Poezieanalyse

Beoordeling 5.6
Foto van een scholier
  • Gedichtbespreking door een scholier
  • 4e klas vwo | 4347 woorden
  • 30 januari 2002
  • 64 keer beoordeeld
  • Cijfer 5.6
  • 64 keer beoordeeld

Taal
Nederlands
Vak
Poëzieanalyse van 10 gedichten

1) De Ridder

Er was eens in vervlogen tijden,
Een ridder, moedig als geen twijde,
Hij was zo krachtig als de beul,
En woonde in een groot kasteul.
Met 80 strijders, hele ruwe,
En zocht een vrouw, om mee te truwen.
Hij was verzot op steektoernooien
Van ’s morgens vroeg bij ’t hanekrooien
Tot ’s avonds laat toog hij ten strijde,
Hij had het land aan pais en vrijde.
Nu wilde het dat in die dagen

Veel ridders naar de bergen tagen,
Omdat daar volgens de berichten
Een maagd in ene kerker zichtte.
Die daar bewaakt werd door een draak,
De ridder riep; ‘Dan ga ik aak’.
Wilt goed op mijn kasteel hier passen,
Want ik ga deze maagd verlassen.
Dus bij het krieken van de morgen,
Toog onze ridder naar de borgen,
En plotseling stond hij voor de draak,
Maar dat bracht hem niet van de kaak.
Hij greep zijn zwaard, wou ’t ondier doden
Maar plotseling kreeg hij medeloden,
De draak was hierdoor zeer ontroerd,
Nam met verstikte stem het woerd,
En sprak met tranen in zijn baard,

Doe maar een wens, hij wordt verhaard,
De ridder sprak daarop verheugd,
Ik wens de vrijheid van de meugd,
Die gij hier opgesloten houdt.
De draak zei: ‘Goed, maar luister goud,
Maak eerst een vers op jullie samen,

Hij kreeg haar nooit, hij kon niet ramen!

Parafrase:
Er was eens lang geleden,
Een hele moedige ridder,
Hij was heel erg sterk,
En hij woonde op een groot kasteel,
80 strijders gingen mee,
Hij zocht een vrouw om mee te trouwen,
Hij was gek op steektoernooien,
Van ’s morgens vroeg bij het gekraai van de haan,
Tot ’s avonds laat ging hij ten strijde,
Hij had de vrijheid in het land,
Nu was het zo in die dagen,
Veel ridders gingen naar de bergen,
Omdat daar volgens de berichten,
Een maagd in een of andere kerker zou zitten,
Ze werd daar bewaakt door een draak,
De ridder riep: ‘daar ga ik heen’
Willen jullie goed op mijn kasteel hier passen,

Want ik ga deze maagd bevrijden,
Dus toen het weer morgen werd,
Ging de ridder naar de bergen,
En plotseling stond hij voor de draak,
Maar dat bracht hem niet van de wijs,
Hij greep zijn zwaard, hij wilde de draak doden,
Maar plotseling kreeg hij medelijden,
De draak was daarom heel ontroerd,
Hij nam met verstikte stem het woord,
Hij sprak huilend,
Doe maar een wens, en hij komt uit,
De ridder sprak daarop heel blij,
Hij wenste de vrijheid van de maagd,
Die de draak hier opgesloten hield,
De draak zei: ‘luister goed’,
Maak eerst een gedicht op jullie samen,

Hij kreeg de maagd nooit, hij kon niet rijmen.

Versanalyse

Klassiek / Modern:
Het is een klassiek gedicht, omdat de regels bijna allemaal dezelfde lengte hebben, omdat alle regels rijmen en omdat het een ridderroman is.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:
Dit gedicht is niet gegroepeerd, het is een verhaaltje achter elkaar, alleen de laatste regels staan los van de rest.

Klinkerrijm:
Woonde op een groot kasteul
Die daar bewaakt werd door een draak
Dan ga ik aak
Toog onze ridder naar de borgen
En plotseling stond hij voor de draak

Beginrijm:
Hij had het land

Volrijm:
Beul – kasteul
Steektoernooien – hanekrooien
Strijde – vrijde
Dagen – tagen
Draak – aak
Passen – verlassen
Morgen – borgen
Draak – kaak
Doden – Medeloden
Ontroerd – woerd
Baard – verhaard
Verheugd – meugd
Houdt – goud
Samen – ramen

Rijmschema:
Het is een ridderroman, dan zou het eigenlijk aabbccddeeffgg enz, enz moeten zijn. Maar bij dit gedicht vind ik het wel moeilijk. Want tijden en twijde , ruwe en truwen rijmen eigenlijk niet. Daarom heb ik gekozen voor het rijmschema;
Abccdeffbbgghijjkklljjmmnnoppqqrrss

Enjambement:
Van ’s morgens vroeg bij ’t hanekrooien tot ’s avonds laat toog hij ten strijde.
Nu wilde het dat in die dagen veel ridders naar de bergen tagen

Metrum:
Dit gedicht is een troche

Stijlfiguren:
Antithese: van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat
Hyperbool: zo krachtig als de beul
Woordspeling: vervlogen tijden / en sprak met tranen in zijn baard
Metafoor: verstikte stem
Synesthesie: sprak met tranen

Interpretatie:
Het is een verhaaltje over een ridder die op zoek gaat naar iemand om mee te trouwen. Hij heeft gehoord dat er een maagd zit opgesloten in een kerker. Daar wordt ze bewaakt door een draak. De ridder wou het dier doden, maar kon het niet. Dat vond de draak aardig en de ridder mocht een wens doen. Hij wenste dat de maagd vrij komt. Dat mocht als de ridder een gedicht maakt. Dit lukte niet, dus hij kreeg de maagd nooit.
Op zich zit hier geen diepere betekenis achter. Het is gewoon een verhaaltje. Alleen is er nog wel de vraag: Wie kan er niet rijmen; de ridder of de schrijver van dit gedicht?

2) Mijn moeder is mijn naam vergeten

Mijn moeder is mijn naam vergeten,
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mijn geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een keten.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
O, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Parafrase:
Mijn moeder is mijn naam vergeten,
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet.
Hoe moet ik mij veilig voelen?

Noem mij, verzeker mijn bestaan,
Laat mijn naam zijn als een generatie.
Noem mij, noem mij, spreek mij aan,
O, noem mij bij mijn innerlijke naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik er zijn

Klassiek / Modern:
Het is een modern gedicht. De laatste regel maakt het een modern gedicht. De eerste drie regels is een terzet. De vier regels daaronder een kwatrijn. De laatste regel eronder hoort nergens bij, dus is het geen klassiek gedicht. Ook rijmen niet alle regels op elkaar.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:
Eerst zijn er drie regels, dus een terzet, daarna vier regels, dus een kwatrijn. De laatste regel hoort nergens bij. (zoals hierboven ook is geschreven)

Klinkerrijm:
Hoe moet ik mij geborgen weten
Laat mijn naam zijn als een keten (laat – naam / mijn – zijn)
Noem mij bij mijn diepste naam
Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Beginrijm:
Mijn kind weet nog niet hoe ik heet

Volrijm:
Vergeten – weten – keten - weten
Bestaan – aan – naam

Rijmschema:
Aba cacd a
geen enjambement

geen metrum


Stijlfiguren:
Herhaling: noem mij, noem mij, spreek mij aan

Beeldspraak:
Metafoor en Vergelijking: laat mijn naam zijn als een keten (keten is generatie)

Interpretatie:
Degene die hier wordt genoemd, is erg eenzaam. Ze heeft nog geen kind, want haar kind weet niet hoe ze heet. Ze wil haar naam laten zijn als een keten. Keten kun je vervangen door generatie of familie. Misschien wil ze een familie stichtten. Haar kind moet haar bij haar diepste naam noemen. Voor wie ze liefheeft, wil ze er zijn. Allen die mensen wil ze helpen.

3) Iemand om aan te vertellen wat niet van belang is

Het regent en niemand om aan te vertellen
Hoe nat ik ben. Het regent en niemand
Om aan te vertellen dat mijn nieuwe schoenen
Nu al lek zijn. Jac, ik ben in een plas gestapt
En mijn schoenen zijn lek, ik ben nat, door en door.
Jac, en jij?

Hoe hard het regent ?
Het regent heel hard. Heel erg hard.
Harder dan ooit.

Parafrase:
Het regen en er is niemand tegen wie ik kan zeggen hoe nat ik ben. Het regent en niemand kan ik zeggen dat mijn nieuwe schoenen nu al lek zijn. Jac, ik ben in een plas gestapt en mijn schoenen zijn lek.
Ik ben helemaal nat.
Jac, en jij?

Hoe hard het regent?
Het regent heel hard, heel erg hard
Harder dan ooit.

Klassiek / Modern:
Het is een modern gedicht. De eerste stofe heeft zes regels, de tweede drie. Daar is niets traditioneels aan op te merken. Ook zijn er lange en hele korte regels te zien. Dat duidt ook op een traditioneel gedicht.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:
Zoals ook al hierboven is gezegd, zijn er geen strofen.

Klinkerrijm:
Ik ben in een plas gestapt.
Hoe hard het regent?
Harder dan ooit.

Beginrijm:
Hoe hard het regent?
Het regent heel hard, heel erg hard.

Geen volrijm:
geen rijmschema en geen metrum

Enjambement:
In het eerste stukje, de eerste zes regels is alleen maar enjambement. Alle regels lopen gewoon door op de volgende regel. In het tweede stukje, de laatste drie regels, is geen sprake van enjambement.

Stijlfiguren:
Herhaling: om aan te vertellen dat mijn nieuwe schoenen nu al lek zijn.
Herhaling: ik ben in een plas gestapt en mijn nieuwe schoenen zijn lek.
Herhaling: ik ben nat, door en door.
Herhaling: het regent hard, heel erg hard, harder dan ooit.
Hyperbool: laatste twee regels

Beeldspraak:
Vergelijking: de regen – eenzaamheid. Als de zon zou schijnen in dit gedicht, zou het niet kloppen.

Interpretatie:
Degene in het gedicht voelt zich erg alleen. Ik denk dat degene geen vrienden meer heeft, is ontslagen, of dat een dierbare is overleden. Zijn vrienden hadden hem ‘erin geluisd’ -> in de plas gestapt. Ze heeft ontdekt wie haar vrienden eigenlijk waren: niemand. Als je nu vraagt hoe slecht het met hem gaat, (hoe hard het regent) is het antwoord, heel erg slecht, slechter dan ooit.

4) En of het hier gesneeuwd heeft

Eerste sneeuw. Ja eerste sneeuw,
Maar wie heeft oog voor de laatste,
De laatste sneeuwpop, het smelten
Van de voeten, wie let daarop?

Zo gaat het ook met pijn.
Je voelt het onbarmhartige
Begin maar het verdwijnen
Maak je op uit het verdwenen zijn.

Parafrase:

Eerste sneeuw. Ja eerste sneeuw,
Maar wie kijkt nog om naar de laatste,
De laatste sneeuwpop, het smelten
Van de voeten, wie let daarop?

Zo gaat het ook met pijn.
Je voelt het ergste
Begin maar het verdwijnen
Merk je pas als het verwenen is.


Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een klassiek gedicht. Dat zie je ook aan de vorm: twee keer vier regels.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:

Het gedicht bestaat uit acht regels: twee keer vier regels. Dus: twee keer een kwatrijn en dat maakt samen een octaaf.

Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Eerste sneeuw
Wie heeft ogen voor de laatste
Zo gaat het ook met pijn (zo – ook / het – met)

geen beginrijm

Volrijm:
Sneeuwpop – daarop
Pijn – zijn
Rijmschema:

Geen rijmschema, want sneeuwpop en daarop rijmen wel, en pijn en zijn ook. Maar alleen pijn – zijn staat achteraan in de zin, dus ik vind dat er geen echt rijmschema is.

Enjambement:

Het smelten van de voeten
Je voelt het onbarmhartige begin maar het verdwijnen maak je op uit het verdwenen zijn

geen metrum

Stijlfiguren:

Tegenstelling: eerste en laatste sneeuw.
Retorische vraag: wie let daarop?

Beeldspraak:

Vergelijking: sneeuw – pijn
Vergelijking: sneeuwpop – mens

Interpretatie:

De sneeuw wordt vergeleken met een mens. Eerst is er een baby waar iedereen veel oog voor heeft. Maar voor de oudere mensen in de samenleving geldt dit niet. (wie let er op de laatste?) Zo gaat het ook met pijn. Je voelt alleen het begin, maar dat er iemand is gestorven, merk je pas als het zover is.

5) Verzoening

In haar was ik geborgen
En breidde ik mij uit
En werd ik steeds kompleter
En rijpte ik als fruit

En kreeg ik voeten, handen
En reuk en stem en wil
Totdat ik met een gil
Geboren werd en banden

Die ons verbonden hielden
En die ik niet meer ken,
Gebroken werden met een slag, een donderslag.

O moeder, die mij baarde,
Die haar vermoeide schoot
Gelaten openvouwde,
U draag ik op mijn dood.

Parafrase:

Ik haar was ik beschut
En werd ik steeds groter
Ik werd steeds completer
Ik groeide erg snel.

Ik kreeg voeten en handen
Ook reuk en stem en een wil
Totdat ik met een gil
Geboren werd en banden

Die ons bij elkaar hielden
En die ik niet meer ken
Gebroken werden met een slag, een donderslag.

O moeder, die mij baarde
Die haar vermoeide schoot
Heel lief openvouwde,
U draag ik op mijn dood

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een klassiek gedicht. Dat zie je ook aan de vorm. De regels zijn allemaal even lang.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:

Het zijn zestien regels: vier blokjes van vier regels, dus vier kwatrijnen en twee octaven.
Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
En breidde ik mij uit
En werd ik steeds completer
Die ons verbonden hielden

geen beginrijm

Volrijm:
Uit – fruit
Wil – gil
Handen – banden
Schoot - dood
Rijmschema:

A b c b d e e d f g h i j k l k
Enjambement:

Totdat ik met een gil geboren werd en banden die ons verbonden hielden.
Gebroken werden met een slag, een donderslag.
Die haar vermoeide schoot gelaten openvouwde.

Metrum:
Trochee

Stijlfiguren:

Woordspeling: rijpen als fruit
Beeldspraak:

Vergelijking: banden verbroken wordt vergeleken met het doorknippen van de navelstreng.

Interpretatie:

Het eerste deel van het gedicht gaat over degene die geboren wordt, hoe het in de buik groeit, enz. Met de zin: de banden worden verbroken, dacht ik daarom ook aan het doorknippen van de navelstreng. Dan zijn moeder en kind los van elkaar. Maar met deze zin kan ook worden gezegd dat het kind niet lang geleefd heeft. Dat is ook te zien aan de laatste zin: U draag ik op mijn dood.

6) En jij?

En jij?
Als ik groot ben
Word ik piloot

En jij?
Als ik groot ben
Ga ik dood

En jij, en jij, en jij?
Als we groot zijn gaan we dood
Maar eerst worden we nog even piloot

Parafrase:

Wat wordt jij later?
Als ik groot ben
Word ik piloot

En jij?
Als ik groot ben
Ga ik dood

En jij, en jij, en jij?
Als we groot zijn gaan we dood
Maar eerst worden we nog even piloot

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een modern gedicht. Dat zie je ook aan de vorm. De regels zijn niet allemaal even lang. Je kan zien aan de tekst dat het nog niet zo lang geleden geschreven is, omdat er ongeveer 50 jaar geleden niet zo mocht worden gedacht.

Districhon / Terzet / Kwatrijn:

Het is een terzet.

Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Groot – dood

geen beginrijm

Volrijm:
Piloot – dood – groot
Rijmschema:

A b c a b c a c c
Enjambement:

Als ik groot ben word ik piloot
Als ik groot ben ga ik dood
Geen metrum

Stijlfiguren:

Hyperbool: groot – dood: als je groot wordt, hoef je niet gelijk dood te gaan.
Herhaling: en jij wordt 5x genoemd, dood 2x, piloot 2x en groot ook 2x.

Geen beeldspraak

Interpretatie:

Veel kinderen vragen aan elkaar: wat wil jij worden als je groot bent? Dan is het antwoord: juffrouw, politie of meestal brandweerman. Ik vind dat die gedachte in de eerste drie regels sterk naar voren komt.
Maar als je dan de rest leest, zou een kind dat nooit begrijpen. Het is een hele negatieve gedachte, want je kan het leven natuurlijk op een hele andere manier zien.

7) Voor een dag van morgen

Parafrase

Wanneer ik morgen doodga,
Vertel dan aan de bomen
Hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
Die in de bomen klimt
Of uit de takken valt,
Hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
Dat jong genoeg is om het te begrijpen
Vertel het aan een dier
Misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
Vertel het aan de stad,
Hoe ik je liefhad.

Maar zeg het aan geen mens.
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
Alleen maar een man alleen maar een vrouw,
Dat een mens een mens zo liefhad
Als ik jou.

Als ik morgen doodga,
Vertel dan aan de bomen,
Hoeveel ik van je hield.
Vertel dan aan de wind
Die door de bomen waait,
Hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind,
Dat de leeftijd heeft om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
Misschien alleen al door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
Vertel het aan de stad,
Hoe lief ik je vond

Maar zeg het tegen niemand
Ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
Alleen maar een man en alleen maar een vrouw,
Dat een mens een mens zo lief had,
Als ik jou.

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een modern gedicht. Dat zie je ook aan de vorm. De regels zijn niet allemaal even lang. Ook de verdeling van de regels is niet klassiek: eerst 14 regels en daarna 6.

Geen Districhon / Terzet / Kwatrijn

Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Wind – klimt – kind
Begrijpen – kijken
Doodga – bomen

Beginrijm:
Alleen maar een man, alleen maar een vrouw

Volrijm:
Wind – kind
Stad – had
Vrouw – jou
Dat – liefhad
Rijmschema:

A b c d e f c d g h I j k k l m k n k n

Enjambement:

Vertel dan aan de bomen hoeveel ik van je hield
Die in de bomen klimt of uit de takken valt
Ze zouden niet willen geloven dat alleen maar een man alleen maar een vrouw

Metrum:
Het is een trochee
Stijlfiguren:

Tegenstelling: man – vrouw
Hyperbool: vertel het aan de bomen, vertel het aan de wind
Herhaling: hoeveel ik van je hield
Beeldspraak:

De bomen en de wind zijn dingen waar je helemaal niets tegen kunt zeggen.

Interpretatie:

Een man wil duidelijk maken dat hij heel veel van een vrouw houdt. Ik denk dat hij op sterven ligt, bijv. dat hij een ernstige ziekte heeft of een ongeluk heeft gehad. Hij gaat ervan uit dat mensen het niet kunnen geloven, dat als hij dood is, hij ook nog van de vrouw kan houden. Hij maakt wel heel duidelijk, vooral in de laatste regels, dat hij ongelofelijk veel van de vrouw houdt.

8) Mont Ventoux

Parafrase

Dichten is fietsen op de Mont Ventoux
Waar Tommy Simpson is overleden.
Onder zo tragische omstandigheden
Werd hier de wereldkampioen doodmoe.

Op deze col zijn velen losgereden,
Eerste categorie, sindsdien tabu.
Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampoo,
Die je wel nodig hebt, eenmaal beneden.

Alles is onuitsprekelijk vermoeiend;
De Mont Ventoux opfietsen wel heel erg,
Waarvoor ook geldt: bezint eer gij begint.

Toch haal ik, ook al is de hitte schroeiend,
De top van deze kaalgeslagen berg;
Ijdelheid en het najagen van de wind.

Dichten kan je vergelijken met fietsen op de Mont Ventoux
Waar Tommy Simpson is overleden.
Onder erg tragische omstandigheden
Werd hier de wereldkampioen doodmoe.

Op deze berg zijn velen losgereden,
Eerste categorie, vanaf toen taboe.
Het ruikt naar dennegeur, Sunsilk Shampoo,
Die heb je wel nodig, als je beneden bent.

Van alles wordt je heel erg moe;
De Mont Ventoux opfietsen is wel heel erg,
Maar bedenk van tevoren waar je aan begint.

Toch haal ik, al is de hitte vermoeiend,
De top van deze berg;
Ijdelheid en het najagen van de wind.

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een klassiek gedicht. Er worden wel termen gebruikt, die neigen naar het modern, zoals Sunsilk Shampoo, maar toch de opbouw van het gedicht verwijst weer naar het klassieke.

Districhon / Terzet / Kwatrijn

Dit gedicht is een sonnet, want eerst heb je 2x vier regels, een kwatrijn. Daarna 2x drie regels, een terset.
Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Op deze col zijn velen losgereden
Eenmaal bededen
Waarvoor ook geldt
Erg – geldt

Beginrijm:
Sunsilk Shampoo

Volrijm:
Mont Ventoux – doodmoe
Overleden – omstandigheden – losgereden – beneden
Tabu – Shampoo
Bezint – begint – wind
Erg - berg

Rijmschema:

A b b a b a a b c d e c d e

Enjambement:

Onder zo tragisch omstandigheden werd hier de wereldkampioen doodmoe

Geen metrum

Geen stijlfiguren

Beeldspraak:

Vergelijking: dichten – fietsen op de Mont Ventoux
Vergelijking: dichten – schroeiende hitte
Vergelijking: kaalgeslagen berg - gedicht

Interpretatie:

Fietsen op de Mont Ventoux wordt vergeleken met een gedicht. Tommy Simpson slikte doping, dus hij deed het niet eerlijk. Als een dichter ook zo aan de gang gaat, komt die er niet. Die komt niet op het topje van de kaalgeslagen berg. Een gedicht maken is net als het beklimmen van de berg erg vermoeiend. Weet waar je aan begint! Toch haalt deze schrijver het topje van de kaalgeslagen berg.
9) Ziekentroost

Parafrase

Pizarro had de vijftig overschreden
En weinig roem behaald uit veel gevaar;
Zijn eerste vrouw droeg veren in het haar
En op zijn kleinen akker werkte een tweede.

Hij stond bekend als drieste moordenaar,
Geen wet haast die hij niet had overtreden,
Maar dat behoorde tot de goede zeden
Op Hispaniola – hij was vijftig jaar.

Toen kwam de kans: met een vermolmd karveel
Maakte hij de reis die niemand voor hem deed,
Veroverde met honderd man Peroe.

Vijftig was hij, ik dertig maar: wie weet
Ontdek ik niet het zesde werelddeel,
Al ben ik nu na een paar stappen moe?

Pizarro was al ouder dan vijftig jaar
En weinig aanzien behaald uit veel gevaar;
Zijn eerste vrouw droeg veren in het haar
En op zijn kleine akker werkte zijn tweede.

Hij stond bekend als moordenaar zonder geweten,
Hij had bijna elke wet overtreden,
Maar dat vond hij een goede eigenschap.
Op Hispaniola was hij vijftig jaar.

Toen kreeg hij de kans; met zijn zeilschip
Maakte hij een reis die niemand voor hem had gedaan.
Hij veroverde met honderd man Peroe.

Hij was vijftig en ik dertig maar: wie weet
Ontdek ik het zesde werelddeel niet
Al ben ik al na een paar stappen moe?

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een klassiek gedicht. Dat is onder andere te zien aan de opbouw.

Districhon / Terzet / Kwatrijn

Dit gedicht is een sonnet, want eerst heb je 2x vier regels, een kwatrijn. Daarna 2x drie regels, een terset.

Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Behaald uit veel gevaar
Zijn eerste vrouw droeg veren
Die hij niet had overtreden
Hij was vijftig jaar
Toen kwam de kans
Overschreden – tweede
Karveel - deed

Beginrijm:
Wie weet

Volrijm:
Gevaar – haar – moordenaar – jaar
Zeden - overtreden
Peroe - moe
Rijmschema:

A b b a b a a b c d e c d e

Enjambement:

Ik dertig maar: wie weet ontdek ik niet het zesde werelddeel

Geen metrum

Stijlfiguren:

Herhaling: vijftig overschreden / hij was vijftig jaar / vijftig was hij
Retorische vraag: al ben ik nu al moe?

Geen beeldspraak

Interpretatie:

Misschien zit er wel een achterliggende gedachte achter dit gedicht. Ik denk het wel, maar ik kan hem er niet uithalen. In mijn ogen is dit gewoon een verhaaltje van een ontdekkingsreiziger uit de zestiende eeuw. Het is een sonnet. Er zit dan ook een wending in het verhaal: eerst een persoon zonder geweten (stond bekend als drieste moordenaar, enz) daarna als een heldhaftige ontdekkingsreiziger die met meer dan honderd man Peru heeft veroverd.

10) Geschenk van mijn vader

Parafrase

Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur;
Mijn lieve vader
En ik.
Bij elk klokgetik
Kwam zijn stervensuur
Nader en nader.

Hij was rustig en goed;
Lijk de moeder
Die haar kindje heeft gedekt tot de kin,
En die heengaat op lichten voet,
Stil en verblijd
Zo wist hij zijn denken en daden te bedolven.
Onder God’s warme barmharigheid

Hij stond langzaam uit zijn zetel op,
Recht en sterk lijk hij had geleefd.
Zijn fijne hand
Heeft gebeefd
Op mijn hand:
Een nevel over ontwakend land.

Toen heeft hij zijn laatste daad gedaan:
Hij gaf me zijn uurwerk,
Eenvoudig, zonder een woord,
En monklend is hij te rust gegaan.

Maar, toen ik hem zacht naar het bed geleidde,
Wist ik
Hoe een engel, zingend, aanschreed achter ons beide.
Want moedig had mijn vader,
In mijn handen
Afstand van daad en tijd gedaan.
Trots en wenend ben ik van hem heengegaan.

Wij zaten samen, zwijgend, bij het vuur;
Mijn lieve vader En ik.
Bij het getik van de klok
Kwam het uur dat hij stierf
Dichter en dichterbij.

Hij was rustig en goed;
Net als de moeder
Die haar kindje heeft toegedekt tot de kin,
En die zachtjes weggaat,
Stil en erg blij
Zo wist hij zijn denken en daden te verbergen.
Onder God’s warme toezicht.

Hij stond langzaam uit zijn stoel op,
Recht en sterk zoals hij had geleefd.
Zijn fijne hand
Heeft gebeefd
Op mijn hand:
Het leek een nevel over ontwakend land.

Toen heeft hij zijn laatste daad gedaan:
Hij gaf aan mij zijn uurwerk,
Eenvoudig, zonder iets te zeggen,
En glimlachend is hij gestorven.

Maar, toen ik hem zacht naar het bed bracht, Wist ik
Hoe een engel, zingend, achter ons allebei aankwam.
Want moedig had mijn vader, In mijn handen Afstand van daad en tijd gedaan.
Trots en huilend ben ik van hem weggelopen.

Versanalyse:

Klassiek / Modern:

Het is een modern gedicht. Dat is onder andere te zien aan de opbouw: afwisselend zeven, zes en vier regels. Ook de lengte van de zinnen geven dit aan.

Geen Districhon / Terzet / Kwatrijn

Klinkerrijm / Beginrijm / volrijm:

Klinkerrijm:
Zaten – samen
Zwijgend – bij
Kindje - kin
Warme - barmhartigheid
Lijk – hij
Heeft – gebeefd
Zijn – fijne – mijn
Daad - gedaan

Beginrijm:
Zaten – zwijgend

Volrijm:
Vuur – levensuur
Ik – klokgetik
Goed – voet
Verblijd – barmhartigheid
Geleefd – gebeefd
Hand – land
Gedaan – gegaan
Geleidde – beide
Gedaan - heengegaan
Rijmschema:

A b c c a b d e f d g h g I j k j k k

Enjambement:

Mijn lieve vader en ik
Bij elk klokgetik kwam zijn stervensuur nader en nader
Lijk de moeder die haar kindje heeft gedekt tot de kin
Zo wist hij zijn denken en daden bedolven onder God’s warme barmhartigheid
Zijn fijne hand heeft gebeefd op mijn hand.
Wist ik hoe een engel, zingend, aanschreed achter ons beide
In mijn handen afstand van daad en tijd gedaan.

Geen metrum

Stijlfiguren:

Vergelijking: moeder dat kind toedekt wordt vergeleken met de vader (hoe rustig hij was)
Vergelijking: het beven van de hand van de vader wordt vergeleken met een nevel over ontwakend land.

Beeldspraak:

Metafoor: vuur is een teken voor saamhorigheid. (gezelligheid)
Metafoor: klok is teken van tijd – klokgetik voor het leven – (het leven tikt voorbij)

Interpretatie:

Vader en zoon zaten bij het vuur. Vader was stervende, en dat wist hij. De vader heeft goed geleefd; wordt vergeleken met moeder. Zijn laatste daad was dat hij zijn uurwerk aan
(wat ik dacht) zijn zoon gaf. Zo had hij afstand gedaan van tijd en daad. De zoon was trots en liep huilend weg. Nu heeft de zoon dus het uurwerk van zijn vader. Ik denk dat wordt bedoeld dat de zoon nu het werk van de vader moet voortzetten, zijn vader moet opvolgen.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

H.

H.

DE RIDDER is een super humoristische parodie op de oude ridderballades.
Waarschijnlijk geschreven door Jan de Cler (huisarts) en in vroeger tijd schreef hij o.a. tijdens voetbalwedstrijden (voor de radio) een verslag op rijm, dat hij dan in de pauze en na afloop zong.
Een groot kleinkunstenaar.

11 jaar geleden