Van gunst naar recht

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 4e klas havo | 1681 woorden
  • 19 januari 2002
  • 5 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 5 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Inleiding

Deelvraag:

Hoe ontwikkelde het naoorlogse Nederland zich tot een verzorgingsstaat?

Toelichting:
In de tijd van de wederopbouw werd anders over de economie gedacht dan in de tijd voor de oorlog. Er was minder bezwaar tegen het feit dat de overheid schulden maakten. Hierdoor werden de staatsschulden in de loop der jaren dan ook erg hoog.
De overheid voelde zich voor het eerst geheel aansprakelijk voor de sociale zekerheid van het volk. De regeerders beseften na 1945 dat armoede niet thuis hoorde in een fatsoenlijk land. Dit was mede een oorzaak waardoor de schulden flink stegen.

Lijst van begrippen en personen

Alle begrippen en personen op een rijtje:
- Marshallplan

- Premier Drees
- Marga Klompé
- Armoede
- Moderne armoede
- Katholieke volkspartij
- Partij van de Arbeid
- Rooms-rode coalitie
- Sociale voorzieningen
- Algemene ouderdomswet
- Wettelijk Arbeid ongeschiktheid
- Werkeloosheidswet
- Algemene bijstandswet

Uitleg van de begrippen

Marshallplan:
Wordt ook wel het European Recovery Plan (ERP) genoemd. Het is een financieel hulpprogramma voor West- Europa. Het is in 1947 bedacht door de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, George Marshall.

Armoede:

Als je geen eerste levensbehoeftes kunt kopen, zoals eten, drinken en kleren. Hygiëne, een auto of fiets en medische verzorging horen bij de tweede levensbehoeftes. Sparen en verzekeren enz. horen tot de derde levensbehoeftes. Dit alles houdt in dat je in feite zou kunnen leven van alleen de eerste levensbehoeften. Maar iedereen begrijpt dat dit dan een zeer armoedig leven zou zijn.

Moderne armoede(stille armoede):
Mensen die nu arm zijn hebben wel genoeg eten en kleren. In onze tijd bedoelen ze met armoede, mensen die geen werk hebben en die zich geen televisie of telefoon kunnen permitteren. Ze kopen kleren in de uitverkoop en maken zo weinig mogelijk gebruik van het openbaar vervoer omdat te duur is. Wat betreft de spullen kun je de armoede van nu niet vergelijken met de armoede van vroeger.Maar de mensen schamen zich er evengoed voor, net zoals ze dat vroeger ook deden.

Katholieke volkspartij:
Deze partij is opgericht op 22 december 1945 door de partijvergadering van de Rooms-katholieke Staatspartij. Ze maakte deel uit van het noodkabinet, samen met de PvdA. Tot 1971 was de KVP vrijwel de grootste partij. Rond midden jaren ’70 wilde de KVP meer samenwerken met de ARP en CHU. Dit leidde in 1973 tot de oprichting van het Christen Democratisch Appèl (CDA).

Partij van de Arbeid:
Deze partij is opgericht op 9 februari 1946. De PvdA wil een brede volkspartij zijn, ze wil niet meer lijken op de vroegere SDAP. Ze kregen in 1946 28,3% van de stemmen, in 1948 daalde dit toto 25,6%. In 1948 was W. Drees voorman van de PvdA. Hij bracht een belangrijk succes bij de Tweede- Kamerverkiezingen in 1956. De PvdA was daarna de sterkste vertegenwoordiger in de Kamer. Ze beschikten nu over 50 zetels.

Rooms-rode coalitie:
Coalitie betekend letterlijk vereniging. Het is een verbond tussen meerdere partijen of landen. De Rooms-rode coalitie bestaat uit christelijke, socialistische en liberale partijen. Zij moesten zorgen voor een beter sociaal stelsel. Ze voerde de AOW,WAO de WW enz. in.

Sociale voorzieningen:
Deze worden door middel van premies betaald door de burgers en bedrijven.Hierbij horen de AOW, WAO, WW en de ABW. Dit zijn allemaal wetten om ervoor te zorgen dat de mensen toch nog ergens geld van krijgen. Als ze te oud of te ziek zijn om te werken, of als ze ontslagen zijn. Dankzij deze wetten is elke burger van Nederland zeker van zijn inkomsten.

Algemene ouderdomswet:
Opgericht op 31 mei 1956. Het doel van deze wet is voor de hele bevolking vanaf 65 jaar, te voorzien van geld. Ze hebben toen ze nog werkte in feite zelf gespaard, maar dan via de regering. Als je alleen bent krijg je 70% van het minimumloon, heb je een partner, of woon je samen krijg je maar 50% van het minimumloon.

Wettelijk Arbeid ongeschiktheid:
Opgericht in 1966.Je krijgt dit geld uitgekeerd als je langer dan 52 weken (aaneen sluitend) niet in staat bent geweest om te werken. De hoogte van deze uitkering hangt af van je laatstverdiende salaris. De uitkering stopt als je 65 wordt, je krijgt nu voortaan AOW.

Werkeloosheidswet:
Deze wet werd ingevoerd in 1949. Je hebt hier pas recht op als je de laatste 39 weken voor je werkeloosheid minimaal 26 weken hebt gewerkt. Het bedrag dat je ontvangt bedraagt 70% van het minimumloon. Je bent wel verplicht om tussentijds te solliciteren, je mag maar een bepaald aantal keren een baan weigeren, anders wordt je uitkering ingetrokken.

Algemene bijstandswet:
Werd opgericht op 13 juni 1963, maar werd aangepast op 1 april 1995. Voor de ABW was er de armenwet, deze was opgericht in 1912. Je krijgt pas bijstand als je niet zelf kunt zorgen voor de hoogst noodzakelijke zaken. Als je in de bijstand zit ben je verplicht om werk te zoeken, behalve als je een kind onder de 5 jaar hebt.

Lijst van Personen

Marga Klompé:
Ze werd geboren op 16 augustus 1912 te Arnhem en stierf op 28 oktober 1986 te
’s Gravehagen. Ze studeerde scheikunde in Utrecht en was lerares op een meisjesschool. In 1948 werd ze gekozen als Tweede Kamerlid voor de KVP. In 1971 werd ze enoemd tot minister van Staat.

Een samenvatting

Wederopbouw

Er zijn verschillende factoren te noemen voor het snelle na- oorlogse herstel van Nederland. In de jaren ’50 werkten de werknemers en de werkgevers nauw samen.
Belangrijk was de hulp van de Verenigde Staten. Het Marshallplan investeerde twaalf miljard gulden in West- Europa.
Door de ontdekking van enorme aardgasvoorraden in 1959 kon de economische basis van Nederland blijvend worden versterkt. De welvaart groeide en verspreidde zich over de brede lagen der bevolking.
In de tijd van weder opvouw werd anders gedacht over de economie dan voor de oorlog, er was minder bezwaar tegen het feit dat de overheid schulden maakte.
De regeerders van Nederland beseften na 1945 dat armoede niet thuishoorde in een fatsoenlijk land.
De uitgaven voor sociale zekerheid stegen kort na de oorlog tot 10% van het nationaal inkomen.
In de jaren ’90 steeg dit verder tot maar liefst 40%. Toch was de armoede niet geheel uitgebannen, niet alleen de lonen, maar ook de uitkeringen waren laag.

Naar een welvaartsstaat

Enkele jaren voor de oorlog in 1937 hadden de socialisten na lange debatten hun programma herzien.
Ze legden in het nieuwe programma vast dat ze de macht voortaan langs een democratische weg wilden veroveren.
Na de bevrijding kreeg Nederland een “noodkabinet” waarin ook de socialist Willem Drees zitting had.
In de jaren 1946-1958 werd het noodkabinet opgevolgd door Rooms- rode kabinetten, gevolgd door de katholieke volkspartij (KVP) en de partij van de arbeid (PvdA).
De PvdA was de opvolger van de SDAP. Een belangrijke taak voor de Rooms- rode coalitie na de Tweede Wereldoorlog was de invoering van een sociaalzekerheidsstelsel.
Hiertoe behoort de wet op Arbeids ongeschikten (WAO), de werkeloosheidswet (WW) en de algemene ouderdomswet (AOW).
De WAO keert geld uit aan mensen die door ziekte of ongeval niet meer kunnen werken. De WW doet dit aan mensen die onvrijwillig werkeloos zijn.
De bekendste sociale voorziening is de Algemene Bijstands Wet (ABW).
Tot de invoering van de AOW hoorden veel bejaarden tot de armen. Door de crisis hadden ze geen kans gezien om te sparen voor hun oudedagsvoorziening.
In 1947 zorgde een noodwet voor de lening van de hoogste nood. Willen Drees beoordeelde de wet als principieel belangrijk, maar financieel sober.
Tien jaar later kwam de definitieve regeling met de AOW tot stand. Er is lang gedebatteerd over de hoogte van de uitkeringen en over de vraag of mensen met eigen geld een volledige uitkering dienden te krijgen. Uiteindelijk kwam er een compromis uit de bus. In 1956 zou door de Tweede Kamer de wet worden aangenomen.
Op het moment dat de AOW een feit was feliciteerde de voorzitter van de Tweede Kamer alle aanwezige leden. De naam Willem Drees is voorgoed met de noodwet van 1947 en de AOW verbonden.
Bejaarden gaven hem de eretitel “Vader Drees”.

De algemene bijstandswet

In de decennia die op de invoering van de AOW volgen werden de uitkeringen aan bejaarden steeds opgetrokken en tenslotte gekoppeld aan het minimumloon.
De KVP minister Marga Klompé introduceerde in het begin van de jaren ’60 haar plannen voor een wet betreffende verlening van bijstand door de overheid. Minister Klompé sprak over de Algemene Bijstandswet, in feite de opvolger van de armenwet van 1912. De invoering van de bijstandswet in 1956 betekende het einde van de eeuwen oude vrijwillige liefdadige armenzorg in Nederland.
De ABW was bedoeld als een sociaal vangnet, een laatste mogelijkheid voor mensen met problemen die geen beroep konden doen op andere voorzieningen.
Zoals bij de AOW moesten nu ook vele obstakels overwonnen worden.
Het werd wel tijd voor een nieuwe wet wantinternationaal gezien begon Nederland achter te lopen.
De Bijstandswet zou anders moeten worden dan de Armenwet, daarom dienden er eerst enkele belangrijke vragen beantwoord te worden: moest er een wet komen voor materiële en immateriële zorg?; kreeg het particulier initiatief nog een plaats?; wie had er recht op bijstand?; hoe hoog moest de bijstand zijn?
In 1956 was de ABW klaar. Er kwam een aparte wet voor de verstrekkingvoor immateriële voorzieningen zoals Maatschappelijk werk. Daasnaast moest de Bijstandswet zorgen voor materiële zaken in de richting van de verzorgingsstaat.
In de jaren ’80 kreeg de verzorgingsstaat met problemen te kampen. Naast een stijgende groep bejaarden, herbergde ons land honderd duizenden arbeidsongeschikten en werklozen. Onvoorzien was ook de snelle stijging van de hoogte der uitkeringen. Veel uitkeringen waren namelijk gekoppeld aan het minimum inkomen. Als dit minimum inkomen dus steeg, stegen ook de uitkringen. Het besef groeide dat er wat gedaan moest worden aan “de worgpaal van de sociale zekerheid”.
In de jaren ’80 begon Den Haag te snijden in de sociale zekerheid. De uitkeringen gingen omlaag en de koppeling met het minimumloon werd voorzichtig los gelaten.

De conclusie:

Deelvraag: hoe ontwikkelde het naoorlogse Nederland zich tot een verzorgingsstaat?

Antwoord: Dankzij het Marshallplan kon Nederland weer veel opbouwen. De mensen accepteerden lage lonen. Ook waren ze er niet meer zo erg op tegen dat de staat veel schulden maakten, zodat zij, de burgers, meer sociale zekerheid kregen.
De Rooms-rode coalitie voerde na de Tweede Wereldoorlog een sociaalzekerheidsstelsel in. De burgers konden daardoor rekenen op geld van bijvoorbeeld AOW,WAO,WW en ABW.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.