In dit essay ga ik in op het nature-nurture debat rond taalverwerving. Bij de argumenten pro-nature zal ik de argumenten van onder ander Chomsky geven, bij de argumenten pro-nurture geeft ik argumenten van het taalonderzoek bij dieren.



Argumenten pro-nurture


Mensen die de nurture-theorie aanhangen, beweren het volgende: ‘Mensen bezitten lichamelijk de mogelijkheid taal te verwerven, maar de invulling daarvan komt van buiten, door ervaring en opvoeding. Taal wordt geleerd, begrippen staan niet bij voorbaat vast.’

Om dit standpunt te verdedigen, geven zij de volgende argumenten:



1. Uit onderzoek met de chimpansees Washoe (1968) en Sarah (1972) is gebleken dat ook zij met taal kunnen omgaan. Zij leerden op eenvoudige manier berichten uit te wisselen met hun verzorgers via het ‘ASL’ (American Sign Language). Sarah gebruikt maar liefst 150 woorden en 500 twee-woorden-combinaties. Zij onderscheidt woordsoorten, gebruikt logische operatoren als de ontkenning en de implicatie, begrijpt iets van de opbouw van zinnen en kan naar iets refereren dat niet aanwezig is en het in woorden omschrijven. Washoe past woorden in nieuwe situaties toe, maakt nieuwe woordverbindingen, kent zijn eigen naam en stelt vragen. Later in gevangenschap leert hij zijn jongere soortgenoten menselijke taal en vergemakkelijkt voor hen zo de communicatie met de verzorgers. Uit deze gegevens trekken de nurture-aanhangers de conclusie dat taal aangeleerd is en niet aangeboren. Immers, de chimpansees zouden zonder de taallessen nooit van taal gebruik hebben gemaakt, iets wat zij wel zouden doen als taal aangeboren was geweest.

2. Nog verrassender is de taalvaardigheid van Koko, een gorillavrouwtje. Ook zij spreekt ‘ASL’ en bedient zich van een taalmachine. Zij kent 1000 tekens en gebruikt er daarvan 500 per dag. Zij hanteert voornaamwoorden, voorzetsels en allerlei bepalingen. Ze weet wat ‘slecht’ is en toont berouw door ‘Het spijt me’ te zeggen. Ze houdt van discussie en heeft gevoel voor humor. Ze kan ongehoorzaam zijn, jokken, bedreigingen uiten en geeft dit weer in taal. Koko heeft besef van tijd, ze spreekt over dingen die een poos geleden zijn gebeurd en past begrippen als vroeger en later toe. Ook schept ze spontaan nieuwe woorden. Uit deze onderzoeksresultaten trokken de nurture-aanhangers dezelfde conclusie; taal is aangeleerd en niet aangeboren, omdat het gorillavrouwtje (en alle andere gorilla’s) dan al uit zichzelf taal zouden hebben ontwikkeld en toegepast.

3. Kanzi, een bonobo, leert menselijke taal niet via instructie, maar gedurende de taallessen die Matata, zijn pleegmoeder, krijgt. Zijn taalvaardigheid en taalbegrip zijn groot. Bovendien ontwikkelt hij een proto-grammatica met, vanuit de menselijke grammatica gezien, zeer oorspronkelijke wendingen. Kanzi begrijpt gesproken menselijke taal, kan telefoneren en is bedreven in het spelen van computerspelletjes die een hoge graad van inzicht en bekwaamheid vereisen. Ook helpt hij bij de taalinstructie van andere bonobo’s en vervult een bemiddelende rol bij ruzies tussen aap en mens. Deze feiten betekenen voor de nurture-aanhangers wederom een bewijs voor het aangeleerd zijn van taal.



Argumenten pro nature


Chomsky is van mening dat mensen bij het leren van een taal oproepen wat zij onbewust al weten en wat in de geest aanwezig is. Ook begrippen en denkbeelden liggen naar hun betekenis en inhoud apriori vast. Innerlijk beschikken mensen (en alleen maar mensen!) over een aangeboren programma, dat de situatie in de buitenwereld begripsmatig uitlegt in overeenstemming met dat wat zij geestelijk weten. Voor zijn standpunt geeft Chomsky de volgende argumenten:

1. Hoewel de apen die gebruikt zijn voor het taalonderzoek met taal kunnen omgaan, beheersen deze apen de taal grammaticaal totaal niet. En daar ligt nu eenmaal de basis van spraak en begrip. Mensen zijn creatief, omdat zij bij machte zijn een oneindig aantal taaluitingen te vormen. Apen blijven daarentegen op een minimaal niveau staan. Zij leren niet meer dan trucjes en kunstjes. Hun ontbreekt ieder begrip van de ‘woorden’ die zij gebruiken. Aangezien apen dus afvallen als ‘echte’ gebruikers van taal, blijven alleen mensen in deze groep over, bij wie de vaardigheid voor taalgebruik al genetisch vastligt.



2. De feiten die voortkomen uit de onderzoeken met de apen overtuigen niet, alleen theorieën doen dat. En het onderzoek naar apentaal is nu eenmaal verstoken van iedere theorie, dus overtuigen deze feiten ook niet.



Conclusie


Ik ben van mening dat de mogelijkheid om taal te kunnen gebruiken aangeleerd is (de nurture-theorie). Voor deze mening heb ik de volgende argumenten:

1. Ik vind de resultaten die voortgekomen zijn uit de onderzoeken met Washoe, Sarah, Koko en Kanzi zeer sterk en overtuigend. Bij hen is het namelijk 100% zeker dat de mogelijkheid taal te hanteren niet aangeboren is, anders hadden apensoorten ook al zelfstandig een eigen taal ontwikkeld. Nu zij taal aangeleerd kregen door de onderzoekers, bleken apen echter zeer goed in staat te zijn met taal om te gaan, sommige zelfs net zo goed als de mens zelf.

2. Ik ben het oneens met het eerste argument van de nature-aanhangers. Ik vind namelijk wel dat apen de grammatica goed beheersen. Immers, hoe kan Koko anders voornaamwoorden en voorzetsels op een correcte wijze gebruiken? Ook vind ik dat de apen de woorden die ze gebruiken wel begrijpen, anders waren ze naar mijn mening niet in staat geweest zelf nieuwe woorden en zinnen te creëren.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

B.

B.

bronnen??

7 jaar geleden

Guy Fieri

Guy Fieri

echt hè

1 jaar geleden

Guy Fieri

Guy Fieri

@Guy Fieri: wow wij hebben echt dezelfde meningen

1 jaar geleden