Werkloosheid

Beoordeling 7.2
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 5e klas vwo | 2507 woorden
  • 26 februari 2005
  • 155 keer beoordeeld
  • Cijfer 7.2
  • 155 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Help nu jouw favoriete goede doel door jouw mening te geven!

Hoe? Heel simpel. Geef je op voor het panel van Young Impact en geef jouw mening over diverse onderwerpen zoals gelijke kansen, diversiteit of het klimaat. Voor iedere ingevulde vragenlijst (+/- 1 per maand) ontvang je een bedrag dat je direct mag doneren aan een goed doel naar keuze. Goed doen was nog nooit zo easy!

Meld je aan!
Inleiding
Toen ik hoorde dat we een praktische opdracht voor economie moesten maken, dacht ik er in eerste instantie aan om dat over de financiën van het Centraal Orgaan Asielzoekers (COA) te doen. Maar na wat informatie gezocht te hebben moest ik concluderen dat het erg moeilijk werd om daar een P.O over vol te schrijven, wat ook nog aansprak. Dus toen ben ik verder gaan kijken. Ik zag in de Elsevier van 24 april 2004 allemaal kaarten van Nederland waaronder 1 over de verschillen in werkloosheid in alle provincies van Nederland. Ik had er eigenlijk nooit aangedacht dat daar zoveel verschil in zou zitten, hoewel het, toen ik het las en erover nadacht, voor mij heel logisch was. Zodoende kwam ik dus op het idee om deze Praktische Opdracht over werkloosheid doen. Omdat ik weet dat er tegenwoordig veel werkloosheid is, en dat naar mijn mening snel moet worden verminderd, ben ik tot de probleemstelling, ‘Hoe kan de werkloosheid teruggebracht worden?’, gekomen.
Ik vertel in de eerste hoofdstukken wat werkloosheid is en waar het probleem zit. In het laatste hoofdstuk vertel ik hoe ik denk dat de werkloosheid teruggebracht kan worden.

Bij voorbaat wil ik zeggen dat er veel verschillende werkloosheidcijfers zijn, maar bij het maken van mijn Praktische Opdracht ben ik uitgegaan van de cijfers die ik gevonden heb op de site van het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS).
Hoofdstuk 1
Wat is werkloosheid?
In Nederland circuleren meer dan vijf verschillende werkloosheidscijfers, waarvan de meeste zijn gebaseerd op enquêtes van het CBS (Centraal Bureau voor Statistieken). De verschillende cijfers worden veroorzaakt door de verschillende definities van werkloosheid die worden gehanteerd. De enige overeenkomst die in alle definities voorkomt is voor dat personen met een baan van 12 uur per week of meer niet werkloos zijn.
De verschillen zitten meestal in het aantal uur waar werk voor gezocht wordt, hoe actief moet iemand opzoek zijn naar een baan, moet iemand ingeschreven staan bij het arbeidsbureau en is iemand die niet meteen beschikbaar is om in te treden op de arbeidsmarkt wel of niet werkloos?
Het verschijnsel werkloosheid wordt door het CBS veelal omschreven als het verschijnsel waarbij personen die wel betaald werk willen of kunnen verrichten, geen werk kunnen krijgen. Dit wordt in de economie anno 2002 gemeten als de werkeloze beroepsbevolking en als de geregistreerde werkloosheid. In de meeste werkloosheidscijfers moet een geregistreerde werkloze voldoen aan de volgende vier punten. Hij/zij moet:
- tussen de 15 en 65 jaar oud zijn.

- minder dan 12 uur per week actief zijn (onbetaald).
- actief opzoek zijn naar een baan van meer dan 12 uur per week.
- ingeschreven staan bij het CWI (= Centrum voor Werk en Inkomen).

In Nederland wordt er onderscheid gemaakt tussen vier soorten werkloosheid:
Conjuncturele werkloosheid
Conjuncturele werkloosheid ontstaat als het economisch slechter gaat. De vraag naar goederen en diensten zakt, waardoor er tijdelijk minder geproduceerd wordt en er dus minder arbeidskrachten nodig zijn en daardoor raken meer mensen werkloos. Conjunctureel werklozen zijn dus mensen die door een daling in de afzet op straat komen te staan.
Structuurwerkloosheid
Structuurwerkloosheid wordt onderverdeeld in twee soorten werkloosheid:
Kwantitatieve structuurwerkloosheid
Kwantitatieve structuurwerkloosheid is werkloosheid doordat het aantal arbeidsplaatsen tekort schiet. In dat geval zijn er nog werklozen als alle kapitaalgoederen volledig zijn ingeschakeld.
De omvang van kwantitatief structurele werkloosheid is het verschil tussen de beroepsbevolking en het aantal arbeidsplaatsen
Kwalitatieve structuurwerkloosheid
Bij kwalitatieve structuurwerkloosheid zijn er tegelijk werklozen en vacatures waar geen geschikte kandidaten voor zijn. De oorzaak hiervan is dat de eisen waaraan de gezochte personen moeten voldoen niet overeenstemmen met de opleiding en/of ervaringen van de werklozen.
Seizoenswerkloosheid
Er is sprake van seizoenswerkloosheid als een aantal mensen maar voor een deel van het jaar werk heeft en de rest van het jaar werkloos is. Seizoenswerkloosheid valt ook onder structurele werkloosheid.
Frictiewerkloosheid
Van frictiewerkloosheid wordt gesproken als iemand net zijn baan, om wat voor een reden dan ook, kwijt is geraakt of iemand die net de school verlaat en een tijdje opzoek is naar een (nieuwe) baan. Frictiewerkloosheid is dus eigenlijk de tijd die overbrugd moet worden om een baan te vinden.
Hoofdstuk 2
Werkloosheid binnen de provincie grenzen.
De situatie van de economie is dé belangrijkste factor voor het hele proces van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. Bij een slechte economische periode is de werkloosheid hoog door een daling in de consumptie, hierdoor kan conjuncturele werkloosheid ontstaan. Hierdoor blijven bedrijven met voorraden zitten.
Doordat in de Randstad veel (grote) bedrijven gevestigd zijn is hier een grote vraag naar arbeid. In het noorden is het aantal bedrijven veel kleiner waardoor daar aanzienlijk minder vraag is naar arbeid.
Door de sterke groei van de werkgelegenheid tussen 1996 en 2001 halveerde de werkloosheid in Nederland. Het werkloosheidspercentage nam af van 7,4 tot 3,7% van de beroepsbevolking. In alle provincies heeft een gunstige arbeidsmarkt een daling van de werkloosheid als gevolg. Grofweg is de werkloosheid in alle provincies in de periode 1996-2001 gehalveerd. De verhoudingen in werkloosheid tussen de provincies met de hoogste en laagste werkloosheid zijn dan ook niet veranderd. In 1996 én 2001 was de werkloosheid in de noordelijke provincies ongeveer tweemaal zo hoog als in de provincie Utrecht. Vanaf 2002 is er weer een duidelijke stijging van het percentage werklozen te zien en dat getal blijft tot nu toe maar stijgen. In 2002 was 4,1 % van de beroepsbevolking werkloos, en in 2003 was dat al 5,3%.
Werkloosheid onder allochtonen
De invloed op het aantal werklozen is erg groot door de allochtonen. Zij hebben een achterstandspositie in de maatschappij en beschikken vaak niet over de juiste diploma’s en taalvaardigheden.
Van de allochtone beroepsbevolking is bijna 10,5% werkloos. Zes van de tien werkloze allochtonen is dit al langer dan een jaar. Daarmee is hun situatie veel ongunstiger dan die van autochtonen. Van de autochtone beroepsbevolking zit 4,2% tegen hun zin in zonder werk. Van deze groep hebben slechts drie van de tien al langer dan een jaar geen baan.
Deze percentages zijn in de afgelopen jaren enigszins naar elkaar toe gekropen. Zo was het verschil aan het begin van deze eeuw nog 8 procentpunten. Ook is het nog zo dat er verschil is in het aantal werkloze westerse - en niet-westerse allochtonen. Veel meer niet-westerse allochtonen zijn werkloos vaak komt dat doordat westerse allochtonen makkelijker integreren. Misschien speelt daarbij ook een rol dat westerse allochtonen qua huidskleur meer op Nederlanders lijken, en het voor werkgevers zo een kleinere stap is om westerse allochtonen in dienst te nemen dan niet-westerse allochtonen.
De arbeidsmarktsituatie voor mensen in de grote steden is minder gunstig dan die voor mensen in de rest van Nederland. Dat komt omdat er in de grote steden meer allochtonen wonen. In Amsterdam, Rotterdam en Den Haag is rond de 8% van de beroepsbevolking werkloos. Ruim de helft van hen is langer dan een jaar zonder werk.
Werkloosheid 15-64 jarigen naar herkomstgroepering
Het opleidingsniveau

In heel het land is veel vraag naar hoog opgeleiden. Dat is natuurlijk logisch omdat iedere werkgever zo goed mogelijke werknemers voor zijn bedrijf wil. Ons land bestaat voor het grootste gedeelte uit de dienstensector en om diensten te kunnen leveren moet er goed worden nagedacht en slim worden gehandeld, kortom diploma’s zijn gewenst. In de Randstad komen absoluut gezien veel hoog opgeleiden voor ten opzichte van de rest van het land, maar relatief gezien weinig. Dit komt doordat er veel allochtonen in de Randstad wonen die laag opgeleid zijn en daarmee het gemiddelde omlaag halen.
In 1998 was er een hoge werkloosheid onder mensen die na de basisschool geen enkel diploma behaald hebben. Van de ongediplomeerde beroepsbevolking was een groot deel werkloos (zoals in bovenstaande grafiek te zien), waarvan ruim de helft langdurig.
Voor mensen met een havo-opleiding of hoger is de arbeidsmarktsituatie veel gunstiger. Na 1998 ging het steeds beter met de economie en zoals eerder vermeld daalde daardoor de werkloosheid, maar sinds een paar jaar gaat het weer slechter er zijn er steeds meer werklozen. De personen die nu werkloos worden (en voor langere tijd blijven) zijn vooral de personen met een lagere opleiding, want als er zoveel werklozen zijn, dan hebben de bedrijven de werknemers voor het uitkiezen, en dan zullen die bedrijven dus ook hoge eisen stellen. Zoals gezegd zijn dit dus mensen van allochtone afkomst, maar tegenwoordig ook relatief veel schoolverlaters, die (bijna) nog geen werkervaring hebben. Vaak zijn het alleen de hoger opgeleiden die aan die eisen kunnen voldoen.
Hoofdstuk 3
Werkloosheidscijfers in Nederland
Als we de ontwikkeling van de werkloosheid bekijken in de loop der jaren zien we dat de werkloosheid in absolute getallen in Nederland in een periode van 50 jaar is toegenomen met ruim 250%! Dit lijkt bizar veel maar hier zijn een aantal redenen voor te bedenken, zoals de bevolkingstoename, waardoor er bijvoorbeeld bij een zelfde werkloosheidspercentage het aantal werklozen bijna verdubbeld kan zijn. Een andere verklaring is dat vijftig jaar geleden de tweede wereldoorlog net afgelopen was en de economie erg aan trok door een hoog conjunctuur.
Het aantal werkloze vrouwen is de afgelopen tien jaar meer dan gehalveerd. Van de 5,3% van de beroepsbevolking die werkloos is, is 4,7% man en 6,1% vrouw. Ook al zijn die getallen nagenoeg gelijk, dan nog betekent het niet dat er bijna evenveel vrouwen als mannen werken. Want er zijn nog steeds veel vrouwen die niet willen werken (en dus niet bij de beroepsbevolking worden gerekend). Ik zal dat als volgt illustreren. De totale beroepsbevolking is 7.510.000 mensen, waarvan 4.368.000 mannelijk en 3.142.000 vrouwelijk is. Dus in totaal zijn er 398.000 werklozen in Nederland, waarvan 206.000 mannen en 192.000 vrouwen.
Hoofdstuk 4
Maatregelen om de werkloosheid te verkleinen
Op dit moment lijkt de groeiende werkloosheid voor dit kabinet niet het belangrijkste onderwerp. Het kabinet maakt zich nu vooral druk om de overheidsuitgaven te beheersen en hiervoor passende maatregelen te nemen. Deze maatregelen zijn vooral bedoeld om de kosten van de vergrijzing, van de zorg en van het onderwijs te kunnen controleren. Alleen de centraal afgesproken loonmatiging is bedoeld om de concurrentiepositie van Nederland te verbeteren. Andere maatregelen bevorderen juist de werkloosheid, zoals bijvoorbeeld het afschaffen prepensioen en alle mensen met een WAO-uitkering herkeuren en voortaan (gedeeltelijk) arbeidsgeschikt noemen.
Maar naar mijn mening moet de werkloosheid juist flink verkleind worden. Zeker als je kijkt naar de stijging van het aantal werklozen in de afgelopen jaren. Ik streef naar een groter aantal actieven. De twee belangrijkste middelen die ik in wil zetten om de werkloosheid terug te dringen zijn: het verlagen van de uitkeringen en werkgevers subsidiëren als ze een langdurige werkloze in dienst nemen. Door het verlagen van de uitkering (als bijvoorbeeld werklozen weigeren een passende baan te accepteren) hoop ik te bereiken dat het financieel aantrekkelijker wordt voor werklozen om een betaalde baan te zoeken. Met deze rechtse maatregel zal ik veel mensen tegen me in het harnas jagen, maar in slechte tijden is het belangrijk dat iedereen zijn of haar steentje bijdraagt aan de economie. Met de andere maatregel hoop ik te bereiken dat werkgevers sneller langdurige werkloze zullen aannemen, anders komen die nooit aan het werk. Ik heb bij deze maatregel bijvoorbeeld in gedachte dat de werkgever de eerste twee dienstjaren van de langdurig werkloze geen werkgeverslasten hoeft te betalen. Een andere variant hierop zou kunnen zijn dat hij een bepaald bedrag van de overheid krijgt voor het eerste aantal jaren dat de werkgever de langdurig werkloze in dienst heeft. Ik denk dat dit ook financieel haalbaar is, want de kosten die de overheid als gevolg van deze regel maakt kunnen worden gecompenseerd worden met het geld die de overheid anders kwijt was aan de uitkeringen.
Andere maatregelen met minder grote effect op de werkloosheid, maar die in mijn ogen zeker de moeite waard zijn om er in ieder geval eens over na te denken zijn:
► Gratis openbaar vervoer voor woon- werkverkeer. Hiermee hoop ik de mobiliteit van de werkzoekenden te vergroten. Hierbij denk ik met name aan werklozen in het noorden van het land geen werk kunnen vinden, door deze maatregel moeten zij in de gelegenheid komen om verder van huis opzoek te gaan naar werk, bijvoorbeeld in de randstad.
► Werklozen die bij- of omscholing volgen moeten hier een vergoeding voor kunnen krijgen of zelfs volledig kosteloos gesteld kunnen worden. Door deze maatregel zullen veel meer werklozen zich laten bij- of omscholen en zo eerder kans maken op een baan omdat ze dan sneller zullen voldoen aan de eisen van een werkgever, en ze zijn breder inzetbaar.
► De lonen niet corrigeren met de inflatie ofwel loonmatiging. Deze maatregel heeft het huidige kabinet al genomen. De bedoeling hiervan is, is dat arbeid goedkoper wordt. Als gevolg hiervan zal de concurrentiepositie van Nederland ten opzichte van andere landen verbeteren. Waardoor de export en hiermee de buitenlandse vraag naar Nederlandse arbeid zal toenemen en men waarschijnlijk meer gaat produceren, en daar zijn weer meer werknemers voor nodig. Een ander effect van deze maatregel is dat de behoefte bij werkgevers naar diepte-investeringen minder groot zal zijn en dat er daardoor minder ontslagen vallen. Een nadeel van deze maatregel is dat hij behoorlijk tegenstrijdig is met een eerder genoemde maatregel om de uitkering te verlagen.
► Het bemoeilijken voor werkgevers om werknemers te kunnen ontslaan.
► Het verlagen van het minimumloon, waardoor werklozen, die minder productief zijn dan het huidige minimumloon, financieel aantrekkelijk te maken voor werkgevers. Deze toch wel minder sociaal gezinde maatregel zou volgens mij nog best eens kunnen slagen. Ik zal een voorbeeld geven: een werkloze die een productie heeft die net onder het minimumloon ligt is voor geen enkele werkgever financieel aantrekkelijk, maar door het minimumloon met bijvoorbeeld 10% te verlagen zal de productie van de werkloze boven het minimumloon kunnen komen te liggen, waardoor hij misschien wel geschikt is voor een laag betaalde baan.
► Creëren van werkgelegenheid door ter beschikking stellen van stimuleringspremies door de overheid.
► Het verlagen van het minimumloon voor werklozen die langer dan een jaar (of welk termijn dan ook) werkloos zijn. Zo lijden niet-werklozen er niet onder, maar wordt het voor werkgevers wel aantrekkelijk om werklozen aan te trekken (zie toelichting bovenstaand argument). Daardoor komen waarschijnlijk langdurig werklozen eerder aan een baan, omdat ze dan voordeliger zijn voor een werkgever dan iemand die pas een paar weken werkloos is.
► Het verkleinen van de wig op de arbeidsmarkt.
Nawoord
Mijn probleemstelling was ‘Hoe kan de werkloosheid teruggebracht worden?’.
Ik ben tevreden met het behaalde resultaat, want ik denk dat ik een aantal goede maatregelen heb genoemd om de werkloosheid te bestrijden. Ik denk dat ik ook duidelijk heb aangetoond waar het probleem van de werkloosheid ligt, mede door een aantal grafieken te gebruiken. Want als je niet weet waar het probleem in zit, dan is het ook moeilijk op te lossen. Dat is gelijk de reden waarom ik het werkstuk zo heb opgebouwd, eerst het probleem aanstippen en dan maatregelen verzinnen.
Ik vond het een leuk onderwerp omdat je er vaak wat over hoort. Ik denk dat ik er aardig wat van opgestoken heb doordat ik me in de werkloosheid heb verdiept. Ik heb nu meer inzicht in die situatie.
Bronvermelding
Bij het maken van mijn Praktische Opdracht heb ik de volgende boeken gebruikt:
Lesbrief Markten I, Hoofdstuk 1, 3 en 4
Lesbrief Welvaart, Hoofdstuk 4
De volgende internetsites heb ik bezocht:
http://www.cbs.nl
http://www.volkskrant.nl
http://www.nrc.nl
Verder heb ik gebruik gemaakt van:
De Volkskrant
Tijdschrift Elsevier

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.