80-jarige oorlog

Beoordeling 6.3
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 4e klas havo | 5728 woorden
  • 16 januari 2004
  • 167 keer beoordeeld
  • Cijfer 6.3
  • 167 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Voorwoord

Deze scriptie is gemaakt als praktische opdracht voor het vak geschiedenis.

In dit werkstuk wordt beschreven wat de aanloop was voor het belegeren van Haarlem. De zeven maanden durende belegering zelf wordt hier ook in beschreven en er wordt verteld over de tactieken en strategieën van de belegeraars en verdedigers. De gevolgen van de capitulatie van Haarlem komen aan bod en hoe dat past in het verdere verloop van de oorlog.

De belangrijkste vraag, en dus de hoofdvraag van dit werkstuk, is echter wat Haarlems rol is geweest in de tachtigjarige oorlog en wat het belang van het behouden van Haarlem was voor het verloop daarvan?


Mijn deelvragen die ook beantwoord worden in dit werkstuk zijn:
o Waarom kwamen de Spanjaarden naar Nederland?
o Wat waren de redenen van de opstand?
o Hoe verdedigden de inwoners tegen het Spaanse leger van Alva?

In dit werkstuk hoop ik antwoord te krijgen op deze vragen.

Inleiding

Mijn scriptie wil ik gaan houden over Haarlem in de tachtigjarige oorlog. Deze oorlog met Spanje is altijd wel een interessant onderwerp omdat het eigenlijk een begin van het ontstaan van de Nederlanden is zoals wij die kennen. Ik heb dit onderwerp gekozen omdat het lot van Haarlem erg belangrijk was voor het verloop van de oorlog. Als Haarlem zou vallen, zouden veel steden in Holland in de handen van Alfa vallen.

Ik wil me in deze scriptie vooral gaan richten op de belegering van Haarlem door de troepen van Alfa. Over hoe de mensen zich verdedigden tegen een grote overmacht, het overleven in een omsingelde stad, de regelmatige bestormingen, de hongersnood die op een gegeven moment in de stad heerste en het huren van huurlingen om de stad te verdedigen.


Ik heb me georiënteerd over dit onderwerp door boeken te lezen die ik in de bieb heb gevonden. En door veel te zoeken op internet. Ik heb doordoor een aardig beeld gekregen van deze oorlog.

Ontstaan van de oorlog

Ongeveer in de helft van de 16e eeuw bestonden de Nederlanden uit zeventien verschillende gewesten. De verschillen tussen deze gewesten waren groot. Zo had ieder van deze gewesten hun eigen normen en waarden, eigen regeringen en eigen wetten.

De heren in Bourgondië hadden door huwelijken, erfenissen en aankopen grote delen van de Nederlanden en Europa in handen gekregen. De koning van Bourgondië, Filips de Schone, kreeg door zijn huwelijk het Spaanse rijk in handen. Zo kreeg zijn zoon (Karel V) op latere leeftijd een groot rijk onder zijn gezag. Toen Karel V eenmaal aan de macht kwam vond hij dat er meer eenheid nodig was in zijn gewesten en gaf daarom macht aan invloedrijke landheren. Daar was Willem van Oranje er een van. Hij werd stadshouder in de Nederlanden. Ook benoemde Karel V zijn half zus Margreta van Parma tot landvoogd van de Nederlanden. Zelf vertrok hij naar Spanje waarna in 1555 zijn zoon Fillips de II hem opvolgde. Fillips de II nam vrijwel dezelfde regeermethode aan als zijn vader maar hield geen rekening met de edelen. Die vonden dat ze te weinig macht hadden en begonnen in opstand te komen. De opstand werd alleen maar heviger toen de katholieke Fillips II het opkomende protestantisme de kop in probeerde te drukken door de protestantse mensen (ketters) op de brandstapel te zetten en te vervolgen. Door de vervolging van de protestanten in Nederland, groeide de opstand tegen de katholieke Fillips de II en de katholieke Nederlanders. Margreta van Parma kon de situatie steeds moeilijker onder controle houden. In Nederland ging een groep edelen met elkaar samen werken. Zij stuurden een brief naar Margreta van Parma om te stoppen met het harde optreden tegen de protestanten. Deze brief werd genegeerd door Fillips de II. Ondertussen groeide de onrust in Nederland, er heerste honger en de mensen hadden steeds grotere kritiek op de katholieke kerk. De katholieken kerk zouden corrupt zijn en teveel van god zijn afgegroeid. De protestantse leiders organiseerden hagenpreken om het nieuwe geloof leven in te blazen en hun onvrede tegen de katholieken kerk te uiten. Op een gegeven moment was de woede zo groot dat de opstandige bevolking katholieke kerken en kloosters aanviel. Kerken werden leeggeroofd, beelden werden om gegooid en vernietigd. De rellen gingen als een vlaag door heel Nederland en kerken werden beroofd en vernield. Deze gebeurtenis staat bekend als de beeldenstorm. Toen Fillips de II over de beeldenstorm hoorde werd hij razend. Hij stuurde daarom een groot leger van 8000 man infanterie en 1200 ruiters onder leiding van de hertog van Alva naar Nederland om orde op zaken te stellen.

Het ontstaan van de opstand

De opstand ontstond door grote ontevredenheid onder de bevolking. Dit kwam voornamelijk door het enige geloof: het Katholieke. De Romeinen hadden het rond het jaar 400 verplicht gesteld. Sindsdien was het Katholieke het enige geloof. In die tijd waren een aantal mensen in opstand tegen dat Katholieke geloof gekomen, omdat dat geloof enorme rijkdommen had en de priesters een luxe leven leden. Zo wilden een groep mensen de kerk opnieuw vormen; het waren hervormers. Bekende hervormers zijn Luther en Calvijn. Hun aanhang waren protestanten. Dus ontstond er een tweede groep: het Protestantse Geloof. Het heette zo omdat men protesteerde. De Spanjaarden gingen met harde hand tegen deze personen optreden. Zo werd iedereen die bijvoorbeeld verboden hervormde bijbels had gestraft. Het kwam zelfs zo ver dat mensen hiervoor werden vermoord. In 1566 liep dit uit tot de Beeldenstorm; men werd zo kwaad dat men met een groep burgers een kerk inging en alles kort en klein sloeg. Beelden werden uit nissen gehaald en kapot geslagen. Dit gebeurde in veel steden. Als je nu nog naar sommige katholieke kerken kijkt zie je soms nog lege plekken waar vroeger allerlei beelden van heiligen stonden. Op dat moment vraag je je af waarom ze dat deden. Ten eerste het geloof, waar veel op aan te merken was, en ten tweede de enorme rijkdom van de Katholieke kerk. Een heleboel ontzettend kostbare kunstwerken stonden er in een Katholieke kerk.
Het bericht van de beeldenstorm veroorzaakte een schok in Madrid waar Filips II regeerde. Hij reageerde echter wel laat omdat hij toen net problemen had met de Turken. De Turken maakten de Middellandse Zee onveilig en Filips kon dus geen enkele soldaat missen. Filips had echter geluk, want de Turkse sultan was net overleden en er werd gestreden om hem op te mogen volgen. Filips wachtte lang, maar toen hij zeker was dat hij wat soldaten kon missen, stuurde hij de hertog van Alva met zijn leger naar de Nederlanden. Het leger van Alva was algemeen bekend als het sterkste leger van heel Europa.

De Nederlandse opstand had 3 oorzaken. Een politieke, godsdienstige, en een economische oorzaak

o De politieke oorzaak

Karel V en Filips II wilden beide Absolutisme. Dat betekent dat zij alle macht zouden hebben, en de onderdanen hun helemaal gehoorzamen. Zij wilden ook heel de Nederlanden hebben. Daarvoor wilden ze wel centralisatie. Dat is dat er op een plek alle belangrijke beslissingen worden genomen. Zij kozen hiervoor de stad Brussel. Van de gewest- en stadsbestuurders kwam hiertegen in verzet, want zij wilden hun privileges houden. Privileges zijn: voorrechten die de gewesten in de middeleeuwen kregen, waardoor ze bijv. hun eigen wetten mochten maken. De adel was er ook tegen, want de koning wilde hen vervangen door ambtenaren. Zelfs de Staten-Generaal protesteerde want Filips wou hen afzetten zodat hij de geldzaken zelf kon regelen.

o De godsdienstige oorzaak

Rond die tijd vond geen enkele vorst het goed dat er in zijn land 2 godsdiensten zouden zijn. En omdat Karel V steng Rooms-Katholiek was, en in Nederland de mensen protestants gingen worden, kon hij ‘ waarheid en leugen’ niet samen laten gaan. Ook was hij bang dat er een burgeroorlog zou komen. Hij maakte tegen ketters wetten, en een speciale rechtbank, die hij de inquisitie noemde. Zelfs sommige Rooms-katholieken vonden dit alles afschuwelijk.

o De economische oorzaak

Behalve de politieke en godsdienstige oorzaak was er ook een economische oorzaak. Honger en armoede maakte de mensenontevreden. Voor het buitenland leek Nederland heel rijk, soms werd het zelfs de schatkamer van Spanje genoemd, omdat de Nederlanden zoveel geld aan de schatkist gaven.In Nederland woonde veel mensen in de stad. Er was dus een stedelijk-argrarische samenleving. Maar in Nederland was er niet zoveel welvaart als men dacht. Er waren maar weinig rijken, en veel armen. Die ramen leefden van geld van de kerk., en wel 40% van de bevolking leefde van de armen zorg. Naast de mensen die van armenzorg leefden was er een groep die maar net rond kon komen van het eigen verdiende geld. Dat kwam door de mislukte oogsten en graantransporten, en lage lonen van handwerkslieden, zoals bijv. bij de textielnijverheid. Ook was er het probleem dat de prijzen van producten steeds stegen, terwijl de lonen laag bleven. De ontevredenheid van de armen kwam doordat ze zagen dat anderen, zoals de kerk en de rijken wel veel hadden, maar zij niet. En daar kwam bij dat ze ontevreden waren over de godsdienstkwestie en de politiek van de koning.

De aanval op Spaarndam

Ondertussen hadden Noord-Hollandse Geuzen met een vloot van 40 à 50 schepen de toegang tot Amsterdamse haven geblokkeerd. De Amsterdamse haven was voor de Spanjaarden van groot belang. Via deze haven konden ze namelijk goederen, die nodig waren voor het Haarlemse beleg, vervoeren. Zo besloten de Spanjaarden eerst de haven van Amsterdam vrij te krijgen en daarna door te steken om Haarlem te belegeren. Zo deden de Spanjaarden meerdere pogingen de vloot te veroveren. Dit werd hen zeer lastig gemaakt door de barre weersomstandigheden, ze konden meestal hun kruitwapens niet gebruiken omdat het kruit weggeblazen werd door de wind. Bovendien vroor het. Een andere mogelijkheid om de vloot te overmeesteren was via Spaarndam.
De Spanjaarden wachten tot de dooi was ingevallen en vielen toen Spaarndam aan. De invallende dooi gaf een voordeel aan de Geuzen. De geuzen vloot raakte los en kon zo Spaarndam bijstaan in het gevecht. De Spanjaarden werden terug gedrongen. De Spanjaarden kregen het bericht dat de dijk bij Halfweg zou worden doorgestoken om het de Spanjaarden moeilijk te maken. Er werden toen 300 mannen heen gestuurd om dit te voorkomen. De mars naar de dijk was een grote ramp. Er heerste een zware storm en velen werden van de dijk geblazen. Later bleek dat het doorsteken van de dijk bij Halfweg een vals alarm was. De dijk was echter wel doorgestoken, aan de andere kant van Spaarndam. Ook hier werd 300 man heen gestuurd. Er ontstond een hevig gevecht bij de dijk tussen de Spanjaarden en Hollanders, ze werden overmeesterd en het gat in de dijk werd gedicht. De volgende dag deed Don Frederik nog een poging de Spaarndammer schans (verdediging) aan te vallen. Ze hadden ontdekt dat men via Spaanwoude de flank van de Spaarndammer Schans aan kon vallen. Er zou van drie kanten worden aangevallen, van voren, van rechts en van links. De frontale en de rechterflank aanvallen liepen uit op niets. De linker aanval had meer succes. Een groepje Geuzen die de Spaarndammers te hulp waren gekomen werd onderschept door de linkerflank troepen. Zij werden verslagen en moesten over het ijs vluchten. Hierdoor lieten ze de Spanjaarden de juiste weg over het ijs zien. Nu konden de Spaanse troepen Spaarndam van achter aanvallen. De Spaarndamse Schans werd zo van twee kanten aangevallen en leed een grote nederlaag. Er kwamen die dag circa driehonderd Hollandse troepen om terwijl de Spaanse verliezen gering waren.
Door de Spaanse overwinning was de haven van Amsterdam weer vrij en konden de Spanjaarden het beleg op Haarlem beginnen.

Aan het begin van de eerste stormloop

Een dag na de overwinning op Spaarndam begint het beleg op Haarlem. Op 11 december 1572 verschenen de eerste soldaten voor Haarlem, vijfhonderd Spaanse soldaten onder leiding van Don Diego. Ze waren met spoed gekomen om te voorkomen dat de nabijgelegen gebouwen rond Haarlem (die de Spanjaarden onderdak konden bieden) afgebrand zouden worden. Zo zijn Het huis ter Kleef, het Leprozenhuis en het Reguliers klooster in handen van de Spanjaarden gekomen,die hier het hele beleg lang profijt van hadden.

Don Frederik kreeg een bericht dat er zo’n vierduizend man, onder leiding van Lumey, onderweg was naar Haarlem om zich daar in de Hout te vestigen om een complete insluiting van de stad door Spaanse troepen onmogelijk te maken. Frederik vertrok daarom de volgende dag met zevenhonderd haakbustiers, zestig man cavalerie en een leger Duitse huurlingen om dit leger te onderscheppen. Door het zeer mistige weer waren beide legers verrast toen ze ineens tegenover elkaar stonden. Het gevecht begon. Al snel moest het leger van Lumey het afleggen tegen het veel beter getrainde Spaanse leger. Het leger sloeg op de vlucht en de verliezen waren groot: achthonderd man. Ook de voorhoede van Lumey’s leger (die eerder de hoofdmacht was kwijt geraakt in de mist) werd onderschept en verslagen door Spaanse troepen.

Na een lange voorbereiding van beide partijen, begon op de ochtend van 18 december het Spaanse geschut op Haarlem te schieten. Na twee dagen zware beschietingen moesten de Spanjaarden overgaan tot een bestorming omdat hun munitie op was. Het wachten op nieuwe munitie zou de Haarlemmers de tijd geven de muren te herstellen. De stormloop was slecht voorbereid. De bres in de muur was niet groot genoeg. De Spanjaarden leden een grote nederlaag. Tweehonderd soldaten vonden de dood bij deze eerste stormloop. De Haarlemse verliezen bleven zeer gering, acht doden. Deze eerste overwinning was erg belangrijk, de Haarlemmers zagen nu dat ook de goed getrainde Spanjaarden een nederlaag konden lijden.

Bij het afslaan van de bestorming zou een vrouw (Kenau Hasselaar) met een vaandel van driehonderd vrouwen ten strijden zijn getrokken, en dapper hebben gestreden tegen de Spanjaarden. Dit is echter een verhaal. Er zijn wel vrouwen betrokken geweest bij het verdedigen van de stad maar vooral bij het versterken en repareren van de muren.

Na een paar weken hadden de Spanjaarden hun munitie gekregen en konden zij de beschietingen hervatten.

Verloop van de belegering

Op 5 januari 1573 krijgen de Haarlemmers versterking om de stad te verdedigen: een vendel Franse huurlingen onder leiding van Kapitein Manadares. Een dag later volgden er nog 3 vendels lichte ruiterij, lansiers, en schutters. Ongeveer een week later was er een leger van tweeduizend man in aantocht met voornamelijk Engelsen, Schotse, Duitse en Waalse huurlingen. Deze troepenmacht was door Willem van Oranje gestuurd om Haarlem te bevrijden van de Spaanse belegeraars. De Haarlemmers hadden fakkels op de toren gezet en de klok laten luiden om het hulpleger de goede kant op te leiden. Toch raakte deze in de dichte mist de weg kwijt. De meeste van hen keerde terug naar Willem die zich bij Sassenheim had gestationeerd. Op 17 januari werd de Haarlemse strijdmacht nog eens versterkt door 4 vendels waarvan 2 vendels de persoonlijke lijfwacht van de prins waren. De twee andere waren Schotse en Engelse huurlingen. Verder kreeg Haarlem op 31 januari nog een vendel Waalse huurlingen en 60 ruiters. Ook kon er een konvooi voedsel de stad binnen worden gebracht. Op 27 februari werd de Haarlemse verdediging nog eens versterkt door vijfhonderd soldaten, waarvan vierhonderd piekeniers. Deze extra troepen waren noodzakelijk omdat de Haarlemmers een uitval hadden gepleegd op de Spanjaarden en daarbij verliezen hadden geleden. Ook eiste het koude weer zijn tol. De troepensterkte in Haarlem was ondertussen zo’n 4000 man sterk. Ook waren er nog 600 burgers die mee vochten. Omdat de verliezen gering waren, was verdere versterking niet nodig. Ook in de maanden april en mei waren er nog genoeg troepen in de stad. Verdere versterking werd daarom terug gestuurd.

*Niet het gebrek aan mankracht, maar de steeds groter wordende voedsel tekorten dwongen de verdedigers zich op 13 juli 1573 ‘op genade of ongenaden’, dus onvoorwaardelijk, over te geven. Iets eerder hadden de zich in Haarlem bevindende Duitsers al getracht een overgave ‘op genade’ te bewerkstelligen. Als reden hiervoor gaven zij op dat zij zich afzijdig hadden gehouden bij het plunderen en beroven van de katholieke kerkelijke instellingen in Haarlem, in tegenstelling tot de Walen, die de kerken wel hadden leeggehaald en daarom wisten dat voor hen geen pardon bestond. De onderhandelingen van de Duitsers verhaastten het overgaveproces. Het legde hen geen windeieren. Na overgaven werden de troepen van de Duitse vendels, zo’n 500 à 600 man, door de binnentrekkende Spanjaarden, afgezonderd van de rest van het garnizoen en kregen een voorkeursbehandeling.

uit: Marcel Bulte, Aad Neven,Garnizoensstad Haarlem (Haarlem p 14)

Het onderhandelen

Toen Don Frederik bij Haarlem aankwam hoopte hij dat de stad, na de moordpartijen in Naarden, Mechelen, en Zutphen, zijn poorten wel open zou zetten. Er werd overlegd in het stadhuis wat men nu zou doen. Het Haarlemse bestuur besloot afgezanten naar Don Frederik te sturen. Don Frederik ontving deze afgezanten zeer vriendelijk. Hij beloofde over de belangen van de stad te onderhandelen met z’n vader, Alva. Hij zei tegen de onderhandelaars dat ze moesten terug keren naar de stad en de garnizoenen (die daar waren gestationeerd om de stad te verdedigen) te laten vertrekken. Dit was echter makkelijker gezegd dan gedaan, de bevolking van de stad was het totaal niet eens met het opgeven van de stad aan Alva. Hopman Wigbolt Ripperda was de grote drijfveer achter deze ontevredenheid. Ripperda liet de onderhandelaars in de boeien slaan. Hij vond dat degenen die onderhandelden met Alva verraders waren. Het stadsbestuur kwam bijeen en besloot dat de stad werd verdedigd tegen de Spanjaarden. Dit werd onder luid gejuich medegedeeld aan het stadsvolk. De kogel was door de kerk. Een botsing met het Spaanse leger was een feit.

Het eerste waar de stad voor moest zorgen waren voldoende troepen om de stad te verdedigen. Zo werd er een beroep gedaan op troepen bij overste Lazarus Muller, die met twaalf vedels (een vendel is driehonderd man) Duitse huurlingen, een nabij gelegen vlootbasis (dichtbij Spaarndam) beschermde. De volgende dag stond hij met tien vendels voor de poort van Haarlem. Vier vendels werden de stad binnen gelaten om die te beschermen, de rest werd in de omgeving gestationeerd.

De protestantse Ripperda liet de (katholieke) grote kerk ombouwen tot een protestantse.
Toch was een overgroot deel van de stadsbevolking, hoewel Oranje gezind, toch katholiek. Deze mensen vonden dat je niet perse een voorstander van Alva’s praktijken hoefde te zijn als je katholiek was. Toch waren het de protestanten die de leiding hadden over de stad.

Mensen in de oorlogstijd

Tientallen jaren werd er dus oorlog gevoerd in de Nederlanden.Het was wel allemaal anders dan in onze tijd. Het was meer een oorlog tussen vorsten en beroepslegers. De mensen merkten er toch genoeg van. En daar gaat het in dit hoofdstuk over.

Soldaten

In de 16e eeuw bestonden de legers uit huursoldaten uit alle landen omdat er toen nog geen dienstplicht bestond. Je verdiende als soldaat wel meer, maar je werd bijna niet uitbetaald. Toen in 1576 de soldaten 3 tot 6 jaar geen loon hadden gekregen, gingen ze plunderen om aan eten te komen.
De soldaten mochten aantrekken wat ze wilden, dus ze waren te herkennen aan de kleur van hun sjerp die ze kregen. Spanje had rood, Nederland oranje, en Frankrijk blauw. De soldaten zelf hadden geen tenten, dus zagen ze er uit als zwervers.
De soldaten hadden verschillende wapens. De meest opvallende en gevaarlijkste wapens waren de pieken. Dat zijn steekwapens van 4,5 tot 6 meter lang. Die waren zo gevaarlijk omdat je die voor je uit kon houden, zodat er geen zwaard tegen je aan kon komen.


In het leger hadden ze ook musketten, maar die waren onhandig en zwaar. Het duurde, door de vele handelingen die de musketier moest maken om hem schietklaar te maken, erg lang voordat je kon schieten. Toch werden de vuurwapens in de loop van de opstand steeds belangrijker.

Burgers

In 1572 drongen de huursoldaten Rotterdam binnen en plunderden alles en iedereen en namen de schatten mee. Toen een paar maanden later de burgers van Mechelen bij Alva er over klaagden hoe de soldaten met de Rooms-katholieken omgingen, zei hij dat ze niet zo moesten zeuren.
De volgende maand stuurde Alva een brief naar Filips II waarin stond: “Ik heb opdracht gegeven in Zutphen geen man in leven te laten”
In 1574 belegerden de Spanjaarden Leiden. De Prins Van Oranje stak toen bij Capelle aan den IJssel de dijken door zodat heel het gebied rondom Leiden overstroomde.

De samenleving in de oorlog

Het leger

De oorlogen in de 16e eeuw werd meestal uitgevochten door beroepslegers. Dit was erg duur. De gehuurde mensen werden na een veldtocht altijd naar huis gestuurd en werden opnieuw ingehuurd bij een nieuwe veldslag of oorlog. Deze legers die ingehuurd werden waren helaas onbetrouwbaar. Dit kwam doordat de soldaten uit allerlei landen kwamen. In hun eigen land vechten wilden ze vaak niet. Ook niet tegen soldaten die uit dezelfde streek werden gehaald. Daarom probeerde men de soldaten uit eigen land of streek te halen. Vaak kregen deze soldaten geen soldij en werd dat laat betaald. Soms sloegen ze zelfs aan het muiten en plunderen.
Vaak wilden ze ook niet vechten als hun achterstallige soldij nog niet was uitbetaald. Dit was voor de leiders een groot probleem. In die tijd waren er nog geen uniformen, maar gebruikte men sjerpen. Dit was dan van een bepaalde kleur. Dat was echter onhandig, want dit kon makkelijk geruild worden. Als een soldaat zag dat zijn leger aan het verliezen was, kon hij gemakkelijk zijn sjerp wisselen met die van een gedode tegenstander.

Het platteland

Als een leger voorbij trok, had de boer flink pech . Het waren paarden, kanonnen en een boel mensen. Ze trapten het land flink plat. Vaak namen ze ook nog wat dieren voor de voedselvoorziening mee. Het platteland en de boeren kregen flink wat problemen met de soldaten:
- Ze plunderden en muitten vaak. Ze roofden veel en verkrachtten soms ook nog een aantal vrouwen.
- Vaak konden de soldaten niet naar huis na een veldslag en zo ontstonden er bendes bij het platteland in tijden dat er even geen veldslag of belegging was.
- Er werden vaak delen van het land onder water gezet om de Spanjaarden tegen te houden. Vaak gebeurde dit dus op het land van een boer.
- De boeren moesten soms werken voor de Spanjaarden.

De stad

Als er een leger in de stad was, was dat voor de burgers niet al te fijn:
- Vaak moesten de soldaten inkwartieren, ze mochten blij zijn als ze in hun eigen huis mochten blijven wonen.
- Als er een belegering was, was er na een tijd belegeren bijna geen voedsel meer.
- Een boel steden kregen te maken met plunderingen van legers.

Gebruikte oorlogstechnieken

Bij het belegeren van een stad komt heel wat kijken. Een stad in die tijd, was een zeer moeilijk in te nemen vesting. Om toch een stad succes vol te kunnen bestormen gebruikte men verschillende wapens en technieken.

Vaak ging een bestorming van een stad vooraf aan bombardementen met als doel een bres (gat) in de muur te schieten, zodat bij een stormloop de soldaten de stad gemakkelijk konden binnen dringen. Voor deze beschietingen gebruikte men zware kannonen, ook wel kartouwen of 48 ponders genoemd. Deze kannonen wogen drieëneenhalve ton en schieten drieëntwintig kilo wegende kogels af. Om doelen binnen de muren te kunnen raken, bouwde men een Kat. Dit is een verhoogd stuk land waarop men geschut plaatst om zo over de muren de kunnen schieten.

Een andere manier om een bres in de muur te krijgen is het graven van een gang onder de muur en daar een vat buskruit tot ontploffing te brengen. Om dit te voorkomen groeven de verdedigers ook weer gangen om met de vijandelijke mineurs af te rekenen. Er werden zo hele oorlogen onder de grond gevochten.

Om de muren te naderen zonder te worden beschoten maakte men zogenaamde sappe. Dit was het laatste stuk van een benaderingsloopgraaf. Een sappe was van boven afgedekt met hout om te vermijden dat de soldaten werden geraakt bij het naderen van de muur. Het aanleggen van zo’n sappe was een gevaarlijke klus. Er was weinig dekking tegen vijandelijk vuur.

Toen er uiteindelijk een bres in de muur geschoten werd en deze lastig te repareren was, bouwden de verdedigers er een muur om heen, de zogenaamde halve maan. Zo kwamen de soldaten, die door de bres heen waren gekomen, voor nog een muur te staan.

Als in de muur een groot genoeg gat zat, gingen de belegeraars over tot een stormloop.
Ze bestormden de muren en probeerden met ladders, de muren op te komen of via een bres de stad in te komen. Zo ontstonden er vaak bloederige gevechten die veel slachtoffers eisten.

De soldaten die in de tachtigjarige oorlog vochten, worden vaak onderverdeeld in 3 groepen. De piekeniers, musketiers en haakbusiers. Een piekenier had een piek als wapen. De piek is een soort lans van ca 18 voet.
Deze waren zeer handig om in Nederland te gebruiken omdat de piek ook als poolstok gebruikt kon worden. De Piekenier kreeg vaak een hoger soldij omdat hij bij man op man gevechten een groot risico liep. De musketier had een musket als wapen. De musket is een kruitgeweer, dat ronde kogels afschoot. De musket was zo’n 160 lang en weegt ongeveer acht kilo. Door zijn gewicht, moest de musket op een oplegvork geplaatst worden om te schieten. Het schietbereik was ongeveer 250 meter. De Haakbusier had een haakbus (ook wel haak) als wapen. De haak was kleiner en lichter dan de musket en kon daarom snel en makkelijk worden gehanteerd, het bereik van de haak is echter kleiner dan die van de musket.

Het gebied waar de oorlog plaatsvond

Het landschap Nederland was in die tijd een ruw land. Het land werd bepaald door drie rivieren: de Rijn, Maas en de Schelde. Water was toen al het allerbelangrijkste voor onder andere het vervoer. Aan water werden veel kastelen gebouwd. Sommige edelen deden slim en hieven tol voor het langskomen langs hun kasteel. Steden gingen er ook staan omdat het een gunstige plek was aan het water voor vooral handel. In het noordoosten was wat klei en veen, maar vooral zand. Dit was en werd een arm gebied. De grond was in die tijd vooral in handen van de adel en de geestelijkheid. Deze mensen voelden zich meer dan de gewone mensen en de boeren. Ze leenden de grond vaak uit aan boeren. De Ardennen waren toen ook erg belangrijk voor het leveren van enkele
grondstoffen als ijzer, steenkool en natuursteen. Ook was er veel hout. In Holland en Zeeland was water het belangrijkste.
Verschillen tussen de 17 gewesten:
In de 16e eeuw bestond Nederland uit 17 kleine landjes; gewesten. Door een slimme huwelijkspolitiek en landjes te erven kwam alles in handen van Karel V. De 17 gewesten vormden zo een unie. Al was dat alleen op papier zo, want er waren veel verschillen:
- De geografische verschillen.
- Elk gewest had eigen gewoonten, rechtsregels en wetten.
- Er werd in elk gewest een verschillende taal of dialect gesproken.
- De oostelijke gewesten werden wat betreft de cultuur door de Duitsers beïnvloed terwijl men in het westen en het zuiden meer door de Fransen en Italianen werd beïnvloed.

Het belang van het beleg van Haarlem

Doordat de Haarlemmers zich zo goed wisten te verzetten en het zo lang vol hielden tegen de Spanjaarden, lieten ze aan de rest van de steden in het Noorderkwartier (Noord-Holland boven de lijn Amsterdam - Haarlem) zien dat de machtige Spanjaarden wel degelijk verslaanbaar waren. Hierdoor besloten de steden Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam, en Purmerend de kant van Prins Willem te keizen.

Omdat de Spanjaarden het beleg om Haarlem hadden geslagen, had Don Frederik 2 zeer strategische punten in handen. Hij dwong de Haarlemmers trouw te zijn aan Spanje, en hij had Amsterdam, dat hem de hele oorlog lang trouw gebleven was. Hij had dus nu controle over het gehele Noorderkwartier, het land boven de lijn Haarlem- Amsterdam. Het IJ en het Wijkermeer vormden een natuurlijke grens met als enige doorgang Haarlem. Nu Haarlem in de handen van de Spanjaarden was, kon het Noorderkwartier geen contact meer hebben met de rest van Nederland. Dit was zeer gunstig voor Don Frederik, aangezien hij de steden in het Noorderkwartier nog moest veroveren.

Omdat Haarlemmers de belegeraars zolang om de stad wisten te houden, had het Noorderkwartier de tijd een eenheid te vormen en een bestuursapparaat op te bouwen. Daar was al voor het beleg een begin mee gemaakt door Jonkheer Diederick Sonoy, die in april 1572 door Willem van Oranje was benoemd tot gouverneur van de steden Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik, Edam, Monnikendam, en Purmerend. In die functie moest hij orde en rust bewaren en de bevelen van hogerhand (Willem van Oranje) uitvoeren. Hij was tevens commandant van de garnizoenen in het Noorderkwartier. Hij richtte de ‘staten van Noorthollant’ op, de voorloper van de Provincie Noord-Holland.

Ook hadden deze steden de tijd om zich zeer goed voor te bereiden op een aanval van de Spanjaarden. Dit is vooral belangrijk geweest voor Alkmaar omdat die stad de Spanjaarden later een nederlaag bezorgde.

Nadat Haarlem zich had overgegeven aan de Spanjaarden, kon Don Frederik verder met zijn veldtocht naar het noorden. Hij sloeg het beleg om Alkmaar. Dit moest hij echter snel opgeven, hij kon Alkmaar niet innemen omdat men de dijken had door gestoken om het gebied rondom Alkmaar onder te laten lopen. Diezelfde oktober leed Alva’s vloot op de Zuiderzee een gruwelijke nederlaag. De opstandelingen hadden dus nog stand gehouden en de steden met belangrijke waterwegen in handen. Daar kwam nog eens bij dat een oude vijand van Spanje weer actief werd: de Turken. Hoewel deze een nederlaag leden tegen Spanje en z’n bondgenoten, waren ze nog niet verslagen. De Spaanse koning was dus nu verwikkeld in een oorlog op twee fronten. Daar kwam nog eens bij dat de oorlog in de Nederlanden Koning Fillip bijna al z’n geld gekost had.

Het hevige verzet in Nederland was de oorzaak van Alva’s harde optreden. Het Nederlandse volk zou pas weer handelbaar zijn als de tiende penning afgeschaft werd en de Bloedraad werd opgeheven. De koning beloofde de privileges van de Nederlanden te respecteren. Ook beschouwde hij Alva’s optreden mislukt, en ging opzoek naar een gematigd opvolger. Hij koos Don Luis de Requesens de gouverneur van Milaan. De strijd vond nu alleen in Noord-Holland en Zeeland plaats. Het werd een gevecht om strategisch gelegen plaatsen.
Nog onder Alva was het beleg om Leiden geslagen, in een poging om het platteland van het Zuiderkwartier in handen te krijgen. De broer van Willem van Oranje (Lodewijk van Nassau) deed een poging het beleg op Leiden af te leiden door vanuit Duitsland een nieuwe aanval te plegen. Ook hoopte hij dat hierdoor het Brabantse verzet weer actief werd. De afleiding werkte, de Spanjaarden gingen weg bij Leiden en Lodewijk tegemoet. Deze werd bij Mook verslagen. De Spanjaarden keerden weer terug naar Leiden en sloten de stad nog dichter in. Toch moesten de Spanjaarden de aftocht blazen, omdat de dijken bij Leiden doorgestoken werden en het land rondom de stad onder water liep. Requesens meende dat hij in het voordeel kwam als hij de waterwegen in handen had. Zijn vloot werd echter verslagen door de opstandelingen. Ook kwam Requensens veel geld tekort. Hij kon zijn troepen niet meer betalen. Sommigen hadden al 2 jaar geen soldij ontvangen. De ontevredenheid onder de Spaanse troepen groeide. Tot er in april 1574 muiterijen uitbraken. Requesens voelde zich daarom genoodzaakt in overleg te gaan met Holland en Zeeland, de opstandige provincies. Dit was het begin van onderhandelingen die later zouden leiden tot de totstandkoming van de Republiek Der Verenigde Nederlanden, die in 1648 bij de vrede van Munster door de Spanjaarden zou worden erkend.

De gevolgen van de oorlog

Door de oorlog werd Nederland in twee delen gesplitst. Het zuidelijke deel bleef onder het bestuur van de Spanjaarden. Het noordelijke deel bestond uit zeven gewesten. Hieruit ontstond de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Dit bestond uit de volgende gewesten: Groningen, Friesland, Overijssel, Gelderland, Drenthe, Utrecht, Zeeland en Holland. De naam is erg vreemd, want als je de gewesten telt, zie je dat het er acht zijn en niet zeven. Misschien is het de naam zeven geworden omdat er maar zeven gewesten in de Staten Generaal, de regering, zaten. Drenthe zat er namelijk niet in. Drenthe heeft een aantal keer tevergeefs geprobeerd om toegelaten te worden in de Staten Generaal. Dit gebeurde niet terwijl ze toch belasting betaalden. Zoals je hoort begint het al aardig op het huidige Nederland te lijken. Brabant en Limburg zijn er later nog bijgekomen.

Nawoord

De Spaanse koning tolereerde het opkomende Protestantisme niet. In Nederland groeide de ontevredenheid, deze kwam tot een uitbarsting van geweld in de Nederlanden. Groepen mensen trokken door het land en plunderden en vernielde katholieke kerken. Dit was voor Filllips de druppel. Hij stuurde de hertog van Alva met een groot leger naar de Nederlanden om hier de rust te herstellen. Door het harde op treden van Alva werd de onrust echter alleen maar erger. Meer en meer steden kwamen in opstand. Alva stuurde zijn zoon Don Frederik op veldtocht om de opstandige steden in te nemen en te straffen.
Zo sloeg hij ook het beleg om Haarlem, dat zich na een dappere 7 maanden van verzet moest over geven. Wel had Haarlem de rest van Noord-Holland, dat het volgende doelwit was van Frederiks leger, de tijd gegeven zich voor te bereiden en een goed bestuurs- orgaan te vormen. Hierdoor kon Frederik Alkmaar niet in handen krijgen. Ook werd zijn vloot verslagen op de Zuiderzee. Toen ook de andere vijand van Spanje weer opdook (de Turken) en het slecht ging in Nederland, moest hij de Nederlanders wat meer met rust laten. Hij benoemde een nieuwe opvolger voor Alfa. Maar ook deze kreeg de Nederlanden niet in zijn greep. Na een groot geld gebrek aan de kant van Fillips was deze genoodzaakt te onderhandelen met de Nederlanders. Dit leidde pas veel later tot de vrede van Munster.

Het blijkt dat Haarlem wel degelijk en grote rol speelde in het verloop van de oorlog. Zonder Haarlem was Alkmaar niet gevallen, en was Het Noorderkwartier geen eenheid geworden. Door Haarlem had het verzet standgehouden.

Literatuurlijst

· Garnizoensstad Haarlem
Marcel Bulte en Aad Neven
· Willem van Oranje 1533-1584 de prins de mens de staatsman
Ans Herenius-Kamstra
· De geschiedenis van Europa
Jacques Le Goff
· Ach lieve tijd tien eeuwen Alkmaarders en hun rijke verleden
· www.onsverleden.net
· www.histocasa.nl
· www.alkmaar.nl
· www.cuci.nl/~pattie/HOL.htm

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.