Ervaringsverslag 1.a In het boek ‘Voor een verloren soldaat’ is er maar één absolute hoofdpersoon, namelijk Jeroen, een jongen van elf jaar die rond eind 1944 vanuit Amsterdam naar het platteland van Friesland wordt gestuurd om daar de oorlog te overleven. Hij laat zijn ouders achter in Amsterdam en daar heeft hij het in het begin erg moeilijk mee. De hele omgeving waar hij in terechtkomt in Laaxum (het dorpje in Friesland waar hij verblijft) is zo anders dan hij gewend is dat arme Jeroen helemaal verward zijn eerste tijd bij zijn gastfamilie doorbrengt. Hij is altijd al ‘anders’ geweest, een dromer die vaker in zijn wereldje leeft dan in de realiteit. Het is een schok voor de jongen om weg te worden gestuurd door zijn ouders; houden ze niet meer van hem? Maar ondanks alle moeilijkheden past hij zich op den duur prima aan in Laaxum. Hij blijft dat dromerige wel houden, maar verder weet hij zich geheel te vinden in de zwaar christelijke gemeenschap waar hij belandt, en ook de familie waar hij verblijft blijkt aardig en zorgzaam. Wat mij wel opvalt is dat Jeroen door zijn droomwereld geen goed beeld van de realiteit heeft, het is echt een verwarde jonge man. Dit merk je heel erg op het moment dat de bevrijders doordringen tot Laaxum en de Friezen komen bevrijden van het juk van de Duitsers. Er verschijnt dan een soldaat ter tonele, Wolt genaamd, die Jeroen dwingt tot seks. De dromerige Amsterdammer is al helemaal in de war doordat hij bepaalde gevoelens koestert voor zijn vriendje Jan, maar niet weet of deze liefde wel normaal is of mag. Op het moment dat de soldaat hem begint te misbruiken denkt Jeroen dat ze van elkaar houden, hij verbeeldt zich een hele relatie die er in werkelijkheid niet is, omdat de soldaat alleen uit is op seks zonder verplichting. Weer is Jeroen in de war en vraagt zich duizenden dingen af: houdt hij ook van mij? Is dit nou neuken, waar de jongens het over hebben? Mag dit wel? Waarom voel ik dan een angst voor Wolt? In het volgende stukje hieronder wordt er beschreven hoe Jeroen nadenkt over zijn denkbeeldige geliefde: (blz. 156) ‘God,’ zeg ik, en hoop dat hij me hoort, ‘laat de soldaat mijn vriend zijn, laat me altijd bij hem zijn. En laat niemand het ooit weten.’ De kou trekt door mijn knieën omhoog, ik sta met kromme verstijfde knieën. ‘Ik zal altijd naar de kerk gaan en bidden, dat beloof ik U. Als hij me maar meeneemt…’ In huis hoor ik een deur die opengaat en een vlaag van pratende stemmen die even uitwaaiert en weer dooft.’
1.b Door het gehele boek verandert Jeroen eigenlijk amper van karakter, hij wordt alleen meer volwassen. Eén van de motieven in het boek is de groei naar volwassenheid, dus daar merk je in het boek wel iets van: Jeroen ontdekt zijn seksualiteit en groeit meer naar een volwaardig persoon, maar toch blijft er stukje kinderlijkheid in hem. Als hij terug in Amsterdam is gaat hij op zoek naar Wolt, iets echt kinderlijks, aangezien hij niet begrijpt dat hij gewoon is misbruikt door de soldaat. Zelfs aan het einde van het boek, als Jeroen 35 jaar ouder is denkt hij niet terug op de soldaat als een smeerlap die hem gewoon gebruikte omdat hij een weerloos kind was. Zelfs dan ziet hij alles heel scheef en blijft dat stukje kinderlijke onschuld zichtbaar. In het onderstaande citaat is Jeroen rond de 46 jaar oud en denkt terug aan ‘zijn’ soldaat: (blz. 273) ‘Besta je, leef je nog?’ Denk ik. De gedachte dat je gestorven zou zijn komt me opeens absurd voor, onmogelijk. Het bestaat toch niet dat je voorgoed verdwenen bent zonder dat we elkaar nog éénmaal hebben aangekeken, voordat we onze vreemde ontmoeting nogmaals onder ogen hebben gezien, ons er over kunnen verbazen en misschien samen lachen? Toen ik kleiner was –ja, toen dus, in de oorlog –was het eenvoudig: ik zag jullie zitten, de vrouw van de dominee, mijn moeder en jou, op een grote, grijze bank. Als beelden onbewogen starend in het niets, Ik las de eeuwigheid in jullie ogen.’
1.c De belangrijkste minder belangrijkste persoon is zonder twijfel de Amerikaanse soldaat Wolt die Jeroen gedurende een tijd seksueel misbruikt. Hij komt in Laaxum aan en geeft Jeroen kauwgom, chocolade en voor hij weggaat een foto van hemzelf. De jonge soldaat zoekt gewoon seks zonder enige verplichting en vindt deze in Jeroen, die helemaal opgaat in Wolt en zijn liefkozingen. Zijn homoseksualiteit komt hier duidelijk naar voren, maar omdat het nog maar een verward klein jochie is beseft hij het zich niet bewust dat hij homoseksueel is. Wolt vertrekt op een gegeven moment zonder iets te zeggen en Jeroen blijft hem wanhopig zoeken, in Laaxum, op de boot naar Amsterdam en in Amsterdam zelf. Hij begrijpt niet dat zijn lief hem zomaar verlaat.
Nog een belangrijk bijpersoon is de familie waar Jeroen verblijft, met aan het hoofd een potige dame waarvan Jeroen gedurende zijn verblijf in Laaxum als een moeder van gaat houden. In Friesland wordt moeder ‘mem’ genoemd, en zijn mem is een stevige tante die sterk in haar schoenen staat en vol overgave van haar kinderen houdt.
Nog een persoon die het noemen waard is, is Jan, een mondig Amsterdammertje die ook op het transport naar Friesland blijkt te zitten. Jeroen heeft tegenover hem gewoond in Amsterdam en nu woont hij een paar boerderijen verder dan de jongen. Hij ontwikkelt een oprechte liefde voor zijn vriendje en hunkert naar zijn aanrakingen. Dit is eigenlijk zijn eerste homoseksuele ervaring. Jan verandert al snel in een echte boerenjongen en hij heeft veel minder moeite met de aanpassing dan Jeroen. In wezen is Jan veel meer volwassen op de manier waarmee hij mensen behandeld, praat, zich aanpast, werkt en denkt. Jeroen respecteert hem en kijkt tegen hem op, maar houdt boven alles van hem, een liefde waarmee hij niet goed weet om te gaan.
1.d Eerlijk gezegd herken ik weinig karaktereigenschappen van mijzelf in Jeroen. Hij is zo anders dan ik ben, we zijn twee tegengestelde polen. Het enige waar ik dan in kan komen is zijn angst naar een nieuwe plek met een nieuw gezin te gaan. Jeroen wil echt niet weg van huis, hij begrijpt niet dat het nodig is omdat de situatie in Amsterdam verslechtert, en dat zou ik wel begrijpen. Het gevoel niet met je eigen familie te kunnen zijn, niet wetende of ze überhaupt nog leven lijkt mij ook verschrikkelijk. Ik herken verder niets in hem, eerlijk gezegd. De groei naar volwassenheid maken we allemaal door, dus dat is niet echt een groots voorbeeld dat ik begrijp in hem: daar kan iedereen zich wel in vinden denk ik.
2.a De allerbelangrijkste relatie in het boek is uiteraard die tussen Jeroen en Wolt. De relatie is geheel oneerlijk: Wolt is de overheerser en Jeroen de overheerste. Omdat Wolt Amerikaans is, verloopt de communicatie tussen die twee moeizaam en bijna niet. Ik denk zelf dat als Wolt een Nederlander was geweest Jeroen een heel ander beeld van zijn soldaat had gehad. Door het gebrek in communicatie wordt het voor de jongen namelijk allemaal nog verwarrender, geheimzinniger en lijkt Wolt nog meer magisch en onbereikbaar. Door de taalstoornis kunnen ze ook niet duidelijkheid scheppen in wat ze willen: Jeroen blijft daardoor de illusie hebben dat Wolt echt zijn geliefde is, van hem houdt en hem mee zal nemen naar een ver, ver land waar ze samen gelukkig zullen zijn. Hij wil zich speciaal voelen en dat gevoel geeft de Amerikaan hem. Jeroen gaat helemaal op in zijn soldaat en verliest zich echt in hem, wat op zich best triest is. Voor hem is het een heel speciaal en mooi iets, terwijl de soldaat alleen uit is op de seks die hij zonder verplichting vindt in de onschuldige Jeroen. Als de soldaat zonder waarschuwing vertrekt begrijpt de arme jongen er niets van en hij geeft de hoop hem ooit weer te zien niet op, zelf als volwassene niet. Hieronder heb ik een kort stukje geciteerd waarin een zieke Jeroen in zijn bedstee denkt aan zijn nieuwe vriend: ( blz. 129) ‘Kan ik om mijn jas vragen? Ik wil aan de mouwen ruiken en de soldaat bij me hebben. Ik moet weer weten hoe hij rook…’
De tweede relatie is die tussen Jan en Jeroen. Voor onze hoofdpersoon is zijn vriendje van vroeger Jan een belangrijke houvast in een rare, nieuwe omgeving waar hij niemand kent en alles vreemd lijkt. Het maakt alles net iets makkelijker, wetende dat Jan er is en het ook allemaal doormaakt. Jan is ook de eerste jongen waarop Jeroen stiekem verliefd is. Door zijn onwetende onvolwassenheid beseft hij het niet, maar hij weet wel dat als hij ’s avonds in bed ligt hij wenst dat Jan naast hem ligt. Zich afvragend of die gevoelens wel normaal zijn en of het wel mag, brengt hij zoveel mogelijk tijd door in zijn gezelschap. Jeroen krijgt in het volgende citaat de erectie van Jan te zien en in zijn naïeve onvolwassenheid vraagt hij zich af wat er met hem aan de hand is: (blz. 69) ‘Jan zijn pik ziet er vreemd uit, hard met een glanzende bovenkant. Ik vraag me af of het pijn doet en slik met een krampachtig geluid. ‘Je moet duwen en trekken zeggen ze’ Jan is plotseling mededeelzaam. ‘Als je dat doet, dan gaat het.’ Hij begint met heftige bewegingen aan het gezwollen ding te trekken. Ik heb het gevoel dat ik niet besta, en draai me om. Wat doet hij, wat is er met hem? Ik voel medelijden; is hij ziek, heeft hij dat wel vaker? Hij heeft een geheim dat hij me niet wil vertellen omdat hij me te kinderachtig vindt, omdat ik een zeikerd ben.’
De laatste relatie is die tussen hem en zijn familie; zowel zijn echte als zijn surrogaat familie. Hij is verward en begrijpt niet waarom zijn pappie hem wegstuurt, maar als hij eenmaal gewend is in Friesland heeft hij absoluut geen problemen meer met de nieuwe familie waar hij woont, een grote familie met veel kinderen en een warme moeder en vader aan het hoofd. Hij heeft dan ook veel moeite met het afscheid als zijn eigen moeder weer terug komt: hij voelt zich toch een beetje door haar verraden. Zijn ‘mem’ is iemand waar hij zich erg aan is gaan hechten namelijk en het afscheidt met haar valt hem dan ook zwaar: (blz. 217) ‘Kom,’ zegt mijn moeder, ‘nu moeten we gaan. Zeg ze maar gedag, allemaal.’ Mijn hart bonkt en klopt, en ik durf ze niet aan te kijken, een verrader voel ik me, een lafaard. Ik geef Popke een hand, dan Trientsje en zo ga ik de rij af. Het is alsof ik uit elkaar word gescheurd als ik bij mem ben en ik sla mijn armen om haar hals en krijg een huilbui die tot diep binnen in me rukt en beeft.’
2.b De eerste relatie, namelijk die tussen Wolt en Jeroen, verandert amper. Jeroen blijft houden van de onbereikbare soldaat en Wolt geniet ervan zolang hij kan, om daarna terug te gaan naar zijn eigen leven. De connectie heeft niet de kans om zich te ontwikkelen of te veranderen: hij is van korte duur, vluchtig en geheim. De gevoelens en intenties van beide kanten blijven hetzelfde: namelijk aan de ene kant een overrompelde en geïntrigeerde Jeroen en aan de andere kant een seksbeluste schaamteloze Wolt. En daarbij komt ook nog dat Jeroen nooit ophoudt met hopen op de terugkeer van Wolt. Toch is Jeroen dubbel in zijn gevoel; hij houdt wel van zijn soldaat en hoopt bij hem te blijven, maar hij beangstigt hem soms ook, zoals in het volgende citaat: (blz. 123) ‘Het herhaalt zich weer, de mond, de handen, zijn smaak die me doordringt, die ik niet meer kwijtraak en het hardnekkige graaien wat soms opeens verzacht. Ik heb het koud, mijn gezicht gloeit en doet pijn, uit mijn keel komt een zacht hees geluid. Ik ben bang dat als hij me loslaat ik op de grond zal vallen en niet instaat zal zijn ooit weer op te staan, dat ik daar verga, vergeten achter een oude schuur.’
De Jan –Jeroen relatie verandert niet echt duidelijk, hij vervaagt meer. Na elkaar belooft te hebben bij elkaar te blijven in Laaxum gebeurt dat niet, en ook later zien ze elkaar minder en minder. Hij verdwijnt langzaamaan zonder dat ze er allebei erg inhebben.
Ook de laatste relatie, namelijk die tussen Jeroen en zijn families is niet echt anders te noemen aan het einde van het verhaal. Het houdt gewoon op. Als hij weggaat uit Laaxum is er gewoon geen relatie meer tussen zijn surrogaat familie daar. Deze is natuurlijk op het einde wel anders dan in het begin, vooral met mem. Eerst vindt hij haar een beetje eng en overrompelend en later begint hij van haar te houden, net als van de andere familieleden. Hij moet uiteraard even wennen in het begin, waardoor het later wat vertrouwelijker is en hij zich meer op zijn gemak voelt. Het volgende citaat stamt uit het begin van zijn aankomst, wanneer al de nieuwe familieleden zich voor komen stellen en Jeroen alleen Hait, de vader vertrouwt: (blz. 35)
‘Ik probeerde de blikken van de meisjes te ontwijken en keek onzeker naar de vader. Ik voelde dat het een zachtaardige man was en dat hij mij nam zoals ik was, zonder plichtplegingen. Hij bewoog bedachtzaam en soms leek het alsof hij de lucht liefkozend streelde. Hij zat heel stil en keek me vriendelijk en geruststellend aan. ‘Als hij maar in de buurt blijft, dan is alles een stuk minder naar.’ Dacht ik.’
2.c De enige relatie waarbij we dus werkelijk van een verandering kunnen spreken is de laatste: die tussen de Friese familie en Jeroen. De reden van de veranderingen zijn vrij duidelijk: eerst moet hij heel erg aan de nieuwe mensen wennen, omdat ze dus nieuw zijn: hij wordt op 11- jarige leeftijd uit huis geplaatst, wat natuurlijk allemaal erg verwarrend voor zo’n jong kind werkt. De aanpassing aan de nieuwe familie is een meer dan normaal proces, hij moet gewoon even wennen. Ze raken steeds hechter, net alsof hij deel van de familie is. In het onderstaande stukje is de moeder van Jeroen teruggekomen uit Amsterdam om haar zoon weer op te komen halen. Een trotse mem praat over haar tijd met Jeroen: (blz. 210) ‘Het is vreselijk lief van u dat u er toch nog één bij hebt willen nemen.’ Zei mijn moeder zachtjes tegen mem. ‘Ach, dat is nu eenmaal onze plicht. God heeft het zo gewild. Het is niets om groots op te zijn, en voor ons maakt een meer of minder toch niet uit.’ Ik hor een mengeling van bescheidenheid en trots in haar stem en haar ogen krijgen de zachtheid die me altijd onthutst. ‘Jeroen is een goede jongen geweest. We hebben nooit last van hem gehad. Hij was als ons eigen kind.’
2.d Mijn mening over de relaties is over het algemeen niet heel radicaal: dat Jeroen zo’n lieve Friese familie heeft is goed voor hem en zijn ontwikkeling: hij heeft geluk gehad. De mensen daar behandelen hem uitzonderlijk goed en ik vind het logisch dat hij moeite heeft hen achter te laten na alles wat ze voor hem hebben gedaan. Zijn relatie met Jan vind ik niet abnormaal eerlijk gezegd. Ik kan me zelf niet voorstellen dat ik zo’n relatie had met bijvoorbeeld een van mijn vriendinnen, maar in zijn zoektocht naar zichzelf past het plaatje van een vriendje dat meer voor hem is dan gewoon een vriendje prima. Hij ontdekt door middel van Jan gevoelens die voor een jonge puber normaal zijn. De enige relatie die ik extreem ongezond en schrikbarend vind is de relatie die hij heeft met de soldaat Wolt. Wolt is in wezen een pedofiel en een verkrachter, niet meer en niet minder. Oké, het is oorlog en dan hebben mannen na lange tijd zonder vrouw te zijn verlangens naar seks, maar om je dan te vergrijpen aan zo’n jong kind is voor mij ondenkbaar. Hij wist heel goed waar ij mee bezig was en dat het fout was; het had nooit mogen gebeuren. Het grote probleem is ook, dat Jeroen dus niet weet waar ij mee bezig is. Het is nog een puur kind dat denkt dat wat ij en Wolt doen iets moois is: hij is uitverkoren en speciaal en iemand houdt echt van hem. Het valt me op dat ook al is Jeroen nog maar elf jaar, hij in dat opzicht echt onwetend en dommig is: hij heeft absoluut geen enkel idee dat hij wordt misbruikt. Die hele situatie wekt bij mij een gevoel van woede en tragiek op, ik heb medelijden met de pure Jeroen.
3.a Het boek is geschreven vanuit de ik -vorm. Dus vanuit Jeroen maak je alles mee, en hij is de gene die beschrijft wat hij allemaal ziet en doet.
3.b Het perspectief wisselt gedurende het boek niet; het blijft bij Jeroen.
3.c Het perspectief wisselt niet, dus deze vraag is niet te beantwoorden.
4.a Het verhaal begint in het najaar van 1944 en eindigt 35 jaar na de bevrijding in 1980.
4.b Het tijdperk waarin het verhaal zich afspeelt is zeker van belang voor het verhaal. Omdat de Tweede Wereld Oorlog bezig is moet Jeroen naar Friesland, aangezien Amsterdam niet veilig voor hem meer is. Als dit nooit was gebeurd was hij Wolt nooit tegengekomen en zou het verhaal geen verhaal meer zijn. Alle belangrijke gebeurtenissen hebben wel op een of andere manier met de oorlog en dus met de tijd te maken.
4.c Het verhaal is geheel chronologisch verteld: het begint bij het begin wanneer Jeroen door zijn vader in een vrachtwagen richting Friesland wordt gezet, waarna hij langzaam groeit, wordt bevrijdt ongeveer een jaartje na aankomst, zijn belevenissen met Wolt meemaakt en daarna op het einde terug naar huis gaat en in Amsterdam verder opgroeit. Dan wordt aan het einde van het boek wel een sprong gemaakt in de toekomst, wanneer Jeroen volwassen is en precies 35 jaar na de bevrijding terugblikt op zijn kindertijd in Friesland en nadenkt over zijn vriend Wolt die hij nog steeds romantiseert en niets kwalijk neemt.
5.a Het verhaal speelt zich op twee plekken af: onze hoofdstad Amsterdam en een in een klein gehucht in Friesland, Laaxum genaamd. Jeroen spendeert het laatste jaar van de oorlog bij de vissersfamilie aan de zee. Daarna keert hij terug naar Amsterdam om daar de rest van zijn jeugd door te brengen. Het is niet duidelijk waar hij woont als hij volwassen is, maar dat is niet van belang.
5.b Op zich is het niet van heel groot belang voor het verhaal dat het nu juist Friesland is waar het zich afspeelt, waar het om gaat is dat Jeroen in een onbekende omgeving wordt geplaatst met rare mensen, gewoontes, eten, een andere taal en andere waarden en normen. Of dit nu Friesland of Limburg is maakt verder niet zo heel veel uit.
6. De groei naar volwassenheid en de ontdekking van jezelf overkomt iedereen.
7. Hieronder staan de drie motieven in het boek ‘Voor een verloren soldaat’ met daarachter het verband tussen motief en thema en met een citaat bijgevoegd om het motief duidelijker aan te geven:
· Homoseksualiteit is het eerste motief dat duidelijk met het thema te maken heeft. De ontdekking dat je voorkeur uit gaat naar mannen en niet naar vrouwen is als elf jarige niet makkelijk, maar past wel in het ‘jezelf ontdekken’ waar we allemaal mee te maken krijgen of hebben gekregen. Jeroen denkt nergens in het boek duidelijk ‘goh, ik ben homo’ maar bedenkt zich wel dat wat hij doet eigenlijk tussen een man en vrouw gebeurt, en dat verwondert hem. Zijn eerste homoseksuele gevoelens heeft hij voor zijn overbuurjongen Jan en hij ingewijd in de seksualiteit door een man(Wolt). Toch vindt hij het niet raar dat hij houdt van een man, en dat een man van hem kan houden. Hij denkt over Wolt in het volgende citaat: (blz. 158) ‘Iemand zoenen betekent dat je van hem houdt: Wolt had me stijf in zijn armen gehouden alsof hij me plat wilde drukken. Waarom deed hij dat, hij kende me niet eens… Ik knijp mijn ogen dicht en probeer te slapen. Niet aan ‘dat’ denken… Is het slecht als iemand een stijve heeft? Diet zegt dat het een zonde is om over die dingen te praten, maar als het een Amerikaan is kan het toch geen zonde zijn, want die doen toch alleen maar goede dingen?’
· Het tweede motief is de groei naar volwassenheid, wat overduidelijk is verbonden met het thema. Sterker nog, het ís een groot deel van het thema. Het is namelijk zo dat Jeroen als adolescent naar volwassenheid groeit gedurende het boek, en dat is ook het thema: Dat we hoe dan ook volwassen zullen en moeten worden. Hieronder staat en stukje waarin Jeroen al iets ouder blijkt als hij weer in Amsterdam is: (blz. 230) ‘De douche doet het nog niet,’ zegt mijn moeder, ‘zal ik je in de keuken wassen?’ Hoe moet ik haar zeggen dat ik het wel alleen kan? En ik zeg vluchtig: ‘in Friesland moesten we onszelf altijd wassen.’ Ze zet een teiltje in de keuken klaar en mengt een ketel met kokend water met water uit de kraan. ‘Ga maar’ zeg ik, ‘en doe de deur maar dicht.’ Verbaasd herinnerde ik me hoe ze me, voordat ik wegging, iedere zaterdagavond afsopte terwijl ik huiverig bij het teiltje stond. ‘Hier is schoon ondergoed, ik zal niet kijken, wees maar niet bang,’ zegt ze plagend en haar arm legt wat kleren op de rand van het aanrecht.
· De eenzaamheid die Jeroen ondervindt, zo alleen in Friesland is voor mij het derde en laatste motief. Hij wordt zomaar in een geheel nieuwe en vreemde wereld geworpen en daarbij is hij ook altijd al ‘anders’ geweest: al deze dingen plaatsen Jeroen meer en meer in een isolement. Ondanks zijn verwoedde pogingen erbij te horen blijft hij een buitenstaander, dromer, nieuweling, excentriekeling, gewoonweg anders. Het motief staat zo in verband met het thema: Hoe dan ook, ‘no matter what’, of je nu alleen bent, in een rare omgeving of niet, in de war of geheel gefocust, je zult je toch ontpoppen tot de persoon die je behoort te zijn. Ik heb het volgende stukje gekozen uit het begin van het boek, wanneer Jeroen nog maar een dag bij de vissersfamilie is en zich behoorlijk ellendig voelt: (blz. 43) ‘Ik was mijn gezicht boven de kom, ik boen wanhopig, maar de tranen van vernedering blijven komen. Om de een of andere reden hoef ik die dag niet naar school, de vrouw is zo ontstemd dat ze me geen blik waardig keurt en Jantsje en Meint alleen naar school laat gaan. Zwijgend ruimt ze de kamer op. Ik mis de vader, maar die is zeker al heel vroeg naar zee gegaan.’
8. Op het taalgebruik is eigenlijk weinig aan te merken: het is niet bepaald humoristisch, juist realistisch en ‘gewoon’, niet overdreven netjes of kinderlijk. Een klein stukje ter verduidelijking: (blz. 23) ‘We schrikken wakker omdat de achterklep openslaat en een paar koffers met een klap naar buiten vallen, je hoort ze slierten over het wegdek.’
9. Ik denk dat dit boek behoort tot de stroming van de ‘Romantiek’. Kenmerken van deze stroming zijn namelijk verbeeldingskracht en individualisme, twee kenmerken die in ‘voor een verloren soldaat’ wel heel sterk naar voren komen. Vandaar dat ik het boek prima in de stroming ‘romantiek’ passen.
REACTIES
1 seconde geleden