Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

China

Beoordeling 4.6
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 4e klas havo | 5053 woorden
  • 12 mei 2005
  • 18 keer beoordeeld
  • Cijfer 4.6
  • 18 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Hoofdstuk I (vóór 1839)

De Qing-dynastie (Qing = puur) was de laatste keizerlijke dynastie van de Chinese geschiedenis en stamde uit het huidige Mantsjoerije. Tijdens de eerste helft van de dynastie had de Qing veel macht. De Qing-dynastei kende ook een periode van verval. Tijdens de 2e helft van de 19e eeuw leidde dit tot een catastrofe die niet meer te herstellen viel. Het oude keizerrijk was duizenden jaren oud en kwam in 1911 tot een einde.

Het gebied in het noordoosten van de huidige Volksrepubliek, ook wel Mantsjoerije genoemd, werd in het verleden bewoond door aan de mongolen verwante stammen waaronder de Jurchen. In de twaalfde eeuw stichtte deze stam de Jin-dynastie (1115-1234). Deze dynastie veroverde heel Noord-China. De afstammelingen van deze Jurchen-heersers hadden hier in het begin van de 17e eeuw vele Chinese technieken en bestuurlijke praktijken aan over gehouden.


Hun grootste leider was Nurhaci (1559-1626), deze man verenigde de verschillende stammen en reorganiseerde hen op militaire basis. Tot dat Nurhaci overleed, breidde de macht van de Jurgen zich uit over heel Noordoost-China en Mongolië, onder zijn leiding.

Zijn opvolger, Abahai, zetten zijn werk voort en onderwierp in 1637 Korea. Abahai riep de Qing-dynastie uit. Ook veranderde hij de oude naam van de stam (Jurchen) in Mantsjoe.

Het heeft nog vele jaren geduurd voordat de keizers van de Qing-dynastie de macht over heel China in handen hadden. Het zuiden van China werd bestuurd door Chinese generaals. Toen de centrale regering hun positie zo langzamerhand overnam, zijn ze gaan protesteren. In 1681 maakte de jonge Kangxi keizer een einde aan de opstand. De keizer zou maar liefst 60(!) regeren en hij wordt vaak gezien als de meest succesvolle keizer uit de hele Chinese geschiedenis.

Het zou nog tot 1759 duren voordat de Qing-dynastie directe controle kreeg over Oost-Turkestan. Dit gebied maakte sinds de Tang-dynastie geen deel meer uit van de Chinese invloedsfeer.

Tegen het einde van de Qianlong-periode begon het al mis te gaan met de dynastie. De keizer was geestelijk niet meer in staat om te regeren maar hij behield zijn autocratische macht.

Van 1796-1804 woedde, in het gebied van de bovenloop van de Yangzi-rivier, de zogenaamde ‘Witte Lotus’ opstand. Dit was een beweging van ontevreden boeren. De opstand werd onderdrukt, maar alsnog werd het duidelijk hoe slecht de regering er aan toe was.

De Mantsjoe heersers van de Qing-dynastie hebben er altijd naar gestreefd het exclusieve Mantsjoe-element in de regering te bewaren. Hoewel het aantal Mantsjoes in vergelijking met de etnische Chinezen klein was, was de groep groot genoeg om een voldoende aantal sleutelposten in de centrale en lokale bureaucratie te bezetten, en om binnen het leger een voldoende grote en krijgshaftige groep te vormen. De regering hield controle over het leger en voorkwam een te grote concentratie van macht in handen van de hoogste officieren.


Het Qing-Rijk werd centraal geregeerd. Aan de top stond de keizer. De Grote Raad bestond uit 6 personen (3 Chinezen en 3 Mantsjoes). Op het laagste niveau werd de hele gemeenschap verantwoordelijk gehouden van het gedrag van elk individu. Dit betekende een efficiënte sociale controle.

Van 1660-1800 was er een lange tijd van orde en rust. Dit zorgde voor een ongekende economische vooruitgang en de bevolking is in deze periode zo ongeveer verdubbeld.

Sinds het einde van de Ming-dynastie hadden zich al regelmatig westerse handelaren laten zien die probeerden directe handelsrelaties aan te knopen, maar dit werd bijna niet toegestaan.

De 1e helft van de Qing-dynastie was een cultureel productieve periode, dat kwam vooral door de persoonlijke steun van de keizers. De schilderkunst had bijvoorbeeld een vaste plaats veroverd in de Chinese cultuur.
De 19e eeuw was voor China een periode van grote problemen, onder invloed hiervan heeft de Qing-dynastie sinds het einde van 18e eeuw cultureel weinig meer voortgebracht.
Hoofdstuk II 1839-1911

De Chinese autoriteiten wilden in 1839 een einde maken aan het gebruik en de
invoer van opium. De Daoguang-keizer stuurde “commissaris Lin” naar Canton om een einde aan de handel in opium te maken. De Engelsen slaagden erin om verschillende havens te blokkeren en het is ze zelfs gelukt om in 1840 Shanghai te veroveren. De Qing-regering kon niets meer doen, er zat voor hen niks anders op dan het vredesverdrag van ‘Nanjing’ te sluiten. Dit verdrag werd in 1842 gesloten.

Het verdrag ‘Nanjing’ hield het volgende in;
- er moest een oorlogsschatting aan de Britten worden betaald,
- er werden vijf zogenaamde verdragshavens geopend -> Guangzhou (Canton), Amoy (Xiamen), Fuzhou, Ningbo en Shanghai,
- er werd een laag douanetarief en grote handelsvrijheid voor de Engelsen ingesteld.
Ook moest China afstand doen van het eiland Hong Kong.

Na het verdrag bleef er onenigheid tussen de Chinezen en de Engelsen. Deze problemen kwamen doordat beide landen het niet met elkaar eens waren over de manier waarop het verdrag moest worden uitgevoerd, gerealiseerd.
In 1860 werd Peking bezet door Franse en Engelse troepen.

Eén van de grootste opstanden uit de wereldgeschiedenis is de ‘Taiping-opstand’. Deze opstand duurde van 1850 tot 1865 en de opstandelingen beheersten de hele middenloop van de Yangzi-rivier.

De oorzaken van deze opstand waren;
- de werkloosheid en de armoede van de plattelandsbevolking,
- de achteruitgang van het centrale gezag,
- het optreden van allerlei semi-religieuze bewegingen en geheime genootschappen zoals de ‘anti-Mantsjoe’.

De leider van deze opstand was Hong Xiuguan. Deze man was door Christelijke ideeën geïnspireerd en zag zichzelf als de jongere broer van Jezus Christus. In 1851 benoemde hij zichzelf tot koning van het ‘Hemelse Koninkrijk van de Grote Vrede’; Tai ping tian guo. In 1853 werd de hoofdstad van het opstandige gebied, Nanjing, omgedoopt tot Tianjing (Hemelse hoofdstad).

De gelijke verhoudingen in deze nieuwe gemeenschap werden overschaduwd door onderlinge strijd, die aan tienduizenden mensen het leven kostten. Door deze enorme chaos moesten de Taipings het gebied steeds meer overdragen aan de Qing.

In 1864 stierf Hong X. aan ziekte of zelfmoord, waarop in 1865 het Hemelse Koninkrijk definitief ten onder is gegaan.

Er vonden rond deze tijd nog vele andere opstanden plaats, en door deze zogenaamde geheime genootschappen werd er veel onrust veroorzaakt.

Na de zware verwoestingen van de opstanden was er sprake van een opmerkelijk herstel ten tijde van de regering van de Tongshi-keizer, die heerste van 1862 tot 1874. De functies van de staat werd nieuw leven ingeblazen door een actief beleid van de centrale regering en de lokale regionale machthebbers. De lokale regionale machthebbers zijn in de drukke tijden erg machtig geworden. Dit herstel wordt ook wel de ‘Tongshi-restauratie’ genoemd.

Een aantal vooruitstrevende individuen wilde meer weten over de westerse technologie, militaire techniek in het bijzonder. Ze wilden dit proberen toe te passen in China. Deze beweging staat bekend als de ‘zelfversterkingsbeweging’. Door onder andere gebrek aan kapitaal is deze beweging uiteindelijk mislukt.

Doordat de oppermachtige heerschappij van de Chinese regering erg was aangetast, werden vele havens opengesteld voor westerse ondernemingen. De Chinese overheid had hier geen zeggenschap over, een voorbeeld hiervan is Shang Hai.

Doordat de positie van Qing-dynastie voortdurend werd aangetast gingen ook grote buitengebieden verloren. De concurrentiestrijd tussen Japan en China had een oorlog tot gevolg, de Chinees-Japanse oorlog duurde van 1894 tot 1895. China verloor deze oorlog. Er groeide grote onrust onder de Chinese bevolking over de dreigende ineenstorting.

In 1898 kwam er een hervormingsbeweging op gang, geleid door moderne intellectuelen. Deze beweging was vooral gericht op modernisering van de staatsinstellingen. Na honderd dagen is het een groep conservatieven gelukt deze beweging te onderdrukken en verschillende leiders terecht te stellen.

Na de onderdrukking van de hervormingsbeweging kwamen de conservatieven weer aan de macht in Peking. Er bestond een geheim genootschap -> ‘Vuisten van gerechtigheid en harmonie’ (Yihequan). Een groep desperado’s (‘boksers’) kwam hieruit voort, met steun van de regering belegerden zij vanaf 13 juni 1900 de wijk in Peking waar de westerse en Japanse vertegenwoordigingen gevestigd waren. Yuan Shikai was een aanhanger van de boksers en later de president van de Republiek. Om deze belegering te stoppen stuurden de westerse machten troepen vanuit de havenstad Tianjin naar Peking. Ze stuurden Japanners, Russen, Engelsen, Amerikanen, Fransen, Oostenrijkers en Italianen. De belegerden werden op 14 augustus ontzet.

In 1905 werd het examenstelsel afgeschaft, als maatregel ter modernisering. Sun Yat-sen werd in 1905 het hoofd van het revolutionaire Tongmenghui (Verenigd genootschap). In 1911 riep hij in Nanjing de republiek uit met zichzelf als president. Vanaf dat moment viel de ene na de andere stad in handen van de opstandelingen, totdat enige maanden later het volledige keizerrijk ineenstortte.
Vragen bij hoofdstuk II

1 Noem 2 oorzaken van de Taiping-opstand

2 Wat is de Tongshi-restauratie?

3 Wat was de anti-Mantsjoe?
A) een semi-religieuze beweging
B) een geheim genootschap
C) een politieke partij

4 Wie benoemde zichzelf tot koning van het ‘Hemelse koninkrijk van de
grote vrede’?
A) Hong Xiuguan
B) Sun Yatsen
C) Yuan Shikai
Antwoorden bij de vragen van hoofdstuk II

1 3 antwoorden mogelijk:
- door de achteruitgang van het centrale gezag,
- door de werkloosheid en de armoede van de plattelandsbevolking,
- door het optreden van allerlei semi-religieuze bewegingen en geheime genootschappen.

2 Het herstel na de zware verwoestingen van de opstanden, ten tijde van de regering van de Tongshi-keizer.

3 B > geheim genootschap

4 A > Hong Xiuguan
Hoofdstuk III 1911-1925

De oorzaken van het volledige einde van het Chinese keizerrijk waren;

- onvoldoende groei van de economie om de bevolkingsgroei te kunnen opvangen,
- toenemende corruptie,
- achteruitgang in de staatsinkomsten,
- steeds agressievere buitenlandse vijanden,
- verslapping van het Mantsjoe ‘vendel-systeem’ en de militaire discipline,
- uitholling van de persoonlijke macht van de keizer en hofhouding,
- het conservatisme binnen het staatsapparaat.

Gedurende de 19e eeuw zijn er verschillende pogingen ondernomen om het keizerrijk van de ondergang te behoeden. Dit deden ze door tevergeefse moderniseringen in te voeren.

In 1912 hadden verschillende revolutionaire groeperingen zich aaneengesloten in een nieuwe politieke partij, die geleid werd door Sun Yatsen. De naam van deze partij; Guomindag (GMD), betekent Nationale Volkspartij. Deze partij was gebaseerd op de drie volksbeginselen;

- nationalisme
- democratie
- volkswelvaart

Later werden de aanhangers van deze partij meestal nationalisten genoemd. Het begrip nationalisme hield in dat China een eenheidsstaat moest worden, die vrij was van buitenlandse invloed.
<- Sun Yatsen (1866-1925) <- Yuan Shikai (1859-1916)

De eerste formele president van de Republiek was Yuan Shikai (1912-1916). Yuan behoorde van oorsprong tot de hervormers, maar later bleek dat hij vooral uit was op macht. In 1915 probeerde hij het keizerrijk te herstellen. Ook wilde hij als Hongxian-keizer zelf de troon op, maar verzet van andere machthebbers en zijn voortijdige dood voorkwamen dit.

In 1921 richtte een klein aantal hoogleraren en studenten de Chinese Communistische Partij op (CCP). De GMD vond haar aanhang voornamelijk bij intellectuelen, ondernemers en handelaars. De CCP bij intellectuelen en arbeiders.

Alleen de Sovjet-Unie was bereid tot erkenning van en militaire steun aan de GMD-regering. Ook zorgde de Sovjet-Unie ervoor dat de Chinese communisten met de nationalisten gingen samenwerken.

Toen Sun Yatsen in 1925 stierf, beheerste de GMD alleen Canton en omgeving.
Hoofdstuk IV 1925-1949

Sun Yatsen stierf in 1925, en werd opgevolgd door generaal Chiang Kaisjek. Deze man had meer succes dan Sun Yatsen; vanaf 1926 veroverde hij met behulp van de communisten een groot deel van China.

<- Chiang Kaisjek (1887-1975)

In april begon hij een actie tegen de communisten. Er werden duizenden communisten vermoord, met name in Shanghai. China leek een nieuwe periode van eenheid tegemoet te gaan.

Het is Chiang K. niet gelukt van China een eenheidsstaat te maken. In het binnenland waren er gebieden die door communisten beheerst werden. Er werd wel een einde gemaakt aan een aantal ongelijke verdragen.

Japan kreeg steeds meer invloed in China. In 1931 maakte Japan het oostelijk deel van Mandsjoerije tot een Japanse vazalstaat. Deze staat werd Mandsjoekwo genoemd.

In 1937 breidde de oorlog zich uit naar de rest van China. De strijd tussen Japan en China duurde tot 1945, dit heeft 15 miljoen Chinezen het leven gekost.

Er kwam kiesrecht en de GMD werd als enige partij toegelaten. De macht lag echter bij het leger, waarvan Chiang Kaisjek de opperbevelhebber was, en tegelijkertijd staatshoofd. Wilde hij zijn macht niet verliezen, dan moest hij rekening houden met de wensen van zijn generaals.

Volkswelvaart houdt in dat;
- alle mensen ‘economische gelijkheid’ moeten verwerven,
- alle mensen kunnen leven ‘in vrijheid en geluk’.

De GMD concentreerde zich op de steden en nauwelijks op het platteland. In de steden stichtte de overheid veel nieuwe ondernemingen en banken, moderniseerde het onderwijs en verbeterde de volksgezondheid. Ook werden de verbindingen verbeterd door de aanleg van wegen en spoorwegen.

Na de vervolging in 1927 hadden de communisten zich teruggetrokken in de bergstreken van Jiangxi. In 1931 stichtten ze hier een communistische republiek, maar in 1934 werden ze uit dit gebied verdreven.

De communisten gingen hun aandacht wél op het platteland richten. Zij vormden een ‘Rood leger’, die voornamelijk bestond uit arme boeren. Met behulp van dit rode leger werden rijke boeren gedwongen hun land af te staan aan de vele arme boeren. Vanaf 1935 was Mao Zedong de leider van de communisten.

<- Mao Zedong (1893-1976)

Chiang K. werd in 1936 door een aantal van zijn generaals gedwongen de strijd tegen de communisten te staken en samen mét de communisten een verenigd front te vormen tegen Japan.

In 1946 brak er een burgeroorlog uit. Het Rode Leger veroverde in enkele jaren, onder leiding van Lin Biao, het hele vasteland van China.

<- Lin Biao (1907-1971)

Mao Zedong riep op 1 oktober 1949 de ‘Volksrepubliek China’ uit, waarop Chiang Kaisjek vluchtte naar het eiland Taiwan.
Hoofdstuk V 1949-1986

Na 1949 bleef één van de belangrijkste doelen het herstel van de eenheid van het land.

Toen de Volksrepubliek een jaar bestond, werd ze al geconfronteerd met een oorlog in het buurland Korea. De Koreaanse oorlog verliep eerst heel goed voor de Noord-Koreanen, maar de Verenigde Naties keurden de aanval van Noord-Korea op Zuid-Korea af. De veiligheidsraad steurde grootscheepse militaire hulp naar Zuid-Korea. De Russen bleven de bijeenkomsten van de Veiligheidsraad boycotten zolang communistisch China geen lid van de VN was. De zetel van China in de VN en de Veiligheidsraad werd nog steeds bezet door de nationalistische regering van Chiang Kaisjek.

Voornamelijk Amerikaanse troepen werden onder de vlag van de VN naar Korea gestuurd. Officieel ging het erom dat de Noord-Koreaanse agressie beëindigd zou worden, maar eigenlijk was het vooral de bedoeling van de VS om de communistische opmars staande te brengen. Dit werd ‘containmentpolitiek’ genoemd. Dat hield in dat iedere vorm van uitbreiding van het communisme in de wereld zou worden bestreden (zonodig met militair geweld).

De Chinezen voelden zich bedreigd door de VS doordat de Amerikanen de Noord-Koreanen heel dicht bij de Chinese grens hadden gedreven, en waarschuwde de Amerikanen. Deze waarschuwing werd niet serieus genomen, waarop een Chinese troepenmacht van 300 000 man ineens toesloeg. De VN-troepen werden uiteindelijk hierdoor weer teruggedrongen naar de oorspronkelijke grens tussen Noord- en Zuid-Korea.

In 1953 werd er na slepende onderhandelingen een wapenstilstandovereenkomst getekend die tot op de dag van vandaag nog steeds geldt. De VS stond achter ‘Nationalistisch China’ en steunden ze in de VN en de Veiligheidsraad.

Tibet had zich tijdens de revolutie van 1911 afgescheiden van het Chinese Rijk. De Chinezen hadden dit nooit geaccepteerd en trokken in 1950 Tibet binnen. De geestelijke en wereldlijke leider van de Tibetanen; de Dalai Lama, mocht in naam heerser over een deel van Tibet blijven. De Tibetanen kwamen in 1959 in opstand, de Dalai Lama vluchtte naar India.

China won zeer veel respect van de derdewereld landen. Ze zagen in China het grote voorbeeld van een land dat zich zelfstandig tot een sterke, onafhankelijke staat ontwikkelde.
Nadat de communisten in 1949 een overwinning hadden bereikt was de relatie tussen China en de Sovjetunie erg goed. In 1950 tekenden Mao en Stalin in Moskou een Chinees-Russisch vriendschap- en bijstandsverdrag voor dertig jaar.

Joseph Stalin (1879-1953)
De Russische invloed in China was erg groot, en de relatie tussen beide landen erg goed, totdat de destalinisatie van 1956 de Chinese leiders in grote verlegenheid bracht. Chroesjtsjew stootte Stalin van zijn voetstuk, en de Sovjetunie keurde De Grote Sprong Voorwaarts af. De Chinese leiding viel, tot verbazing van velen, niet op andere gedachten te brengen. De Chinezen prezen het revolutiemodel aan de derdewereld landen.

Ten behoeve van de industriële groei werd het eerste vijfjarenplan opgesteld, dat tot 1957 duurde en met redelijk succes werd afgesloten. Het tweede vijfjarenplan (1958-1963), dat gedeeltelijk samenviel met de campagne ‘De Grote Sprong voorwaarts’, liep uit op een rampzalige mislukking doordat de verwachtingen veel te hoog waren.

Rond 1960 was het ideologische geschil uitgebarsten. De Sovjetunie begon China als een gevaar te zien, en China begon de Sovjetunie als een gevaar te zien. In 1984 bracht China de 1e atoombom tot ontploffing, en de Chinezen gingen raketten bouwen.

China begon er alleen voor te staan, doordat het land zijn grootste bondgenoot had verloren. China bood aan derdewereld landen ontwikkelingshulp aan om hun onafhankelijkheid van het Russische ‘sociaalimperialisme’ en het Amerikaanse ‘kapitalisme’ te verminderen.

De Amerikanen hadden rond 1960 de ‘dominotheorie’ bedacht. Deze theorie hield in dat vanuit China alle landen van Zuidoost-Azie één voor één communistisch zouden worden, als er niets tegen gedaan zou worden. Aan het einde van de jaren ’60 bereikte de Vietnamese oorlog een hoogtepunt door de inzet van honderdduizenden Amerikaanse soldaten en gruwelijke bombardementen op zowel Noord- als Zuid-Vietnam.

President Nixon van de VS besloot in 1969 zich geleidelijk uit Vietnam terug te trekken.

Richard M. Nixon (1913-1994)
Mao Zedong verklaarde dat het juist de Sovjetunie was die door het sociaalimperialisme de grootste bedreiging voor China en de wereldvrede vormde. Dit zorgde voor een stap dichter bij de toenadering tussen Peking en Washington. In april 1971 werden Amerikanen door de Chinese Volkrepubliek uitgenodigd en hartelijk ontvangen. Dit zorgde weer voor een bezoek van Nixon aan China in 1972.

China eiste de zetel op, en werd in 1971 lid van de VN en nam de permanente zetel in de Veiligheidsraad van de regering op Taiwan over. De VS beloofde te zoeken naar een vreedzame oplossing voor het Chinese idee van één China, inclusief Taiwan.

Op het 10e partijcongres in augustus 1973 werd de grote anti-Lin Piao campagne gestart. (Lin is in 1971 op onverklaarbare wijze om het leven gekomen)

Samen met Deng gaf Premier Chou En-lai vorm aan een programma van de 4 moderniseringen. De 4 moderniseringen waren;

- die van de landbouw,
- die van de industrie,
- die van de defensie,
- die van de onderwijs/technologie.

In 1975 begon de kritiek op Deng.
<- Chou En-lai (1898-1976)
<- Deng Xiaoping (1904-1997
De machtsstrijd kwam in 1976 in een beslissend stadium. Op 8 januari stierf Chou En-lai. Deng Xiaoping werd van zijn functies ontheven.

In juli 1977 kreeg Deng zijn goede naam weer terug, en werd de politiek van de 4 moderniseringen met kracht ter hand genomen.

Op het twaalfde partijcongres werd Mao definitief van zijn voetstuk gestoten; hij was verantwoordelijk voor de pijnlijke periode 1966-1976. De meerderheid van de bevolking was hier erg blij mee.

Het isolement van China was doorbroken, westerlingen reisden naar China en andersom. Het verdrag met Groot-Brittannië van 1987 was een diplomatiek succes voor de Volksrepubliek.

Tijdens die periode is de relatie van China met de Sovjetunie steeds slecht gebleven. In 1982 werden er wel regelmatig besprekingen gevoerd en vooral Gorbatsjov heeft pogingen gedaan om tot normale vriendschappelijke betrekkingen te komen.

Deng beloofde in 1983 aan Taiwan volledige autonomie, het behoud van eigen leger, het eigen economische systeem en de eigen rechtspraak, als het land zou willen terugkeren binnen China. Dit aanbod werd duidelijk door Taiwan afgewezen.

In 1978 introduceerde Deng het verantwoordelijkheidssysteem voor de landbouw. Dit betekende dat de boerenfamilie een contract sloot met de overheid (de commune) waarin zij garant stond voor het leveren van een minimumproductie. Alles wat daarboven geproduceerd werd, mochten de familie vrij op de markt brengen, de hoop was om hiermee de productie te verhogen. De aanpak slaagde; er werd veel meer geproduceerd, de inkomens van de boeren stegen en overal in China brachten de boeren hun spullen weer zelf naar de markten van dorpen en steden.

Door de modernisering maakte een grootse invoer van de nieuwste technologie uit het Westen en Japan noodzakelijk. De instelling van de speciale economische zones in 1984 was een belangrijke stap in de richting van een vrijere economie.

De kwaliteit van de studieresultaten kwam voorop te staan en kunstenaars kregen veel meer vrijheden doordat de beperkingen van de Culturele Revolutie werden afgeschaft.

Het ging beetje bij beetje steeds meer richting democratisering, en Deng maakt al snel duidelijk dat dit niet zijn bedoeling was. De technocraten schijnen het in het huidige China het voorlopig van de permanentrevolutionairen gewonnen te hebben.
Vragen bij hoofdstuk V

1 Wat hield de dominotheorie in?

2 Wat was de Dalai Lama?

3 Wie/wat vormde(n), volgens Mao Zedong, de grootste bedreiging voor China en de wereldvrede?
A) De Amerikanen
B) De westerse wereld
C) de Sovjetunie

4 Wie tekenden er in 1953 een wapenstilstandovereenkomst?
A) Noord- en Zuid-Korea
B) China en de VS
C) China en Korea
Antwoorden bij de vragen van hoofdstuk V

1 Dat vanuit China alle landen van Zuidoost Azië één voor één communistisch zouden worden als er niets aan zou worden gedaan.

2 De geestelijke en wereldlijke leider van de Tibetanen.

3 C > de Sovjetunie

B > China en de VS
Hoofdstuk VI Epiloog -> Politieke en sociaal-economische ontwikkelingen na 1986

In 1987 vond het 13e partijcongres plaats; Deng bleef president.

Naar aanleiding van de studentendemonstraties moest Hu Yaobang het veld ruimen. Li Peng, die in Rusland was opgeleid, werd premier.
-> Li Peng (1928) -> Hu Yaobang (1915-1989)
Als reactie op het overlijden van Hu Yaobang (15 april 1989) demonstreerden duizenden studenten op het plein van de Hemelse Vrede in Beijing om te pleiten voor rehabilitering van Hu. Ze wilden snellere economische hervormingen, politieke hervormingen en afschaffing van de censuur.

Zhao toonde begrip voor deze studenten en werd daardoor gedwongen af te treden. Hij werd vervangen door Jiang Zemin.
<- Zhao Ziyang (1919) <- Jiang Zemin (1926
Als snel kregen de anti-hervormingsgezinde, conservatieve partijbestuurders de overhand in het staatsapparaat; zij pleitten voor hard optreden tegen de demonstranten. Deng gaf het leger het bevel de demonstatie met geweld neer te slaan (3 juni 1989). Honderden studenten kwamen hierbij om het leven.

Dit betekende het voorlopige einde van van een periode waarin zowel op economisch als politiek gebied op grote schaal kon worden geëxperimenteerd.

Er volgde een periode van zeer strenge controle en censuur. De economische decentralisatie werd weer een flink stuk teruggedraaid en de Chinezen moesten voor het eerst belastingen gaan betalen. In 1989 ging Deng officieel met pensioen en hij wees Jiang Zemin als officiële opvolger aan. Ook al was Jiang nu de grote leider; Deng bleef tot aan zijn dood (1997) de machtigste man in China.

In 1992 kwam er een einde aan de onbestemde politiek en de economische situatie. Deng verklaarde dat het hervormingsproces beter aangepakt moest worden. Er moest met kapitalistische elementen worden geëxperimenteerd, zolang het socialistische karakter van de economie maar bewaard bleef. Dit werd “de Grote sprong naar rechts” genoemd.

De conservatieven probeerden er alles aan te doem om deze “Grote sprong naar echts” te dwarsbomen. Maar een heel groot deel van de bevolking gaf steun aan Deng’s voorstel. Veel arbeiders, boeren en intellectuelen namen ontslag en trokken naar eilanden en kuststreken om daar iets voor zichzelf te beginnen. De economie groeide razendsnel en de beginselen van de door Deng voorgestelde ‘socialistische markteconomie’ werden tijdens het Achtste Nationale Volkscongres (1993) zelfs in de grondwet opgenomen.

Hoewel China binnen de internationale gemeenschap regelmatig werd beschuldigd van forse schendingen van de mensenrechten, knoopte een toenemend aantal westerse landen handelsbetrekkingen aan met het land
<- Joseph Stalin (1879-1953)

De Russische invloed in China was erg groot, en de relatie tussen beide landen erg goed, totdat de destalinisatie van 1956 de Chinese leiders in grote verlegenheid bracht. Chroesjtsjew stootte Stalin van zijn voetstuk, en de Sovjetunie keurde De Grote Sprong Voorwaarts af. De Chinese leiding viel, tot verbazing van velen, niet op andere gedachten te brengen. De Chinezen prezen het revolutiemodel aan de derdewereld landen.

Ten behoeve van de industriële groei werd het eerste vijfjarenplan opgesteld, dat tot 1957 duurde en met redelijk succes werd afgesloten. Het tweede vijfjarenplan (1958-1963), dat gedeeltelijk samenviel met de campagne ‘De Grote Sprong voorwaarts’, liep uit op een rampzalige mislukking doordat de verwachtingen veel te hoog waren.

Rond 1960 was het ideologische geschil uitgebarsten. De Sovjetunie begon China als een gevaar te zien, en China begon de Sovjetunie als een gevaar te zien. In 1984 bracht China de 1e atoombom tot ontploffing, en de Chinezen gingen raketten bouwen.

China begon er alleen voor te staan, doordat het land zijn grootste bondgenoot had verloren. China bood aan derdewereld landen ontwikkelingshulp aan om hun onafhankelijkheid van het Russische ‘sociaalimperialisme’ en het Amerikaanse ‘kapitalisme’ te verminderen.

De Amerikanen hadden rond 1960 de ‘dominotheorie’ bedacht. Deze theorie hield in dat vanuit China alle landen van Zuidoost-Azie één voor één communistisch zouden worden, als er niets tegen gedaan zou worden. Aan het einde van de jaren ’60 bereikte de Vietnamese oorlog een hoogtepunt door de inzet van honderdduizenden Amerikaanse soldaten en gruwelijke bombardementen op zowel Noord- als Zuid-Vietnam.

President Nixon van de VS besloot in 1969 zich geleidelijk uit Vietnam terug te trekken.

<- Richard M. Nixon (1913-1994)

Mao Zedong verklaarde dat het juist de Sovjetunie was die door het sociaalimperialisme de grootste bedreiging voor China en de wereldvrede vormde. Dit zorgde voor een stap dichter bij de toenadering tussen Peking en Washington. In april 1971 werden Amerikanen door de Chinese Volkrepubliek uitgenodigd en hartelijk ontvangen. Dit zorgde weer voor een bezoek van Nixon aan China in 1972.

China eiste de zetel op, en werd in 1971 lid van de VN en nam de permanente zetel in de Veiligheidsraad van de regering op Taiwan over. De VS beloofde te zoeken naar een vreedzame oplossing voor het Chinese idee van één China, inclusief Taiwan.

Op het 10e partijcongres in augustus 1973 werd de grote anti-Lin Piao campagne gestart. (Lin is in 1971 op onverklaarbare wijze om het leven gekomen)

Samen met Deng gaf Premier Chou En-lai vorm aan een programma van de 4 moderniseringen. De 4 moderniseringen waren;

- die van de landbouw,
- die van de industrie,
- die van de defensie,
- die van de onderwijs/technologie.

In 1975 begon de kritiek op Deng.

<- Chou En-lai (1898-1976)

<- Deng Xiaoping (1904-1997)

De machtsstrijd kwam in 1976 in een beslissend stadium. Op 8 januari stierf Chou En-lai. Deng Xiaoping werd van zijn functies ontheven.

In juli 1977 kreeg Deng zijn goede naam weer terug, en werd de politiek van de 4 moderniseringen met kracht ter hand genomen.

Op het twaalfde partijcongres werd Mao definitief van zijn voetstuk gestoten; hij was verantwoordelijk voor de pijnlijke periode 1966-1976. De meerderheid van de bevolking was hier erg blij mee.

Het isolement van China was doorbroken, westerlingen reisden naar China en andersom. Het verdrag met Groot-Brittannië van 1987 was een diplomatiek succes voor de Volksrepubliek.

Tijdens die periode is de relatie van China met de Sovjetunie steeds slecht gebleven. In 1982 werden er wel regelmatig besprekingen gevoerd en met name Gorbatsjov heeft pogingen gedaan om tot normale vriendschappelijke betrekkingen te komen.

Deng beloofde in 1983 aan Taiwan volledige autonomie, het behoud van eigen leger, het eigen economische systeem en de eigen rechtspraak, als het land zou willen terugkeren binnen China. Dit aanbod werd duidelijk door Taiwan afgewezen.

In 1978 introduceerde Deng het verantwoordelijkheidssysteem voor de landbouw. Dit betekende dat de boerenfamilie een contract sloot met de overheid (de commune) waarin zij garant stond voor het leveren van een minimumproductie. Alles wat daarboven geproduceerd werd, mochten de familie vrij op de markt brengen, de hoop was om hiermee de productie te verhogen. De aanpak slaagde; er werd veel meer geproduceerd, de inkomens van de boeren stegen en overal in China brachten de boeren hun spullen weer zelf naar de markten van dorpen en steden.

Door de modernisering maakte een grootse invoer van de nieuwste technologie uit het Westen en Japan noodzakelijk. De instelling van de speciale economische zones in 1984 was een belangrijke stap in de richting van een vrijere economie.

De kwaliteit van de studieresultaten kwam voorop te staan en kunstenaars kregen veel meer vrijheden doordat de beperkingen van de Culturele Revolutie werden afgeschaft.

Het ging beetje bij beetje steeds meer richting democratisering, en Deng maakt al snel duidelijk dat dit niet zijn bedoeling was. De technocraten schijnen het in het huidige China het voorlopig van de permanentrevolutionairen gewonnen te hebben.
Hoofdstuk VI Epiloog -> Politieke en sociaal-economische ontwikkelingen na 1986
In 1987 vond het 13e partijcongres plaats; Deng bleef president.

Naar aanleiding van de studentendemonstraties moest Hu Yaobang het veld ruimen. Li Peng, die in Rusland was opgeleid, werd premier.
<- Li Peng (1928) <- Hu Yaobang (1915-1989)
Als reactie op het overlijden van Hu Yaobang (15 april 1989) demonstreerden duizenden studenten op het plein van de Hemelse Vrede in Beijing om te pleiten voor rehabiliteren van Hu. Ze wilden snellere economische hervormingen, politieke hervormingen en afschaffing van de censuur.

Zhao toonde begrip voor deze studenten en werd daardoor gedwongen af te treden. Hij werd vervangen door Jiang Zemin.
<- Zhao Ziyang (1919)
Als snel kregen de anti-hervormingsgezinde, conservatieve partijbestuurders de overhand in het staatsapparaat; zij pleitten voor hard optreden tegen de demonstranten. Deng gaf het leger het bevel de demonstatie met geweld neer te slaan (3 juni 1989). Honderden studenten kwamen hierbij om het leven.

Dit betekende het voorlopige einde van een periode waarin zowel op economisch als politiek gebied op grote schaal kon worden geëxperimenteerd.

Er volgde een periode van zeer strenge controle en censuur. De economische decentralisatie werd weer een flink stuk teruggedraaid en de Chinezen moesten voor het eerst belastingen gaan betalen. In 1989 ging Deng officieel met pensioen en hij wees Jiang Zemin als officiële opvolger aan. Ook al was Jiang nu de grote leider; Deng bleef tot aan zijn dood (1997) de machtigste man in China.

In 1992 kwam er een einde aan de onbestemde politiek en de economische situatie. Deng verklaarde dat het hervormingsproces beter aangepakt moest worden. Er moest met kapitalistische elementen worden geëxperimenteerd, zolang het socialistische karakter van de economie maar bewaard bleef. Dit werd “de Grote sprong naar rechts” genoemd.

De conservatieven probeerden er alles aan te doem om deze “Grote sprong naar echts” te dwarsbomen. Maar een heel groot deel van de bevolking gaf steun aan Deng’s voorstel. Veel arbeiders, boeren en intellectuelen namen ontslag en trokken naar eilanden en kuststreken om daar iets voor zichzelf te beginnen. De economie groeide razendsnel en de beginselen van de door Deng voorgestelde ‘socialistische markteconomie’ werden tijdens het Achtste Nationale Volkscongres (1993) zelfs in de grondwet opgenomen.

Hoewel China binnen de internationale gemeenschap regelmatig werd beschuldigd van forse schendingen van de mensenrechten, knoopte een toenemend aantal westerse landen handelsbetrekkingen aan met het land.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.