Mannekino leesdossier

Beoordeling 7
Foto van een scholier
  • Leesautobiografie door een scholier
  • 4e klas vwo | 8891 woorden
  • 2 november 2016
  • 6 keer beoordeeld
  • Cijfer 7
  • 6 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Methode

Inleiding



Ons eerste literatuurproject van dit jaar gaat over de relatie tussen literatuur en wat er zich in de maatschappij afspeelt. Het doel van dit project is om erachter te komen hoe de auteur van ons gekozen boek met de realiteit is omgegaan. Dit onderzoek resulteert dan in een presentatie en een leesdossier.



Voor dit project hebben we het boek Mannekino gekozen van Sybren Polet. Nadat we dit boek hadden gelezen, probeerden we een goede hoofdvraag voor dit onderzoek te formuleren. De hoofdvraag luidt: Hoe realistisch is de omschrijving van hoogbegaafdheid in dit boek? Nadat we deze hoofdvraag zo goed mogelijk hadden geformuleerd konden we de deelvragen hierbij gaan bedenken die de hoofdvraag zou gaan ondersteunen.



De 3 deelvragen:




  •        In hoeverre zijn de hersenen van hoogbegaafde kinderen ontwikkeld?

  •        Hebben hoogbegaafde kinderen een snellere psychologische ontwikkeling?

  •        Is het mogelijk dat een hoogbegaafd kind van 9 jaar een bedrijf kan stichten?



Verder moeten we ook nog een mondelinge opdracht (interview) doen. Daarbij moeten we iemand gaan interviewen die gespecialiseerd is in het onderwerp hoogbegaafdheid. Het interview helpt ons bij het beter beantwoorden van onze hoofdvraag.



De taken hebben we als volgt verdeeld:






















































 Groepsleider



  Senna



Inleiding



Noer



Samenvatting



Noer



Karakterisering



Senna en Job



Motieven



Bart



Achterliggende gedachte



Senna



Deelvraag 1



Job



Deelvraag 2



Senna



Deelvraag 3



Bart



Interview



Bart en Job


     


Literair oordeel



Samenvatting Mannekino



Het boek ‘Mannekino’ gaat over Guido Jagt, een zeer intelligent jongetje. Hij wil voor zijn tiende miljonair worden. Naar school gaan vindt Guido niet heel leuk omdat hij alles al snapt. Maar om het niet op te laten vallen dat hij hoogbegaafd is, zorgt hij ervoor dat hij voor alle vakken een zeven gemiddeld staat. Ook houdt hij voor zijn ouders geheim dat hij hoogbegaafd is. Hij denkt namelijk dat mensen het raar vinden dat hij zo buitengewoon intelligent is. Buiten school verdient hij geld door autopetten te verhuren. Maar al snel komt hij erachter dat hij daar niet genoeg mee verdient. Zo komt hij op het idee een notaris in te huren, zodat hij zijn plannen groter kan aanpakken. Al snel ontmoet hij notaris Riphagen. Om Riphagen zover te krijgen om voor hem te werken chanteerde hij hem met ongepaste foto’s die hij van Riphagen gemaakt had. Met behulp van Riphagen opende Guido zijn eerste bedrijf, een café, die hij Mannekino noemt. Kenmerkend aan het café zijn de levensechte poppen waar mensen mee kunnen praten en dansen, en de obers die weer op poppen leken. Mannekino werd al snel een groot succes en het leverde Guido veel geld op.



Ondertussen hebben zijn ouders nog helemaal geen idee van dat hun zoon zo rijk is. Tegelijkertijd gaat het steeds slechter met zijn notaris. Riphagen wordt gek van Guido en is zelfs bang voor hem. Hij probeert Guido steeds te vermijden en wil dat Guido minder vaak op zijn kantoor langs komt. Guido begon steeds minder vertrouwen te krijgen in Riphagen en  besloot dus om iemand anders te zoeken die hij wel kon vertrouwen en waarmee hij goed kon samenwerken. Na een tijdje zoeken kwam hij uit op een reclamebureau. Daar werkt Lokien. Nadat Guido hem een tijdje had geobserveerd stelde hij zichzelf voor en raakten ze bevriend. Guido wilde Riphagen vervangen door Lokien, en Lokien stemde toe op voorwaarde dat Guido de foto’s aan RIphagen teruggaf. In tussentijd was Guido’s vermogen  400.000 gulden. Na een tijdje kwam Guido op een nieuw idee. Omdat zijn moeder altijd last heeft van koude voeten, bedenkt Guido een nieuwe uitvinding: elektrische schoenen die vanuit de zool warmte geven. Deze uitvinding levert hem ook veel geld op. Guido neemt een nieuwe werknemer aan, Mr. Houwink.  Houwink is de eerste persoon die Guido als volwassene erkent en dat vond Guido erg prettig. Houwink zorgde ervoor dat Guido een eigen kantoor kreeg waar hij al zijn spullen kon neerzetten zonder dat zijn ouders erachter kwamen. Vanuit dat kantoor regelde hij alles.



Op een dag zat Guido een boek te lezen in het park, toen een paar jongens aankwamen en vervelend begonnen te doen. Ze pakten eerst zijn boek af en opeens begonnen ze te slaan en te schoppen. Guido pikte dat niet en wilde wraak. Hij verzamelde tientallen mensen die betaald werden om voor hem te vechten. Hij ging naar de jongens met zijn legertje en nam zijn wraak.



Martinus, Guido’s vriend, ligt in het ziekenhuis. Hij heeft een erge ziekte. Guido wilde zijn vriend altijd helpen van de dood te redden. Op een dag had hij anoniem wat geld gestort op zijn rekening zodat Martinus dat geld kon gebruiken om hem te laten onderzoeken door specialisten. Helaas blijkt dat hij niet meer te redden is en dat hij nog maar een paar maanden te leven heeft. Toen Guido Martinus bezocht, wilde Martinus slaappillen. Voor hij ging inslapen, vertelde Guido de waarheid aan hem. Hij vertelde dat hij hoogbegaafd was en vertelde ook hoe hij aan al dat geld kwam. Ze namen afscheid en spraken elkaar nooit meer.



Aan het einde van het boek gingen Lokien en Guido samen op vakantie. Maar op vakantie ging het steeds slechter tussen de twee. Lokien had een beetje genoeg van Guido. Tijdens een bergwandeling vroeg stelde Guido voor dat Lokien voor hem moest gaan werken. Lokien vatte dit beledigend op en gooide Guido van een rots. Na die gebeurtenis deed Guido afstand van Lokien. Lokien had altijd gehoopt dat Guido terug zou komen maar Guido kwam niet meer terug.



Karakterisering



Guido Jagt



Guido Jagt komt er op jonge leeftijd achter dat hij bijzonder intelligent is. Al op zijn vierde jaar kon hij lastige wiskundevraagstukken met gemak oplossen. Toen hij erachter kwam dat zijn ouders dat ‘raar’ en ‘apart vonden besloot hij zijn intelligentie te verbergen voor de buitenwereld. Wanneer hij zei dat hij buiten ging spelen met zijn vriendjes was hij op straat zijn zelf gemoderniseerde autopetten aan het verhuren. Daarnaast deed hij allerlei andere dingen waar hij geld mee kon verdienen, zoals postzegels verkopen en het oplossen van prijsvragen. Guido wil binnen een jaar een miljonair zijn en realiseert dat daar wel meer voor nodig is dan prijsvragen. Dit is de reden waarom hij de hulp van een volwassene inschakelt en op het idee komt een restaurant te stichten. Een karaktereigenschap van Guido is dus dat hij erg ondernemend is en doelstrevend.



Waar Guido erg mee worstelt is dat hem veel mogelijkheden ontnomen worden, alleen omdat hij nog een kind is. Hij is mentaal namelijk veel volwassener dan zijn werkelijke leeftijd. Zo kon hij zijn spaargeld niet op een bankrekening zetten en er rente over ontvangen omdat hij geheim moest houden dat hij zoveel geld had. Hij verstopte zijn geld dus een lange tijd thuis in een blik. Daarna zette hij het op een spaarrekening op Riphagen’s naam, maar ook dit was niet ideaal want daar ging dan ook nog belasting van af op basis van Riphagen’s inkomen. Ook vond hij het niet leuk dat niemand wist dat Mannekino zìjn café was.



“ Eigenlijk was het belachelijk, dacht hij, dat ze straks voor hun konsumpties moesten betalen en dat hij zijn vriend niets aan kon laten bieden terwijl alles om hem heen van hem was: ieder glas, iedere fles, iedere ober. Maar goed  - “ (blz. 138)



Bij die volwassenheid hoort ook dat Guido, een jongetje van pas 9, al behoefte heeft aan drank en al seksueel geprikkeld is. Zo is hij erg benieuwd naar hoe seks voelt en wil hij graag Mirjam, de vrouw van Lokien, naakt zien.



“-Toch zou ik best een levende pop willen hebben die er zo uit ziet, zei hij.



- Wat zou je er dan mee doen?



Hij boog zich naar hem over.



-Neuken.



-Wat?



Hij maakte van zijn rechterhand een vuist en schoof zijn duim tussen wijs- en middelvinger door zodat het nagelkootje een eindje tussen de gebogen vingers uitstak.



-Dit is het symbool ervoor.



-Je zou niet eens weten wat je zou moeten doen.



- O nee? Ik onaneer ook wel eens.



- Dat is niet hetzelfde. Doe je het vaak?



-Een enkele keer. Wat moet ik anders doen. Het is een ervaring die ons helaas onthouden wordt, zei hij. Het moet heel lekker zijn. “ (blz. 143)



Een ander belangrijk karaktereigenschap van Guido is zijn koppigheid. Hij wil altijd dat alles op zijn manier gebeurt en geregeld wordt. Dit kun je concluderen uit het feit dat hij Riphagen een tijd dwingt voor hem verder te werken ondanks dat Riphagen niets liever wilde dan ontslag nemen.



“- Nee, ik het verdom het langer, zei Riphagen, al zijn energie samendrijvend, samenpersend in zijn gezicht, ik doe het niet meer. Van nu af aan is het uit!



Hij werd plotseling wit in zijn hoofd, een witheid die veel weg had van duizeligheid maar het niet helemaal was.



- U moet het, zei hij u hebt niks te willen.



-Jij klein monster, zei Riphagen.



-Ik ben geen monster, zei hij stampvoetend. U liegt het, u liegt het!



- Ga weg!



- Ik ga niet, zei hij, u moet van mìj blijven.” (blz  112)





Lokien



Lokien is een reclametekstschrijver. Guido zegt dat hij Lokien vertrouwd en wil hem daarom als vervanger van Riphagen. Lokien dacht echter dat er een addertje onder het gras zat en hem niet zomaar als vervanger wilde hebben. Ook kon hij nog steeds niet begrijpen waarom Guido nou per se hem koos en waarom niet gewoon zijn vader of een directeur van een groot bedrijf. Hij is in het begin dus een beetje wantrouwend tegenover Guido.



“Waarom is hij naar mij toegekomen? Waaróm? Wat is er in mijn verleden dat hem een mogelijkheid biedt mij te chanteren, al zegt hij wel dat er niets is? Welke kombinatie van feiten, onbekende faktoren maakte dat hij schuldig was aan iets-wat-dan-ook of op zijn minst zwak stond? Wat? Of was het alleen een zwakheid in zijn karakter.”  (p. 97)



Lokien is een round-character omdat hij een verandering doormaakt in het boek. In het begin was hij een rustige, sympathieke man die alles op een rijtje had. Hij was vriendelijk tegenover Guido en stond open voor zijn ideeën. Ze werden vrienden en hij was zelfs een beetje gefascineerd van Guido’s intelligentie. Aan het eind van het boek merk je dat Lokien zich steeds meer irriteert aan Guido en zelfs zo erg dat hij hem uiteindelijk van een rots afduwt.



“- Verdwijn, zei hij, alsjeblieft ga weg.



- Nee! Ik ga niet weg.



Hij voelde de drift van de jongen zich overslaan, een langer, langgerekte vonk. Dreigend stak hij zijn handen naar hem uit. (-Verdwijn. –Nee.) Het leek of alle irritatie van de afgelopen maanden zich in zijn handen verzamelde.



-Goed, dan zal ik je laten verdwijnen, zei hij.



Pakte hem beet bij zijn bovenarmen en stootte hem in de diepte. Vallend grint. Een gil, van wie afkomstig? Hij durfde niet naar beneden te kijken.” (p.260)



Riphagen



Het volgende citaat wordt beschreven door Guido. Je kijkt dus vanuit de ogen van Guido naar Riphagen:



“Notaris B. R. T. Riphagen was ongeveer 45 jaar oud, schatte hij; zijn vrouw van gelijke leeftijd of iets jonger; de leeftijden van zijn dochters waren respektievelijk 15 en 13 jaar, zoals hij weken geleden al te weten was gekomen toen hij een buurmeisje over het gezin had uitgehoord.” (p. 45)



Notaris Riphagen is een round-character omdat je kan zien dat Riphagen gaandeweg een geestelijke ontwikkeling meemaakt in het verhaal. Zo ontving Riphagen Guido eerst met een gerust hart. Maar na nader inzien wordt de notaris zelfs een beetje bang voor Guido mede omdat Riphagen het raar vindt dat een jongen van negen hem zo onder druk kan zetten. Riphagen raakt zelfs depressief en overspannen. Het boek bevat ook een soort van ‘karakter-masker’, omdat Riphagen twee gezichten blijkt te hebben. Een karakter-masker is de onmogelijkheid om een persoonlijkheid te ontwikkelen en vormt zelfs een kernthema in de boeken van Polet. ‘De notaris nipte verlekkerd aan zijn glas. Zijn beide gezichten straalden van welwillendheid.’ (p.65)



Guido merkte dat Riphagen steeds meer aan het drinken was. Het viel eigenlijk ook vooral op dat op spannende momenten de fles steeds vaker tevoorschijn kwam. Hierbij een citaat:



“Verder had hij met misprijzen gekonstateerd dat de notaris meer was gaan drinken, ja soms zelfs de fles tevoorschijn haalde terwijl hij nog aanwezig was en zonder hemzelf ooit iets aan te bieden, wat onbeleefd was. Drank, wist hij, maakte de mensen loslippig en was dus een onbetrouwbaar element in hun relatie.” (p. 77)



Riphagen wilde ook echt af van Guido en had er dan ook alles voor over. Hij vond het afschuwelijk om steeds gezien te worden met zo’n negenjarig ventje en wilde dan ook vaak liever niet gezien worden met Guido.



Guido weet samen met een vriendje Tonnie, Riphagen te chanteren. Ze hadden foto’s van Riphagen in de duinen gemaakt dat leek op pedofilie. Guido wist Riphagen hiermee te chanteren en daardoor kon Guido alles maken bij Riphagen. In het volgende citaat kun je zien dat Guido Riphagen op een nogal sluwe manier weet te chanteren:



“-Mijn god! Heb je soms foto’s van me genomen terwijl ik…



Hij antwoordde niet. Had al lang bedacht dat hij de film niet kon laten ontwikkelen zonder zichzelf bloot te geven. Een groot nadeel was dit echter niet. Ook de niet-ontwikkelde film kon als een stok achter de deur gebruikt worden; ontwikkelen hoefde pas als de toestand werkelijk kritiek werd. Hij had dan toch niet meer te verliezen. Het bewijsmateriaal had hij in een met plakband afgesloten blikken huls in zijn ondergrondse bergplaats verstopt.



- En dat spreekt over vertrouwen, zie de notaris bitter. Vertrouwen, mijn god. Gewone ordinaire chantage – van een kind.”  (p. 42)



Martinus



Martinus is een flat-character, omdat hij niet veel voorkomt in het verhaal en wanneer het ging over Martinus had het steeds te maken met zijn ongeneeslijke ziekte en dus niet over zijn geestelijke situatie. Deze geestelijke situatie is ook niet duidelijk veranderd.



Martinus had ook een soort van vriendje wat gedeeltelijk van plastic was. Hierin is Martinus dus ook een mannekino, een bewegingsloze huls waarin karakter huist; in zijn geval een écht karakter, in tegenstelling tot de imaginaire karakters van de cafépoppen.



“-Zou ik in de hemel ook in mijn rolwagentje mogen rijden?



De ouders van Martinus waren religieus en geloofden principieel in god.



- Gaan rolwagentjes dan mee naar de hemel? vroeg hij.



- Misschien krijg ik er wel een van goud, zei Martinus, met een motortje erin.



- Geloof je dan echt in de hemel? vroeg hij verbaasd.



- Natuurlijk. Als je zo ziek bent als ik…” (p. 82)



Uit het net vernoemde citaat kun je opmaken dat Martinus erg gelovig was en dat dat hem ook door zijn ziekte hielp. En een ander citaat geeft weer wat hij dan wel niet voelt bij het geloof:



“- Soms niets, zei Martinus, dan denk je alleen maar aan wat je gisteren gevoeld hebt; maar een andere keer is het gewoon een warm gevoel, net als wanneer je van iemand houdt of wanneer je voelt dat iemand van jou houdt.” (p. 83-84)



In dit citaat kun je eigenlijk de situatie beleven hoe Guido de situatie beleefde op het moment dat hij de ziekenkamer van Martinus binnenging:



Hij had verwacht zijn vriendje in bed aan te treffen, maar niet ingezwachteld als een witte mummi. Zijn hoofd was helemaal omwonden met stroken verbandgaas, zodat maar een oog zichtbaar was; zijn linkerarm, dik in de windels, lag stijf en dood naast hem op het dek, terwijl zijn eveneens omzwachtelde rechterbeen aan een snoer hing dat bevestigd was aan een van de hoekspijlen van het ouderwetse ijzeren ledikant. De rechterarm wuifde hem met een eindeloos vermoeid handje toe.” (p. 52)



Volgende citaat gaat over de  situatie waar Martinus zich bevindt:



In ieder geval was het een degeneratieve ziekte en, in het stadium waarin de wetenschap nu verkeerde, ongeneeslijk. De verlamming zou voortgaan om zich heen te grijpen als een langzaam voortschrijdende epidemie en in verschillende stadia met veel pijn gepaard gaan. Voor Martinus stierf zou hij nog blind worden.” (p. 53)



Het volgende citaat geeft de sinistere en merkwaardige humor van Martinus weer:



“Toen hij voor het eerst op krukken liep: Nu ben ik weer een viervoeter, kan ik lekker de beest uithangen. En toen hij kortgeleden zijn invalidewagentje kreeg: Nu heb ik eindelijk wat alle jongens graag willen hebben. Hij was onuitputtelijk in die dingen.” (p. 54)



Houwink



Meneer Houwink was de eigenaar van een bedrijf en werd zaakwaarnemer van Guido voor het produceren van elektrisch verwarmde schoenen.



“De heer G. L. Houwink was eigenaar van een klein, niet erg florerend agentuur in werkkleding. Voornaamste artikelen: stofjassen, overalls, khakihemden, spijkerbroeken, corduroy-, whipcord-, manchesterbroeken, regenpijpen, oliepakken, enz, naast een aantal brancheverwante produkten als plastic regenkleding, zeiljoppers, parka’s, sportkleding, noorse sokken, enz. Hij had slechts een vertegenwoordiger in dienst, die het grootste deel van het land afreisde, terwijl hij zelf de grote steden in het westen en een paar belangrijke kliënten elders voor zijn rekening nam.”(p. 157/158)



Guido vertrouwt veel volwassenen niet, omdat zij denken Guido te kunnen misleiden vanwege zijn leeftijd. Houwink is eigenlijk de eerste persoon die Guido als een volwassene behandeld. Houwink geeft Guido ook een eigen buro en telefoon.



“Wat de samenwerking voor hem echter tot een genoegen maakte was dat hij door zijn nieuwe zaakwaarnemer volledig als een volwassene werd beschouwd.” (p. 196)



Het volgende citaat gaat over de karakterisering van Houwink:



“Aan de andere kant was het karakter van Houwink zoals hij dat had leren kennen zo gestruktureerd (cf. zijn belangstelling voor nietzakelijke dingen) dat hij dit motief nooit voor zichzelf zou bekennen. Interesse, behulpzaamheid, de prikkel van nieuwsgierigheid en het ongewone zouden als motief nummer 1 op de voorgrond treden en pas in de tweede plaats zou (bewust of onbewust) de drijfveer van egoïsme en zelfbevestiging een rol spelen.” (p.170)





Motieven



Concrete Motieven



Poppen



Om te beginnen refereert de titel al naar poppen, voorin het boek staat namelijk de betekenis van het woord Mannekino. De betekenissen die refereren naar poppen zijn ‘anatomical model of the body’ en ‘artists lay figure’, waarbij lay figure weer staat voor ‘Jointed wooden figure of human body used by artists… Unreal character in novel’ Hier zien we dus heel duidelijk de pop in terug. Een pop is tenslotte vaak een figuur, al dan niet van hout, dat gebruikt wordt bij optredens. Daarnaast is een pop vaak ook een replica van het lichaam, dat lichaam kan van zowel een mens als dier zijn. En een pop is nep, bestaat niet.            



Maar poppen komen nog veel vaker terug in het boek. Denk bijvoorbeeld aan het café van Guido. Hier komen mensen iets drinken terwijl ze het gezellig hebben met een pop.



Ook Guido zelf wordt door notaris Riphagen als pop benoemt. Het is volgens Riphagen en onmogelijk persoon die van alles wilt wat niet mogelijk is. Daarnaast is Guido een ‘Unreal character in novel’ want de persoon Guido is onrealistisch in onze samenleving, dus is het een niet bestaand karakter in een boek.



Martinus, het vriendje van Guido, uit enkele keren de wens om zijn lichaamsdelen te laten vervangen door plastic prothesen. En wanneer hij dood gaat wordt hij als het ware een pop, een replica van een menselijk lichaam.



Verder bespeelt Guido de notaris zoals een poppenspeler een pop kan bespelen. Hier kun je dus notaris Riphagen zien als een pop, en dat refereert dan ook weer terug naar poppen.



Denk ook aan het moment waarop Guido samen met Lokien in een warenhuis bijna wordt betrapt. Ze verstoppen zich vervolgens voor de bewaker als etalagepoppen.



We zien dus het motief poppen continu terug komen, letterlijk vanaf de titel tot het slot.



Abstracte Motieven



Eruit willen



Wat ook veel terugkomt in het boek is dat ‘Guido eruit wilt’. Daarbij wordt ook genoemd dat Guido uit zichzelf wilt. ‘Hij wilde eruit. Iets in (van) hem wilde eruit. Waaruit? Uit zichzelf? Wie, wat was hijzelf? Hijzelf. (p. 61). Verderop in het boek is er dit: “Hij wilde eruit. Worstelend in iets dat… Even bleef hij zijn vinger nog op het sleutelgat houden.” (p. 86). Ook hier is er sprake van een vage reden waarom hij eruit wilt. Want hij worstelt… Waarmee worstelt Guido? Uiteindelijk wordt er iets meer duidelijk: “HIJ WILDE ERUIT! Weg uit zijn hoofd!” (p. 126) Hier vinden we wellicht een reden waarom Guido eruit wilt. Guido is zijn slimme brein zat, daar wil hij vanaf, hij wil eruit, uit het brein.



Verbeelding



Een motief wat in veel boeken voorkomt is verbeelding. Zo verbeelden de bezoekers van het café van Guido dat de poppen echte mensen zijn. Dat zien we op bladzijde 216, wanneer een vrouw aangifte wilt doen van aanranding: “De vrouw liep langs de rij en nam de mannen een voor een op. Deze, zei ze, de pop met haar vingers aanwijzend. Dit is de man die mij aangerand heeft.” (blz. 216). Hier wordt duidelijk dat de vrouw een pop aanziet voor een levend mens, verbeelding dus.



Ook Martinus heeft te maken met verbeelding. Hij gaat bijna dood en wilt en gelooft in de hemel. Polet geeft deze beschrijving van die hemel vanuit het perspectief van Martinus: ‘Het meest aannemelijke leek hem in dat geval een reusachtig, onvoorstelbaar groot hoofd waarin de gestorvenen (als weggezonken gedachten) weer levend werden gedacht, abstrakt, maar niettemin een realiteit, evenals gedachten; en wat de levenden hier op aarde betreft, misschien was de aanwezigheid die (ze) dacht wel van een zo nadrukkelijke realiteit dat hun materie, evenals alles wat bestond, daarbij vergeleken eveneens abstrakt was, onstoffelijk, gedachte. (blz. 83). Hier zien we de verbeelding van Martinus richting de hemel, maar hier zien we ook een duidelijke omschrijving van het boek. We zien waarom dit boek niet realistisch is, Polet vertelt het zelf. Hij vertelt dat de karakters eigenlijk gestorvenen zijn, die weer tot leven worden gedacht en die in een verbeelde wereld leven. Ook kan je afleiden dat Guido eigenlijk één grote verbeelding is van Lokien, waar we later in dit dossier op terugkomen. We zien dus dat verbeelding veel voorkomt in het boek en dat voor jou als lezer eigenlijk het hele boek één verbeelding is.



Dubbele Levens



Zo ongeveer elk personage in het boek Mannekino draait een dubbel leven en heeft eigenlijk twee kanten. Te beginnen met notaris Riphagen. Hij is een normale man die gechanteerd wordt door Guido. Hij heeft dus zijn normale leven en het illustere leven van Guido’s chantage. Polet verwoord dit zelf ook: ‘De notaris nipte verlekkerd aan zijn glas. Zijn beide gezichten straalden van welwillendheid.’ (p. 65). Hier vertelt Polet dus letterlijk dat Riphagen twee gezichten heeft richting Guido. Hij doet naar Guido eigenlijk vrij sympathiek maar van binnen vindt Riphagen het totaal niet kunnen.



Ook Tonnie heeft een dubbel leven, hij werd (zoals eerder in deze analyse vertelt) halverwege een scene verwisseld met Lokien.



En wat te denken van Guido zelf, hij leidt een compleet dubbel leven. Richting iedereen lijkt hij een heel onschuldig jongetje van 9 met zeer redelijke cijfers op school. Maar richting notaris Riphagen en Lokien is Guido een ondernemer en afperser. Ook hier zien we weer het ‘Unreal character in novel’. Dubbele levens verschijnen continu in eigenlijk alle karakters.



Achterliggende gedachte van het boek



Mannekino is een complexer boek dan dat je in het eerste opzicht verwacht. De bedoeling van de schrijver is het best uit te leggen met behulp van de titel. ‘Mannekino’ lijkt misschien een voor de handliggende titel, namelijk het café van Guido. Maar er zit wel degelijk wat achter. Mannekino komt van het Engelse woord ‘mannequin,’ letterlijk vertaald: ‘Houten pop met beweegbare ledematen, ledepop waarop kledingstukken, kostuums in een winkel ten toon staan; etalagepop.’ Guido heeft zijn café natuurlijk zo genoemd omdat hij gebruikt maakt van levensechte poppen die modieus gekleed zijn. Polet heeft aan het begin van zijn roman vermeldt wat het Engelse woord ‘mannequin’ betekent, namelijk:  little man, dwarf, artist’s lay figure; jointed wooden figure of human body used by artists for arranging drapery on etc.’ Vooral dat laatste stuk is interessant. Er staat namelijk dat een mannequin dus een poppetje is die steeds  gevormd en veranderd wordt door de maker. Dit spel tussen realiteit en verbeelding ondersteunt de opvatting dat de hoofdpersonages geen mensen van vlees en bloed zijn ,maar modellen of marionetten, aangekleed en gemanipuleerd door de scheppende schrijver. Dus niet alleen Guido maakt en gebruikt poppen, maar de schrijver is als het ware de leider van het hele poppenspel waarin ook Guido een pop is. Het woord mannekino lijkt immers ook op het Nederlandse woord manneke, verkleinwoord van man (wat dus refereert naar Guido.)



Volgens de Oxford Dictionary betekent het ook ‘onecht romanpersonage.’                                      



Lokien noemt Guido ‘een onwaarschijnlijk jongetje.’ (p.94) Guido reageert hier op: ‘Waarom onwaarschijnlijk? Bent u waarschijnlijk?’  Eerder had Guido onthuld dat hij zonder volwassenen niets voorstelt en niemand is. (p.42)  In het begin van het boek las je dat Lokien al een tijdje in de gaten gehouden werd door Guido, omdat Guido wilde weten of Lokien de geschikte vervanger zou zijn. Lokien gebruikte letterlijk het woord schaduw. ‘Want uitgerekend de keren dat hij haar zijn achtervolgende schaduw had willen tonen had de jongen het verkozen slim te zijn en weg te glippen.’  Hieruit kun je opmaken dat Guido als het ware een projectie is van Lokien en dus een totaal denkbeeldige personage is, bedacht door Lokien. De ontmoeting met de schaduw betekent de ontmoeting met het ‘zelf’, het realiseren ervan en het zich bewust worden van het inferieure deel van de persoonlijkheid. Op de vraag aan Guido waarom hij naar hem toegekomen is, antwoordt deze: ‘U hebt mij naar ú toe laten komen.’ Lokien heeft zijn eigen schaduw opgeroepen en in deze zin is het jongetje een projectie van hem. Maar tegelijkertijd verzet hij zich tegen deze confrontatie, omdat hij er zich bedreigd door voelt.                                                                                                  



  Wanneer je Mannekino met een eerder deel van deze boekenreeks vergelijkt, namelijk het boek ‘Verboden tijd,’ valt je op dat de kleine Lokien in dat boek een dromer was. Guido verschijnt als het jongetje dat Lokien in zijn jeugd niet is geweest. Intelligenter, moediger, harder en efficiënter dan hij. Een betere ‘ik’. Guido is dus een soort confrontatie met Lokien’s verleden, Guido was alles wat hij wilde zijn. Dat maakt Guido een droom, een verbeelding. Wanneer Guido aan het einde van het verhaal aan Lokien vraagt om voor hem te werken, is de werkelijke vraag dus of Lokien zich volledig wil overgeven aan zijn betere ‘ik’. Lokien probeert zich gewelddadig van deze druk te bevrijden door zijn schaduw van de rots te duwen en zijn eigen realiteit te heroveren.



Er is in het boek dan ook een paar keer een switch van de ik-persoon. Soms wordt het verhaal vanuit de ogen van Guido beschreven en soms van Lokien. Op een gegeven moment wordt de switch niet eens zo duidelijk meer gemaakt waardoor je niet weet of het vanuit het optiek van Guido of Lokien wordt geschreven. Ze zijn als het ware één geworden.  Zo wordt beschreven dat Guido zich meer als Lokien gaat voelen, en Lokien zich meer als Guido. Na de ontmoeting met Lokien wordt er een gedachte van Guido beschreven:



“Toen hij weer buiten stond had hij het gevoel dat hij groter was geworden en in vergelijking daarmee de mensen om hem heen kleiner. Hoogstwaarschijnlijk was dit onjuist, maar uitgesloten was het evenmin. Had iemand ooit onderzocht of bij een mens, vooral bij kinderen, na een hevige emotionele impuls een groeiversnelling optrad die over korte periode waargenomen kon worden? “ (p. 65)



Lokien, anderzijds, beschreef dat hij al wandelend het gevoel had  ‘even klein te zijn als het figuurtje dat hij enkele uren tevoren vanuit de hoogte had waargenomen.’ Opmerkelijk is dus dat de twee personages steeds in elkaar veranderen en in elkaar opgaan.



Op de kaft van het boek staat ‘Mannekino, een realistische fabel.’ De realiteit van Lokien en Guido is, zoals ik net had uitgelegd, fabel-achtig. Toch blijft Polet anderzijds ook sterk vastzitten aan de dagelijkse, menselijke werkelijkheid. De hele omgeving is op zich reëel, naast Guido’s geniale eigenschappen vertoont hij ook kenmerken van een normaal kind, dat een gewone thuissituatie heeft en gewoon naar school gaat. Verder beschrijft Polet reële mogelijkheden van een ondernemer. Het enige wat de lijn overschrijdt is de leeftijd waarop Guido al allerlei ondernemingen sticht.



Terugkomend op de definitie van Mannekino, valt dus te resolveren dat het boek als het ware een groot poppenspel is, geleidt door Sybren Polet. Sybren misleidt ons door ons te laten denken dat Lokien en Guido twee aparte personen zijn, hij misleidt Lokien in het boek weer door te denken dat Guido een levensecht jongetje is, Guido misleidt zijn klanten in zijn café weer door hen te laten denken dat de poppen echte mensen zijn, en de obers poppen zijn. Ook Tonnie kan zich terugvinden in deze beschrijving, hij verandert halverwege de scene in de duinen van personage. Het personage Tonnie verdwijnt kort uit de scene en komt vervolgens terug in het citaat: ‘Toen hij met zijn camera in de hand terugkwam stond Lokien naast de notaris over te geven en zag lijkwit.’ (blz. 39) Hier is Tonnie dus veranderd in Lokien, en ‘speelt’ de schrijver dus met onze gedachten. Wij vinden het raar dat een persoon opeens in het andere verandert, maar we moeten het gewoon accepteren zoals de schrijver het gewild heeft en verder lezen. Polet maakt ons zijn poppen. Zo verwart hij de realiteit dus steeds weer met onwerkelijkheid, en laat hij ons geen onderscheid meer herkennen tussen de twee.



“Er waren momenten in het leven, losse scènes, periodes, waarin je leefde en andere die volmaakt blanco waren of waarin je maar voor ¼ leefde, 1/8 leefde; zo was het bij de meeste mensen. En zoals de jongen zelf voor de volle 100% of meer bestond, zo moest alles waar hij naar keek, ieder mens, ieder ding volledig voor hem bestaan.” (p. 152)



Bronnenonderzoek



Hoofdvraag: Hoe realistisch is de beschrijving van hoofdbegaafdheid in het boek?



Deelvraag 1: In hoeverre zijn de hersenen van hoogbegaafde kinderen ontwikkeld?



Deelvraag 2: Hebben hoogbegaafde kinderen een snellere psychologische ontwikkeling?



Deelvraag 3: Is het realistisch dat een hoogbegaafd kind van 9 jaar een bedrijf opstart?



Deelvraag 1: In hoeverre zijn de hersenen van hoogbegaafde kinderen ontwikkeld?



Guido Jagt bleek op 4-jarige leeftijd al een rekenwonder te zijn. Hij speelt dat hij fouten maakt, om niet abnormaal te lijken. En toen hij 9 jaar oud was kwam hij op het idee om een bedrijf op te starten. Deze twee voorbeelden geven alleen al aan dat hij andere ideeën of intelligentie heeft dan leeftijdsgenoten. We gaan bij deze deelvraag onderzoeken in hoeverre de hersenen van een hoogbegaafd kind zijn ontwikkeld.



Bij hoogbegaafden zijn meer neuronenbanen ontwikkeld, dus er zijn meer verbindingen in de hersenen ontwikkeld. Dit heeft invloed op de sociale en cognitieve ontwikkeling van het hoogbegaafde kind. De kinderen die over hoogbegaafdheid beschikken merken meestal op al jonge leeftijd dat ze anders zijn dan hun leeftijdsgenootjes.



Een hoogbegaafd kind heeft vaak de potentie om een of meerdere intelligenties op hoog niveau te ontwikkelen. Als een kind bij een IQ-test een score van 130 of hoger haalt, dan noemen we dat hoogbegaafd. Normaal begaafden scoren een gemiddelde van 100.  De hoge score van hoogbegaafden komt doordat ze een zeer goed geheugen hebben en daardoor dingen beter kunnen onthouden. Ook is hun leertempo duidelijk hoger dan die van een normaalbegaafd kind. Ze begrijpen de leerstof sneller en zijn ook sneller klaar met bepaalde opdrachten. Dit geldt ook voor de concentratie. De concentratie van een hoogbegaafde is hoog. Maar het is wel afhankelijk van de interesses van het kind. Terwijl je opgroeit zullen de neuronen hun taak leren en zullen er ook een heleboel neuronen afsterven die niet nuttig zijn. Hierdoor kunnen je hersenen specifieke taken en een stuk efficiënter werken.



Bij een kind dat intelligenter is dan iemand anders van zijn leeftijd ligt het niet aan de omvang van het brein, maar door de ontwikkeling van de hersencortex.



De cortex ontwikkelt zich op een unieke manier bij hele intelligente kinderen. De cortex van de intelligente kinderen waren op jonge leeftijd vel dunner dan die van hun leeftijdsgenoten. De cortex groeide enorm snel. Tijdens de tienerjaren was de cortex van de intelligenten juist veel dikker dan die van andere tieners. Maar wanneer ze 19 jaar oud waren, was de cortex bij de intelligente jongeren even groot als bij de 19-jarigen.



Wanneer neuronen goed met elkaar zijn verbonden, kan er een goede en snelle communicatie plaats vinden in je hersenen en dit hangt weer samen met je intelligentie.



“Het is niet zo dat begaafde kinderen meer grijze massa hebben. Intelligentie zit hem in het ontwikkelingstraject van het brein.”, uitspraak van Philip Shaw.



Kortom  de hersenen van een hoogbegaafd kind zijn niet bepaald groter, maar ontwikkelen gewoon weg beter. De hersencortex heeft verschillende diktes in bepaalde fases van een hoogbegaafd kind.



Of de hersenen van hoogbegaafde kinderen zodanig is ontwikkeld dat het op 4-jarige leeftijd al wiskundige sommen kan oplossen (zoals Guido kon) vragen we aan de specialist die we gaan interviewen. Daaruit kunnen we een conclusie trekken of een hoogbegaafd kind in de realiteit dezelfde capaciteiten heeft als Guido had.



Deelvraag 2: Hebben hoogbegaafde kinderen een snellere psychologische ontwikkeling?



Hoogbegaafdheid heeft duidelijk invloed op de psychologische ontwikkeling. Dit blijkt uit de scores van de Schoolvragenlijst  (Smit &Vorst, 1982), waarin de scores van 108 hoogbegaafde kinderen met 114 niet-hoogbegaafde kinderen werden vergeleken. De hoogbegaafde kinderen scoorden opmerkelijk hoger op Sociale Vaardigheid, Uitdrukkingsvaardigheid en Zelfvertrouwen dan de normaalbegaafde kinderen. Hieruit valt er te concluderen van hoogbegaafde kinderen een voorsprong hebben op sociale en psychologische ontwikkeling.



Het begint al van jongs af aan: als hoogbegaafde, begint het kind met lopen rond de  6-8 maanden. Bij normale kinderen gebeurt dat rond de 12-16 maanden. Ook is er een kans dat sommige hoogbegaafden de kruipfase gewoon overslaan doordat zij zich meteen beginnen te ontwikkelen door te kijken naar hoe anderen het doen. Verder leren ze ook snel spreken en meestal meteen correct. Door deze vroege ontwikkeling kunnen ze gemakkelijk leerstof uit hogere leerjaren aan.



De omgeving van een kind is heel belangrijk. Het kind moet zich gelijkwaardig kunnen voelen aan leeftijdsgenoten voor het ontwikkelen van een goed zelfbeeld. En dat is nou juist het probleem bij hoogbegaafde kinderen. Ze weten alles al veel eerder en op het moment dat ze in groep 1 komen is het maken van puzzels en spelen met poppen al ver onder hun niveau. Daardoor voelen ze zich vaak anders. Ze hebben bijvoorbeeld ander taalgebruik (moeilijkere woorden), andere interesses, en stellen al erg doordachte vragen (“waarom moeten we eerst leven als we toch allemaal dood gaan?”). Er is mentaal gezien dus een groot verschil tussen een ‘normaal’ kind en een hoogbegaafd kind. Het is voor hoogbegaafde kinderen dus vaak moeilijker om vrienden te maken en sociaal contact te leggen omdat ze niet dezelfde mindset hebben als hun leeftijdsgenoten. Hoogbegaafde kinderen voelen zich daarom sneller thuis bij een volwassene. Dit is bij Guido heel goed te zien. Wanneer zijn klasgenoten op straat aan het spelen zijn, houdt hij zich bezig met geld verdienen. Spelen vindt hij zonde van de tijd en onder zijn niveau.



Verder heeft de HIQ, expertisecentrum hoogbegaafdheid, vermeld dat hoogbegaafde kinderen ook een andere gedachtegang hebben wat betreft vriendschap en loyaliteit. Bij normale kinderen speelt loyaliteit niet een heel grote rol. Wanneer zij iemand de ene dag in de steek laten, spelen zij de andere dag weer vrolijk samen. Hoogbegaafde kinderen hechten daar echter meer waarde aan en zijn minder vergevingsgezind. Daardoor vertrouwen ze mensen minder snel. Ook dit herkennen we in Guido. Hij vertrouwt notaris Riphagen bijvoorbeeld niet genoeg dus had hij bij voorhand chantagefoto’s gemaakt om te voorkomen dat Riphagen hem in de steek liet.



Ook kunnen er, volgens het Ieku, hoogbegaafdheid adviesbureau, frustraties bij hoogbegaafde kinderen ontstaan omdat zij zichzelf als volwassenen zien en ook achten zo behandeld te worden. Ze kunnen zich beledigd voelen als ze niet over zichzelf mogen beslissen of als ze beperkt worden in hun verlangens vanwege hun leeftijd. Dit zie je ook erg terug in het boek. Guido vind het bijvoorbeeld niet leuk wanneer hij Riphagen een drankje wil aanbieden in een restaurant en Riphagen weigert omdat Guido nog maar een kind is, en het juist andersom moet. Ook ziet Guido zich als volwassene gezien het feit dat hij al behoefte heeft aan alcohol en hij ook vindt dat hij alcoholische dranken mag drinken. Dit doet hij dan ook.



De snelle psychologische ontwikkeling die Guido in het boek doormaakt is dus realistisch beschreven door de auteur.



Deelvraag 3: Is het realistisch dat een hoogbegaafd kind van 9 een bedrijf opstart?



In het artikel ‘Tienerondernemers’ van De Groene worden een aantal voorbeelden genoemd van jonge ondernemers met succes. De ondernemers zijn soms hoogbegaafd maar altijd zijn ze boven de leeftijd van 9 jaar. De jongste ondernemer is Puck, een jongen van 15 jaar oud, ik heb meer over hem opgezocht en kwam op een interessante documentaire over hem.



De documentaire over de 15-jarige Puck Meerburg.



Puck maakte een aantal (zeer succesvolle) apps. Dat Puck hoogbegaafd is wordt eigenlijk nergens benoemt maar het is in ieder geval niet het doorsnee kind en de symptomen van hoogbegaafdheid zijn te zien, zo zegt zijn moeder dit:



‘Thuis begrijpen ze hem niet, op school ook niet. ‘Ik weet waar hij mee bezig is, maar wat er verder in zijn hoofd speelt is voor mij heel vreemd,’ zegt zijn moeder. ‘Niemand kan zijn eigen kind 100 procent doorgronden maar Puck valt wel erg buiten de schaal.’



Hier zien we dus dat Puck eigenlijk geen sociale contacten heeft in zijn nabije omgeving en dat is iets dat vaak terug komt bij hoogbegaafdheid.



Puck Meerburg begon al heel jong als IT-wonderkind, en dat is ook terug te zien in de documentaire die verder niet gaat over hoogbegaafdheid maar over Meerburg. Puck is al uitgenodigd op het hoofdkantoor van Google, het bedrijf dat Puck nadat hij zijn school heeft afgemaakt wilt binnenhalen. Puck is dus heel goed in ICT, in alle verschillende computertalen (JavaScript,HTML…) Maar hij spreekt nu ook al vloeiend Engels, dat deed hij al toen hij zo’n 11 jaar was, uitzonderlijk.                                      De jongen is ook al ondernemend ingesteld en dat zien we in zijn apps. Hij ontwikkelde eerst een gratis app en vervolgens een betaalde app. Puck heeft echter nog geen eigen bedrijven, in tegenstelling tot Guido, maar noemt wel herhaaldelijk dat hij voor een groot computer-bedrijf wilt werken (Apple, Google, Microsoft).



Hier is dus duidelijk een voorbeeld van een jong kind met veel talent en hij is (zeer waarschijnlijk) hoogbegaafd.

 



Erik van den Boom alias Erik Arbores



Dan hebben we nog een tweede voorbeeld en dat is Erik van den Boom, bij het publiek wellicht bekend als Eric Arbores. Hierover kent iedereen wel wat informatie, maar in De Wereld Draait Door wordt alles kort opgesomd en doorgesproken.



Eric van den Boom is 14 wanneer dit interview met DWDD wordt opgenomen. Eric is hoogbegaafd en haalde op zijn 13e al het gymnasium, hij ging natuurkunde studeren maar daar is hij nu ook al mee gestopt. Hij wilde zich volledig focussen op zijn muziek en onderneemt veel actie. Hij werd aangetrokken door Armin van Buuren en een aantal andere platenmaatschappijen. Eric weet heel goed wat hij wilt. Eric koos heel bewust voor het ondernemen richting de muziek en stopte daarvoor met een studie.



We zien hier dus twee voorbeelden van jonge hoogbegaafde kinderen die iets willen ondernemen. Buiten Nederland zijn weinig kinderen te vinden waar aandacht aan wordt gegeven. Het verschil tussen deze twee voorbeelden en Guido is dat deze kinderen toch al ouder zijn en dat zij ook een andere manier van werken hebben. Guido is 9 en kiest voor een licht criminele manier van werken terwijl zowel Eric als Puck het met meer vrijwillige hulp hebben gedaan en met hulp van echte bedrijven. Guido doet het meeste werk zelf. Verder richten Erik en Puck zich tot één bepaald interessegebied en beginnen juist daar met ondernemen. In tegenstelling tot Guido, die het initiatief neemt om een bedrijf te starten, zijn café, zonder dat hij uitsluitend gespecialiseerd en geïnteresseerd is in de horeca. Hij produceert daarnaast ook nog elektrische schoenen, wat zich in een heel ander vakgebied bevindt. Het is dus niet totaal onrealistisch dat een kind een bedrijf start, maar bij Guido is het wel veel extremer beschreven dan dat het in de werkelijkheid voorkomt.



Hoofdvraag: Hoe realistisch is de omschrijving van hoogbegaafdheid in het boek?



Wat je opvalt is dat je aan de hand van de deelvragen niet duidelijk ‘ja’ of ‘nee’ kan antwoorden op de hoofdvraag. Sommige dingen beschrijft Polet wel realistisch, zoals de psychologische en sociale ontwikkelingsvoorsprong van Guido, maar sommige dingen ook weer niet, zoals de beschrijving van een jonge ondernemer. Dit was waarschijnlijk ook de bedoeling van Polet, omdat hij zijn lezers wil verwarren en realiteit en onwerkelijkheid dan ook voortdurend door elkaar haalt. Als lezer weet je dus niet of je een fantasieverhaal leest of een realistisch boek. Dit is ook de reden waarom er op de kaft van het boek ‘een realistische fabel’ staat.



Interview 




 
Wij hebben een interview gehouden met René van Blaricum 
 




Deelvragen interview 



Vraag: Kunnen hoogbegaafden kinderen even slim zijn als volwassenen of hebben ze gewoon een voorsprong op leeftijdsgenoten?  



Antwoord: hoogbegaafden kinderen hebben een intelligentie die heel hoog kan zijn, maar er komen meer dingen bij kijken want wanneer je talent hebt moet je het ook nog kunnen laten zien. Ze kunnen een voorsprong hebben maar dat hoeft niet per sé. 



Vraag: Gedragen hoogbegaafden kinderen zich eerder volwassen of heeft de intelligentie geen impact op hun speelsheid? 



Antwoord: hoge intelligenten kunnen zich op bepaalde terreinen zich anders gedragen als leeftijdsgenoten. Een voorbeeld hiervan is dat hoogbegaafden kinderen al levensvragen kunnen hebben. 



Vraag: Zijn hoogbegaafden kinderen in staat om zich bezig te houden met volwassen zaken, zoals het oprichten van een bedrijf? 



Antwoord: Ja hoogbegaafden kinderen zijn daadwerkelijk in staat om bijvoorbeeld een bedrijf op te starten. 



Hoofdvraag



Hoe realistisch is de hoogbegaafdheid van Guido die word beschreven in het boek? 



Deelvragen



In hoeverre zijn de hersenen van hoogbegaafde kinderen ontwikkeld? 



René van Blaricum vertelde ons dat een hoogbegaafd kind een intelligentie heeft die heel hoog kan zijn, maar ook vertelde hij dat er natuurlijk meer dingen bij komen kijken. Je moet wanneer je talent hebt, het ook nog kunnen laten zien. Het is dus niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind alleen maar hoge resultaten haalt op school. Ze kunnen dus een voorsprong hebben maar dat hoeft niet per sé. 



Is het mogelijk dat een hoogbegaafd kind van 9 jaar een bedrijf kan stichten? 



Ook vertelt René ons dat het mogelijk is dat een kind een bedrijf kan oprichten of kan stichten. Er zijn bepaalde scholen waarin dit soort projecten worden gestart waarin echt goede doelen worden bereikt.  



Hebben hoogbegaafde kinderen een snellere psychologische ontwikkeling? 



René vertelde ons dat het mogelijk is dat er een snellere psychologische ontwikkeling is. Dit kan zich uiten in het hebben van andere hobby’s dan normale kinderen of het vermogen hebben om levensvragen te stellen. 



Het gehele interview is te zien op: https://www.youtube.com/watch?v=5RZzWJ6VIPQ



Essay



In de Nederlandse taal worden jaar na jaar talloze boeken uitgegeven. Deze boeken hebben vaak allemaal verschillende genres. De realiteit kan gebruikt worden in een roman maar ook kan er natuurlijk worden afgeweken van deze realiteit of de realiteit kan ook vermengd worden met fictie. We gaan dan ook kijken of de auteurs bij de realiteit zijn gebleven bij die boeken die aan bod zijn gekomen tijdens de presentaties.



In de klas hebben we naar een aantal presentaties mogen kijken. Bij elk boek was uiteindelijk de hoofdvraag: Hoe realistisch is het thema van het boek?



Om te beginnen met De reis van de lege flessen van Kader Abdollah. Het maatschappelijk probleem van dit boek was de integratie van vluchtelingen. Het boek was realistisch geschreven, mede omdat Kader Abdollah, de schrijver van De reis van de lege flessen, zelf een vluchteling is. De hoofdpersoon in het boek was Bolfazl en woonde in Iran en Abdollah kwam zelf ook uit Iran. Je zou bijna kunnen zeggen dat hij de hoofdpersoon enige persoonlijke eigenschappen van hemzelf heeft gegeven waardoor het boek nog realistischer is. De deelvragen bij deze presentatie waren allemaal realistisch en dat resulteerde als conclusie dat De reis van de lege flessen een realistisch boek is.



Vervolgens was er nog een realistisch boek genaamd: Dertig Dagen van Annelies Verbeke. Dit was een boek was volgens mij erg realistisch en misschien het meest realistische boek wat we met de presentaties hebben mogen beschouwen. Het thema van Dertig Dagen was discriminatie, wat in deze maatschappij nog in aanwezig is. De schrijfster heeft alles heel realistisch beschreven vandaar dat dit boek realistisch is.



Maar buiten is het feest van Arthur Japin was ook enigszins realistisch. Het boek had als thema misbruik, wat in onze maatschappij met vol afschuw wordt beoordeeld. De schrijver beschrijft in het boek een meisje dat wordt misbruikt door haar stiefvader. Omdat dit een nogal heftig onderwerp is heeft de schrijver waarschijnlijk een aantal gruwelijke dingen weggelaten die uiteindelijk het beeld nog vertekenen van het misbruik. De werkelijkheid is nog veel erger dan wordt beschreven ondanks dat het boek realistisch wordt beschreven.



De hierboven beschreven boeken zijn allemaal wel gedeeltelijk realistisch maar ook zijn er boeken voorbijgekomen waar veel minder realiteit in voor kwam. Zo had je het boek wat wij hadden gepresenteerd: Mannekino van Sybren Polet. Je houdt het niet voor mogelijk dat een minderjarig kind al moeilijke wiskundige sommen kan oplossen of een bedrijf oprichten. We kwamen er dan ook vrij snel achter dat het niet realistisch geschreven was. Daarnaast had je nog een ander niet realistisch boek: De laatkomer van Dimitri Verhulst. Het thema van dit boek was dementie. Het ging over een man die zogenaamd aan het dementeren was. Later bleek dus dat deze man het allemaal had gespeeld, de dementie. Op het eerste gezicht dacht ik dat dit boek vrijwel realistisch was. Maar als je een beetje logisch nadenkt en theoretisch nadenkt klopt er helemaal niks van. Hoe kan een mens vierentwintig uur per dag nou dementerend spelen. Dat is haast onmogelijk met zoveel artsen om je heen. Testen die deze man had ondergaan zijn haast ook niet te manipuleren, dat bleek uit een van de deelvragen van de presentatie.



Eerlijk gezegd heb ik het altijd al leuker gevonden om realistische boeken te lezen. Boeken met fictie spreken mij nooit echt aan. Sommige mensen kunnen zich dan zich heel goed in die fantasie wereld inleven, wat ik bijvoorbeeld helemaal niet kan. Wanneer een realistisch is met een kleine verdraaiing of wanneer het vermengd word met fictie dan vind ik het meestal ook nog wel boeiend om te lezen, zoals een dat Dimitri Verhulst had geschreven: De laatkomer.



Kortom de Nederlandse literatuur is vaak realistisch al dan niet met een kleine verdraaiing met de werkelijkheid. Er zijn veel boeken tussen de realiteit en fictie wat vaak gebaseerd is op waargebeurde verhalen.



Nawoord



Persoonlijk vond ik het erg prettig werken met deze groep voor dit project. Van tevoren hadden we gelijk de taken verdeeld, waar we ons ook keurig aan hielden. We stelden voor elkaar vaak deadlines zodat we nog een paar dagen hadden om elkaars werk te controleren. Deze deadlines werden vaak met vlag en wimpel gehaald omdat ook alles goed werd geïnformeerd in onze groepsapp. Iedereen heeft zijn sterke punt naar voren kunnen laten komen waardoor dit project voor mijn gevoel erg geslaagd is.



De taken die ik had gekregen van de groepsleidster, Senna, heb ik goed weten te volbrengen. De taak die ik had gekregen was dat ik een deel van de karakterisering hebben mogen maken, een deelvraag heb mogen beantwoorden en samen met Bart het interview mogen volbrengen. De karakterisering vond ik per persoon een ander geval. Riphagen vond ik niet zo lastig, omdat hij vaak in het boek voorkwam en op sommige pagina’s waren goede citaten te vinden omdat hij ook werd beschreven op een manier die goed van pas kwam om te gebruiken. Alleen als je het dan over de ernstig zieke Martinus hebt is het een stuk lastiger, omdat hij nauwelijks voorkwam. Gelukkig heb ik wel een aantal citaten kunnen vinden over wat hij gelooft en wat hij daarmee allemaal doormaakt. De deelvragen had ik gemaakt door eerst op internet te zoeken naar boeken die ik kon gebruiken en relevant waren. Helaas was dat niet zo’n succes waardoor ik alleen maar bronnen op internet heb kunnen vinden. Uiteindelijk heb ik dat niet heel moeilijk bevonden om de deelvraag zo goed mogelijk uit te werken. Het interview wat ik samen met Bart heb weten te maken is ook vlekkeloos verlopen. Hij had een buurman die toevallig te maken met hoogbegaafdheid. Zodoende zijn we een afspraak gaan maken met hem en hebben we goede vragen bedacht om zijn antwoord zo goed mogelijk te kunnen verwerken in ons project. Uiteindelijk heb ik het nog bewerkt en alle foute stukjes eruit geknipt waardoor het drie mooie minuten zijn geworden.



De presentatie is ook goed verlopen, kijkend onder andere naar ons punt. Hierover hadden we alleen afgesproken wie de presentatie ging maken en dat iedereen zijn tekst goed moest bestuderen, wat ook gelukt is bij ons allen vier. Mijn interesse bleef eerlijk gezegd ook goed bij andere presentaties wat vorig jaar dan weer niet het geval was bij het project Middeleeuwen. De thema’s die ter spraken kwamen vond ik erg boeiend waardoor je meestal niet afdwaalde. De conclusies op de deel- en hoofdvragen waren strak geformuleerd met goed bijbehorend bronnenonderzoek.



Dit project is naar mijn mening een geslaagd project. Leerlingen zijn goed bezig met literatuur wat goed voor hun ontwikkeling is. Het steeds nadenken in welk perspectief het gelezen is en de achterliggende gedachte van een boek samen ontraden kan natuurlijk niet slecht zijn voor het denkend vermogen. De koppeling met de deel- en hoofdvragen ten opzicht van de maatschappij vond ik erg goed. En de vragen die vooraf de presentaties werden gesteld kon ik ook wel waarderen want dan had iedereen een mening over het thema en als kijker van zo’n presentatie zou je mening wel kunnen veranderen nadat je het bronnenonderzoek ziet van bijvoorbeeld de vluchtelingproblematiek.



Kortom, het project literatuur is zeer geslaagd afgerond en het werken met mijn groep aan Mannekino heeft me een plezier gedaan en ook heeft het project me meer inzicht gegeven in de literatuur.



Bronvermelding



Mannekino - Sybren Polet



Lexicon van literaire werken – Pieter de Nijs (februari 1996)



Essay over Breekwater, Verboden tijd en Mannekino - Paul de Wispelaere



http://www.groene.nl/artikel/ik-stond-een-keer-boven-angry-birds



http://www.vpro.nl/lees/gids/dagtips/2014/40/maandag.html



http://dewerelddraaitdoor.vara.nl/media/94782



www.ieku.nl



www.hiq.nl



http://wij-leren.nl/kenmerken-hoogbegaafdheid.php



http://www.kennislink.nl/publicaties/hoogbegaafd-door-je-cortex



http://toppuntzwolle.weebly.com/hoogbegaafdheid.html



http://www.hoewerkenhersenen.nl/antwoord/zit-hoogbegaafdheid-alleen-in-je-hersenen




REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.