ADVERTENTIE
Luisterboeken: de makkelijke optie? Lars is niet echt een fan van lezen. Daarom gaat hij op zoek naar de beste manieren om door zijn leeslijst heen te komen. Red je het met alleen maar samenvattingen, of is een e-reader of luisterboek een betere optie? Deze video wordt mede mogelijk gemaakt door Storytel.

Probeer 30 dagen gratis
Voorwoord
Voor deze praktische opdracht hebben wij gekozen voor het onderwerp kanker. Dit onderwerp hebben we gekozen omdat je er toch regelmatig over hoort en het een ziekte is die soms heel dicht bij komt. We vonden het daarom ook interessant om het onderwerp eens goed te onderzoeken. Omdat het onderwerp wel heel breed is hebben we verschillende keuzes moeten maken bij de vraagstellingen. De uiteindelijk gekozen hoofdvraag en deelvragen staan in de inleiding vermeld.
We hopen dat u ook nog wat kan leren van onze onderzoek. Wij zijn er zelf in ieder geval veel meer over het onderwerp kanker te weten gekomen, wat soms ook schokkend was, maar toch interessant.
Inhoudsopgave
Inleiding
Planning
Wat is kanker?
Hoe ontwikkeld kanker zich?
Wat zijn de oorzaken en de gevolgen van kanker?
Welke bestrijdingsmiddelen kent kanker?
Wat zijn de meest voorkomende kankersoorten in Nederland?
Wat voor invloed heeft roken op kanker?
Verschillende soorten kanker
Eindconclusie
Nawoord
Logboek/dagboek
Bronvermelding
Planning
Vanaf hier begonnen we aan de Uitvoeringsfase. Voor die 6 lessen hadden we daarom de volgende planning gemaakt.
Les 7: - Chantal; algemene informatie zoeken over het onderwerp kanker met het doel dingen te vinden waarmee ze haar deelvragen kan beantwoorden, maar vooral zich beter informeren over het onderwerp.
- Susan; zie Chantal.
Les 8: - Chantal; Vanaf nu specifieker zoeken naar informatie en de deelvragen apart zo goed mogelijk beantwoorden met behulp van de informatie. Tijd per deelvraag ongeveer 1,5 les. Als dit niet af is thuis afmaken.
- Susan; zie Chantal.
Les 9: Zie les 8
Les 10: Aan het begin van de les elkaars informatie bekijken en kijken of alles volgens planning verloopt. Vervolgens, zie les 8.
Les 11: Zie les 8. Als de deelvragen nog niet af zijn thuis afmaken
Les 12: Het in elkaar zetten van het werkstuk. We zorgen dat we voor de les je eigen deelvragen in orde hebt zodat daar geen tijd meer aan besteed hoeft te worden. We gaan er vanuit dat we het in elkaar zetten in deze les zullen halen, mocht dit eventueel niet lukken thuis afmaken met z’n tweeën.

Inleiding
In ons onderzoek naar kanker hebben we ons de volgende vraagstellingen opgelegd om zo tot een eindconclusie te komen. Omdat het onderwerp kanker heel erg breed is hebben we kanker bij volwassenen vergeleken met kanker bij kinderen, omdat we hier veel minder van af wisten en wij het zo interessanter vonden.
Hier komen de vraagstellingen:
Hoofdvraag:
Wat is het verschil tussen kanker bij volwassenen en kanker bij kinderen ?
Deelvragen:
• Hoe ontwikkeld kanker zich?
• Wat zijn de oorzaken en gevolgen van kanker?
• Welke bestrijdingsmiddelen kent kanker?
• Wat zijn de meest voorkomenwde kankersoorten in Nederland?
• Wat voor invloed heeft roken op kanker?
• Verschillende soorten kanker (poster)
De deelvragen zijn als volgt verdeelt:
Chantal:
 Wat zijn de oorzaken en gevolgen van kanker?
 Welke bestrijdingsmiddelen kent kanker?
 Wat zijn de historische ontwikkelingen en toekomstige trends van kanker?
Susan:
 Hoe ontwikkeld kanker zich?
 Wat zijn de meest voorkomende kankersoorten in Nederland?
 Welke invloed heeft roken op kanker?
Voor de presentatie maken we nog een poster en dat doen we gezamenlijk.
We geven eerst nog een kleine inleiding in het onderwerp kanker over wat het nou precies inhoud om zo beter ons onderzoek te kunnen begrijpen.
Inleiding
Wat is kanker..?
Omstreeks 400 jaar voor Christus vergeleek Hippocrates de lange, opgezwollen aderen die van sommige borsttumoren uitwaaieren, met de ledematen van een krab. Vandaar het Griekse woord 'karkinoma' en het latere Latijnse equivalent 'cancer'. Maar er verstreken 23 eeuwen alvorens de aard van kwaadaardige tumoren zelfs maar op een vage manier kon worden begrepen.
Kanker is een verzamelnaam voor een groot aantal aandoeningen die de overeenkomst hebben dat ze allemaal ongecontroleerde celgroei vertonen. Normaal vermenigvuldigen cellen zich door deling; het aantal cellen dat wordt afgebroken en het aantal cellen dat nieuw gevormd wordt is in evenwicht. Onder sommige omstandigheden kan de celgroei zicht hieraan onttrekken en zich ongecontroleerd gaan delen. Chemische stoffen dringen de cel en daarna de celkern binnen, door het immuunsysteem uit te schakelen. Eenmaal in de kern vallen ze de DNA-keten aan. Daar proberen ze mutaties in de kankergenen te veroorzaken. Die genen zorgen voor de bevordering of afremming van de celdeling. Nu wordt hun werking stilgelegd. De cellen geven de mutaties door aan hun dochtercellen. De cel verliest de controle en gaat zich ongecontroleerd delen. De cel is een kankercel geworden. Er ontstaat een tumor.
Alle kankers zijn tumoren, maar niet alle tumoren zijn kankers. Er zijn twee duidelijke categorieën tumoren: goedaardige (benigne) en kwaadaardige tumoren (maligne).
Goedaardige tumoren zijn klompjes cellen die zich sneller dan normaal voortplanten en vermenigvuldigen. Goedaardige tumoren blijven intact en groeien alleen maar. Ze ontwikkelen een sterk vezelig kapsel. Soms worden ze erg groot en als men ze dan laat zitten kunnen ze ernstige schade brengen door druk of vervorming van omringend weefsel. Maar de cellen van goedaardige tumoren dringen nooit ander weefsel binnen en er ontsnapt nooit iets aan de tumormassa dat zich naar andere delen van het lichaam verspreid. Heel af en toe overlijden er mensen als gevolg van een goedaardig tumor maar dat komt dan meestal omdat het in een te laat stadium is ontdekt en er ondertussen al grote druk was uitgeoefend op vitale organen. Maar over het algemeen doen ze hun naam eer aan en veroorzaken geen schade. Ze moeten wel bijna altijd operatief verwijderd worden. Zeer zelden veranderen goedaardige tumoren van aard en worden kwaadaardig.
Van kwaadaardige tumoren zijn er twee groepen te onderscheiden.
Carcinomen; dit zijn kankers die op huid en slijmvliezen groeien, zoals huidkanker.
Sarcomen; dit zijn kankers die in bindweefsel ontstaan, zoals botkanker.
Beide soorten kanker hebben de vervelende eigenschap dat ze zich verspreiden. Ze hebben niet zoals goedaardige tumoren de eigenschap geïsoleerde, ingekapselde knobbels te vormen. In plaats daarvan graven kankercellen zich in en verspreiden zich via de lymfebanen of via het bloed in aangrenzend weefsel en organen. Ze nestelen zich daar en vormen een nieuw tumor. Zo'n nieuwe tumor word een metastase, in de volksmond ook wel uitzaaiing, genoemd. Kanker die zich heeft uitgezaaid, blijft een kanker van de plaats waar de ziekte oorspronkelijk ontstond. Dus als borstkanker uitzaait naar de longen, wordt het geen longkanker, maar blijft het borstkanker. De cellen blijven namelijk nog steeds de kenmerken van borstkanker bewaren.
Hoe ontwikkeld kanker zich?
Onderzoeken of iemand aan kanker lijdt, kan preventief gebeuren ter opsporing van iemand die geen klachten heeft. Dit gebeurt bijv. bij het regelmatig laten maken van een uitstrijkje ter opsporing van kanker van de baarmoederhals. Meestal gebeurt het echter als iemand klachten heeft of symptomen vertoont die mogelijk op kanker wijzen. Soms is het bij deze klachten mogelijk dat de arts direct ziet dat het geen kanker betreft, of dat iemand al dermate zoveel symptomen vertoont dat de diagnose zonder verder onderzoek al vaststaat. In andere gevallen geeft een röntgenfoto zekerheid. Vaak is het echter meer onderzoek, bijv. van bloed of urine, noodzakelijk of zal de arts een stukje weefsel willen laten onderzoeken. Bij huidkanker gebeurt dit gemakkelijk door een stukje huid te verwijderen; bij darmkanker kan dit tijdens een endoscopie gebeuren; bij borstkanker is hiervoor vaak een operatie noodzakelijk.
Als het blijkt dat het kanker is, moet worden nagegaan hoever het gezwel zich al heeft uitgebreid en of er al uitzaaiingen zijn. De plaatsen waar uitzaaiingen worden gevonden hangen af van waar het kankergezwel zich bevindt. Uitbreiding en uitzaaiing van het gezwel blijkt meestal uit röntgenfoto's. Soms moet hiervoor de tumor direct bekeken worden (bijv. via een laparoscopie bij tumors in de buikholte). Aan de hand van dit "stageringsonderzoek" wordt de tumor ingedeeld in een stadium, dat vaak wordt aangeduid met een nummer van O tot V. Een hoog nummer staat voor een uitgebreide tumor. Een stageringsonderzoek is van groot belang voor de behandeling.
Diagnose en behandeling
In dit puntje willen we het verloop van de onderzoeken en de verschillende stappen bij de behandeling bespreken. Dit doen we aan de hand van borstkanker. Alhoewel de aanpak niet voor alle kankers geldt, blijven de grote principes hetzelfde: de biopsie, de behandelingen of de neveneffecten die ermee verbonden zijn.
Borstkanker manifesteert zich onder de vorm van een knobbeltje in de borstklier. Wanneer het gezwel groeit, bereiken de kankercellen de lymfeklieren. Het gezwel kan ook doorgroeien in de tepel, de huid of de onderliggende spieren. Via het lymfestelsel en de bloedsomloop verspreiden de kankercellen zich naar verschillende delen van het lichaam om secundaire gezwellen of uitzaaiingen te vormen, die vervolgens op een autonome manier zullen evolueren.
In het geval van borstkanker kunnen de volgende uitzaaiingen zich voordoen: de beenderen, de longen, de huid en de hersenen. Meestal doen ze zich ook in die volgorde voor.
De verspreidingsbalans:
Kanker kan zich via verschillende wegen uitzaaien naar andere organen (vb. luchtwegen of bloedvaten); daar ontstaan dan secundaire haarden, de metastasen, waarvan de structuur gelijk is aan die van de oorspronkelijke kanker. Zo vermoedt men, dat bij iedere honderd zieken waarbij een primair kankergezwel is opgespoord, er twintig zijn die reeds metastasen hebben, waardoor ze moeilijker te genezen zijn. Sommige goedaardige gezwellen kunnen op den duur kwaadaardig ontaarden en dus veranderen in kankergezwellen (met name in grote aantallen voorkomende dikke-darmpoliepen). Kanker kan niet als één ziekte beschouwd worden. Het is meer een verzameling van een groot aantal aandoeningen die overeenkomen in het feit dat zij ongebreidelde celgroei vertonen. Deze celgroei is tevens de oorzaak van de bij kanker optredende symptomen: de kankercellen verdringen steeds meer de gezonde cellen waardoor de functie van de nog gezonde weefsels achteruitgaat. Als het gezwel doorgroeit in een bloedvat kunnen hieruit (soms dodelijke) bloedingen ontstaan; bij aantasting van een zenuw ontstaat (vaak moeilijk te behandelen) pijn.
Om uitzaaiingen van kanker op te sporen gebruikt men volgende methodes:
Een onderzoek van de twee borsten: een niet pijnlijke en slecht afgebakende harde massa bij palpatie wijst meestal op kanker. De vasthechting aan de huid vertaalt zich in een holte ten opzichte van het gezwel. Een rode huid wijst op een ontsteking die gepaard gaat met de groei van het gezwel. In bepaalde gevallen manifesteert de ontsteking in de vorm van een oedeem dat de huid een hobbelig uitzicht geeft ('sinaasappelhuid')
Een palpatie van de klieren onder de oksels en boven en onder het sleutelbeen. De tumoroverwoekering in de lymfeklieren kan men soms herkennen aan harde, pijnloze knobbeltjes van verschillende grootte die onder de vingers rollen.
Een bloedproef: van de analyses die de arts op het bloed laat uitvoeren, is de tumormerker een van de belangrijkste.
De tumormerkers: zowel kankercellen als gezonde weefsels scheiden bepaalde stoffen, tumormerkers, af als reactie op de aanwezigheid van een gezwel. De bepaling van het gehalte van gezwellen in het bloed is belangrijk voor de opvolging van de behandeling. Bij borstkanker wordt van twee merkers het gehalte bepaald: het CEA (carcino-embryonaal antigeen) en de CA 15-3 (meer specifieke borstkankermerker).
Een radiografie van de longen voor het zoeken naar uitzaaiingen. Daarvoor kan men ook een scanner inzetten, een apparaat dat duidelijke radiografieën maakt.
Een echografie van de lever: het orgaan weerkaatst ultrasone trillingen en het beeld ervan wordt opgevangen. Het onderzoek laat toe om uitzaaiingen vast te stellen.
Een beenderscintigrafie: bij deze techniek spuit men een radioactieve stof in (totaal ongevaarlijk) die zich vastzet op de beenderen. Daardoor kan men het skelet in zijn geheel visualiseren. De scintigrafie toont zowel goedaardige letsels van de beenderen als uitzaaiingen. Verder onderzoek van verdachte zones is meestal nodig.
Er zijn nog heel wat andere opsporingsmethoden zoals de angiografie, het NMR, scintigrafisch onderzoek, … maar deze gaan we niet bespreken.
Wat is een punctie? Om de diagnose na een mammografie meer te preciseren, kan men een punctie laten uitvoeren. Bij dat onderzoek steekt men een fijne naald door de huid tot in het verdachte letsel en neemt men enkele cellen af om onder de microscoop te analyseren. De diagnose na een punctie is niet voor de volle 100% sluitend. Bij voorkeur moet men ze aanvullen met een biopsie.
Wat is een biopsie? Een biopsie is een onderzoek waarbij men een stukje weefsel afneemt en onder de microscoop analyseert. Het onderzochte weefsel is afkomstig van het gezwel zelf of van een lymfeklier. Alleen via een biopsie kan men een zekere diagnose van borstkanker stellen en er het type van bepalen. Men kan de biopsie uitvoeren tijdens de heelkundige ingreep (de zogenaamde "preoperatieve" biopsie). Als de aard van kanker bevestigd wordt, voltooit de chirurg de operatie zonder de patiënt wakker te maken. Soms doet men enkel een biopsie. Als men, in dat geval, kanker vaststelt, plant men snel een heelkundige ingreep.
Hoe ontwikkeld kanker zich bij kinderen?
De oorzaak van kanker is nog niet bekend. In zijn algemeenheid mag wel gesteld worden dat kankergroei van een cel altijd het gevolg is van schade aan het DNA, het erfelijke materiaal van die cel. Deze fout of fouten veroorzaken dat de cel te snel gaat groeien en delen, of dat groeiremmende mechanismen niet meer goed werken. In alle gevallen betekent het dat de cel sneller en minder gecontroleerd groeit dan zou moeten. Let wel: de DNA fouten zijn vaak alleen aanwezig in de kankercellen, en NIET in de andere cellen van het lichaam. Kinderkanker is, op een paar uitzonderingen na dan ook NIET erfelijk. Het lijkt meer het gevolg van DNA schade die ontstaat door fouten in de celdelingen tijdens groei en ontwikkeling van het embryo of jonge kind (‘weeffoutje’). Welke DNA fouten ontstaan is niet voor ieder type kanker bekend. Veel onderzoek in de oncologie richt zich op deze specifieke oorzaken per tumorsoort.
Kankerverwekkende stoffen zijn stoffen die heel lang moeten inwerken, voordat kanker ontstaat. Deze spelen een belangrijke rol bij volwassenen met kanker (roken, alcohol, asbest, etc.). Bij het ontstaan van kinderkanker spelen kankerverwekkende stoffen geen rol van betekenis voor zover we weten. Dit lijkt ook logisch omdat kinderkanker vroeg in het leven ontstaat en er eenvoudigweg geen tijd is geweest voor de kankerverwekkende stoffen om in te werken op het lichaam.

DNA staat voor deoxyribonucleic acid of deoxyribonucleinezuur. Het bestaat uit twee gewonden strengen waarin de code is vastgelegd in de vorm van 4 basen, A, C, G, T. De volgorde van deze basen vormt de genetische code. DNA is heel lang en bestaan uit (geschat) +/- 230 baseparen. Deze extreem lange code is opgedeeld in kleinere delen, genen genoemd. Ieder gen bevat informatie voor een eigenschap, zoals bv oogkleur, of lichaamslengte. Een eigenschap kan ook heel ingewikkeld zijn, zoals bv de eigenschap om de cel sneller te laten delen of groeien. Als er schade optreedt in deze genen kan het zijn dat de cel ongecontroleerd gaat delen. Dit is belangrijk bij de vorming van kankercellen en fouten in dit soort genen vormen dan ook vaak de oorzaak van een tumor. De mens heeft geschat 20-30.000 genen. De code van deze genen is bekend, maar de functie van veel genen is nog onbekend of slechts ten dele bekend. Sommige genafwijkingen die voorkomen in tumoren zijn bekend. Als ze invloed hebben op de agressiviteit van de tumor worden ze routinematig onderzocht bij diagnose. Wat zijn de meest voorkomen de kankersoorten in Nederland?
Wat zijn de oorzaken en gevolgen van kanker?
Oorzaken:
Roken, verkeerde voedingsgewoonten, te veel zon, te veel alcohol of blootstelling aan kankerverwekkende stoffen vergroten de kans op kanker. Maar ook erfelijkheid speelt een rol.
Erfelijkheid en kanker
Het is mogelijk dat iemand door erfelijke factoren gevoeliger is voor mogelijke schadelijke effecten van ongezonde leefgewoonten. Zo loopt iemand die een lichte huid heeft geërfd meer risico op huidkanker door te veel zon, dan iemand die van nature een donkere huid heeft.
Bij ongeveer vijf procent is een erfelijke afwijking de oorzaak bij het ontstaan van bepaalde soorten kanker. Die soorten kanker zijn borst-, eierstok-, dikke darm- of prostaatkanker.
Als er sprake is van een erfelijke afwijking, kan een bepaalde kanker in een familie van de ene op de andere persoon worden doorgegeven. Bij erfelijke kanker gaat het meestal om één bepaalde soort kanker. Een erfelijke kanker wordt meestal op jongere leeftijd ontdekt dan normaal het geval is, vaak voor het vijftigste jaar.
Daarnaast komt bij een aantal families een zeldzame erfelijke aandoening voor die grote kans op een bepaalde soort kanker geven. Voorbeelden van deze aandoeningen zijn; dysplastisch naevussyndroom, familiaire adenomateuse polyposis, retinoblastoom en MEN-syndroom.
Door een stamboomonderzoek of DNA-test kan het risico van erfelijke kanker redelijk worden bepaald. Wanneer nu blijkt dat iemand drager is van een erfelijke vorm van kanker, dan kunnen er maatregelen worden genomen.
Er zijn enkele vormen van kinderkanker die kunnen vóórkomen in families of die aanwezig zijn in families waar veel kanker voorkomt. Een vermoeden hierop kan ontstaan naar aanleiding van de ziekte van uw kind, of uit de gegevens van uw familie. Uw behandelend oncoloog zal u dan verwijzen voor nader onderzoek en/of voorlichting hierover.
Het preventief onderzoeken van broertjes of zusjes, zelfs wanneer de patient zelf één van een tweeling of drieling is, is eigenlijk nooit nodig. Broertjes en zusjes hebben in principe geen verhoogd risico op het ontwikkelen van een vorm van kanker.
Aangeboren afwijkingen bij uw kind kunnen aanleiding geven tot een verhoogde kans op het ontwikkelen van kanker. Enkele voorbeeelden hiervan zijn: Syndroom van Down (leukemie), Fanconi anaemie (leukemie), Beckwith-Wiedemann syndroom (lever- en nierkanker), Neurofibromatose (o.a. zenuwtumoren), Ziekte van Hirschsprung (neuroblastoma).
Voeding en kanker
Dat roken slecht is voor de gezondheid, en de kans op kanker daardoor toeneemt, weet haast iedereen. Maar dat eetgewoontes hier ook een grote oorzaak van zijn beseffen veel mensen niet. In de westerse wereld is ongeveer één derde van alle gevallen van kwaadaardige kanker toe te schrijven aan de samenstelling van de samenstelling van het dagelijkse dieet. Overmatige consumptie van dierlijk vet (de zogenaamde verzadigde vetzuren) en van rood vlees zijn hierbij de belangrijkste factoren. Deze voedingscomponenten staan in verband met het ontstaan van kanker in de dikke darm. Ook overmatig eten in het algemeen geeft een verhoogde kans op kanker, vooral wanneer daarbij te weinig aan lichaamsbeweging wordt gedaan. Een dagelijks portie groente en fruit beschermen tegen het ontstaan van kanker.
Wanneer deze voedingsmiddelen onvoldoende gegeten worden, valt deze bescherming weg en stijgt de kans op het ontstaan van kanker.
Daarnaast kan overmatig alcoholgebruik leiden tot leverkanker en het versterkt bovendien de schadelijke effecten van roken.
Zonnestraling en kanker
De zon geeft ons warmte en daglicht, maar ook ultraviolette straling (UV). Twee soorten UV-straling, UV-A en UV-B bereiken de aarde. Bij zonnenbanken en ander bruiningsapparaten wordt UV-straling op kunstmatige manier toegepast. Overmatige blootstelling aan UV-straling kan de cellen van de opperhuid ernstig beschadigen, daardoor kan na vele jaren huidkanker ontstaan. Mensen met een van nature lichte huid zijn minder beschermd tegen ultraviolette straling. Zij hebben de meeste kans op het krijgen van huidkanker. Dit wil niet zeggen dat mensen met een donkere huid zich niet hoeven te beschermen, ook zij kunnen huidkanker krijgen. In zeldzame gevallen kan huidkanker erfelijk zijn.
Het is belangrijk je goed te beschermen tegen de zon, vooral wanneer de intensiteit van UV-straling het sterkste is, bijvoorbeeld op zonnige dagen tussen 12.00 en 15.00 de schaduw opzoeken.
Roken en kanker
Ongeveer dertig procent van alle ongeneeslijke kanker is te wijten aan roken. Matige rokers hebben ongeveer vijftien keer meer kans op het krijgen van longkanker dan niet-rokers en zware rokers ongeveer zestig keer. Ook andere typen kanker zoals blaaskanker, slokdarmkanker en alvleesklierkanker kunnen door roken worden veroorzaakt. En roken draagt bij aan het ontstaan van leverkanker, maagkanker, nierkanker, sommige soorten leukemie en darmkanker.
Als je stopt met roken daalt het risico op kanker geleidelijk aan. Na tien jaar hebben matige rokers nog maar twee keer meer kans op longkanker dan mensen die nooit gerookt hebben. En bij zware rokers is die kans gedaald tot twintig keer die van niet-rokers.
Welke preventieve maatregelen zijn er?
• Rook niet. Tabaksrook is ook schadelijk voor niet-rokers, dus rook zeker niet in hun aanwezigheid.
• Drink slechts met mate bier, wijn of andere alcoholhoudende dranken.
• Neem dagelijks voldoende groenten en vers fruit. Eet regelmatig (graan) producten met veel voedingsvezel.
• Voorkom overgewicht, zorg voor voldoende lichaamsbeweging en laat vette producten achterwege.
• Vermijdt teveel ultraviolette straling. Laat zeker kinderen geen zonnebrand oplopen.
• Pas de voorschriften toe die bedoeld zijn om blootstelling aan kankerverwekkende stoffen te voorkomen of die de risico's ervan beperken.
Deze adviezen komen uit De Europese code tegen kanker die is opgesteld door de Europese Unie.

Gevolgen:
Jaarlijks krijgen zo’n 69.000 mensen (jaar 2000) in Nederland te horen dat ze kanker hebben. Voor veel van hen betekent dit dat zij een behandeling moeten ondergaan. Bijvoorbeeld een operatie, chemotherapie of radiotherapie (bestraling).
Verandering in behandeling
In de afgelopen jaren is er veel veranderd in de behandeling van kanker. Er zijn onder andere meer soorten behandelingen mogelijk. En vaak wordt gebruik gemaakt van een combinatie van therapieën. Inmiddels overleeft zo’n 50% van de mensen met kanker. Hierbij is de soort kanker en het stadium bij ontdekking belangrijk.
Invloed van kanker op verdere leven
Soms zegt men dat men ‘klaar’ is met een behandeling tegen kanker. Dit lijkt misschien zo doordat bijvoorbeeld de bestraling is gestopt. Veel mensen realiseren zich echter pas dán wat er is gebeurd. En wat de invloed van kanker is op hun verdere leven.
Gevolgen op langere termijn
Afhankelijk van de soort behandeling, kunnen zich verschillende gevolgen op langere termijn voordoen. Bijvoorbeeld:
• vermoeidheid
• lymfoedeem
• dun haar
• littekens
• onvruchtbaarheid
Veel van deze problemen en klachten gaan niet over. Wel zijn vaak de gevolgen te beperken. Bijvoorbeeld in het geval van lymfoedeem van de arm, na het verwijderen van de borst en bijbehorende lymfeklieren. Het kan helpen om de arm aan de kant van de geamputeerde borst te ontzien, bijvoorbeeld door hier geen zware boodschappentas mee te dragen.
Welke bestrijdingsmiddelen kent kanker?
De keuze van een specifiek behandeling hangt af van verschillende factoren: het type kanker, de overwoekering van de klieren, het al dan niet aanwezig zijn van hormonale receptoren aan het oppervlak van de tumorcellen, de graad van uitzaaiing van de kanker, de leeftijd van de persoon en zijn algemene toestand. Met andere woorden, men past de behandeling aan het individu aan. Er bestaan momenteel een aantal methodes om borstkanker te behandelen: heelkundige ingreep, radiotherapie, chemotherapie en hormoonbehandeling. De verschillende behandelingen kunnen alleen of in combinatie met anderen gebruikt worden.
Heelkundige ingreep
Vaak voert men bij borstkanker eerst een heelkundige ingreep uit. Onder algemene verdoving neemt men een stukje gezwel weg (biopsie); dat legt men onmiddellijk voor aan een specialist. Die analyseert het en bepaalt of het om kanker gaat. Dit wordt stereotactische biopsie genoemd.
Indien mogelijk zal de chirurg overgaan tot een beperkte wegname van de borst. Men neemt ook altijd de klieren onder de oksel weg: okseluitruiming. De aanwezigheid van aangetaste lymfeklieren bepaalt in grote mate of na de ingreep een aanvullende chemotherapie of hormoonbehandeling nodig is.
Radiotherapie
Die behandeling maakt gebruik van stralen met een zeer hoog energiegehalte die in staat zijn de kankercellen te vernietigen. Bij radiotherapie zijn 2 methodes mogelijk:
- Externe radiotherapie: een apparaat doet dienst als stralingsbron. Gedurende ongeveer één maand dient men stralen toe, meestal vijf dagen per week.
- Interne radiotherapie: de stralingsbron bevindt zich in fijne buisjes die men tijdelijk in de borst inplant. Afhankelijk van het geval kan men beide methodes combineren.
Chemotherapie
In tegenstelling tot de heelkundige ingreep en de radiotherapie, die voornamelijk plaatselijke behandelingen zijn, gebruikt de chemotherapie één of meer medicijnen die zich in heel het lichaam verspreiden. Afhankelijk van het geval loopt de behandeling voor of na de heelkundige ingreep. De artsen praten vaak over adjuvans-chemotherapie of chemotherapie met "preventief opzet". Dat betekent dat de chemotherapie ofwel de kankercellen vernietigt die plaatselijke behandelingen niet kunnen bereiken, ofwel het ontstaan van kankercellen verhindert.
De hormoonbehandeling
Door laboratoriumonderzoeken kan men de aanwezigheid van hormonale receptoren vergelijken met "sloten" waarvan het openen met de gepaste "sleutel" (in dit geval een hormoon genaamd oestrogeen) toelaten om de cellen te vermenigvuldigen. Dat is natuurlijk niet wenselijk in het geval van een patiënt met borstkanker. De hormoonbehandeling dient om de invloed van de oestrogenen op de celvermenigvuldiging stop te zetten. Dat kan op 2 manieren gebeuren:
- door toediening van medicijnen die de werking van de hormonen verhinderen;
- door middel van een heelkundige ingreep of door radiotherapie schakelt men de organen uit die de hormonen aanmaken (de eierstokken en de bijnieren). In het vakjargon heet dat "castratie".
Heelkundige technieken
Het operatief verwijderen van de borst heet een mammectomie. De term omvat verschillende operaties die men toepast, afhankelijk van de lokalisatieen de graad van uitbreiding van het gezwel:
de tumorectomie of lumpectomie: men neemt alleen het gezwel weg
gedeeltelijke mammectomie of kwadrantectomie: men neemt het gezwel en een deel van de borst weg.
de gewijzigde radicale mammectomie: men neemt de borst weg, maar laat de onderliggende borstspieren intact.
de operatie van Halsted of radicale mammectomie: men neemt niet alleen de hele borst weg, maar ook alle klieren die zich onder de oksels bevinden, de borstspieren en het vetweefsel. Nu voert men deze verminkende ingreep niet meer uit.
Neveneffecten
De nevenwerkingen van de behandelingen van borstkanker beperken zich niet tot de tumorcellen. Ook de gezonde weefsels staan bloot aan de behandeling. Dat verklaart het verschijnen van neveneffecten. De intensiteit varieert van persoon tot persoon. De meeste nevenwerkingen nemen af met de tijd en verdwijnen bij het stopzetten van de behandeling. In bepaalde gevallen zijn medicijnen nodig om de ongewenste neveneffecten te beheersen.
Heelkundige ingreep
De meest voorkomende symptomen na de heelkundige ingreep aan de kant van de geopereerde borst zijn gevoel van stijfheid in de spieren van de nek, de arm en de schouder en jeuk ter hoogte van de hand. Het wegnemen van de okselklieren veroorzaakt bij sommige patiënten een zwelling van de arm en van de hand aan de kant van de geopereerde borst. Dat fenomeen heet "lymfordeem".
Chemotherapie

Chemotherapie is de inzet van celdelingremmende medicijnen, die men cytostatica noemt. Deze medicijnen komen direct of indirect in de bloedbaan. Van daaruit worden zij verspreid door het hele lichaam en kunnen dus ook kankercellen bereiken. Cytostatica kunnen als tablet worden ingenomen, maar ook worden toegediend via een injectie of infuus.
Er is één plaats in het lichaam waar cytostatica niet zo makkelijk kunnen komen, namelijk in de hersenen. Dat komt doordat wij een ingebouwd beveiligingssysteem hebben: de bloed-hersenbarrière die ervoor zorgt dat ongewenste stoffen niet in ons hoofd komen. Om toch cytostatica bij kankercellen in de hersenen te krijgen, worden ze door middel van een ruggenprik ingespoten (intrathecale toediening).
Er zijn wel meer dan dertig verschillende soorten cytostatica die op verschillende manieren in het ontwikkelingsproces van kankercellen inwerken. Kankercellen verschillen in hun gevoeligheid voor cytostatica. Om een zo optimaal mogelijk resultaat te bereiken wordt dan ook vaak een combinatie van verschillende medicijnen toegepast.
Cytostatica hebben niet alleen invloed op kankercellen, maar ook op gezonde cellen en dan vooral op de sneldelende cellen. Bijwerkingen zijn dan ook onvermijdelijk. Maar welke en hoe ernstig is sterk afhankelijk van de soort medicatie die een patiënt krijgt. Veelvoorkomende bijwerkingen zijn moeheid en misselijkheid.
Chemotherapie kan als curatieve of palliatieve behandeling worden ingezet, maar het word vaak gegeven als aanvullende behandeling.
Hormoonbehandeling
Hormonale therapie wordt bij bepaalde soorten kanker gegeven. Vooral bij vrouwen met borstkanker of baarmoederkanker en bij mannen met prostaatkanker.
De borsten en het baarmoederslijmvlies bij vrouwen en de prostaat bij mannen hebben geslachtshormonen nodig voor hun groei en ontwikkeling. Als hier een tumor ontstaat, zijn de kankercellen, net als de gewone cellen, vaak (deels) afhankelijk van de aanwezigheid van die geslachtshormonen. Zonder de geslachtshormonen neemt de groei van de tumor af of kan de tumor kleiner worden.
Bij de behandeling wordt hiervan gebruik gemaakt. De hormonale balans van de patiënt wordt dan gewijzigd: de productie van bepaalde eigen hormonen wordt beperkt of hun invloed wordt verminderd. Het ontstaan en de uitzaaiing van de kankercellen kan zo (tijdelijk) worden stopgezet.
Een hormonale behandeling kan op een aantal manieren worden gegeven. Veel patiënten worden behandeld met medicijnen, zogeheten hormoonpreparaten. Het kan ook plaatsvinden door middel van operatief verwijderen of bestralen van de organen die de hormonen aanmaken.
De bijwerkingen en gevolgen die de patiënt mogelijk ondervindt hangen onder meer samen met de functie die de eigen hormonen oorspronkelijk hadden voordat ze door de therapie werden tegengewerkt of uitgeschakeld. Bijvoorbeeld: wanneer bij vrouwen met borstkanker de eierstokken worden verwijderd, valt de productie van oestrogenen weg. Oestrogenen spelen een belangrijke rol bij de menstruatiecyclus. Het gevolg van het weghalen van de eierstokken is een vervroegde overgang met de bijbehorende klachten.
Zo veroorzaken antioestrogenen bij een jonge vrouw symptomen die typisch zijn voor de menopauze: warmteopwellingen, overmatig transpireren, bruuske veranderingen in het humeur, slapeloosheid enzovoort.
Behandelingen bij kinderkanker..
De behandeling.
Vanzelfsprekend is de behandeling afhankelijk van de aard van de aandoening. Toegepast kunnen worden:
• Chemotherapie (behandeling met celdodende of celdelingremmende medicijnen, cytostatica genaamd)
• Chirurgie (operatie)
• Radiotherapie (bestraling)
• Een combinatie van behandelingen
Chemotherapie wordt vaak gedurende een langere periode gegeven. Ook als er geen activiteit van de ziekte meer aangetroffen wordt, dient er toch nog chemotherapie gegeven te worden. Vaak is het zo dat er dan nog een paar levende kankercellen aanwezig zijn, die met onderzoek niet meer zichtbaar zijn. Gebleken is dat dergelijke medicijnen een beter resultaat met het oog op genezing opleveren, als ze langer worden toegediend.
Soms volstaat één vorm van therapie en soms moet voor een combinatie worden gekozen. In zijn algemeenheid komt een behandelplan vaak tot stand op basis van nationaal en internationaal overleg. Dit heeft tot gevolg dat in vele landen kinderen met een bepaalde kwaadaardige aandoening volgens een zelfde ‘schema’ behandeld worden. De resultaten van dergelijke schemas of behandelprotocollen kunnen vergeleken worden en eventuele verbeteringen van de behandeling kunnen zo gerealiseerd worden.
Bij iedere individuele patient wordt altijd bekeken of een standaardbehandeling wel de beste behandeling is. Dit wordt bepaald door het oncologische team in een uitgebreide bespreking over de patient. Bij deze bespreking zijn alle oncologen, de (neuro-)chirurg, de patholoog, de radioloog, de radiotherapeut, de neuroloog en gespecialiseerde verpleegkundigen aanwezig. klik hier voor de medewerkerslijst
In het behandelplan is bovendien een richtlijn ingebouwd met betrekking tot de controleonderzoeken (bijvoorbeeld röntgenonderzoek, beenmergpuncties en bloedonderzoek). Door deze controleonderzoeken kan worden vastgelegd hoe de ziekte verloopt en in hoeverre de behandeling aanslaat.
Het is zeer belangrijk om vast te stellen dat het behandelprotocol een richtlijn voor behandeling is. Heel vaak moet bij een individueel kind afgeweken worden van dit protocol. Dit is dus niet uitzonderlijk, ieder kind reageert anders op de behandeling en heeft zijn of haar eigen aanpassing nodig.
U ontvangt een kopie van het behandelplan dat u in de dagboekagenda kunt bewaren.
In de dagboekagenda vindt u ook de kaarten waarop een beschrijving staat van de medicijnen staan, die uw kind krijgt. Hierop staan onder meer de meest voorkomende bijwerkingen.
Radiotherapie.
Hieronder volgt een korte beschrijving van wat radiotherapie inhoudt. De beschrijving is ontleent aan de dagboekagenda, een initiatief van de Vereniging voor Ouders van Kinderen met Kanker (VOKK). Er zijn veel verschillende technieken voor bestraling.
Andere naam:
Bestraling
Wat is het:
Een plaatselijke behandeling van kanker door middel van straling. De straling vernietigt de kankercellen.
Hoe ziet het eruit en hoe wordt het gegeven:
Straling is niet te zien, te ruiken of te voelen. Het werkt op sneldelende cellen. De bestraling vindt plaats in een speciale ruimte. Tijdens de bestraling is de patiënt alleen in die ruimte aanwezig. Via een intern TV scherm is er wel communicatie mogelijk.
Bijwerkingen op korte termijn (binnen 24 uur):
Vermoeidheid (tot enkele weken na de bestraling)
Bijwerkingen op langere termijn:
* Vermoeidheid.
* Huid welke in het bestralingsgebied ligt, kan een reactie vertonen. (roodheid na 2 - 4 weken).
* Pigmentatie (donkere verkleuring) van de huid op de plaats van de bestraling.
* Afhankelijk van de plaats van bestraling, klachten in het bestraalde gebied.
Speciale instructies:
* Was de bestraalde huid niet met zeep en dep de huid voorzichtig droog.
* Poeder de bestraalde huid 2 tot 4 keer per dag met ongeparfumeerde talkpoeder, bij een open huid niet poederen.
* Vermijd schuren van kleding en bij jeuk niet krabben.
* Tijdens de bestraling is de huid gevoeliger voor zonlicht zonnebaden en gebruik een anti-zonnebrandmiddel met een hoge beschermingsfactor.
Bijzonderheden:
* Meer informatie over Radiotherapie kunt u vinden in de brochure Radiotherapie van de afdeling Voorlichting van de Nederlandse Kankerbestrijding
* Na de bestraling geeft de patiënt geen stralen meer af.
Combinaties
Kinderen met een bottumor krijgen vaak een combinatie van chirurgie en chemotherapie.
Wat is 131I-MIBG?
131I is een radioactieve vorm van jodium dat als doel heeft bestraling op een specifieke plaats in het lichaam te bewerkstelligen. MIBG is een afkorting voor meta-iodobenzylguanidine en is een stof die zich in neuroblastoom cellen kan ophopen. Het jodium in de MIBG stof kan vervangen worden door 131I. Deze radioactieve vorm van MIBG noemen we 131I-MIBG. De neuroblastoomcellen nemen het radioactieve 131I-MIBG op en worden zodoende van binnenuit bestraald. Deze anti-tumor therapie is voor het neuroblastoom effectief en kan een deel van de chemotherapie vervangen. Bovendien heeft 131I-MIBG therapie weinig bijwerkingen in vergelijking met chemotherapie. Daarom worden in Amsterdam en Rotterdam patiënten met een neuroblastoom vaak behandeld met 2 kuren 131I-MIBG. Daarna wordt de therapie voortgezet met chemotherapie en operatie.
De voorbereiding op de behandeling met 131I-MIBG
Jodium wordt door de schildklier gebruikt voor het maken van schildklierhormoon. Radioactief jodium wordt door de schildklier even gemakkelijk opgenomen als niet radioactief jodium. Radioactief jodium kan schade geven aan de schildklier. Dit is dus een bijwerking van de 131I-MIBG die moet worden voorkomen. Ter bescherming van de schildklier krijgt een kind vanaf de dag voor 131I-MIBG -therapie een kaliumiodide drank, strumazol en thyrax. Deze medicijnen blokkeren effectief de opname van 131I in de schildklier, maar niet in de tumorcellen. Dit waarborgt een goede schildklierfunctie nadien. Kaliumiodide dient totaal 2 weken geslikt te worden, strumazol en thyrax 4 weken. Omdat ook bij de ouders tijdens de verzorging een kleine kans bestaat dat hun schildklier onnodig 131I opneemt, dienen ook zij kaliumiodide te slikken, slechts voor 4 dagen. De overige twee medicijnen zijn bij hen niet nodig.
De behandeling vindt plaats op de afdeling nucleaire geneeskunde in het ErasmusMC/Daniël den Hoedkliniek of soms in het AMC/Emma kinderziekenhuis in Amsterdam. Souders verblijven samen met hun kind enkele dagen en nachten op één van deze twee locaties verblijft.
De behandeling met 131I-MIBG

Het 131I-MIBG wordt door middel van een infuus of Port-a-cath toegediend. Omdat het middel een radioactieve werking heeft dienen er speciale voorzorgmaatregelen genomen te worden, om onnodige straling in de omgeving te voorkomen. Zo zal het 131I-MIBG in een infuusflesje zitten met een loodomhulling en is er een voor dit doel speciale infuusopstelling aanwezig. Na aanprikken en controle van het infuussysteem kan het radioactieve geneesmiddel toegediend worden. De meeste kinderen merken hier niets van, een enkele keer komen er wel lichte misselijkheidklachten voor. De toediening duurt ongeveer 2 uur. Gedurende deze tijd moet het kind in bed blijven, terwijl een ouder bij het kind op de kamer is. Als het 131I-MIBG is ingelopen wordt het infuus meestal verwijderd.
Het 131I-MIBG wordt door middel van een infuus of Port-a-cath toegediend. Omdat het middel een radioactieve werking heeft dienen er speciale voorzorgmaatregelen genomen te worden, om onnodige straling in de omgeving te voorkomen. Zo zal het 131I-MIBG in een infuusflesje zitten met een loodomhulling en is er een voor dit doel speciale infuusopstelling aanwezig. Na aanprikken en controle van het infuussysteem kan het radioactieve geneesmiddel toegediend worden. De meeste kinderen merken hier niets van, een enkele keer komen er wel lichte misselijkheidklachten voor. De toediening duurt ongeveer 2 uur. Gedurende deze tijd moet het kind in bed blijven, terwijl een ouder bij het kind op de kamer is. Als het 131I-MIBG is ingelopen wordt het infuus meestal verwijderd.
Zorg voor het kind na de behandeling met 131I-MIBG

De medewerkers van de afdeling nucleaire geneeskunde dragen zorg voor de hele procedure rondom toediening van het MIBG. Dit gebeurt in nauw overleg met de behandelend kinderoncoloog, die ook langs zal komen indien dit gewenst is. Voor praktische zaken (bijvoorbeeld maaltijdverstrekking) en verpleegtechnische handelingen (bijvoorbeeld verwisselen van infuus) zijn de verpleegkundigen van de afdeling waar ouders met hun kind verblijven via een belsysteem direct bereikbaar. Bij veel kinderen wordt ook vaak besloten tot sondevoeding en vocht via het infuus in deze periode. De dagelijkse zorg, zoals wassen en eten geven, berust in verband met de straling, bij één van de ouders. Er kan steeds maar één ouder tegelijk bij het kind op de kamer zijn, bezoek is tijdens deze dagen niet mogelijk.
Isolatie en stralingsbeschermende maatregelen

De toegediende hoeveelheid radioactiviteit is zodanig dat er alles aan gedaan wordt om onnodige bestraling (“besmetting’’) voor de mensen in de omgeving te voorkomen. Na toediening van de 131I-MIBG komt de radioactieve stof tijdelijk in alle lichaamsvloeistoffen, zoals urine, ontlasting, speeksel, en transpiratie terecht. Het grootste gedeelte van het middel zal via de nieren, dus met de urine, het lichaam weer verlaten. Daarom moet de patiënt geïsoleerd in een speciale ruimte verpleegd worden en zijn er speciale maatregelen ter voorkoming van besmetting nodig.
De dosis straling in de omgeving tijdens MIBG behandeling is ongeveer gelijk aan de dosis straling van ca. 3 röntgenfoto’s van de longen. Uit ervaring is gebleken dat dit een aanvaardbare dosis is, en de verzorgende ouders geen onnodig stralingsrisico krijgt. Indien de moeder zwanger is of denkt te zijn dient dit aan de behandelaar gemeld te worden.
Om de stralingsdosis die de ouders oplopen tijdens de verzorging van het kind zo klein mogelijk te houden dienen de volgende maatregelen in acht te worden genomen:
Neem een zo groot mogelijke lichamelijke afstand ten opzichte van het kind in. Hoewel dit niet altijd makkelijk zal zijn is dit een belangrijke maatregel: een twee maal zo grote afstand geeft een vier maal geringere stralingssterkte, een drie maal zo grote afstand geeft een negen maal geringere stralingssterkte
Wees niet langer dan strikt noodzakelijk in de directe nabijheid van het kind en neem het kind zo weinig mogelijk op schoot. Handelingen, bijvoorbeeld met luier wisselen, eten geven of wassen, dienen snel te gebeuren. Hoe korter het contact met het kind, deste beter.
De kamer waar de MIBG wordt toegediend is hier speciaal voor ontworpen. In de wanden en de deur van deze kamer zit lood. Het sanitair bij de kamer is aangesloten op speciale opvangtanks om te voorkomen dat radioactief besmette urine of ontlasting in het milieu terechtkomt. Tijdens de isolatie moet zuinig met water worden omgesprongen: de capaciteit van de opvangtanks is maar beperkt. De kamer bestaat uit een slaapgedeelte en een zitgedeelte met een televisie, radio, telefoon en magnetron. Alles wat eenmaal in de kamer is moet op de kamer blijven, in verband met mogelijke besmetting. Kleding en speelgoed van het kind kan opgeslagen worden in het ziekenhuis tot de besmetting over is. Dit kan weken duren. Voor wasgoed en afval zijn speciale containers op de kamer. Voor eten en drinken wordt gebruik gemaakt van wegwerpmateriaal.
Het kind mag de kamer alleen verlaten voor het maken van een scan op de afdeling nucleaire geneeskunde of als er sprake is van een behandeling met hyperbare zuurstof. Zo’n scan wordt meestal op de vijfde dag na de 131I-MIBG inspuiting gemaakt. Het doel van deze scans is te bepalen hoeveel geneesmiddel in de tumor terecht is gekomen. De uitslag van de scan is niet van belang voor de behandeling en er wordt ook geen uitslag van afgegeven.
Bij kinderen met weke delentumoren gebruiken de artsen meestal een combinatie van chirurgie, radiotherapie en chemotherapie.
Bijwerkingen en gevolgen op de langere termijn
Behandelingen voor kanker zijn meestal ingrijpend. Ook bij kinderen.
Toch verdragen kinderen de behandelingen meestal beter dan volwassenen.
Wel kan er schade ontstaan die pas later aan het licht komt. Bijvoorbeeld groeistoornissen of schade aan de nieren.
Daarom blijft iemand die kinderkanker heeft gehad, in alle kinderoncologische centra gedurende lange tijd onder controle.
De arts zoekt altijd naar een behandeling op maat.
Dat is de behandeling met:
• zo min mogelijk nare bijwerkingen op korte termijn
• zo min mogelijk blijvende gevolgen op langere termijn
• maar natuurlijk wel met een zo groot mogelijk kan op genezing

Kortom: een zware behandeling voor wie dat nodig heeft. Een lichte behandeling voor wie met minder toe kan.
Wat zijn de meest voorkomen de kankersoorten in Nederland?
Kanker in cijfers
In Nederland: Jaarlijks wordt bij ruim 60 000 mensen kanker vastgesteld, bijna 400 daarvan zijn kinderen tussen de 0 en de 14 jaar. Van de ruim 36 000 mensen die jaarlijks overlijden aan de gevolgen van kanker, gaat het om 100 kinderen.
In 1990 zijn in de Europese Unie voor alle vormen van kanker, met uitzondering van niet-melanotische huidkanker, naar schatting 1 292 000 ziektegevallen geconstateerd. Hierbij werden beide geslachten nagenoeg in gelijke mate overtroffen: 647 000 nieuwe kankergevallen bij mannen en 645 000 bij vrouwen.
Iedere vijf minuten sterft iemand aan kanker.
Iedere 8 minuten geneest iemand van kanker.
Sinds het begin van de zeventiger jaren kunnen 1 van de 4 kankerpatiënten definitief worden genezen; in 1930 waren dat er nog maar 2 van de 10.
8 van de 10 gevallen van kanker worden door het milieu veroorzaakt.
De meest voorkomende soorten kinderkanker
41% leukemie (bloedkanker) en lymfeklier kanker
27% tumoren van het zenuwstelsel (hersentumoren)
12% bottumoren
6,5% nierkanker
3,5% retinoblastomen (oogkanker)
De meest voorkomende soorten kinderkanker zijn:
Leukemie (bloedkanker) 25%
Tumoren van het centraal zenuwstelsel (hersentumoren) 20%
Lymfeklierkanker (Hodgkin en non-Hodgkin lymfoom) 11%
Wilms-tumor en andere niertumoren 5%
Neuroblastoom 5%
Bottumoren 7%
Tumoren van de weke delen 7%
Retinoblastoom 3%
Kiemceltumoren 3%
Soorten en de meest voorkomende kankers
- Kanker van de luchtwegen: komt meer voor bij sterke rokers.
- Huidkanker komt meer voor bij mensen die vaak zonnebaden (ook door middel van een hoogtezon of solarium); vooral als zij een blanke huid hebben.
- Maagkanker komt meer voor bij mensen die reeds lang een maagzweer hebben, of hieraan door middel van een maagamputatie behandeld zijn.
De meest voorkomende soorten kanker bij mannen is longkanker (waarvan de hoofdoorzaak kan toegeschreven worden aan het roken van sigaretten), maar bij mannen boven de leeftijdsgrens van 60 komt prostaatkanker het meest voor. Bij vrouwen komt regelmatig borstkanker voor. Bij kinderen tussen de 0 en de 14 is dat leukemie en lymfeklierkanker. Bij mannen en vrouwen boven de 20 is dit longkanker.
Overlevingskansen:

De behandelingsresultaten van kinderen met kanker zijn de laatste decennia dramatisch verbeterd. Begin jaren 70 van de 20e eeuw waren de kansen op genezing 5-30%, variërend voor de verschillende tumorsoorten. Inmiddels is de overall overleving van kinderkanker 60-70%. Overleving wordt doorgaans aangeduid als 5-jaarsoverleving, dat wil zeggen de overleving 5 jaar na diagnose. In de praktijk betekent dit meestal complete genezing. Hoewel dit een gunstige ontwikkeling is, betekent het dat nog steeds meer dan 1/3 van de kinderen niet geneest. Het is ook gebleken dat het heel moeilijk zal zijn de huidige resultaten te verbeteren. De genezing verbeteren van 60 naar 100% is veel moeilijker dan van 30 naar 60%. Tevens is de 60-70% een gemiddelde. Uit onderstaande grafiek blijkt dat er tumorsoorten zijn met een bijna complete genezing, maar ook tumorsoorten met genezing slechter dan 60%.

Wat voor invloed heeft roken op kanker?
Feiten
Roken is de hoofdoorzaak van longkanker. Van alle longkanker in Nederland is 90% toe te schrijven aan roken.
Longkanker is een zeldzame aandoening bij niet-rokers. Minder dan 1% van de niet-rokers zal ooit overlijden aan longkanker.
Roken is een van de belangrijkste doodsoorzaken van de Nederlandse bevolking. Bij rokers is het de belangrijkste doodsoorzaak.
Van alle rokers overlijdt 1 op de 2 rokers ten gevolge van aan roken gerelateerde aandoeningen.
Rokers leven gemiddeld 13 jaar korter dan niet-rokers.
Overlijden voor het 70e jaar:
Het risico op overlijden ten gevolge van roken neemt toe naarmate men langer en meer rookt. Hoe jonger men stopt met roken, hoe beter. Dat wil zeggen hoe meer de kans op overlijden gelijk wordt aan die van niet-rokers. Stoppen op elke leeftijd is zinvol, mede gezien het snelle positieve effect van stoppen op de kans op hart- en vaatziekten.
Overlijden voor 70e levensjaar
mannen vrouwen
1 op de 3 rokers 1 op de 5 rokers
1 op de 6 niet-rokers 1 op de 8 niet-rokers
Nederland vs de rest van Europese Unie
In vergelijking met andere landen uit de Europese Unie neemt Nederland de 3e plaats in op de lijst van rokers. Voor de sterfte van vrouwen aan longkanker staat Nederland in Europa op de 5e plaats, na Denemarken, Engeland en Wales, Ierland en Hongarije.
Percentage rokers in Europa (WHO 2001)
vrouwen (%) mannen (%) Jaartal meting
Denemarken 30 32 1998
Noorwegen 32 34 1998
Nederland 29 (30) 36 (37) (1998)
Ierland 31 32 1998
Portugal 7 20 1996
IJsland 27 28 1998
Spanje 25 42 1997
Ierland 28 29 1993
Groot-Brittanië 28 26 1994
Oostenrijk 19 30 1997
Frankrijk 27 39 1997
Finland 20 27 1999
Griekenland 28 46 1994
Hongarije 27 44 1999
Italië 17 32 1998
Luxemburg 27 39 1998
Zwitserland 27 38 1997
Zweden 22 17 1998
Duitsland 30 43,2 1997
België 19 31 1999
Historische ontwikkelingen en toekomstige trends
Mannen
De stijging in de sterfte van longkanker bij mannen stijgt in de 50er jaren van de vorige eeuw aanzienlijk. Deze sterfte weerspiegelt het rookgedrag van mannen van voor de Tweede Wereldoorlog. Sinds midden jaren 80 daalt het aantal mannen dat sterft aan longkanker. Vanaf dat moment zijn de effecten van minder roken, maar vooral van stoppen met roken zichtbaar in de sterftecijfers.
Vrouwen
De stijging in de sterfte aan longkanker bij vrouwen start halverwege de 70er jaren. De sterfte is het gevolg van het feit dat vrouwen in toenemende mate zijn gaan roken na de Tweede Wereldoorlog. Sinds de 70er jaren zijn steeds meer vrouwen gaan roken. Deze stijging in de sterfte zal zich dus voorlopig doorzetten
De sterfte aan longkanker is voor vrouwen geboren in de periode 1945-1960 even hoog als bij mannen die in diezelfde periode zijn geboren.
Rond 2011 zullen naar verwachting meer vrouwen dan mannen aan longkanker overlijden. Vrouwen die mannen(leef)gewoonten overnemen hebben minstens evenveel, mogelijk meer, kans op mannenkanker. Recent onderzoek geeft te zien dat vrouwen, bij eenzelfde rookintensiteit als mannen, gevoeliger zijn om longkanker te krijgen. Dit houdt verband met hun hormoonhuishouding.
Tussen 2000-2015 zal 17% van de sterfte bij mannen in Nederland worden veroorzaakt door roken en zal 11% van de sterfte bij vrouwen in Nederland worden veroorzaakt door roken.
Tussen 2000-2015 zal 32% van de sterfte aan kanker bij mannen in Nederland worden veroorzaakt door roken en zal 21% van de sterfte aan kanker bij vrouwen in Nederland worden veroorzaakt door roken.

1950-1999:





mannen
• 337.000 mannen overleden aan kanker ten gevolge van roken (*)
• 244.500 mannen zijn overleden aan longkanker ten gevolge van roken (94% van longkankersterfte
vrouwen
• 23.000 vrouwen zijn overleden aan kanker ten gevolge van roken
• 18.800 vrouwen zijn overleden aan longkanker ten gevolge van roken (54% van longkankersterfte)
2000-2015:

mannen
• 114.000 mannen zullen naar verwachting overlijden aan kanker ten gevolge van roken
• 75.600 mannen zullen naar verwachting overlijden aan longkanker ten gevolge van roken (90% van longkankersterfte)
vrouwen
• 67.500 vrouwen zullen naar verwachting overlijden aan kanker ten gevolge van roken
• 53.300 vrouwen zullen naar verwachting overlijden aan longkanker ten gevolge van roken (86% van longkankersterfte)
* De sterfte aan kanker ten gevolge van roken betreft voornamelijk longkanker en in veel mindere mate tumoren in het hoofd- en halsgebied, de blaas, de nieren, de alvleesklier en mogelijk tumoren in de baarmoederhals.
Hoeveel mensen overlijden aan de gevolgen van roken?
Tussen 2000-2015 zal 17% van de sterfte bij mannen in Nederland worden veroorzaakt door roken en zal 11% van de sterfte bij vrouwen in Nederland worden veroorzaakt door roken.
Hoeveel mensen overlijden aan een door roken veroorzaakte kanker?
Tussen 2000-2015 zal 32% van de sterfte aan kanker bij mannen in Nederland worden veroorzaakt door roken en zal 21% van de sterfte aan kanker bij vrouwen in Nederland worden veroorzaakt door roken.
Hoeveel mensen overlijden aan een door roken veroorzaakte longkanker?
Vanaf 2011 zullen meer vrouwen dan mannen aan longkanker overlijden.
Rond 2011 zullen naar verwachting meer vrouwen dan mannen aan longkanker overlijden. Recent onderzoek geeft te zien dat vrouwen, bij eenzelfde rookintensiteit als mannen, gevoeliger zijn om longkanker te krijgen. Dit houdt verband met hun hormoonhuishouding.

Eindconclusie
Wat is het verschil tussen kanker bij volwassenen en kanker bij kinderen ?
Bij de ontwikkeling van kanker zit al een verschil. Bij volwassen ontstaat kanker uit kankerverwekkende stoffen. Onder kankerverwekkende stoffen verstaan we: roken, asbest, alcohol etc. Dat is bij kinderkanker niet het geval. De kankerverwekkende stoffen hebben dan nog geen tijd gehad om in te werken op het lichaam.
De bestrijdingsmiddelen zijn bij kanker en kinderkanker hetzelfde, alleen bij kinderkanker zijn de behandelingen minder zwaar, omdat het lichaam van het kind zich nog ontwikkeld. Het wordt vaak in meerdere periodes gedaan.
Behandelingen van kanker zijn meestal ingrijpend. Ook bij kinderen. Toch verdragen kinderen de behandelingen meestal beter dan volwassen.
Wel kan er schade ontstaan die pas later aan het licht komt. Bijvoorbeeld groeistoornissen of schade aan de nieren.
Daarom blijft iemand die kinderkanker heeft gehad, gedurende lange tijd onder controle.
Dit waren de grote verschillen tussen kanker bij volwassenen en kanker bij kinderen. De oorzaken en de meest voorkomende kankersoorten zijn bij beide zo goed als hetzelfde.
Voor de oorzaken geld natuurlijk wel dat er bij volwassenen vaker kanker voorkomt waarbij de invloed van buitenaf komt. Zoals door roken, UV-straling en de verdere dingen die we hebben genoemd. Hier hebben jongere kinderen natuurlijk nog niet mee te maken. Daardoor word het verschil dus wel veroorzaakt.
Nawoord
Dit was ons werkstuk over kanker. We hebben de hoofd en deelvragen zo goed mogelijk proberen te beantwoorden tijdens ons onderzoek maar het was wel ingewikkelder dan we hadden gedacht. Er blijkt dus maar op sommige gebieden verschil te zijn tussen kanker bij volwassenen en kanker bij kinderen. We hadden zelf ook wel verwacht dat dit vooral bij de ontwikkeling zou zijn, wat ook is gebleken.
Wij verwachten wel dat er het aantal sterfgevallen aan kanker voorlopig nog wel zal stijgen, omdat de leefwijze van de mensen steeds slechter wordt. Maar door de nieuwe onderzoeken hopen we en denken we ook wel dat er uiteindelijk betere bestrijdingsmiddelen zullen komen. Maar het vervelende aan de ziekte is dat je het niet helemaal kunt voorkomen en daarom hopen wij echt dat er betere bestrijdingsmiddelen worden uitgevonden zodat het aantal slachtoffers van de ziekte minder zal worden in de loop van de jaren.
Verder zijn we tevreden met het resultaat. We hebben ons goed aan de planning gehouden waardoor we ook niet geen problemen hadden op het einde.
Dit was ons werkstuk.

Logboek/ Dagboek
Les 1, 25/01 Onderwerp + voorlopige hoofd en deelvragen bedacht.
Les 2, 27/01 Alvast informatie zoeken om de hoofd en deelvragen preciezer te maken en we hebben ons meer geïnformeerd over het onderwerp.
Les 3, 30/01 Verder gezocht naar informatie.
Les 4, 01/02 Meer informatie gezocht en nauwkeuriger gezocht naar bruikbare informatie waarmee we onze deelvragen konden beantwoorden.
Les 5, 06/02 Hetzelfde als les 4. we waren deze les iets eerder gestopt omdat een van ons weg moest en we al goed op schema liepen.
Les 6, 08/02 Zie les 4, de laatste 20 minuutjes de informatiefase in elkaar gezet.
Les 7, 13/02 Doelgerichter naar informatie gezocht en nauwkeuriger geselecteerd.
Les 8, 15/02 Zie les 7
Les 9, 20/02 Zie les 7
Les 10, 22/02 Zie les 7 + afbeeldingen gezocht. Deze les maar een half uurtje gewerkt omdat we op schema liepen en nog aan ANW-actief wilden werken.
Les 11, 8/03 Netjes verwerken eigen deelvragen, overbodige informatie weglaten.
Les 12, 13/03 Opmaken van het werkstuk, maken van voor- en nawoord, inhoudsopgave e.d.
Chantal ziek, heeft daarom thuis gewerkt.
Bronnen
Dit zijn de bronnen die we hebben gebruikt bij het maken van dit werkstuk:
• www.kanker.pagina.nl
• www.kwfkankerbestrijding.nl
• www.vokk.nl
• www.kanker.info/
• www.jongerenenkanker.nl
• www.wikipedia.org/wiki/kanker
• www.erfelijkheid.nl
• www.strijdtegenkanker.nl
• www.kinderkanker.nl
• www.kika.nl
• www.villajoep.nl
• www.vumc.nl

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.