ADVERTENTIE
Ga je binnenkort naar een open dag? Joes en Jorn laten in deze video zien hoe je je daar op voorbereidt. Welke vragen kun je stellen en waar moet je op letten tijdens zo'n dag? Meer info over hoe je het beste een open dag kan bezoeken?

Check Studiekeuze123
De linde/Tilia
De inheemse Linden zijn in volwassen staat gewoonlijk hoge bomen met een dichte, vaak hartvormige kroon. Ze hebben zowel diep reikende als oppervlakkige wortels. De stam heeft een aanvankelijk gladde, later gegroefde, grijze schors. De groeiwijze van de stam is karakteristiek voor schaduwverdragende bomen, althans als de boom in bosverband opgroeit: de top buigt af en wordt tot een zijtak, terwijl een zijtak zich opricht en de stam voortzet. De jonge boom groeit snel het hout is wit, zacht en licht. Aan de voet van de boom en ook hoger op de stam lopen vaak overvloedig slapende knoppen uit: geen andere boom kan zo’n struikgewas van waterloten vertonen. Uit die waterloten kunnen nieuwe stammen ontstaan, als de hoofdstam het mocht begeven.
De bladeren zijn gesteeld en staan verspreid in twee rijen aan de takken en vormen een perfect blad mozaïek: opnieuw een kenmerk van een schaduwverdragende boom. De steunblaadjes vallen vroegtijdig af. De bladeren zijn meestal hartvormig met toegespitste top en ongelijkhelftig, soms zeer scheef afgeknot. De bladrand is gezaagd. Aan 1 boom kunnen de bladeren in vorm sterk verschillen; aan waterloten zijn ze vaak opvallend groot. De nervatuur is handvormig. De zwaardere nerven zijn gevorkt, met in de oksels van de gaffelingen een toefje haren. Haaks op deze nerven, die naar de bladrand lopen, staat een reeks al of niet opvallende verbindingsnerven. De bladkenmerken, die voor het onderscheiden van Lindesoorten belangrijk zijn, moeten worden nagegaan aan de bladeren uit de kroon en niet aan waterloten.
Tussen hun tiende en dertigste jaar beginnen Linden met de vruchtvorming. De bloeiwijzen ontstaan aan twijgen die eerder in hetzelfde jaar zijn ontloken. Ze komen pas tot ontwikkeling, als takken en bladeren uitgebloeid zijn, en bloeien omstreeks de langste dag. Het schijnt dat de bloei vooral aan de zonzijde van de kroon optreedt. De bloeiwijzen zijn onregelmatig tuilvormige bijschermen. Van de twee schutbladen aan de voet van de bloeiwijze is het ene klein en schubvormig, terwijl het andere groot, lancetvormig en met de middennerf voor de helft met de bloeiwijzesteel vergroeid is. De bloemen zijn regelmatig, vijftallig, tweeslachtig, met vrije, afvallende kelk- en kroonbladen. De talrijke meeldraden vormen min of meer duidelijk vijf bundels. Het bovenstandige, vijfhokkige vruchtbeginsel draagt een stijl met een vijflobbige stempel.
In twee groefjes aan de voet van elk kelkblad, verborgen onder haarbosjes, wordt overvloedig nectar afgescheiden. Vooral tegen de avond geuren de bloemen heerlijk. Allerlei insekten bezoeken de bloemen, zowel overdag als ‘s nachts, waarbij ze zich aan de meeldraden vasthouden. Voor honingbijen zijn Linden- althans in de zuiderlijke helft van het land- hoogst belangrijke drachtplanten, maar alleen bij warm wer en op voldoende vochthoudende grond. Behalve de lichtgele kroonbladen dient stellig ook het grote schutblad als ‘uithangbord’ dat de aandacht trekt van vooral nachtelijke bestuivers. Bestuiving door de wind is mogelijk, maar weing effectief gezien de volledige bebladering van de bomen tijdens de bloei. Over het algemeen leidt alleen kruisbestuiving tot zaadvorming. Per nootje komen hoogstens twee zaden tot ontwikkeling; loze vruchten zijn talrijk.Bij de vruchtverspreiding door de wind dient het grote schutblad als vleugel.
Al komen de ‘vruchtwijzen’ niet erg ver, ze vallen toch minder snel dan de veel lichtere, gevleugelde vruchten van de Es.Bestuivende insekten maken geen onderscheid tussen de bloemen van de verschillende Lindensoorten, die sterk op elkaar lijken. Waar twee soorten bijeen groeien ontstaan gemakkelijk bastaarden, die zelf vaak ook weer vruchtbaar zijn. De toch al subtiele verschillen tussen de soorten worden hierdoor vervaagd.
Net als Iepen zijn Linden typische cultuurgewassen geworden, waarvan in ons land sporadisch ‘wilde’ en min of meer soortzuivere exemplaren te vinden zijn.
Hoewel Nederland binnen het areaal van de Winterlinde en Zuid-Nederland ook binnen dat van de Zomerlinde ligt, nemen beide inheemse Linden tegenwoordig een marginale plaats in de vegetatie in. Het zijn bomen van oudere en voedselrijkere gronden met goede humusomzetting. Zelf hebben de Linden goed verterend bladstrooisel: het zijn ‘bodemverzorgers’.
Van oerbos naar laan en boerenerf
Na de laatste ijstijd verschenene Linden in Noord-west-Europa omstreeks 6500 v.Chr., na Hazelaar, Iep en Zomereik en ongeveer tegelijk met de Zwarte els. Net als bij de Iepen en Eiken is het op grond van stuifmeelonderzoek niet goed mogelijk de soort te bepalen. Er zijn wel graduele verschillen tussen de stuifmeelkorrels van Winter- en Zomerlinde, maar een aanzienlijk deel ervan is niet met zekerheid tot een van beide soorten te brengen. Het tegenwoordige areaal van de twee Linden maakt het aannemelijk dat in Noordwest-Europa voornamelijk de Winterlindeen sporadisch de Zomerlinde verscheen. Evenals de Zomereik vestigde de Winterlinde zich eerst in de dalen en pas zo’n zes eeuwen later op hoger gelegen terreinen. Een overheersende plaats nam zij tussen 6000 en 3000 v.Chr. in het Limburgse lössgebied in. Ook in Noord-Brabant speelde zij een vrij belangrijke rol;in het koelere noordoosten van het land was haar aandeel in het bos geringer. Net als de Iep vertoont de Linde vanaf 3000 v.Chr.een opmerkelijke achteruitgang, die aan uiteenlopende oorzaken wordt toegeschreven. Waarschijnlijk heeft de mens hierin een zekere rol gespeeld. Als landbouwer begon hij het bos te rooien en de Zomereik (de leverancier van eikels, een belangrijk varkensvoer) te bevoordelen. Van de Linde werd de bast afgestroopt, waaruit touw, matten, vloerbedekking, later ook papier werd vervaardigd. Ook werden de bebladerde twijgen wel als veevoer gebruikt. Al kan de boom zich door zijn overvloedige stronkopslag herstellen nadat de stam gevild en daardoor gedood is, de roofbouw die op Linden werd gepleegd versnelde in grote delen van Europa hun ondergang als bosboom. De landbouw verhaastte bovendien het uitlogingsproces, dat van nature in het regenrijke Noordwest-Europa toch al vrij snel verloopt. Verlaten landbouwgronden werden daar voor hervestiging van Linden ongeschikt, maar ook in het ‘oerbos’ bracht de bodemontwikkeling een voor Linde ongunstige verzuring met zich mee. Toen de Beuk, schaduwboom bij uitstek, zich in deze streken breed maakte, was de rol van de Linde in het woud goeddeels uitgespeeld. Tussen Sittard en Roermond nam zij echter nog in de 10de eeuw naast Eik en Beuk een belangrijke plaats in het bos in. In dit gebied ontlenen de dorpen Limbricht en Linne hun naam aan de Linde. Voor de romeinse tijd kwamen Linden hier en daar in de Hollandse duinstreek voor; daarna zijn ze verdwenen.
Des te meer werd de Linde in de buurt van de bebouwing gekoesterd. Zij gold als heilige, ’vrouwelijke’ boom (tegenover de ‘mannelijke’ Eik). Zij beschermde tegen toverij en bliksem. De boom nam een centrale plaats in het dorpsleven in: onder de Linde werd recht gesproken, feest gevierd en getrouwd. Nog steeds geldt de Linde als ‘droomboom’. Vrijstaande bomen krijgen een fraaie, dichte kroon en bereiken een hoge ouderdom, minstens zeshonderd jaar. Eeuwenoude Linden bevinden zich onder meer te Achterberg bij Rhenen en in een aantal plaatsen in
Noord-Brabant, zoals Sambeek en Hilvarenbeek. Naar de Linde verwijzen behalve plaatsnamen ook veel achternamen – bijvoorbeeld Linnaeus (=Lindeman)! Het lindeblad was symbool van het vrij grondbezit (de eikel juist van horigheid). De boom laat zich gewillig snoeien tot een ‘leilinde’, waarvan alle takken zich in één verticaal vlak bevinden. Zulke Linden zijn nog vaak te zien voor de voorgevel van boerderijen. Voor de houtproduktie zijn Linden niet rendabel. Wel werd het hout voor snijwerk gebruikt, bijvoorbeeld voor klompen. Twijgen dienden voor vlechtwerk. Het hout levert een houtskool, die zeer geschikt is als tekenmateriaal en vroeger ook meidinaal werd toegepast.
De bloemen leveren lindehoning en lindebloesemthee, een oud middel tegen verkoudheid en andere kwalen. Als laanboom wordt vooral de bastaard van Winter en Zomerlinde , de Hollandse linde gebruikt. In Midden- en Oost-Europa treedt deze boom spontaan op; in Nederland verjongt zij zich niet. Waar een Hollandse linde in het bos voorkomt, wijst zij meestal een plek aan waar ooit een boerderij heeft gestaan; de grond vertoont op zo’n plek sporen van bodembewerking. De cultuur van deze bastaard is al eeuwenoud: veel van de hoogbejaarde bomen in Noordbrabantse dorpkernen zijn Hollandse Linden.
Oraganismen op en om Linden
Bij de Linden komt vaak ectomycorriza voor. Een opvallende paddestoelenflora komt voor in oude Lindenlanen op rivierklei, met name in de provincie Utrecht. Het gaat daarbij om paddestoelen, die ook met Beuken en Eiken mycorriza kunnen vormen en die aan vocht- en kalkhoudende grond zijn gebonden: Russula-soorten, buisjeszwammen van het geslacht Boletus (Heksenboleten en verwanten), sommige Vezelkoppen. Specifieke Lindebegeleiders zijn er in onze streken niet of nauwelijks. De epifierenbegroeiing op Linden kan betrekkelijk rijk zijn, maar is evenmin specifiek. Deze bomen hebben een voedselrijke, van nature ongeveer neutrale (niet zure) schors.vooral op Linden bij boerderijen zijn nogal wat stikstofminnende korstmossen te vinden, die profiteren van de ammoniak die uit mest verdampt. Het veelvuldig snoeien van de bomen komt deze epifieten ten goede, doordat het sap uit de wonden nitraat bevat en doordat het snoeien de lichtinval op de stam vergroot. Op Linden in Zuid-Limburg woekert nogal een de Maretak.
Van verscheidene vlinders is de rups op de Linde aan te treffen, maar in de meeste gevallen kan die ook op andere loofbomen leven. Tot deze categorie behoort bijvoorbeeld de Lindepijlstaart, die tegenwoordig schaarser dan vroeger voorkomt, onder meer als gevolg van rupsenbestijding. In tegenstelling tot veel andere pijlstaarten is deze vlinder niet in staat nectar uit bloemen te zuigen. In het najaar verkleuren de rupsen paars- of bruinachtig en kruipen ze langs de stammen omlaag om in de grond te verpoppen. Meer specifiek aan Linden gebonden is Xanthia citrago, een lichtgeel met roodbruin gekleurde, tamelijk kleine soort uit de Uilenfamilie. De rups leeft tussen samengesponnen bladeren, vooral aan waterloten uit de stamvoet. De vlinder vliegt in de nazomer; een enkele maal overwintert hij in volwassen staat. Hij komt verspreid, maar niet algemeen voor in de pleistocene streken en aan de binnenduinrand. Van de Lindemineermot maakt de rups bochtige’gangen in het blad, die zich later tot een plaatvormige mijn aaneensluiten. Eveneens plaatvormig zijn de mijnen van de bladwesp Parna tenella, die vooral in bladeren van waterloten leeft, soms met twee of drie larven per blad. Hun aanwezigheid wordt vaak kenbaar doordat het blad zich oprolt. De slakvormige bataardrups van de Lindbladwesp vreet de bladeren kaal tot op het nervenskelet.
Vescheidene galmuggen zijn aan Linde gebonden. Contarinia tiliarum vormt gallen in blad- en bloemknoppen en – stelen, Dasineura tiliam-volvens in ingerolde helften van bladeren van waterloten. Merkwaardig zijn de bladgallen van Didymomyia reaumuriana: het centrale deel van de gal maakt zich in de nazomer vrij van de rand en valt eruit, terwijl het ontstane gat weer dichtgroeit. In zijn ter aarde gevallen woning bregt de galmuglarve de winter door. De blad- en schutbladgallen van galmijten zijn over het algemeen te herkennen aan de dichte beharing van de binnen- en/of buitenkant. De haarbosjes in de nerfoksels aan de bladonderkant fungeren vaak als ‘mijtenhuisje’, waar roofmijten zich schuil houden. De spinmijt Lotetranychus telarius kan vooral in warme zomers tot een plaag worden, waarbij de bladeren vroegtijdig afvallen.
De bladluis die algemeen op Lindebladeren leeft en veel honingdauw afscheidt, heet Eucallipterus tiliae. Ook deze kan bij talrijk voorkomen voortijdig bladval veroorzaken. Bovendien kan zich in de honingdauw massaal ‘roetdauw’ ontwikkelen. Dit is zwarte, oppervlakkig blijvende beschimmeling van de bladeren, bestaan uit een mengsel van verschillende schimmelsoorten. Het is de combinatie van roetdauw en honing dauw die Linden in discredie breng, doordat de zwarte kleverige substantie automobielen bevuilt.
Onder de cicaden is Pediopsis tiliae op Linde gespecialiseerd. De Vuurverwants, en rood met zwart gekleurde wants van ongeveer een centimeter lang, leeft dikwijls aan de voet van Linden. Hij schijnt zich zowel met het sap van de boom als met dode insekten te voeden en voorts afgevallen zaden uitzuigen. Ook de zeegroene, rupsenetende Phytocoris tiliae heeft een voorkeur voor Linden.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.