Gezocht: vmbo-scholieren uit jaar 3 of 4! Vul deze vragenlijst over het mbo in, en maak kans op een cadeaubon van 25 euro.

Meedoen

Nederlandse landschappen

Beoordeling 5.4
Foto van een scholier
  • Praktische opdracht door een scholier
  • 3e klas vwo | 996 woorden
  • 23 maart 2004
  • 64 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.4
  • 64 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
ADVERTENTIE
Musical The Prom verloot een limousine naar je eindfeest!

Zit je middenin je eindexamens en wil je in stijl naar je eindfeest? Doe dan mee aan de winactie en maak kans op een limousine die jou en je vrienden naar jullie eindfeest brengt!

Ja, ik doe mee!
Hoofdvraag:
Hoe zijn de 6 belangrijkste Nederlandse landschappen ingericht en hoe is dat te verklaren?

Deelvraag 1:
Hoe is het rivierkleilandschap ingericht en ontstaan?
In Nederlandse rivieren is de waterstand in de winter meestal hoog en in de zomer meestal laag. In de zomer stroomt zo’n rivier dan in een zomerbed, maar in de winter is een zomerbed te klein. Daarom is er naast het zomerbed een reserve bed. Die noemen we de uiterwaarden. Het zomerbed en de uiterwaarden bij elkaar noemen we het winterbed. Omdat het winterbed in de winter volloopt, is dat stukje grond maar voor een half jaar bruikbaar. Daarom laten ze er in de zomer vee grazen of er wordt gerecreëerd.
De rivieren zetten klei en slib af en dat blijft bij een hoge waterstand liggen aan de oevers wanneer het laagwater wordt.


Deelvraag 2:
Hoe is het zandlandschap ontstaan en ingericht?
Een zandlandschap bestaat uit weinig vruchtbare grond. Omdat zand een stevige structuur heeft houdt het regenwater niet vast. Dat zorgt voor een droge grond die niet geschikt is voor akkerbouw.
Er is veel reliëf vergeleken bij klei- en veenlandschappen en er is veel bos en hei. De grond bestaat vooral uit zand. Dat komt door de ijstijd, De gletsjertongen hebben het zand en grind, dat door de rivieren mee was genomen, opgestuwd en vandaar het reliëf. Doordat de wind vrijspel kreeg werd er overal dekzand geblazen. Het zandlandschap komt vooral voor in het westen van Nederland

Deelvraag 3:
Hoe is het lösslandschap ingericht en ontstaan?
Het lösslandschap ligt voornamelijk in Limburg. Löss een hele fijn zand dat op klei lijkt. Ook is löss erg vruchtbaar en het houdt het regenwater goed vast.
Limburg bestaat uit veel heuvels die bedekt zijn met löss. Op de hellingen ligt vaak gras of het is bebost. Dat doen ze omdat löss heel makkelijk wegspoelt. De bossen en of het gras houden het löss vast met hun worteltjes.
In de dalletjes liggen vaak riviertjes. Limburg lijkt wel een beetje op de Belgische Ardennen. Er zijn dan nu ook veel campings te vinden en veel recreatie gebieden.


Deelvraag 4:
Hoe is het hoogveenlandschap ingericht en ontstaan?
Doordat het water niet goed kon wegzakken, ontstond er een drassig gebied waarin planten groeiden. Langzamerhand gingen deze planten dood en de plantenlaag werd samengeperst, door dit verschijnsel ontstond er laagveen.
De hoogveen ligt boven NAP, vandaar ook dat deze hoogveenlandschappen worden genoemd.
Tegenwoordig gebruikt men deze landschappen voor akkerbouw, omdat de grond zeer vruchtbaar is, de grond is zo vruchtbaar omdat het met onderliggend zand heeft gemengd. Je ziet nog veel kanalen in dit landschap lopen, met daarom heen bebouwingen, de rede dat er veel bebouwingen rond kanalen zijn is omdat het water bij het droogmaken van veen moest afgevoerd moest worden.
Hoogveenlandschappen komen veel voor in Noord – Nederland en dan vooral in Friesland, Groningen, Drente en een beetje in Overijssel.

Deelvraag 5:
Hoe is het laagveenlandschap ingericht en ontstaan?
Laagveen ligt onder het NAP, dus als je er een gat zou graven dan loopt het gat helemaal vol met water.
Ongeveer 10000 jaar geleden begon de temperatuur te stijgen waardoor het ijs ging smelten. De zeespiegel begon te stijgen en West-Nederland kwam onder water te staan. 5000 jaar later nam de zeespiegel weer af waardoor er zand en klei bleef liggen. Op de zand en klei begonnen planten te groeien. Het werd moerassig en we noemden het veengrond. En omdat het veen in laag Nederland ligt noemen we het laagveen. Laagveen is ook alleen te vinden in het westen van Nederland.

Deelvraag 6:
Hoe is het zeekleilandschap ingericht en ontstaan?
Dit landschap is ontstaan doordat er twee keer per dag eb is, dan staat het wad droog en als het vloed is, stroomt het wad onder, elke keer als het vloed is laat het zeewater een kleilaagje achter, hierdoor word het wad steeds een stukje hoger, dan stroomt het bij normale vloed niet meer onder. Op den duur gaan er ook planten groeien. Maar bij hoge vloed stroomt. Zo’n stuk land word een kwelder genoemd, de planten laag is er samen met het jonge zeeklei zeer vruchtbaar. De mensen gebruiken deze stukken grond voor landbouw op sommige plekken lieten de mensen de grond met rust daardoor mooie stukken ontstaan. Zoals de naam al zegt vind je deze stukken grond voornamelijk langs de kust, soms vind je ze nog een stukje verder het land op, zoals rond de voormalige Zuiderzee maar ook veel in het noorden van het land en in Zeeland.

Antwoord op Hoofdvraag:
Nederland heeft 6 landschappen:

Laagveenlandschappen:
Dat ligt in laag Nederland ( zie deelvraag 5 ) het bestaat uit moeras planten, zand en klei. Nu zijn bijna alle laagveen gebieden graslanden geworden, dat komt doordat de mensen de moerassen hadden droog gepompt.

Hoogveenlandschappen:
Dat ligt in hoog Nederland ( zie deelvraag 4 ) het bestaat uit zand, klei en planten. Nu zijn veel hoogveen gebieden akkerlanden, dat komt doordat de mensen veen resten heb gemengd waardoor het heel vruchtbaar werd.

Lösslandschappen:
Löss licht voornamelijk in Limburg ( zie deelvraag 3 ), löss is een heel fijn zand dat op klei lijkt. Nu groeien er bomen en gras op het löss, omdat löss heel gevoelig is voor bodemerosie.

Zandlandschappen:
Zandlandschap ligt vooral in het westen ( zie deelvraag 2 ), het is er gekomen door de grote rivieren in de ijstijd. Het zand is niet erg vruchtbaar wel is het geschikt voor veeteelt.

Rivierkleilandschappen:
In de winter staat het water hoog en in de zomer laag ( zie deelvraag 1 ). Als het dan zakt dan blijft er slib en klei langs de oever liggen.

Zeekleilandschappen:
Bij de zee heb je te maken met eb en vloed. (zie deelvraag 6) Bij vloed laat de zee een laagje klei liggen, dat noemen we dan zeeklei. Een goed voorbeeld van zeegebied is de Waddenzee.

Bronvermelding:

De Geo Lesboek
Schrijvers: J.bos, H.dragt, dr.J.Hofker
Uitgeverij: © Meulenhoff Educatief bv Amsterdam

De Geo Studiemap
Schrijvers: J.bos, H.dragt, dr.J.Hofker
Uitgeverij: © Meulenhoff Educatief bv Amsterdam

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.