ADVERTENTIE

Als ik moet kiezen, dan ga ik het liefst:

Het Musée d’Orsay, een van de mooiste musea van Parijs of meer nog: van de wereld, vertegenwoordigt de kunst uit de tweede helft van de 19de en de eerste jaren van de 20ste eeuw. Hoewel het Louvre het bekendste museum van Parijs is, doet Musée d’Orsay er zeker niet voor onder. Het bevat vooral impressionistische kunstwerken, van schilders als Degas, Manet, Monet, Renoir, Van Gogh,…



Het museum bestaat nog niet zo lang, het is pas geopend in 1986, maar het gebouw waarin het museum gevestigd is bestaat al veel langer.

Op de plaats waar het huidige museum ligt, stond vroeger het Paleis van Orsay, gebouwd tussen 1810 en 1838 door Jean-Charles Bonnard and Jacques Lacornée. In dit paleis huisde de Cour des Comptes (Rechtbank van Rekeningen) en de Conseil d'Etat (de Staatsraad). Tijdens een gewelddadige revolutie, beter bekend als de Parijse Commune in 1871, werd het paleis en de volledige buurt afgebrand. Voor 30 jaar lang, dienden de ruines van het Paleis van Orsay als herinnering aan de gruwelen van een burgeroorlog.





Enkele jaren later werd door de franse overheid aan de spoorwegmaatschappij Orléans de opdracht gegeven om er een station te bouwen. Dit station, het Gare d’Orsay, werd gebouwd door Victor Laloux voor de wereldtentoonstelling op 14 juli 1900. Het project was een hele uitdaging, want het station moest perfect passen in de omgeving van het Louvre en het Palais de la Légion d'honneur. Toch slaagde Laloux erin om het station te bouwen in een recordtempo, van 1898 tot 1900. Ook was de constructie heel gedurfd voor die tijd, met een enorme metalen structuur die zwaarder weegt dan de Eiffeltoren en een middenschip dat groter is dan dat van de Notre Dame. Hoewel het station gebouwd werd eind 19de eeuw, is de stijl een mengeling van rococo met een vleugje 1900 en heeft het meer weg van een paleis dan van een station.



Het Gare d’Orsay was een kopstation, uitsluitend voor reizigers die de spoorlijn Paris-Orléans tot in het hartje van Parijs bracht. Van 1900 tot 1939 was het station het hoofd van het zuid-westelijke Franse spoorwegnetwerk. Het Hotel d’Orsay ontving talrijke reizigers, verenigingen en politieke partijen. Nochtans, na 1939, zou het station enkel de voorsteden meer dienen, want de platformen waren te kort voor de moderne, langere treinen die met de elektrisering van de spoorwegen verschenen. Van het station werd dus nauwelijks dertig jaar gebruikgemaakt. De treinen waren te lang geworden en de perrons konden niet verlengd worden.



Het gebouw werd daarna gebruikt voor verschillende andere doelen, onder meer als locatie voor de opname van de film "Het Proces" van Orson Welles, als theater en heeft het dienst gedaan als veilinggebouw en als opvangcentrum voor Algerijnse krijgsgevangenen in 1962. In het begin van de jaren zeventig werd het station, in tegenstelling tot de Oude Hallen van Parijs, van de afbraak gered door de hernieuwde belangstelling voor de bouwkunst van de late 19de eeuw en werd het in 1978 op de monumentenlijst geplaatst.



De idee om er een nationaal museum van te maken, kreeg vorm in 1975. Twee jaar later organiseert Giscard d'Estaing een wedstrijd. De inrichting van het station werd door deze wedstrijd toevertrouwd aan Gae Aulenti, een Italiaans architect. Samen met een andere groep architecten (Renaud Bardon, Pierre Colboc, Jean-Paul Philippon) begon hij aan wat men noemt ‘een van de meest geslaagde uitdagingen van deze laatste tien jaar’.



In de structuur van het station dat daar helemaal niet voor gebouwd was, moest nu een museum komen. De verlichting en de verwarming dienden aangepast te worden aan deze enorme ruimte. Men moest er ook rekening mee houden dat het niveau van de Seine plots zou kunnen stijgen en de trillingen van de onderliggende metro moesten geneutraliseerd worden. En vooral, dat alles ging een pak geld kosten, wat wellicht het grootste struikelblok was. De nieuwe president, François Mitterrand, maakte komaf met de onzekerheden. Het project moest er komen en dus werd het budget verdrievoudigd.



Later werden er nog verschillende andere middelen werden ingezet om de collectie uit te breiden: niet alleen door donaties en legaten, voor het grootste deel komende uit private initiatieven, maar ook aangemoedigd door de dynamiek van het project, kreeg het museum subsidies van de staat en kon zo verschillende, originele kunstwerken terug naar Parijs brengen die nu onmisbaar zijn geworden voor het museum. Deze subsidies zijn nu nog steeds heel belangrijk voor het museum, ze worden gebruikt om het Musée d’Orsay nog meer te verrijken.



De museumcollectie



De collecties van het musée d’Orsay zijn representatief voor de westerse kunst uit de periode 1848-1914. Ze werden bijeengebracht uit nationale verzamelingen, grotendeels afkomstig uit drie musea: het Louvre, het Jeu de Paume en het musée d’Art moderne. Het museum is vrij origineel en beoogt de diversiteit van een vruchtbare periode te tonen. Niet alleen de schilderkunst, de beeldhouwkunst, kunstnijverheid en de grafische kunst komen aan bod, maar ook de visuele kunsten zoals architectuur en stedenbouwkunde, film, fotografie, affichekunst en illustratie.

Naast deze werken zijn er tentoonstellingen over de sociale, politieke en technologische ontwikkelingen die de kunst in grote mate hebben beïnvloed.



De collecties zijn chronologisch verdeeld over drie verdiepingen: de zalen zijn meestal aan één schilder gewijd. De schilderkunst is ingedeeld per thema en per school. Op de derde verdieping telt het museum ongetwijfeld een van de mooiste collecties impressionistische werken ter wereld. Hieronder vindt u een lijst met de bekendste schilderwerken, maar eerst geef ik u nog een korte uitleg over wat het impressionisme nu precies is.



Het impressionisme is een stroming in de schilderkunst en beeldhouwkunst uit de 19e eeuw. Het behoort tot de Moderne kunst en kwam vooral veel voor in Frankrijk van 1860 tot 1880. Het was een vernieuwingsbeweging, een reactie tegen het toen algemeen aanvaarde classicisme, maar het was ook een totaal nieuwe stijltechniek. Waarschijnlijk is het ontstaan door de uitvinding van de tube. Vóór die tijd werd de verf in dierlijke blazen meegenomen, maar die lieten zuurstof door en de verf hardde uit. Door de tube konden de kunstenaars buiten werken. De impressionisten gaven weer wat ze op het moment zelf zagen. Er was geen sprake meer van de fijn afgelijnde tekening van de voorwerpen, de vormen werden onderscheden door verschillende kleurtoetsen te gebruiken, waarbij, wanneer je een impressionistisch schilderij van heel dichtbij ziet, je de penseelstreken zelfs nog kan zien.



Begane grond



In de centrale gang vindt u beeldhouwwerken van 1840 tot 1875.



Één daarvan is de zittende leeuw van Antoine-Louis BARYE (1847).



Deze majestueuze, monumentale leeuw staat aan het begin van de grote hal van het Musée d’Orsay. De beeldhouwer, Barye, maakte veel dierenbeelden waarvan kleine bronzen beelden te zien zijn in de collectie Chaussard van het museum. Dit beeld maakte hij in opdracht van koning Louis-Philippe en het moest als tendant dienen bij de leeuw die een slang vertrapt in de tuin van de Tuillerie. Zijn zittende leeuw is rustiger maar toont dezelfde zorg voor realisme en levendige expressie. Deze leeuw beantwoordde geenszins aan de academische regels maar werd beter ontvangen dan de eerste, al hadden aanhangers van de traditie er moeite mee om toe te geven dat beeldhouwkunst ergens anders toe kon dienen dan de uitbeelding van mensen.



Jean-Baptiste CARPEAUX – De vier werelddelen (1827-1875, eclecticisme)



Carpeaux, een Frans beeldhouwer maakte dit kunstwerk. Het werd in 1867 besteld door een baron, en is een fontuin in de tuinen van de Observatoire.

Het stelt de vier werelddelen voor, elk gesymboliseerd door een vrouw.

De bedoeling van de kunstenaar was om de beweging vast te leggen in haar meest wisselende momenten. Het veroorzaakte een schandaal vanwege de stevige naakte dames. Hij bouwde het van 1827 tot 1875, hij heeft zijn tijd er voor genomen. Dit is ook aan te zien aan de verschillende schetsen die hij maakte, alvorens aan het echte kunstwerk te beginnen. Deze schetsen bevinden zich nu in het Louvre.



Zaal 3



Alexandre CABANEL – De Geboorte van Venus (1863, academisme)



Cabanel was een echte salonschilder. De benaming salonschilders slaat op die schilders die zich aan de publieke smaak wisten te houden en zich hielden aan de traditionele regels. Zij hadden met hun werk op de salon in het algemeen veel succes, ook omdat hun 'originaliteit' er vooral uit bestond populaire onderwerpen op spectaculaire wijze te behandelen met veel gevoel voor realistische details in een onechte sfeer.



Tijdens de hele eerste helft van de 19de eeuw vormden de zogehete Salon de enige openbare gelegenheid waar kunstwerken konden worden getoond. De naam was te danken aan het feit dat die tentoonstelling van werken van levende kunstenaars werd gehouden in de vierkante salon van het Louvre. Deze Salon was het belangrijkste evenement voor Franse kunstenaars, want het was de enige manier waarop ze hun kunstwerken aan een groot publiek konden tentoonstellen. De ingezonden werken werden bekeken en geselecteerd door een jury die meestal bestond uit leden van de Académie. In 1963 was de jury zo streng dat 3000 van de 5000 ingezonden doeken werden geweigerd. Er werd zo heftig geprotesteerd dat Napoleon III persoonlijk ging kijken naar de geaccepteerde en geweigerde doeken. Daarna gaf hij toestemming voor de opening van nog een salon, nl. een salon voor de geweigerde werken, dat al snel de naam kreeg ‘Salon des Refusés’.



Dit werk werd door het grote publiek en de critici door het grote publiek uitbundig geprezen. Cabanel was de favoriet van Napoleon III en kreeg een eremedaille voor zijn werken. Dit werk werd gekocht door Napoleon III in 1863 op de Salon. Het wordt beschouwd als representatief voor de officiële smaak van het 2de keizerrijk. De geboorte van Venus is vaak vergeleken met de Olympia van Manet (die ik later nog verder bespreek) en in hetzelfde jaar werd geschilderd, nl. 1863. Het doek put uit het op de Academie zo geliefde repertoire van de mythologie en getuigd van een erotisch getinte kijk op de vrouw volgens de destijds geldende schoonheidsidealen: mollig, blank en soepel.

Dit staat natuurlijk mijlenver van wat de generatie van de daaropvolgende impressionisten in de schilderkunst zou gaan nastreven.



De godin Venus vertoont bijzonder stevige rondingen die ook terugkomen in de slinger van engeltjes in de lucht. Het Venus-thema was zeer geliefd en werd op de Salon van 1863 zo vaak door kunstenaars gebruikt dat karikatuurtekenaars er de spot mee drijven. Ze komen met bijvoorbeeld de Venus met lange armen, de Venus met lange benen, de Venus met sjaal,…



Zaal 14



In deze zaal vindt u enkele schilderijen van Manet van vóór 1870.

Zoals u misschien wel weet, is er op de bovenste verdieping nog een kamer met schilderijen van Manet. Deze dateren van na 1870. Men maakt hier een onderscheid in (dit is ook bij andere schilders -zoals bijvoorbeeld Monet- het geval) en dat is niet zonder reden: de schilders zijn immers geëvolueerd. Sommige schilders zijn zelfs in een ander stijl gaan schilderen, een voorbeeld hiervan is van Gogh: zijn eerste schilderijen waren bijna allemaal landschappen, impressionistisch, maar zijn latere schilderijen neigden zelfs een beetje naar het expressionisme. Maar daar vertel ik u later meer over.



Edouard MANET – Olympia (1865, impressionisme)



Dit beroemde schilderij past in een lange artistieke traditie van venussen en odalisken die Manet had bestudeerd en gekopieerd . Toch is dit hét symbool van de moderne schilderkunst geworden. De Olympia vormde dan ook tevens een aanval op de conventies. Het is geen bijbels naakt, geen mythologisch naakt maar een jonge, blote vrouw in haar dagelijkse omgeving. Een courtisane die een cadeautje van een bewonderaar ontvangt. De schilder-technische behandeling, vooral die van de huid, plat en zonder schaduwen, was eveneens shockerend. Olympia, als vulgair en onfatsoenlijk beschouwd, werd tot de Salon van 1865 toegelaten maar veroorzaakte een schandaal en heeft de geschiedenis van de schilderkunst diepgaand beïnvloed.



De eerste echte publieke rel over een kunstwerk is waarschijnlijk die rond dit schilderij. Manet was zeker niet de eerste die een schilderij van een naakte vrouw exposeerde. Het was ook niet het naakt op zich dat de commotie bij het publiek veroorzaakte, maar de blik van het model in combinatie met de entourage. Manet had een blote vrouw (een prostituee, in de ogen van de kijker) geschilderd en niet een naakt model in de academische traditie, waarbij naakten meestal godinnen voorstelden die op het schilderij een bovenaardse, verheven rol hadden, ontdaan van erotische lading.



Een van de vele beledigingen aan het adres van de Olympia (door schrijver-criticus Theofiel Gautier) luidt als volgt:



“Olympia valt op geen enkele wijze te begrijpen, zelf niet door aan te nemen dan voor wat het is, een spichtig model dat op een laken ligt. De huid heeft een vuilige tint, de schaduwen worden door tamelijk brede strepen boenwas aangegeven… We vergeven nog dat iets lelijk is, als het maar echt is, bestudeerd, verfraait door een mooi kleureffect. Hier is er niets anders, het spijt me om te zeggen, dan de wens om persé blikken te trekken.”



Edouard MANET – De Pijper (1866)



De Pijper werd geweigerd voor de Salon van 1866, het jaar na het schandaal van de Olympia.

Het schilderij stelt een jonge soldaat op ware grootte voor. Het is een jongen van de nationale garde die op een pijp speelt tegen een grijze achtergrond zonder decor. Deze ongewone behandeling van een portret heeft vergelijkingen opgeleverd met een speelkaart of een schoolprent. Het is vooral een esthetisch manifest van de schilder die een modern icoon maakt van een jongeling, met grote ogen en een bloemkooloor.



Bovenste verdieping



Zaal 29



Eduard MANET - Le déjeuner sur l’herbe(1863, impressionisme)



Le déjeuner sur l’herbe(1863)

Manet was in zijn tijd het prototype van de 'moderne schilder'. Zijn beroemde schandaaldoek dat in 1863 op de Salon des Refusés hing, vertoont niet, zoals de Franse titel suggereert, een picknick in het stadspark. Waar het wel licht op werpt is de veel voorkomende prostitutie in het Bois de Boulogne, waar heel Parijs weet van had, maar waar niemand over praatte en dat dus “al helemaal geen schilderij waard kon zijn”.

Twee burgerlijk geklede heren zitten in het bos, verdiept in een gesprek, met naast zich een naakte jonge vrouw, die de kijker zelfbewust aanstaart.



Op de achtergrond staat een badende vrouw tot haar knieën in een soort vijver. Bij nadere beschouwing brengt dit merkwaardige, poserende groepje, dat bijna collage-achtig in een bostoneel geplaatst lijkt, niets dan verwarring. Duidelijk wordt dan dat het hier niet gaat om een tafereel dat de kunstenaar zo tegenkwam, maar dat het een enscenering betreft, die bovendien teruggrijpt op kunsthistorische voorgangers (Marcantonio Raimondi: Parijs oordeel 1516)



De wijze waarop naakten geschilderd worden, heeft Manet voor altijd veranderd.



Manet was zo goed als onbekend bij het verschijnen van Le Déjeuner sur l'herbe, dat meteen een schandaal veroorzaakte. Zijn manier van schilderen leek meer op schetsen en zijn toeschouwers vonden de wijze waarop hij vrouwen portretteerde schaamteloos en 'modern'.



In de uitzending wordt nagegaan welke oorzaken er zijn voor de aantrekkingskracht van het schilderij. De geschiedenis van het schilderij wordt onderzocht vanaf het moment dat het opgenomen werd in een middelmatige tentoonstelling tot het moment dat het erkend werd als meesterwerk en veelvuldig werd geïmiteerd. Beroemde imitators zijn o.a. Monet, Cezanne, Matisse, Gaugin en Picasso.



Het Déjeuner sur l’herbe is het grootste werk van Manet, waarmee hij de droom van iedere schilder gerealiseerd heeft: nl. figuren met een natuurlijke grootte in een landschap plaatsen.



In 1863 werd dit schilderij van Manet geweigerd voor het Salon, maar door de oprichting van de Salon des Refusés in datzelfde jaar, kreeg Manet toch nog de kans om zijn werk te toonstellen. Daar werd het de hoofdattractie, en kreeg zowel positieve als negatieve kritiek



Manet leende het onderwerp van een werk van Titian, het Concert champêtre (afbeelding 2) en haalde inspiratie bij de compositie van de groep links bij het werk van Raphael, het Parijse Oordeel



Maar deze klassieke voorgangers waren het tegenovergestelde van de stoutmoedige Manet. De aanwezigheid van een naakte vrouw bij geklede mannen zou nooit voorkomen bij mythologische of andere voorgaande werken.

Manet maakte zelf grapjes over zijn werk, en noemde het lachend ‘la partie carrée’.

In de tijd van Manet werd zijn stijl even shockerend beschouwd als het onderwerp zelf. Hij maakte geen overgang tussen de lichte en donkere elementen van het schilderij, hij negeerde de gewoonlijke, subtiele overgang en kreeg daarom verwijten voor zijn waanzin door ‘te zien in blokken’. Ook de karakters passen niet bij de achtergrond van de bomen, waarbij Manet zowel diepte en perspectief had uitgesloten. Het Déjeuner sur l’Herbe – Manet’s weigering om zich aan te passen aan de gewoonlijke schilderkunst en zijn initiatief van een nieuwe vrijheid van traditionele onderwerpen en manieren van die vertegenwoordiging – kan misschien wel beschouwd worden als het vertrekpunt van Moderne Kunst.



Zaal 32



Camille PISSARRO – De Rode Daken, hoekje van een dorp, winters effect

(1877, impressionisme)



De Rode Daken, hoekje van een dorp, winters effect is door schilderverzamelaar Gustave Caibotte aan de staat nagelaten. Het doek getuigt van de verregaande belangstelling van Pissarro voor het platteland. Het was de schilder hier niet om de oorspronkelijkheid van zijn thema te doen of om het pittoreske effect hiervan. Hij plaatste de horizon heel hoog en concentreerde zijn aandacht op het kleurenspel. Tinten groen werken op de voorgrond en helemaal achterin op elkaar in. Tussen die twee vlakken, zijn de rode daken geplaatst. Hun massieve uiterlijk contrasteert met het scherm van bomen dat de daken gedeeltelijk aan onze blik onttrekt.



Alfred SISLEY – Chemin de la Machine in Louveciennes (1873, impressionisme)



Sisley staat bekend als een van de "puurste" impressionisten en deed mee aan de eerste impressionistische tentoonstelling in 1874. Hij produceerde circa 900 olieverfschilderijen, vrijwel allemaal landschappen. Sisley hield van het Franse platteland, waar hij zelf lang woonde, maar maakte ook enkele werken in Londen en in de omgeving van Cardiff.



Sisley's landschappen, waarin mensen meestal afwezig zijn en die een serene sfeer hebben, worden vaak gedomineerd door de lucht, die hem fascineerde. Opvallend is ook zijn voorliefde voor sneeuw. In een brief aan een vriend schreef hij: "Elk schilderij toont een plek waarop de schilder verliefd is geworden."



Sisley heeft zich onder invloed van het werk van Courot en de schilders van de School van Barlizon op het landschap toegelegd. Naast lichtval op het water en de sneeuw, concentreerde hij zich vooral op de studie van ruimte en lucht. Hij besteedde veel aandacht aan het verloop van de lijnen in de compositie en de weergave van de hoogteverschillen zoals ook te zien is in Chemin de la Machine in Louveciennes. De rechtstandige weg, die in het verschiet verdwijnt, geeft het schilderij een sterke uitstraling. Het werk was te zien op de Centanale de l’Air français bij de wereldtentoonstelling van 1900.



Zaal 31



Edouard MANET - aan het strand (1873, impressionisme)



Op dit schilderij, iets tussen een zee en een portretschildering in, gunt Manet ons een intiem en stemmig kijkje op een paar aan het strand.

De schilder hervindt hier, na vier jaar afwezigheid, de Normandische kust.

Toch verbeeldt dit schilderij niet de genoegens van een zorgeloze vakantie. De twee figuren zitten naar mekaar toe gekeerd, maar kijken mekaar niet aan. Onder de heel hoog geplaatste horizon, die hen in het landschap opsluit, lijken ze zich op hun beurt op te sluiten in hun innerlijke wereld.



Edouard Manet werd al tijdens zijn leven gezien als de vader van de Impressionisten. Toch had hij een grote afkeer van het platteland, en landschappen - die zo in trek waren bij de andere Impressionisten - schilderde hij dan ook nauwelijks. De verrassende manier waarop hij het moderne stadsleven in Parijs afbeeldde en zijn radicale, directe manier van schilderen, zorgden indertijd voor een grote sensatie. Voor een echt stadsmens was zijn kennis van en liefde voor de zee echter groot.



In de loop van zijn verdere leven zou Manet regelmatig vakanties doorbrengen aan de Franse kust, van Boulogne en Berck in het noorden tot Bordeaux en Arcachon in het zuidwesten. Tijdens deze verblijven maakte hij schetsen en studies die hij vervolgens uitwerkte in zijn Parijse atelier. Havens, badplaatsen en de bijbehorende commerciële en sociale activiteiten vormden de grootste inspiratiebron voor zijn maritieme schilderkunst.



Manets weergaven van de zee en aanverwante onderwerpen vallen echter op door de radicale, nieuwe richting die hij insloeg. Door het innemen van ongewone gezichtspunten, onverwachte ordeningen binnen de compositie en het gebruik van een beperkt scala aan kleuren, weet Manet zijn onderwerpen op een bijzonder frisse en moderne manier weer te geven.



Een mooi voorbeeld van buiten schilderen is Op het strand - Suzanne en Eugène Manet in Berck waarop de echtgenote en broer van de kunstenaar liggend op het strand zijn afgebeeld. Zandkorrels op het beeldoppervlak suggereren dat dit doek ter plekke werd geschilderd.



Edgar DEGAS – Paard in paradepas (1865-1881, impressionisme)



Het Musée d’Orsay bewaart een 12-tal bronzen beeldjes van paarden in uiteenlopende houdingen en situaties. Degas maakte heel graag beelden van paarden omdat hij hierin een mogelijkheid zag beweging uit te beelden. De kunstenaar maakte zijn modellen van was. Dit materiaal genoot zijn voorkeur omdat hij zijn figuurtjes dan nog eindeloos kon bewerken en veranderen. Na zijn dood werden in zijn atelier 150 beeldjes van was, plasticine en verschillende materialen teruggevonden.



Van elk van de wassen originelen werden vormen gemaakt waardoor een aantal mallen van brons konden worden gegoten. Deze mallen dienden op hun beurt weer voor het maken van een tweede generatie vormen. Deze methode van gieten in twee etappes maakte het mogelijk de kwetsbare originelen te behouden.



Edouard MANET – De asperge (1880, impressionisme)



Deze enkele asperge op een marmeren tafel is bewijze van grap aangeboden door Manet aan een vriend van hem. Deze had namelijk een schilderij van een bos asperges besteld en daarvoor meer betaald dan eerst overeengekomen was. Manet maakte sowieso graag stillevens. Ze waren, volgens zijn eigen zeggen, de goedkoopste en minst veeleisende modellen. Hij gebruikte het stilleven om te experimenteren met de kleuren.

Op dit piepkleine doek bewijst de kunstenaar zijn virtuositeit doordat hij erin slaagt zijn onderwerp met een minimum aan middelen tot leven te brengen.



Zaal 32



Pierre Auguste RENOIR – Le Moulin de la Galette (1876, impressionisme)



Dit schilderij is zonder twijfel het belangrijkste werk van Renoir. Hoewel enkele vrienden van hem in de afbeelding verschijnen, was het hoofddoel van Renoir de levendige en blije atmosfeer van deze populaire danstuin op de Heuvel van Montmartre (op dat moment het hoogste punt van Parijs) over te brengen.



Renoir was een Frans schilder en beeldhouwer. Terwijl zijn vroege werken voornamelijk portretten, landschappen, bloemen of groepen van figuren in cafés en danszalen omvatten, bestaat zijn latere werk veelal uit vrouwelijke naakten in zijn favoriete kleurengamma tussen roze en rood. Een geliefd thema hierbij was vooral de baadster. Aan het eind van zijn leven werd hij gehandicapt door een ziekte wat hem ten slotte zo hulpeloos maakte dat om te kunnen schilderen de penselen aan zijn polsen moesten worden vastgebonden

.

Het gebruik van heldere penseelstrepen en de enigszins benevelde indruk van de scène spoorde negatieve reacties van critici aan.

Deze afbeelding van het populaire Parijse leven, met zijn vernieuwende stijl en grootte formaat, is een van de meesterwerken van het vroege Impressionisme.

Dit schilderij werd tweemaal geschilderd; een versie hangt in het Musée d'Orsay, de locatie van het andere werk is onbekend. Dit laatste werd in 1990 voor ruim 78 miljoen dollar verkocht, het op twee andere schilderijen na duurste schilderij ooit.(Het duurste schilderij is de Jongen met de pijp van Pablo Picasso (104 miljoen dollar), het tweede duurste het Portret van Dokter Gachet van Vincent van Gogh (82 miljoen dollar).)



Zaal 34



Dit is de zaal met allemaal werken van Monet, gemaakt na 1880. In de kamer hiernaast en op het gelijkvloers bevinden zich nog werken van hem, want hier is ook weer een onderscheid gemaakt omdat de kunstenaar zelf een evolutie heeft gemaakt. Op het eind van zijn leven zijn z’n schilderijen veel donkerder als eerst, hij gebruikte steeds meer en meer de kleur grijs. Ook was zijn zicht sterk verslechterd en heeft hij daarom enkele oogoperaties moeten ondergaan, wat zijn schilderkunst ook wel beïnvloed zal hebben.



Claude MONET – de kathedraal van Rouen



De kathedraal van Rouen op verschillende momenten van de dag (1892-1893) is een van de talloze (een 70tal) werken van Claude Monet, leider van de impressionistische beweging, die hier in het Musée d’Orsay zijn te zien.



Monet was een van de eerste impressionistische kunstenaars. Volgens sommige was hij zelfs de echte ‘pionier’. Op zijn schilderij l’impression du soleil levant (waar ook de naam van het impressionisme vandaan komt) kreeg hij heel veel kritiek.



Monet was gefascineerd door het licht en dit bracht hem ertoe om verschillende series van hetzelfde onderwerp te schilderen. Deze schilderijen toonden zo het effect van het daglicht, hij schilderde in vele variaties dezelfde motieven, een voorbeeld hiervan zijn de strobalen, de kathedraal van Rouen en zijn beroemde waterlelies.



Hij trachtte het door het licht steeds veranderende landschap in een ogenblik vast te leggen. Buiten maakte hij slechts studies en schetsen die hij dan afwerkte in zijn atelier. Hij schilderde ook vaak in zijn tuin die hij ook als atelier gebruikte. Door deze manier van schilderijen, een momentopname, was het mogelijk om van éénzelfde plaats 30 verschillende momenten te maken.



Het Musée d’Orsay bevat vijf doeken uit de beroemde reeks van 30 gezichten op de kathedraal van Rouen. Daartoe behoort ook deze portaal, in de ochtend, witte harmonie (de eerste afbeelding). Monet geeft hier weer hoe het ochtendlicht op hem overkomt, belichting die de steen doet vervagen waarbij de karakteristieken en het reliëf van het gebouw lijken te vervagen.



Deze nieuwe kijk op de schilderkunst wilde niet dienstig zijn aan de gotische architectuur, maar interesseerde zich voor het effect van de verschillende weersomstandigheden en de sporen van de tand des tijds.



Met 30 doeken van verschillende prachtige lichtinwerkingen heeft de schilder ons het idee gegeven dat hij er 50, 100, 1000, zoveel als er seconden in zijn leven zijn, had kunnen, had moeten maken.



Monet heeft het procédé van de reeksen uitgevonden waarin de veranderingen in licht en atmosfeer rond hetzelfde onderwerp worden bestudeerd, steeds vrijwel vanuit hetzelfde gezichtspunt waargenomen. Doek na doek bestudeert hij zo de voorbij trekkende sporen van de tijd.



De vijf doeken die hier in het museum hangen heten:

· Kathedraal van Rouen, het portaal en de St-Romain toren, in de ochtend gezien, witte harmonie

· Kathedraal van Rouen, het portaal, ochtendzon, blauwe harmonie

· Kathedraal van Rouen, portaal en de St-Romain toren, volle zon, harmonie in blauw en goud

· Kathedraal van Rouen, bruine harmonie

· Kathedraal van Rouen, portaal bewolkte lucht



Claude MONET – Blauwe waterlelies (1916-1919)



Zoals eerder gezegd, was Monet iemand die vaak schilderijen over éénzelfde onderwerp maakte. Dit deed hij ook bij de waterlelies, wat een van zijn favoriete thema’s was. Hij heeft zelfs, om ze te kunnen schilderen, een watertuin ingericht bij zijn thuis. Nu bestaat deze tuin in Giverny, nabij Parijs, ook nog, en vormt een toeristische attractie.

Deze waterlelies vormen het thema van een belangrijk aantal werken die over een periode van 30 jaar zijn gespreid. Hierbij voelt de toeschouwer zich als het ware verdrinken in de inhoud van het schilderij.



De vlekken en de blauw-groene gekleurde lijnen vallen samen en kruisen elkaar zonder dat we weten wat dichtbij en veraf is, zonder perspectief en zonder dat onze blik gestuurd wordt.

Deze studies, die aangeven dat Monet met zijn werk steeds meer afstand heeft genomen van de figuratieve kunst, hebben abstracte schilders van de 20ste eeuw geïnspireerd.



Zaal 39



Vincent VAN GOGH – Sterrennacht (1888, post-impressionisme)



Van Gogh is een Nederlands schilder en wordt tegenwoordig gezien als één van de grootste schilders die ooit hebben geleefd. Deze erkenning kwam echter pas laat. Zo werd gedurende zijn leven slechts één schilderij verkocht. Dit werd indertijd gekocht door de zus van een goede vriend van Van Gogh voor maar 400 BEF!



Gedurende de tijd dat Van Gogh in Arles woonde, was hij constant bezig met ‘nachteffecten’, hij werd geobsedeerd door sterren. In april 1888 schreef hij naar zijn broer Theo: “ik heb een sterrennacht nodig met cipressen of misschien een sterrennacht boven een tarweveld.” In juni, vertrouwde hij aan de schilder Emile Bernard toe: “Maar wanneer zal ik ooit de Sterrennacht schilderen, een schilderij dat me blijft achtervolgen” en, in september, in een brief naar zijn zus, riep hij hetzelfde onderwerp op: “..Vaak schijnt het me dat de nacht veel rijkelijker gekleurd is dan de dag”. Gedurende dezelfde maand nog, realiseerde hij eindelijk zijn project.



Eerst schilderde hij een hoek van de nachtelijke hemel in Café Terrace op de Place du Forum, Arles. Vervolgens kwam het kwam het zicht op de Rhône (dat zich nu bevindt in het Musée d’Orsay) waarin hij op een prachtige manier de kleuren weergeeft die hij in het donker waarnam. De sterren glinsteren als edelstenen.



Een paar maanden later, nadat hij in een gesticht gezeten had, schilderde Van Gogh nog een andere versie van hetzelfde onderwerp: Sterrennacht, waarin al duidelijk was dat Van Gogh ze niet allemaal op een rijtje had. Bomen zijn voorgesteld als vlammen, terwijl de lucht en sterren in een soort van werveling, als vuurwerk werden geschilderd. Hij schilderde met veel woede, en De Schitterende Nacht vibreert met raketten van brandend geel terwijl planeten ronddraaien als wielen. Het andere schilderij, de Sterrennacht over de Rhône, dat in het Musée d’Orsay hangt, is veel kalmer, straalt meer rust uit onder andere door aanwezigheid van twee minnaars onderaan het schilderij.



Sterrennacht werd door Van Gogh geschilderd toen hij in het gesticht Saint-Rémy in Frankrijk verbleef en zijn gedrag erg verward was. In tegenstelling tot de meeste van zijn schilderijen werd Sterrennacht uit het geheugen geschilderd en niet in de buitenlucht, zoals de schilder liever deed. Het schilderij Sterrennacht is één van de beroemdste iconen van de nachthemel ooit gecreëerd. Het tafereel werd in het zuiden van Frankrijk in 1889 geschilderd door Vincent van Gogh. De wervelende schilderstijl van Sterrennacht lijkt, voor velen, de nachthemel tot leven te brengen. Hoewel van Gogh in zijn schilderijen vaak natuurlijke taferelen portretteerde, zijn kunstgeschiedkundigen het er niet over eens welke sterren en planeten er precies worden afgebeeld in Sterrennacht. De stijl van Sterrennacht is postimpressionistisch — een populaire schilderstijl aan het einde van de negentiende eeuw. Het originele schilderij Sterrennacht hangt in het Museum of Modern Art in New York.

Vaak wordt het schilderij geassocieerd met de woorden van Vincent van Gogh:



"Just as we take the train to get to Tarascon or Rouen,

we take death to reach a star."



Er is zelfs een liedje gemaakt over Van Gogh en zijn Sterrennacht, nl. ‘Vincent’ van Dan Mclean. (Voor de tekst, zie bijlage)





Beeldhouwkunst

Op de centrale as van het museum vindt u een grappige selectie beelden. Zij illustreren de sfeer van het midden van de 19de eeuw, toen verschillende stijlen naast elkaar bestonden: bijvoorbeeld het Classicisme van Eugène Guillaume en de Romantiek van Francois Rude. Rude maakte ook het reliëf voor de Arc de Triomphe (1836) dat vaak La Marseillaise wordt genoemd.

Er is een prachtige reeks van 36 bustes van de parlementsleden uit 1832 –afgebeeld als opgeblazen figuren, lelijk en zonder scrupules- van de satirist Honoré Daumier en werk van de levenslustige, maar jonggestorven Jean-Baptiste Carpeaux. Zijn eerste grote bronzen beeld, Graaf Ugolino (1863) stelt een personage van Dante voor. In 1868 maakte hij zijn prachtige dionysische beeld, De dans, dat een storm van protest veroorzaakte: het was ‘een belediging van de publieke moraal’. Dit beeld staat in sterk contrast met het werk van beeldhouwers als Alexandre Falguière en Hyppolyte Moulin.

De beroemde Jonge danseres van veertien van Edgar Degas (1881) werd al bekend tijdens zijn leven. Dit in tegenstelling tot de vele bronzen die te zien zijn. Deze werden gemaakt van wassen beelden die na zijn dood in zijn atelier werden ontdekt. De werken van Auguste Rodin stonden tijdens zijn leven als sterk in de belangstelling. Het museum bezit veel werk van hem, waaronder het originele beeld van Balzac (1897).

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

K.

K.

het musee d 'osay's gebouw was een treinstation, geen paleis!

12 jaar geleden

Antwoorden

M.

M.

Voor de bouw van het station stond er een paleis die afgebrand is tijdens een burgeroorlog.

4 jaar geleden

D.

D.

lees de 1e EN de 2e alinea

3 jaar geleden

gast

gast

S.

S.

veel te lang

4 jaar geleden

Antwoorden

gast

gast