Helmont concludeerde dat de hele plant was voortgekomen uit het water dat hij toegevoegd had. Helaas vergat hij dat de plant ook wel iets opgenomen zou kunnen hebben uit de lucht.
Maar dan bewijst de Engelse wetenschapper Stephen Hales (1677-1761) dat planten ‘iets’ uit de lucht kunnen opnemen: een plant die hij onder een stolp in een bak water had gezet, liet de waterspiegel stijgen. Dat betekende dat er iets uit de lucht was verdwenen. Hales was al heel wetenschappelijk bezig, want hij gebruikte ook een controlestolp en hij geeft genoeg informatie om het experiment te kunnen herhalen. Hales trekt een heel voorzichtige conclusie: planten doen ‘iets’ met lucht.
De grote vraag is nu: wat zit er in lucht? Joseph Priestley (1733-1804) bewees dat planten slechte lucht kunnen herstellen in goede lucht. In een stolp had hij een kaars laten branden tot die uitgegaan was. Toen hij er een plant onder zette, kon er even later weer een kaars onder branden. Ook bleef een muis onder een stolp met een plant langer in leven dan een muis onder een stolp zonder plant.
Joseph Black (1728-1799) zag kalkwater troebel worden toen hij het in een open glas liet staan. Toen hij zag dat het nog sneller troebel werd wanneer hij erin blies, had hij een bewijs dat slechte lucht in de ademhaling van mensen zit. Hij noemde de slechte lucht ‘fixed air’. Door deze ontdekking kreeg men het besef dat lucht geen element is, maar dat het een mengsel van gassen is. Immers: er was slechte lucht, nu fixed air genoemd, en goede lucht, door Priestley ‘deflogistonated air’ en door Lavoisier (1743-1794) eerst ‘air respirable’ en later ‘oxygène’ genoemd. Oxygène betekent zuurvormer, omdat Lavoisier ondertussen ontdekt had dat de verbindingen tussen zuurstof met zwavel, fosfor, koolstof en stikstof, met water de zuren vormden.
Door al deze experimenten werd duidelijk dat lucht uit drie gassen bestaat: zuurstof, koolstofdioxide en stikstof. Deze gassen werden toen natuurlijk nog niet zo genoemd. De term gas, al door Van Helmont geïntroduceerd, afgeleid van het Griekse woord ‘chaos’ (), werd nu pas algemeen gebruikt.
Lavoisier had stikstof ook een naam gegeven: nitrogène. Ook werd duidelijk dat stikstof en zuurstof elementen waren, maar dat koolzuurgas (de oude naam voor koolstofdioxide) een verbinding was. Lavoisier herhaalde samen met Laplace het bewijs, dat al eerder door Cavendish was geleverd, dat water een verbinding is van zuurstof en waterstof. Cavendish (1731-1810) noemde waterstofgas nog ‘inflammable air’. Lavoisier begon nu ook de producten van chemische reacties kwantitatief te bepalen en kwam tot de wet waar hij het meest om bekend is: de massa van de chemische stoffen voor de reactie is gelijk aan de massa van de chemische stoffen na de reactie. Deze wet van Lavoisier wordt nu de ‘wet van behoudt van massa genoemd’.
Zo is de theorie van Empedokles al voor de helft ontkracht: water en vuur zijn geen elementen. Ook het feit dat aarde uit allerlei elementen, metalen, kalken en ertsen bestond, was een bewijs tegen de theorie van de vier elementen. Toch bleef Priestley tot zijn dood een aanhanger van Empedokles en bleef ook Lavoisier vuur als iets elementairs beschouwen. Dat blijkt uit zijn beroemde ‘Traité de Chimie’ uit 1789, waarin hij naast hydrogène (waterstof), azote (een andere naam van hem voor nitrogène, dus stikstof) en oxygène (zuurstof) ook lumière (licht of vuur) en calorique (warmtestof) opneemt. De gedachte dat warmtestof een element is, werd door Joule en Mayer weerlegd in 1840.
Met zijn ‘Traité de Chimie’ heeft Lavoisier de basis gelegd voor het huidige scheikundige denken. Joseph Louis Proust (1754-1826) had rond 1800 al aangetoond dat elementen in een verbinding altijd in een bepaalde verhouding voorkwamen.
Op dit vele werk van al zijn voorgangers bouwde John Dalton (1766-1844) zijn atoomtheorie in 1804. Elk element heeft een eigen atoomsoort. Voor al deze atomen heeft hij een compleet tekensysteem ontworpen: elk atoom krijgt een ander symbool. In dit systeem geeft hij ook aan dat vaste hoeveelheden van een element met vaste hoeveelheden van een ander element zijn verbonden tot moleculen. Zo geeft hij aan dat altijd twee waterstofatomen met één zuurstofatoom zijn verbonden tot een watermolecuul. Op deze manier werd ook duidelijk hoe het zwarte koolstof voor kan komen in het kleurloze gas koolstofdioxide: in verbinding met zuurstofatomen krijgen de koolstofatomen andere eigenschappen.
John Dalton introduceerde ook de begrippen atoomgewicht en molecuulgewicht en hij bepaalde er direct een aantal. Het zijn relatieve gewichten ten opzichte van waterstof, dat het gewicht 1 krijgt.
Binnen deze systematiek krijgen de stoffen steeds meer hun huidige namen. Doordat alle atomen namen hebben gekregen, is het ook mogelijk om moleculen op zo’n manier namen te geven, dat direct duidelijk is uit welke atomen ze opgebouwd zijn.
Er was nog één probleem: die namen voor de elementen waren erg leuk, maar elke taal had een andere naam: het Nederlandse zuurstof, is het Franse oxygène, is het Engelse oxygen en is het Duitse Sauerstoff. En nu zijn deze talen nog tamelijk verwant, maar wat is zuurstof in het Chinees? Lavoiser had al voorgesteld om internationale symbolen aan de elementen te geven. Daarom konden aan de moleculen ook symbolen worden gegeven: het symbool voor het zuurstofatoom was O. Zuurstof (het molecuul) bestaat uit twee zuurstofatomen, dus het symbool werd O2. Stikstof werd N2 en koolzuurgas werd CO2 (en moet daarom koolstofdioxide genoemd worden, in plaats van koolzuurgas).
Jöhns Jakob Berzelius (1779-1848) breidde dit systeem in 1814 uit. Hij stelde allerlei chemische symbolen en formules op, die wij nu nog steeds gebruiken. Bovendien introduceerde hij de reactievergelijking: de stoffen die reageren in een reactie worden genoteerd met hun symbool en de producten van de reactie worden achter de pijl genoteerd met hun symbool. Zo kan je gemakkelijk nagaan of je theorie voldoet aan de wet van behoudt van massa: alle symbolen voor de pijl moeten na de pijl weer terugkomen.
Nu kwam de doorbraak pas goed op gang: alle bekende reacties konden in een simpele reactievergelijking worden opgeschreven. Een lawine van chemische formules en reactievergelijkingen volgde: de hele scheikunde werd herschreven.

4.9 Het vervolg
De atomen zijn allang geen elementaire deeltjes meer. In de negentiende en twintigste eeuw werd duidelijk dat atomen opgebouwd zijn uit protonen, neutronen en elektronen. Dat houdt in dat de atomen niet ondeelbaar zijn. Ook de onveranderlijkheid van atomen is aangetast: het werd duidelijk dat sommige atomen spontaan uit elkaar vallen en daarmee een ander atoom worden (radioactiviteit). Theoretisch werd het mogelijk wat alchemisten al in de Middeleeuwen probeerden: van lood, goud maken. Praktisch is het nog steeds onmogelijk.
En helaas, ook protonen en neutronen voldoen niet aan de kenmerken van het klassieke atoom: ze blijken uit quarks te zijn opgebouwd. Elektronen lijken wel elementaire deeltjes te zijn. Tot dusver heeft men nog geen deeltjes kunnen ontdekken waaruit elektronen zijn opgebouwd.
En houdt het op bij moleculen, atomen, protonen, neutronen, elektronen en quarks? Nee. Er bestaan ook nog neutrino’s, muonen, tauonen, pionen, en hyperonen. Dit valt allemaal allang buiten het chemische gebied. De scheikunde kent als kleinste deeltje de elektronen. Deze deeltjes horen bij de natuurkunde, die er allerlei dingen mee kan verklaren. Wat dan?
Hoe kan de maan weten dat de aarde bestaat en dat zij daaromheen moet zweven, omdat ze aangetrokken wordt door de zwaartekracht van de aarde? Wat is zwaartekracht? Daarvoor moeten er gravitonen bestaan, menen natuurkundigen. Die geven aan waar de aarde zit en dat de maan daar dus omheen moet draaien.
Het gaat veel te ver om al die deeltjes hier te beschrijven. Er zijn zoveel deeltjes, dat er een compleet verslag mee gevuld zou kunnen worden. Bovendien valt het ook veel te ver buiten het bestek van mijn deelvraag. Ik heb ze alleen genoemd om aan te geven dat de atomen van nu heel wat anders zijn dan de atomen van Demokritos.

4.10 De toekomst
Wat is er nog allemaal te verwachten op het gebied van de kleine deeltjes? Op dit moment wordt onder de Frans-Zwitserse grens de Large Hadron Collider (LHC) gebouwd. Hadron is een verzamelnaam voor deeltjes die uit meerdere quarks en gluonen bestaan. De LHC is een deeltjesversneller. In een deeltjesversneller worden deeltjes versneld tot ongeveer de snelheid van het licht. Vervolgens laat men ze op elkaar botsen. Uit die botsing ontstaan deeltjes die weer vervallen tot andere deeltjes. Deze deeltjes worden vervolgens gedetecteerd en daaruit concludeert men dat er een bepaald deeltje moet zijn geweest. Dit kan beter met een voorbeeld worden uitgelegd.
Ongeveer veertig jaar geleden voorspelde Peter Higgs, samen met andere natuurkundigen, dat het hele heelal gevuld moet zijn met deeltjes om alle andere deeltjes een massa te geven. Dit deeltje wordt het Higgsdeeltje genoemd. Tot nu toe is het echter nog nooit aangetoond. En daarvoor wordt de LHC gebouwd: “als Higgsdeeltjes bestaan dan vinden we ze hier”, zegt wetenschappelijk directeur Jos Engelen van het Cern (het bedrijf dat de eigenaar is van de LHC).
In de LHC gaat men deeltjes op zo’n manier laten botsen, dat het Higgsdeeltje gaat ontstaan. Althans, dat is de verwachting. Dat Higgsdeeltje vervalt vervolgens in andere deeltjes, die te detecteren zijn. Op die manier kan men concluderen dat het Higgsdeeltje bestaat.
Kortom, kleiner kan het altijd. Demokritos’ atomen blijken geen atomen te zijn, maar quarks. Zo blijkt de theorie die Demokritos door zuiver na te denken opstelde, door moderne experimenten bevestigd te worden. Daarom verdient deze filosoof een ereplaats onder alle filosofen.

5 Conclusies
Deze conclusie bestaat uit drie delen, net als de hoofdvraag: in het eerste deel van de conclusie, wordt antwoord gegeven op wat Demokritos met zijn atoomtheorie bedoelde. De tweede conclusie gaat over wat de invloed van Demokritos is geweest op latere filosofen. En het laatste deel gaat over wat de invloed van Demokritos is geweest en nog is op de moderne scheikunde.

5.1 Deel 1: wat bedoelde Demokritos met zijn atomen?
Deze vraag is in hoofdstuk 3 uitgebreid aan bod gekomen. Hier volgen dus alleen de kernpunten:
1. De werkelijkheid bestaat uit twee delen: het Zijnde en het Niet-Zijnde;
2. Alles in het Zijnde is opgebouwd uit zeer kleine deeltjes: atomen;
3. Deze deeltjes verschillen alleen kwantitatief van elkaar, niet kwalitatief;
4. De atomen zijn onveranderlijk, ondeelbaar en niet te vernietigen;
5. Door een innerlijke drang bewegen zij, waardoor zij samenvoegen en scheiden en zo de hele natuur uitmaken. De atomen bewegen niet door toeval. Alles is ordelijk;
6. Door hun verschillende vorm, orde en oriëntatie kunnen atomen aan elkaar hechten en zo alle natuurlijke stoffen vormen.

5.2 Deel 2: de invloed van Demokritos op latere filosofen
We hebben in het eerst deel van hoofdstuk vier gezien dat de invloed van Demokritos op latere filosofen vérstrekkend is. Veel filosofen hebben wel iets van zijn atoomtheorie overgenomen. En of ze er nu een heel andere invulling aan gegeven hebben of niet: de idee dat er kleine deeltjes bestaan komt van Demokritos af.
Er zijn filosofen die het helemaal niet met Demokritos eens waren, zoals Plato en Aristoteles. Toch zien we dat ook Aristoteles een kleinste-deeltjes-theorie opstelt, weliswaar met een iets andere invulling dan Demokritos. Toch gaan hun gedachten tot op zekere hoogte gelijk op.
Plato had ook een atoomtheorie, maar volgde daarmee meer de vier-elementen-theorie van Empedokles. Deze theorie was de grootste concurrent van de atoomtheorie.
Verschillende filosofen, zoals Epikouros en Anaxagoras, hebben wel het grootste gedeelte van zijn theorie overgenomen, maar verschilden op randpunten van mening met Demokritos.
Ik heb, zoals duidelijk is, niet alle filosofen meegenomen. Ik heb deze filosofen wel genomen, omdat ze óf erg bekend zijn, óf omdat ze erg belangrijk zijn geweest, óf omdat de invloed van Demokritos erg duidelijk is, óf omdat ze duidelijk tegen Demokritos gekant waren, óf om een combinatie van deze redenen.
Logischerwijs kon ik niet alle filosofen behandelen, omdat het dan veel te uitgebreid zou worden en er bovendien van lang niet alle filosofen genoeg bekend is, om ze te behandelen. En natuurlijk omdat sommige filosofen voor Demokritos leefden en hij daarom geen invloed op hen uit kon oefenen.
Van hen heb ik alleen Parmenides en Heraclitus behandelt, omdat Demokritos op hun theorieën gereageerd heeft: hij heeft de uniformiteit van Parmenides gecombineerd met de pluriformiteit van Heraclitus.

5.3 Deel 3: Demokritos in de moderne scheikunde
In het laatste deel van hoofdstuk vier heb ik de totale overgang van de filosofie naar de wetenschap proberen te schetsen. Duidelijk is dat de overstap erg lang duurde.
Tot het eind van de Middeleeuwen zijn alleen Aristoteles en voor een klein beetje Empedokles in trek. Later krijgt Demokritos meer bekendheid en komt ook Empedokles beter aan bod. Aristoteles’ theorie wordt dan niet meer geaccepteerd.
Duidelijk is dat langzamerhand steeds meer het besef groeide dat de natuur inderdaad uit kleine deeltjes bestond. Toen die dan ook gevonden werden, werden ze atomen genoemd door John Dalton, in navolging van Demokritos. De theorie van Empedokles wordt dan langzamerhand verlaten.
Later wordt het toch duidelijk dat Demokritos niet op alle punten gelijk heeft: atomen zijn helemaal niet ondeelbaar. Bovendien hebben de atomen in de huidige atoomtheorie wel kwalitatieve eigenschappen en zijn ze niet allemaal aan elkaar gelijk. De atomen zijn niet onveranderlijk en kunnen in elkaar overgaan. Wat dat betreft had Anaxagoras weer gelijk.
De invloed van Demokritos strekt in ieder geval heel ver. Zijn theorie wordt nog steeds geaccepteerd, zij het dat er wat wijzigingen in zijn aangebracht.
In ieder geval is het een hele prestatie van Demokritos dat de theorie die hij opstelde door zuiver na te denken en te combineren, door de moderne wetenschap nog geaccepteerd wordt. Dat de werkelijkheid dan iets anders in elkaar zit, mag niet verwonderlijk heten: de werkelijkheid is enorm complex en Demokritos had lang niet de mogelijkheden op technisch gebied die wij tegenwoordig wel hebben.
Hoewel: als je de atomen van Demokritos vergelijkt met de quarks van nu, dan komt het vrijwel één op één overeen. En misschien vinden wij in de toekomst inderdaad wel een kleinste deeltje, dat onveranderlijk en ondeelbaar is en alleen kwantitatieve eigenschappen heeft. Dat deeltje heet dan geen atoom, maar wat maakt de naam nu uit?

8 Literatuurlijst

8.1 Literatuur
Demokritos, Stofjes in het zonlicht, vertaling Rein Ferwerda (1998), Amsterdam, Polak & Van Gennep
Eijk, Ernst van, De gewichtigste bouwsteen, Natuurwetenschap & Techniek, 72e jaargang nummer 10 (oktober 2004), p. 70-75
Fisser, C. & Jansen, T. (1998), Forum, Basisboek Klassieke Culturele Vorming, Emmeloord, HERMAION
Pihlajamaa-Glimmerveen, L. & Schermer, A. & Straaten-Huygen, A. van (2000), Synaps, Theorieboek 2 VWO B2, Utrecht/Zutphen, ThiemeMeulenhoff
Strycker, E. de (1987), Beknopte geschiedenis van de antieke filosofie, DNB/Uitgeverij Pelckmans, Kapellen/Ambo/Baarn

8.2 Internet
http://www.haganum.nl/nieuws/wijsbegeerte2.html
http://www.latein-pagina.de/
http://plato.stanford.edu/
http://www.pedagogiek.net/
http://etext.virginia.edu/

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

R.

R.

nice man ...

16 jaar geleden

G.

G.

gerg

3 jaar geleden