A) De zon komt op in het oosten en in het westen gaat hij weer onder. Je kunt ook aan de schaduwen zien dat de zon eerst ver weg staat, de schaduwen zijn dan namelijk langer. Midden op de dag is de zon het dichtste bij de aarde, dat zie je aan je metingen doordat de schaduwen dan het kortst zijn (de hoek die de zonnestralen dan met de aarde maken is dan ook gelijk het kleinst).
B) Tussen 12.00u en 14.00u staat de zon elke dag op zijn hoogste punt.
C) De maximale zonshoogte op de evenaar is groot. Op 21 maart en 21 september staat de zon zelfs loodrecht boven je hoofd (dat is 90˚).

D) De maximale zonshoogte op de noordpool is klein. De zon draai het hele jaar door tussen de steenboks- en kreeftskeerkring (die liggen op 23,5˚ ZB en 23,5˚ NB), de noordpool ligt van beide ver af. Dit houdt automatisch in dat de maximale zonshoogte op de noordpool klein is want hoe verder een punt van de geografische breedte waarboven de zon draait ligt, hoe kleiner de maximale hoek wordt. (Op de noordpool is het zelfs zo dat er tijdens een bepaalde tijd van het jaar het helemaal geen licht word!)
E) Nee, de maximale zonshoogte is niet altijd gelijk het wisselt zelfs per dag wat de maximale hoogte is. De zon beweegt zich namelijk systematisch van keerkring naar keerkring. Op 21 juni en 21 december stralen ze precies onder een hoek van 90˚ op de evenaar. De tijd die de zon nodig heeft om zich al draaiend om de aarde van keerkring naar keerkring te bewegen is een half jaar. In één jaar beweegt de zon zich dus van de kreeftskeerkring/steenbokskeerkring af en er dan ook weer naartoe.
F)
G) De maximale zonshoogte op 25˚ en 54˚ NB kun je bepalen met de berekening:
Aantal graden NB= 90˚- max zonshoogte op 21/3 of 21/9 t.o.v de horizon
Dat betekent dat => maximale zonshoogte is 90˚-25˚= 65˚ op 25˚NB
maximale zonshoogte is 90˚-54˚= 36˚ op 54˚NB
H) Je kan de formule:
Aantal graden NB= 90˚- max zonshoogte op 21/3 of 21/9 t.o.v de horizon, nemen en dan de maximale zonshoogte invullen. (Dus als de maximale zonshoogte 30˚ is op 21/3 in een bepaalde plaats, dan ligt die plaats op 90˚-30˚= 60˚ NB. Dat kan dan bijvoorbeeld Oslo zijn want Oslo ligt precies op 60˚NB)
I) + J)Op andere dagen stralen de zonnestralen niet in -t.o.v de horizon- een loodrechte hoek op de aarde neer. Je kan dan heel moeilijk de geografische breedte berekenen want de hoek vanuit het middelpunt van de aarde naar het breedtste punt toe (evenaar) is 0˚ en naar het hoogste punt toe (noordpool/zuidpool) is 90˚. Op 21/3 en 21/9 staan de stralen een gelijke hoek met de evenaar en daarom gaat de berekening Aantal graden NB= 90˚- max zonshoogte op 21/3 of 21/9 t.o.v de horizon op. Als je meet op een andere datum dan 21/3 of 21/9 moet je allemaal correctietijden (afwijking van de graden) verrekenen en dan kun je wel op elke dag van het jaar de geografische breedte berekenen.

K) Je meet wanneer op de dag de zon zijn hoogste punt heeft bereikt -dat kun je het beste doen door een stok/potlood te nemen en dan steeds om de tien minuten de lengte van de schaduw te meten- je zet die uitkomsten dan in een grafiek/tabel en dan kijk je wanneer je de kortste schaduw had. Die waarde reken je dan om in graden en dan zoek je op wat de seizoenscorrectie voor de dag van jouw meting was. Dat corrigeer je dan en dan voer je je uitkomst in in de berekening Aantal graden NB= 90˚- max zonshoogte op 21/3 of 21/9 t.o.v de horizon ,de waarde die dan uitkomt is de geografische breedte van de plek waar je gemeten hebt!

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.