Het laatste examennieuws, de beste samenvattingen en uitlegvideo's per vak, tips om je optimaal voor te bereiden.

 


Alles over de eindexamens Alles over het CSE


Voorwoord

Wij hadden eerst de gedachte in ons hoofd om ons werkstuk over vetzucht te houden, maar aangezien daar onvoldoende informatie over te vinden was op internet en in de bibliotheek, hebben wij onze keus bevestigd op Diabetes. Het lijkt ons een interessant onderwerp en omdat wij er nog niet zoveel over weten, zal dit gaan veranderen. Aangezien een aantal andere kinderen uit 2b01 ook hun werkstuk over Diabetes houden, hebben wij besloten het nog beter te doen dan 100 procent. U zou dan kunnen gaan vergelijken, en dan zouden wij tot de top behoren.

Bronvermelding:

Titel Auteur Uitgever
Diabetes J.W.F. Elte Immerc
Diabetes David M. Nathan Het spectrum
Ik ben slank want ik eet Michael Montignac Artulen Nederland
Medisch kompas Diabetes Catherine Steven Van Reemst
Diabetes Mellitus A.L. Peltenburg Groen
Suikerziekte J. Huibers Ankh-Hermes
Microsoft Encarta Bill Gates Microsoft
Internet n.v.t. n.v.t.

Inhoud

Voorwoord + Bronvermelding

Hoofdstuk 1: Wat is diabetes mellitus?

Hoofdstuk 2: Verschijnselen

Hoofdstuk 3: Het stellen dan de diagnose

Hoofdstuk 4: De behandeling

Hoofdstuk 5: Zelfcontrole en zelfregulatie

Hoofdstuk 6: Medische begeleiding

Hoofdstuk 7: Oorzaken en gevolgen van diabetes

Hoofdstuk 8: Voeding

Hoofdstuk 9: Interview

Woordenregister

Nawoord

1. Wat is Diabetes Mellitus?

Diabetes Mellitus is Latijn en betekent honingzoete doorstroming. De naam is ontstaan door één van de belangrijkste verschijnselen bij diabetes, namelijk de grote productie van zoete urine. Dit is het gevolg van een te hoge concentratie van glucose in het bloed.

Bij een normaal persoon bevindt zich in de urine geen glucose. Dit komt omdat de nieren de glucose niet door laten gaan naar de urine. Wanneer de concentratie glucose in het bloed boven een bepaalde waarde uitstijgt, kunnen de nieren de glucose op weg naar de urine niet meer stoppen, zo komt er glucose in de urine. De hoeveelheid glucose dat in de urine komt, verschilt per persoon.

Glucose

Iedereen heeft glucose in het lichaam. Dit heeft meerdere functies. Het is nodig voor de vorming van je energie. De glucose verspreidt zichzelf in het hele lichaam. Insuline zorgt ervoor dat de glucose je lichaamscellen in kan komen en dat als er een teveel aan glucose is in je lichaam, dat dat dan wordt opgeslagen.

De glucose dat het lichaam nuttig gebruikt, komt uit de voeding. De voeding bestaat voornamelijk uit koolhydraten, eiwitten en vetten. Je lichaam kan het nog niet meteen gebruiken. Eerst moeten ze in het lichaam verwerkt worden tot kleinere delen. Glucose is een andere benaming voor bloedsuiker, druivensuiker of dextrose. Om glucose binnen te krijgen, kan je aardappelen, brood en rijst eten. Deze bestaan namelijk voornamelijk uit koolhydraten. Ook zoete etenswaren bestaan bevatten veel koolhydraten. Denk dan maar aan jam, koek en suiker.

Als de maaltijd net op is, stijgt het glucosegehalte in het lichaam. Het aantal glucose dat nog niet verwerkt kan worden, wordt opgeslagen in je lichaam. Daarvoor is zoals net al vermeldt insuline voor nodig. Wanneer de glucose nodig is gebruikt het lichaam het opgeslagen glucose.

Insuline

Insuline is een hormoon dat alvleesklier (het pancreas) wordt gemaakt. Insuline is dus de belangrijkste bloedglucose bepaler. Er zijn wel andere hormonen die dit ook doen, maar insuline is toch wel de belangrijkste. Insuline slaat de overvloed zo snel mogelijk op in de spier- en levercellen; die opslag gebeurt in de vorm van glycogeen. Met hulp van een ander hormoon, dat ook in de alvleesklier wordt gemaakt en dat glucagon heet, kan de in glycogeen opgeslagen glucose weer in het bloed worden gebracht. Het glycogeen blijft gedurende 8 tot 10 uur beschikbaar, als de voorraad niet binnen die tijd gebruikt wordt, zal het langzaam worden omgezet in vet.

Als er een tekort aan Insuline is, zal het bloedglucosegehalte stijgen. Daarvoor zijn drie oorzaken. Ten eerste zal het teveel aan glucose dat na de maaltijd in het bloed terechtkomt, in onvoldoende maten kunnen worden opgeslagen.Ten tweede zal het glucose in het bloed niet goed de weefselcellen kunnen binnendringen. En in de derde plaats wordt er bij een tekort aan Insuline met behulp van een ander hormoon extra glucose gemaakt uit andere stoffen, zoals eiwitten. Door deze drie dingen zal de glucose in de urine komen. Dit leidt tot vermagering en tot dorst.

Het stijgen van het glucosegehalte is niet het enige probleem, omdat er in de weefselcellen niet voldoende glucose terechtkomt, moet worden overgeschakeld naar een andere manier van energievoorziening: de verbranding van vetten en eiwitten. Ook dit leidt tot gewichtsverlies. Bovendien kan dit aanleiding geven tot andere problemen. Als uiting van de toegenomen
vetverbranding kan in de urine aceton worden gevonden.

De Bloedsuikerspiegel

De bloedsuikerspiegel is het glucosegehalte in het bloed. Heeft men een nuchtere maag, dan bevat het bloedsuikergehalte 1 gram glucose per liter bloed. Na opname van een koolhydraat op een nuchtere maag is het verloop van het glucose als volgt:

- De bloedspiegel stijgt afhankelijk van het koolhydraat
- Nadat de alvleesklier Insuline heeft afgescheiden, daalt het
bloedsuikergehalte en de glucose dringt dan door tot de cellen
- In de derde instantie wordt de bloedsuikerspiegel weer de oude.

2. Verschijnselen

Bij mensen die aan diabetes leiden, ontstaan meestal duidelijke
verschijnselen. Die direct het bestaan van diabetes doen vermoeden.

Verschijnselen bij diabetes zijn:

- veel plassen
- hevige dorst
- veel drinken
- sufheid
- moeheid
- gewichtsverlies
- hongergevoel
- jeuk
- huidinfecties, zoals steenpuisten
- blaasontsteking
- schimmelinfecties
- wondjes die niet goed helen
- dubbel zien
- verminderd gezichtsvermogen

Veel plassen

Doordat er op een gegeven moment glucose in het urine te vinden is, zal er meer water door de nieren worden doorgelaten. Dit gebeurt omdat glucose water aantrekt. Hierdoor zal de hoeveelheid urine veel groter zijn dan normaal.

Hevige dorst en veel drinken

Als een persoon diabetes heeft, zal hij meer plassen, waardoor hij dus veel vocht verliest. Hierdoor zal diegene soms wel de hele dag door behoefte hebben aan water. Het verloren vocht moet immers worden bijgevuld doormiddel van drinken, want anders droogt het lichaam uit.

Moeheid

Moeheid ontstaat wanneer er een tekort is aan glucose. Wanneer dat het geval is, kan men slechts op halve krachten functioneren. Als een persoon dat diabetes heeft moe is, dan moet hij/zij snel iets eten of drinken.

Sufheid

Sufheid kan komen door ernstige ontregeling waarbij er zich een teveel aan ketonen (verzuring) in het bloed bevindt. Ook bij een hypo (veel te laag glucosegehalte van het bloed) kan sufheid optreden.

Jeuk

Door het droger worden van de huid (als gevolg van dagelijkse verlies van veel urine) kunnen kleine scheurtjes in de opperhuid ontstaan. Dit geeft aanleiding tot het jeuken van het lichaam. Jeuk is dan ook een verschijnsel dat bij de ernstige vorm van diabetes voorkomt. Als iemand jeuk heeft, zonder dat daarvoor een huidziekte als oorzaak is aan te wijzen, kan aan diabetes worden gedacht.

Slechter zien

Bij hoge of sterk wisselende bloedglucosewaarden is het gezichtsvermogen vaak minder. Dit komt door de hierbij optredende veranderingen in de vochthoudendheid van de ooglens.

Dubbel zien

Soms komen er klachten van diabetesklanten over dubbel zien wanneer ze een andere kant op kijken. Dit wordt veroorzaakt door een verlamming van één of meer oogspieren doordat een zenuw die de oogspieren bestuurt, is beschadigd.

3. Het stellen van de diagnose

Het vaststellen van Diabetes (type 1) is vaak makkelijk, omdat de verschijnselen in toenemende mate aanwezig zijn. Het bloedglucosegehalte is meestal sterk verhoogd en in de urine wordt aceton gevonden.

Diabetes bij ouderen (type 2) is wat moeilijker vast te stellen. De verschijnselen zijn minder ernstig dan normaliteit. Dorst en veel plassen zijn vaak de enige klachten. Het verloop van de klachten zijn meestal traag en mild, daardoor kan het meer dan een jaar duren totdat de diagnose wordt gesteld. Dit komt dan door klachten op basis van lange termijn.

Om zeker te zijn dat een patiënt Diabetes heeft, wordt het glucose in het bloed getest. De test wordt dan meerdere malen uitgevoerd om zeker te zijn van de diagnose. Vroeger werd ook wel om de diagnose vast te stellen de glucosetolerantietest toegepast. Bij die test wordt gekeken tot welke hoogte
het bloed stijgt na het drinken van een bepaalde hoeveelheid suikerwater. Daarna wordt dan elk half uur gekeken tot hoever het glucosegehalte weer is gedaald. Omdat deze test niet echt betrouwbaar en onaangenaam is, wordt hij weinig toegepast. Sommige klinieken gebruiken deze test nog wel om zwangerschapsdiabetes aan te tonen. Voor het stellen van de diagnose wordt nu gedaan met een bloedafname. Dat kan nuchtere bloedglucosebepaling zijn (nuchter wil zeggen: ’s morgens voordat men iets heeft gegeten of gedronken), of een bepaling uit bloed dat ongeveer twee uur na de maaltijd is afgenomen. Het bloedmonster wordt meestal met behulp van een vingerprik verkregen. De bepaling bevindt zich later plaats in het laboratorium of direct met behulp van een eenvoudige glucosemeter. Om de diagnose definitief vast te stellen, is het noodzakelijk minstens tweemaal een verhoogde bloedglucosewaarde aan te tonen.

Onderscheid tussen de twee types Diabetes

Het onderscheid tussen type 1 en 2 wordt meestal gemaakt op basis van de eerste verschijnselen en soms ook op latere verloop. Opvallend is dat bij type 1 veel ketonen in de urine kunnen worden gevonden.

C-peptide

C-peptide is een stof die in de alvleesklier vrijkomt bij de vorming van Insuline. Het is, samen met het Insuline, afkomstig van het pro-insuline dat door de alvleesklier wordt gemaakt. Zodra er insuline nodig is, deelt het pro-insuline zich in nagenoeg gelijke hoeveelheden insuline en C-peptide. Het C-peptide is daarom een goede maat voor de hoeveelheid nog door de
alvleesklier geproduceerde insuline. Het meten van de hoeveelheid C-peptide in het bloed kan dus gebruikt worden om een onderscheid te maken tussen de twee typen Diabetes.

4. De Behandeling

De hoogte van het bloedglucosegehalte is afhankelijk van de voeding en de mate van stress aan de ene kant en de lichamelijke activiteit en diabetesmedicijnen aan de andere kant. Bij de behandeling hebben we met deze vier factoren te maken. De behandeling van diabetes richt zich op het laten verdwijnen van de verschijnselen, het normaliseren van de bloedglucosewaarden en het zoveel mogelijk voorkomen, uitstellen of verminderen van het ontstaan van complicaties op lange termijn.

Bij de behandeling van Diabetes streven de doktoren naar een normaal lichaamsgewicht. Daarnaast wordt ook een normale bloeddruk en het voorkomen van nicotine nagestreefd, omdat een te hoge bloeddruk en het roken van sigaretten het risico op het ontstaan van hart- en vaatziekten vergroten.

Hoe berekenen ze de ideale lichaamsgewicht?

Het ideale lichaamsgewicht kunnen doktoren berekenen door het
lichaamsgewicht (kg) te delen door de lengte (m) in het kwadraat (kg/m2). Ze noemen dit ook wel de Quetelet-index (Qi), of de body mass index (BMI). Voor mannen spreekt men van een ideaal gewicht wanneer de Qi kleiner dan 25 is.
Bij vrouwen daarentegen dient de Qi kleiner dan 24 te zijn.
Ter verduidelijking staat hieronder een tabel.

De voornamelijkste doelen van de behandeling

De verschillende vormen van Diabetes worden besproken en daarbij worden ook de hoofddoelen van de behandeling in het oog gehouden. De behandelingsdoeleinden zijn:
- voorkomen van verschijnselen
- goede instelling, d.w.z.: normale bloedglucose
- een zo goed mogelijk dagelijks bestaan
- handhaven van een normaal lichaamsgewicht (steeds vaker wordt gebruik gemaakt van de taille-heupratio in plaats van de BMI, omdat dit een betere maat is voor het gevaarlijke vet in de buik).
- Voorkomen van acute ontregelingen (lage of hoge bloedglucose)
- Voorkomen of uitstellen van lange termijncomplicaties.

De behandeling van Diabetes met tabletten

Als de voedingswijzen bij diabeten onvoldoende resultaat hebben, worden tabletten geadviseerd. Allereerst wordt geprobeerd om het te hoge lichaamsgewicht omlaag te brengen, dit lukt lang niet altijd. Bij de behandeling met tabletten zijn er drie verschillende soorten tabletten:
- Stoffen die afgeleid zijn van Sulfonylureum, dat de vorming van insuline in de alvleesklier stimuleert en de werking van insuline bevordert.
- Biguandines, stoffen die de lichaamscellen gevoeliger maken voor insuline
- Alfa-glucosidase remmers, die de opname van glucose in de darm vertragen en daardoor zorgen voor minder stijging van de bloedglucose na de maaltijd.
De voedingsadviezen blijven bij het gebruik van tabletten natuurlijk van kracht.

Sulfonylureum-afgeleiden

Om even uit te leggen wat Sulfonylureum-afgeleiden, Biguandes en
Alfa-glucosidase remmers zijn, doen wij dat hier doormiddel van wat uitleg rondom deze drie stoffen.

De stoffen die van Sulfonylureum-afgeleiden zijn afgeleid, stimuleren de aanmaak van insuline in de alvleesklier. Daarnaast bevorderen ze de werking van insuline in de lever en de lichaamsweefsels. Deze middelen werken dus vooral als de alvleesklier nog insuline maakt. Vaak treedt er bij gebruik van Sulfonylureum een stijging van het gewicht op. Dit is een goede reden om bij het gebruik van deze middelen de voedingsadviezen goed te volgen.

Bij het gebruik van Sulfonylureum-afgeleiden is er een risico op het ontstaan van een hypoglycemie (hypo=laag bloedglucosegehalte). Deze hypo’s kunnen lang aanhouden, waardoor de opname in het ziekenhuis noodzakelijk kan zijn. Regelmatig controle van het bloedglucosegehalte is daarom ook erg belangrijk.

De meest gebruikte tabletten van de Sulfonylureumgroep zijn: tolbutamide (Rastion , Artosin), gliclazide (Diamicron), glibenclamide (Daonil, Euglucon) en glipizide (Glibenese). Deze worden meestal 1 a 2 maal daags ingenomen.

Biguanides

Middelen uit deze groep maken zoals al verteld de lichaamscellen gevoeliger voor insuline en zijn dus vooral geschikt als er sprake is van insuline resistentie (verminderde gevoeligheid voor insuline) door bijvoorbeeld een te hoog lichaamsgewicht. Ze veroorzaken geen hypo’s, maar er zijn wel andere bijweringen met nadelige gevolgen. Denk daarbij aan maag-darm klachten. De enige tablet in deze soort is metformine (Glucophage) die tijdens de maaltijden wordt ingenomen.

Alfa-glucosidase remmers

Nog niet zo lang geleden is nog een derde soort tabletten op de markt gekomen. Het betreft de zogenaamde remmers (miglitol en acarbose) die de opname van glucose in de darm vertragen en daardoor zorgen voor minder stijging van de bloedglucose na een maaltijd. Ze worden vooral gebruikt bij patiënten die onvoldoende reageren op het voedingsadvies.

Behandeling met insuline

Alle typen Diabetes bij wie de voedingsadviezen en de tabletten onvoldoende helpen, zullen worden behandeld met insuline. Insuline kan alleen maar doormiddel van een injectie worden toegediend. Dat doet men met een dun naaldje dat tot onder de huid wordt ingebracht.

Iemand die diabetes heeft kan zelf bepalen of hij of zij twee of vier maal per dag spuit, dat is maar hoe het hem of haar uitkomt. De hoeveelheid Insuline die ingespoten moet worden, verschilt van persoon tot persoon en wordt aan de hand van het bloedglucosegehalte bepaald. Bij type 2 patiënten met een verhoogd lichaamsgewicht is een hoge
dosis Insuline nodig, omdat zij een verhoogde weerstand hebben.

Soorten Insuline

Het door het lichaam aangemaakte Insuline kan tegenwoordig precies worden nagemaakt, zonder dat het negatieve bijwerkingen heeft. Deze precies nagemaakte stof heet ‘humane insuline’. De meeste landen hebben een bepaalde sterkte van het Insuline genomen, zodat er geen vergissingen meer kunnen komen.
Het menselijke Insuline werkt maar kort, omdat het betrekkelijk snel weer wordt afgebroken. Door de Insuline aan te passen, kan het zo gemaakt worden dat het vanuit de injectieplaats langzaam wordt opgenomen in het bloed en daardoor langduriger werkzaam blijft.

Regelmatige bloedcontrole

Net zoals bij de behandeling met bloedglucoseverlagende tabletten is het bij het gebruik van Insuline nodig om regelmatig het bloedglucosegehalte te meten. Na de uitslag kan als het nodig is de hoeveelheid missende Insuline worden ingespoten. Dit wordt dan diep in de onderhuids vetlaag ingespoten.
De diabeet kan dan een stukje vel pakken met twee vingers en kan de naald er dan schuin in steken. Het kan ook zonder de huid op te pakken en de naald er gewoon loodrecht in spuiten.

De diabeet moet alleen wel uitkijken dat hij/zij niet te diep gaat met de spuit, want de Insuline kan dan een spier raken. Als het te ondiep wordt ingespoten komt het in de huid terecht. Bij beide gevallen kan het pijn, bloedingen en harde plekken ontstaan.

Er zijn allemaal verschillende regels voor het gebruik van mensen die bijvoorbeeld zwanger of ziek zijn, dan moet er of juist meer of juist minder Insuline in het bloed worden gespoten.

Of wanneer iemand fanatiek sport zijn er weer aanpassingen aan het gebruik van Insuline, zo zijn er hele scripts opgesteld voor al deze bijzondere gevallen. Als je en diabeet bent, moet je daarom ook snel aangeven wanneer je ziek bent en of je sport.

5. Zelfcontrole en zelfregulatie

Om een zo normaal mogelijk bloedglucosegehalte te krijgen, blijkt dat zelfcontrole en zelfregulatie heel belangrijk is. Bij zelfcontrole moet je daarbij denken aan het zelf prikken van bloed uit de vinger en het meten van de bloedglucosewaarden. Zelfregulatie is het reguleren van het bloedglucosegehalte doormiddel van een zelf aangepaste dosis insuline.

Er zijn prachtige apparaten voor het pijnloos bloed prikken. De druppel bloed die uit de vingertop komt, brengt men in contact met het uiteinde van een speciaal stripje, dat het bloed opzuigt. Daarna wordt het stripje in de glucosemeter geschoven, waar de diabeet kan zien of het gehalte goed is. Er zijn veel verschillende glucosemeters die allemaal betrouwbare informatie geven.

Helaas voor de diabeten worden die meters niet door de
ziektekostenverzekering vergoed. De stripjes die de diabeet bij de proef nodig heeft, worden wel vergoed, alleen moet de diabeet wel insuline spuiten. Diabeten die tabletten gebruiken krijgen de strips niet vergoed.
Veel ziektenorganisaties vinden het belachelijk dat diabeten hun tabletten en strips zelf moeten betalen, maar hun pleidooien voor vergoeding hebben helaas voor hen nog niets opgeleverd. Gelukkig zijn wel de meters redelijk betaalbaar geworden, alleen de strips zijn vrij duur.

Zelfcontrole is goed, omdat het goed is om meteen te weten hoe hoog je bloedglucosegehalte is. Als het gehalte dan een afwijking heeft, kan je dit meteen verwerken.

Urinecontrole heeft alleen zin wanneer er sprake is van hoge
bloedglucosewaarden. Men meet dan of er aceton in de urine aanwezig zijn. De test wordt gedaan doormiddel van speciale teststrookjes.

Zelfregulatie

Na een bepaalde lange periode is zelfcontrole alleen nog maar nuttig als er ook aan zelfregulatie wordt gedaan. Hiermee wordt bedoeld dat diabeet zelf insuline toevoegt als te hoog of te laag zijn. Dit wordt meestal gedaan door diabeten die viermaal daags spuiten.

Zelfcontrole en zelfregulatie kan een diabeet niet zomaar uit zichzelf. Het moet hem/haar geleerd worden. Dat leren gebeurt zorgvuldig en meestal met behulp van een diabetesverpleegkundige of een verpleegkundige van de kruisvereniging. Deze zijn speciaal opgeleid om diabeten te instrueren en te begeleiden. Er zijn meerdere verenigingen die cursussen geven aan diabeten.
Als het een diabeet geleerd wordt, worden meestal ook de huisgenoten erbij gehaald, om die ook te leren hoe het moet, omdat zij diegene kunnen helpen.
De diabeet wordt zo een beetje zijn eigen dokter en kan hij inspelen op alle omstandigheden om de bloedglucosewaarden zo normaal mogelijk te houden en lange-termijncomplicaties zo veel mogelijk uit te stellen of te voorkomen.

6. Medische begeleiding

De begeleiding van Diabetes ligt in de handen van de huisarts en de internist, bij kinderen wordt de begeleiding door de kinderarts gedaan en wordt er af en toe andere begeleiders ingeschakeld, zoals de diabetesverpleegkundige.

Begeleiding bij type 1

De diabeten die type 1 hebben, worden minimaal een keer per 3 maanden gecontroleerd, waarbij naar klachten wordt gevraagd. Bij zo’n controle wordt het gewicht gemeten en ook de bloeddruk wordt opgemeten. Er wordt een glucose dagcurve gedaan en een aantal percentages worden bepaald. Eens per 3 a 6 maanden wordt eiwit in de urine gemeten. Bij ontregeling of bij onbevredigde laboratoriumwaarden wordt de diabeet natuurlijk vaker gezien door de arts.

Als de mate toeneemt, ontstaan er samenwerkingsverbanden tussen huisartsen en specialisten waardoor de controles gezamenlijk (dat wil zeggen om en om) plaats kunnen vinden. Het jaarlijkse periodiek onderzoek wordt meestal door de specialist gedaan. Die laat alle laboratoriumonderzoeken uitvoeren en verricht zelf een lichamelijk onderzoek. Bij het lichamelijk onderzoek worden het gewicht en lengte gemeten, met de stethoscoop wordt geluisterd
naar vaatgeruis (dat op vernauwing van een bloedvat kan wijzen) en de injectieplaatsen worden bekeken. Verder wordt het andere deel van het lichaam nog geïnspecteerd. Tenslotte wordt geïnformeerd naar eventuele klachten.

Begeleiding bij type 2

Bij diabeten van type 2 worden, indien alleen een voedingsadvies of tabletten zijn voorgeschreven, meestal door de huisarts gecontroleerd. De controles vinden ongeveer plaats als bij type 1, daarbij kan soms met een enkele bloedglucosemeting voor het ontbijt worden volstaan. De huisartsen hebben voor de type 2 patiënten een vaste richtlijn bedacht, daarin is vastgelegd welk onderzoek moet plaats vinden en hoe vaak per jaar dit nodig is. Zodra type 2 patiënten Insuline moeten gaan spuiten, komen ze meestal bij de specialist terecht waarna de begeleiding plaatsvindt.

7. De oorzaken en gevolgen van Diabetes

Oorzaken
Er zijn meerdere theorieën over de oorzaken van deze ziekte. Het is algemeen bekend dat diabetes voor een groot deel voortkomt uit de genen, tenminste, de oorzaken worden met men geboren. De personen met het hoogste risico diabetes te krijgen zijn de personen die genetisch gevoelig zijn. Maar dat men genetisch aanleg heeft, betekent niet dat hij ook diabetes krijgt. Er moet ook iets zijn, wat de ziekte veroorzaakt.
Deze oorzaken kunnen zijn:

· Voor type 1 diabetes
- Een virus;
- Proteïne in koemelk;
- Stress;
- Leefomgeving.

· Voor type 2 diabetes
- Corpulentie en overeten;
- Gebrek aan beweging;
- Leeftijd;
- Continu verhoogde bloedsuikerspiegel;
- Stress;
- Laag geboortegewicht.

Type 1 diabetes
Een virus
Door de volgende virussen kan diabetes ontstaan:
De Bof, Rubella of Rode hond (40% van de baby’s die in de baarmoeder worden besmet met rubella krijgen op latere leeftijd diabetes)

Koemelk
De proteïne in koemelk is een sterke oorzaker voor diabetes. De ontwikkeling van type 1 diabetes is ongeveer 50% hoger bij baby’s die met de fles gevoed zijn. Bij kinderen met genetisch aanleg voor diabetes ontstaat een immuunreactie op de proteïne in koemelk.

Stress
Stress kan het proces van celvernietiging bij sommigen met aanleg versnellen.

Leefomgeving
Uit onderzoeken zijn gebleken dat de leefomgeving ook een grote invloed heeft. Drukke steden, uitlaatgassen e.d. zijn ook oorzaken van type 1 diabetes.

Type 2 diabetes
Corpulentie en overeten
Ongeveer 80% van alle type 2 diabetes patenten heeft last van overgewicht. Overgewicht vergroot de kans op insulineresistentie.

Gebrek aan beweging
Door gebrek aan beweging ontstaat overgewicht. Zie corpulentie en overeten.

Leeftijd
Type 2 diabetes treedt op bij mensen boven de 50 jaar. Dit is in verband met de mindere lichaamsbeweging en de afname van de natuurlijke insulineactiviteiten.

Continu verhoogde bloedsuikerspiegel
Een hoge bloedsuikerspiegel is meer een waarschuwing dan een oorzaak. Het hoge bloedsuikerspiegel kan tot diabetes leiden. Maar het gebeurt niet altijd.

Stress
Stress brengt de bloedsuikerspiegel omhoog. Zie continu verhoogde bloedsuikerspiegel.

Laag geboortegewicht
Uit onderzoeken zijn gebleken dat baby’s die mager en met weinig
spierenmassa geboren zijn, later meer kans hebben op diabetes.

Gevolgen
Diabetes heeft vele verschillende gevolgen. De loedsuikerspiegel is door diabetes erg hoog.
Een ander gevolg is de diabetische voet. De diabetische voet is een voet afwijking die voornamelijk bij mensen met diabetes voorkomt. Namelijk 1 op de 4 patiënten krijgt last van problemen aan de voeten. Meestal ontstaan deze problemen als gevolg van vaatafwijking of zenuwafwijking. Als gevolg van zenuwafwijkingen kunnen de spieren in de voeten minder gevoelig worden.
Daardoor merkt de patiënt niet dat er zich wondjes e.d. op de voet bevinden. Omdat deze wondjes niet gevoeld worden, raken de wondjes geïnfecteerd en ontstaan er zweren. Door vaatafwijking is de doorbloeding van de voet erg verstoord en kan een infectie daardoor moeilijker genezen. Een diabetische voet leid meestal tot een amputatie, omdat de voet niet meer te genezen is.

8. Voeding

Voeding is erg belangrijk bij diabetes. Diabetes patienten mogen niet teveel vet eten.

Het advies voor de voeding
Vroeger diende een diabeet een streng dieet te volgen, waarbij diegene volgens een dieetlijst alle voedingsmiddelen diende te wegen om vast te stellen hoeveel er die dag van gebruikt mocht worden. Nu zijn de inzichten verandert en is het strenge dieet achter wegen.

Omdat de het recept voor diabeten niet zo veel anders is dan een advies voor gezonde voeding, wordt niet meer over een diabetesdieet gesproken, maar over een voedingsadvies. Dit advies baseert op algemene richtlijnen, maar zal we; aangepast zijn aan de behoeften van de diabeet. Het advies wordt uit voorkeur meestal gegeven door een diëtist en is altijd maatwerk.

Algemene richtlijnen voor de voeding
De algemene richtlijnen voor de voeding zijn als volgt:
- Eet regelmatig. Sla dus geen maaltijden over en verdeel het eten goed over de dag. Neem eventueel tussenmaaltijden (het ligt eraan of de diëtist dit voorgeschreven heeft).
- Neem voldoende (25-30 gram) oplosbare voedingsvezels. Bij voorkeur zijn dit groente, fruit en peulvruchten. Deze hebben een positieve invloed op het bloedglucose en insulinegehalte.
- Eet niet teveel vet, suiker, zout en alcohol.
- Eet gevarieerd.
- Eenvoudige koolhydraten zoals kristalsuiker, geven geen snellere bloedglucosestijging dan andere koolhydraten. Wel levert het extra calorieën zonder verdere nuttige voedingsstoffen.
- De voeding dient in procenten van geleverde energie uitgerekend, opgebouwd te zijn uit meer koolhydraten, minder vetten en minder eiwitten dan gewoonlijk in Nederland wordt gebruikt. Met name moet minder verzadigd vet worden geconsumeerd. Cholesterol is tot een maximum van 300 mg per dag
toegestaan.
- Houd er bij de keuze van suikervrije en suikervervangende producten rekening mee dat de meeste stoffen die zoet zijn veel calorieën bevatten en dat teveel gebruik daarvan kan aanleiding kan geven tot diaree.
- Het aantal calorieën wordt afgestemd op het lichaamsgewicht en de behoefte.
- Bij een viermaal daags insuline regime zijn tussenmaaltijden niet altijd nodig.

Behalve dat het plezierig is om te bewegen, geeft het ook nog eens een positieve invloed op de gewichtsvermindering. Bovendien neemt het uithoudingsvermogen toe, het verlaagt de bloeddruk en verbetert de werking van hart- en vaatziekten. De diabeet moet er wel op letten dat het bloedglucosegehalte niet te hoog, maar ook niet te laag wordt.
Bij sportactiviteiten moet meestal extra koolhydraten aan het begin worden toegevoegd. Dit is om verzuring van het lichaam door vetafbraak en hypo’s te voorkomen.

9. Interview

Wij hebben een interview gehouden met een diabeet. Zijn naam is Thomas v. Milligen en in het interview hebben we hem afgekort met T. Voor onszelf hebben we A&R genomen.

A&R: Hoe lang heb je diabetes?
T: Iets meer dan een jaar. Sinds 20 februari 2000

A&R: Welke type diabetes heb je?
T: Type 1

A&R: Voel je je anders dan andere kinderen?
T: Nee

A&R: Wordt je wel eens gepest, omdat je diabetes hebt?
T: Nee, gelukkig niet

A&R: Wat is de oorzaak van je diabetes?
T: Dat is niet bekend, maar ik heb wel genetisch aanleg voor diabetes. Ook
kan het zijn dat het komt door slecht eten

A&R: Praat je wel eens met een diabetesverpleegkundige?
T: Heel af en toe wel ja

A&R: Moet je vaak naar het ziekenhuis voor controle?
T: Nee, eens per kwartaal. Soms twee keer

A&R: Kan je er makkelijk over vertellen dat je diabetes hebt?
T: Ja, best wel

A&R: Spuit je zelf?
T: Overdag doe ik het, en ’s avonds doet mijn moeder het voor me

A&R: Hoe vaak spuit je per dag?
T: Vier keer

A&R: Vind je het vervelend om te spuiten?
T: Nee

A&R: Duurt het lang om te spuiten?
T: Nee, het is zo gebeurd

A&R: Zijn al die medicijnen duur?
T: Nee, de verzekering dekt de kosten, behalve de strips voor de
glucosemeter, want bij die strips moet ik wat bijbetalen

A&R: Maar je moest de apparatuur toch wel zelf betalen?
T: Nee, dat was nog een paar jaar geleden

Woordenregister

Ter verduidelijking van bepaalde ingewikkelde uitspraken, is hier een alfabetische woordenlijst.

Alpha-glucosidase remmers
Medicijnen die de opname van glucose in de darm vertraagt, waardoor de bloedglucosestijging va een maaltijd vermindert.

Bètablokkers
Medicijnen die gebruikt worden bij o.a. hoge bloeddruk en angina pectoris. Zij kunnen het herstel van een hypo vertragen (met name bij insulinegebruikers) en ervoor zorgen dat men een optredende hypo niet voelt aankomen.

Bètacellen
De cellen die insuline maken. Ze bevinden zich in de Eilandjes van Langerhans in de alvleesklier.

Biguanides
Medicijnen die de lichaamscellen gevoeliger maken voor insuline (type-2 diabetes). Vooral geschikt bij een te hoog lichaamsgewicht. Veroorzaken geen hypo’s.

Dextrose
Glucose

Eilandjes van Langerhans
Samengegroepte cellen in de alvleesklier. Bevat o.a. de bètacellen in de alvleesklier en ook de cellen die glucagon maken.

Glucagon
Hormoon dat wordt gemaakt in de alvleesklier en een bloedglucosegehalte verhogende werking heeft. Is ook beschikbaar als medicijn dat ingespoten kan worden bij een lage bloedglucose waarde. Het maakt dan glucose vrij uit de reservevoorraad.

Glycogeen
De opgeslagen reservevoorraad glucose in lever en spiercellen.

Glucose
Glucose of druivensuiker, het kleinst mogelijk koolhydraat. Circuleert in het bloed en heet dan ook wel bloedsuiker.

Glucosetolerantie
De mate waarin het lichaam de aangeboden glucose verwerkt. Is de
glucosetolerantie gestoord, dan ontstaat een verhoogd bloedglucosegehalte.

HbA1(c)
Geglyceerd hemoglobine: het deel (percentage) van hemoglobine waaraan
suikerachtige stoffen hechten; als zodanig is het maat voor het gemiddelde bloedglucosegehalte van de voorafgaande 2 a 3 maanden.

Hypo(glycemie)
Verlaagde bloedglucosewaarde; meestal worden hiermee vooral de erbij
optredende klachten bedoeld.

Insuline
Hormoon dat in de alvleesklier wordt gemaakt.

Mmol/l
Aantal millimolen per liter, meeteenheid voor glucose in o.a. bloed.

Neuropathie
Afwijkingen van de zenuwbanen zoals die o.a. bij diabetes voor kunnen komen.

Quetelet-index
Maat om het overgewicht te berekenen m.b.v. de formule kg/m2

Retinopathie
Afwijkingen aan de ogen (het netvlies), zoals die o.a. bij diabetes kunnen voorkomen.

Vasculopathie
Afwijking aan de grote (macro) en kleine (micro) bloedvaten, zoals die o.a. bij diabetes kunnen voorkomen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

E.

E.

mooi werkstuk! veel informatie;)

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

R.

R.

wat een stomme site-

5 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

J.

J.

Hi A&R, jullie hebben niet echt wat verteld over hypo & hyper (dat had ik nl. net nodig) Maar voor de rest een goed werkstuk, hoor!!!!!!
Groeten Jeanet

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast

een scholier

een scholier

Ha Ary en Robin,

Goed werkstuk, kunnen we goed gebruiken voor ANW !
Thnx voor het plaatsen op scholieren.com

Bart
vw4

15 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast