Vanwege een tere huid door Anton Koolhaas

Beoordeling 6
Foto van een scholier
  • Boekverslag door een scholier
  • 5e klas vwo | 4540 woorden
  • 5 maart 2007
  • 8 keer beoordeeld
  • Cijfer 6
  • 8 keer beoordeeld

Eerste uitgave
1973
Pagina's
186
Geschikt voor
bovenbouw havo/vwo
Punten
2 uit 5
Oorspronkelijke taal
Nederlands
Literaire thema's

Boekcover Vanwege een tere huid
Shadow
Vanwege een tere huid door Anton Koolhaas
Shadow
ADVERTENTIE
Studententijd zomerspecial

Heb jij de Zomerspecial van Studententijd de podcast al geluisterd? Joes, Steie, Dienke en Pleun nemen je mee in hun zomer vol festivals, vakanties en liefde. En kijken ook alvast vooruit naar de introductietijd van het nieuwe collegejaar. Luister lekker mee vanaf je strandbedje, de camping of onderweg. 

Luister nu!
Titel: Vanwege een tere huid
Schrijver: Anton Koolhaas
Uitgever: Uitgeverij G.A. van Oorschot te Amsterdam
Eerste druk: 1973

Analyse:

Titelverklaring:
De titel “Vanwege een tere huid” slaat op het feit dat sommige personen in het boek (te) veel door anderen worden beschermd. De personen hebben een dunne tere huid en daarom worden ze beschermd.

Samenvatting:
Jokke is een jongen van ongeveer 12 jaar. Hij wordt verliefd op een meisje dat hij altijd ziet als hij langs haar huis fietst. Het meisje heet Takkie en is de dochter van Cor en zijn tweede vrouw Annepiet. Annepiets vader ging vaak op zakenreis en nam een keer twee hoedna’s (een soort bevers) voor Annepiet mee uit Afrika. Haar vader besloot op het laatste moment ze niet aan Annepiet te geven, omdat de twee te scherpe nagels hadden, voor de te tere huid van Annepiet. Hij liet ze los bij een rivier wat langs hun huis liep.
Annepiet en Cor gaan elke vakantie naar het huis toe van Annepiets ouders. Takkie vraagt of Jokke een keer langskomt. Jokke gaat met een kano naar Takkie. Hij slaat om en raakt al zijn spullen kwijt, hij wordt zo moe van het zoeken dat hij lopend verder gaat.

De hoedna’s herinneren zich maar kleine beetjes van hun verleden. Soms speelt hun instinct op, zo ook wanneer Jokke langsloopt. Door de roze huid lijkt hij op een pelikaan die vis van de hoedna’s zou willen jatten. Lussel, de mannetjes hoedna gaat op zijn instinct af en bijt de halsslagader van Jokke door, daarna graaft hij Jokke helemaal uit. Twenna, het vrouwtje ziet dit allemaal aan, terwijl Takkie tevergeefs wacht op Jokke.

Schrijversinformatie:
Anton Koolhaas werd geboren in 1912 in Utrecht. Na de HBS studeerde hij enige tijd aan de Universiteit in Utrecht. Na zijn studietijd werkte hij als journalist. Van 1935 tot 1945 was hij redacteur buitenland bij de ‘Nieuwe Rotterdamsche Courant’. In 1940 trouwde hij met Lind Roodenburg. Van 1952 tot 1955 werkte hij in Jakarta voor de ‘Stichting Culturele Samenwerking’. Na zijn terugkeer in Nederland werd hij adviseur bij ‘Vrij Nederland’. In 1956 verscheen in boekvorm ‘Poging tot instinct’, waarbij het dieren gebruikte om de ondeugden en sociale misstanden in de mensenwereld weer te geven. Koolhaas was ook actief als scenarioschrijver, hij schreef ‘Bij de beesten af’ en ‘De nagel achter het behang’ (1973). Andere werken zijn bijvoorbeeld: ‘Vergeet niet de leeuwen te aaien’ (1957), ‘Een schot in de lucht’ (1962), ‘Niet doen, Sneeuwwitje’ (1966), ‘Noach’ (1970), ‘Vanwege een tere huid’ (1973), ‘De laatste Goendroen’ (1977), ‘Nieuwe maan’ (1978) en ‘Raadpleeg de meerval’ (1980).

Thema:
Het thema is liefde. In het boek zijn verschillende soorten liefdes. Allereerst is er de liefde tussen Takkie en Jokke. Ze zijn verliefd op elkaar, ook al zijn ze nog heel jong. Daarnaast is er de liefde tussen Lussel en Twenna. Deze liefde is er omdat ze met elkaar samenleven, ze weten niet anders. Ze kennen ook niemand anders. Deze ‘liefde’ is zo gegroeid. Er is ook nog de liefde voor het verleden van Lussel, hij wil namelijk graag weten waar hij vandaan komt, en waarom hij tunnels maakt. Hij filosofeert graag.
Er is ook nog een andere liefde, de vaderliefde. Annepiets vader, en de opa van Takkie, was erg bezorgd over zijn jongste dochter. Hij vertroetelde haar en nam altijd cadeautjes voor haar mee. Zo ook de hoedna’s, die hij maar weer losliet omdat hij bang was, dat ze haar pijn zouden doen.


De idee:
De idee zou kunnen zijn dat je wel voorzichtig kunt zijn, maar ook te voorzichtig. Te is nooit goed. Want als Takkies opa niet zo voorzichtig was geweest en de hoedna’s aan Annepiet had gegeven, dan zaten ze niet bij de rivier. En was Jokke niet door Lussel doorboord. En had Takkie Jokke weergezien. De voorzichtigheid van vroeger, heeft uitwerkingen op de toekomst. Dus doe nooit ‘te’ voorzichtig. “Hij had zich daarna meteen op zijn eigen kamer teruggetrokken en de kist met de kleine hoedna’s nog eens opengemaakt om ze wat vis te geven. Toen zag hij ineens hoe ontzettend gespierd de achterpoten waren, Echte werktuigen als hefbomen. Ze droegen aan het einde van de – bij deze nog zéér jonge dieren – nog roze voetjes, remarkabel stevige lange nagels. En zojuist, toen hij zich over Annepiet gebogen had en ze een slaperig ‘dag pappie, ben je bij me terug?’ had gezegd, was er nog een traan uit zijn oog op haar wang gevallen, toen hij weer eens goed zag hoe ontzetten teer haar huid was. Dat ik daar niet eerder opgelet heb, dacht hij, hoe gevaarlijk die dieren voor Annepiet zullen zijn.” (blz. 39) Hieruit blijkt dat Takkies opa erg voorzichtig was, met zijn dochtertje.

Personen:
Ik vind het moeilijk om één hoofdpersoon aan te wijzen. Want in dit boek zijn het er eigenlijk twee, Takkie en Jokke. Maar omdat er veel meer over Takkies achtergrond wordt verteld, kies ik voor Takkie.
Takkie is een meisje van ongeveer 12 jaar oud. Ze is het nakomertje van de familie. Haar vader heeft nog twee kinderen, maar die zijn het huis al uit. Haar moeder, Annepiet was vroeger erg verwend opgevoed en daarom wordt Takkie ook wel verwend opgevoed. Ze is erg gevoelig, vooral als haar ouders weer eens een slok teveel ophebben. In het begin van het verhaal zit ze telkens voor het raam, als Jokke langsfietst. Ze is erg ondernemend, dat zie je doordat zij de eerste stap zet met de fiets op de straat gaat staan om Jokke echt te ontmoeten.
Jokke is ook ongeveer 12 jaar oud, zijn vader is leraar van de school waar hij ook opzit. Hij is een beetje bang voor de reacties van zijn vader en durft daarom niets te zeggen over zijn ontmoetingen met Takkie. Hij heeft heel veel fantasie en fantaseert over Takkie als hij haar nog nooit gesproken heeft. Jokke is soms ook wel een beetje een bangerik.
Cor is de vader van Takkie en is arts, maar wordt onder andere door de vader van Jokke verdacht van ‘vreemde’ praktijken. Uit zijn eerste huwelijk heeft hij twee kinderen, die hij niet echt vaak ziet. Cor grijpt vaak naar ‘de fles’ samen met zijn vrouw Annepiet.
Annepiet is de moeder van Takkie en komt uit een zeer rijke familie. Ze is door haar vader erg voorzichtig op gevoed. Er moest bijvoorbeeld altijd een kaarsje naast haar bed branden om te zien of er tocht was in de kamer waar zij sliep. Ook Annepiet grijpt vaak naar ‘de fles’ om haar leven te verlichten.
Dan heb je ook nog Twenna en Lussel de twee hoedna’s in het verhaal. Ze worden geschetst als twee Afrikaanse beverachtige dieren. Ze zijn op zeer jonge leeftijd uit hun natuurlijke leefomgeving gehaald. En weten niet waar ze vandaan komen. Ze graven gangen, maken dijken, vangen vis, maar weten niet waarom ze het doen. Vooral Lussel wil graag weten waarom hij doet zoals hij doet. Hieronder lees je een gedachtegang van Lussel: “Maar als Lussel bij dat: ‘ het dooft een angst misschien’ was, probeerde hij wel eens verder te denken en werd hij soms zelfs bang, hoewel er zich op het moment zelf niets onrustbarends voordeed. Dat is natuurlijk niet zò maar iets: bang worden terwijl er niets te zien is waar je bang voor hoeft te zijn. Het zou nog meer één stap zijn voor Lussel, om te weten dat hij bang kon zijn voor iets van vroeger, of voor iets dat hij niet kon zien en voor wàt dan wel; maar die stap was er één te ver.” (blz. 21)

Opbouw:
Het verhaal wordt chronologisch verteld, met terugblikken naar de tijd dat Annepiet nog een kind was en de hoedna’s werden gevangen. Er lopen twee verhaallijnen door elkaar. De eerste is van Takkie en Jokke en hoe zij elkaar ontmoeten, zien en hoe zij over elkaar denken. Het tweede verhaal is over Lussel en Twenna. In deze lijn wordt vertelt hoe zij denken en wat ze de hele dag doen. En over hoe ze het leven proberen te snappen. De verhaallijnen kruisen elkaar als Jokke door Lussel wordt vermoord. Dan begrijp je ook waarom er toch telkens terug wordt gegaan naar de hoedna’s.
Het boek bestaat uit meerder hoofdstukken, maar ze hebben geen titels. Alleen het laatste hoofdstuk heet ‘De reiniging’. Daarin wordt verteld dat het huis is gebombardeerd in de oorlog, dat de hoedna’s weg zijn, dat Jokke nooit is teruggevonden en dat er nu een nieuwbouwwijk staat op de plaats waar de hoedna’s leefden.

Spanning:
Ik vond niet echt dat het boek een echte spanning in zich had, desondanks wilde ik het wel verder lezen. Ik wilde wel weten hoe het zou aflopen tussen Takkie en Jokke. En ik wilde ook wel weten wat er toch met Lussel en Twenna aan de hand was, waarom Koolhaas steeds weer naar hen terugging. Toen Jokke door Lussel werd vermoord, toen begreep ik waarom dat zo was.
Door het laatste hoofdstuk komen er veel vragen bij je op, want daarin worden allerlei vragen en beweringen gedaan, waarvan wordt gezegd dat het zo zou kunnen zijn gegaan. En eigenlijk wil ik nu wel weten hoe het dan echt is gegaan. “De rivier is zwart en stroomt ook zwart en de bodem is nog zwarter dan grond diep onder een graf. Herinnering ligt diep onder de doden begraven wegens de doden, in hen begraven. Jokke, wit in een roze zwembroek. De pelikaan wit en roze, begraven in de herinnering van Lussel, Lussel begraven in Jokke, Jokke begraven in wie niet? In Takkie in ieder geval. Maar ook zij in wie niet?” (blz. 172) Door allerlei van die vragen, wil je de echte waarheid wel weten, en dat is de spanning.

Tijd:
Het verhaal van Takkie en Jokke wordt chronologisch verteld. In het verhaal zitten korte flashbacks, zoals bijvoorbeeld wat Takkie dacht en deed terwijl Jokke doodging. Dat kun je niet tegelijkertijd zeggen. Het verhaal van Lussel en Twenna loopt ook chronologisch. Met terugblikken hoe ze zijn gevangengenomen en hoe ze zijn losgelaten. Dit is om te laten zien waarom de hoedna’s daar zijn en hoe ze daar zijn gekomen.
De tijd waarin het boek is geschreven is al weer wat jaartjes geleden, daarom zijn sommige dingen, voor mij, wat ouderwets. Bijvoorbeeld: “Zijn je vader en moeder thuis?’ vroeg hij toen. Een idioter vraag was nauwelijks denkbaar, voelde hij wel. ‘Mijn vader wel, maar mijn moeder niet’. Een zinnetje om op te krijgen om in het Duits te vertalen. ‘Der Vater schon, aber die Mutter nicht’. Goed zo. Intussen wel vreemd dat haar vader thuis was, midden op de middag… En welbeschouwd nog eigenaardiger dat die moeder er dan niet ook was.” (Blz. 23/24) Waarom moet je moeder altijd thuis zijn ’s middags? En waarom kan je vader niet thuis zijn? Dit vind ik een beetje ouderwets.

Ruimte:
Het verhaal van Jokke en Takkie speelt zich in een dorp of klein plaatsje af. Takkie woont vlak bij de school waar Jokkes vader werkt en Jokke naar toe gaat. Het grote huis waar Takkie haar vakanties doorbrengt “ligt aan een rivier bij het dorpje P.” (Blz. 13) Het huis heeft een grote tuin en daarnaast is een reepje grond met een rivier. Bij die rivier leven Lussel en Twenna. De hoedna’s kunnen alleen leven als ze door middel van eb en vloed vis vangen. Dus de rivier moet vlak bij een zee liggen.
Verder wordt er niet echt ingegaan op de ruimte waar het zich afspeelt.

Perspectief:
Het is geschreven in de hij/zij perspectief. Er is niet echt een verteller aanwezig, je zweeft er boven en ziet alles wat de personen doen. Je leest wat de gevoelens van bijvoorbeeld Takkie zijn. “ Die langs haar neus lopen, geven een zoute smaak in haar open mond. Ze wil dat ze bitter voelen in haar keel. Ze wil dat Jokke ook schreit. Zonder te weten waarom. Behalve misschien omdat ze niet bij elkaar zijn. Hij zal ook vast en zeker nu willen sterven. Haar tranen vloeien nog onstuimiger; ze springen tevoorschijn. Er is al best iets ontwaakst in haar lichaam. Best.” (Blz. 91) Je leest niet echt de gedachten, maar meer wat ze doen en daaruit kun je hun gedachten opmaken. Of de vragen die ze bij zichzelf stellen.

Stijl:
Het verhaal is een beetje ouderwets geschreven. Er zijn woorden als ‘ontwaakts’ en ‘remarkabel’ waar ik niet precies weet wat ze betekenen en de spellingscontrole van de computer rekent ze ook fout. En dat terwijl ik ze precies zo van het boek heb overgeschreven. Sommige zinnen lijken mij ook onlogisch, zoals bij perspectief, de laatste schuin gedrukte zin. Of de laatste schuin gedrukte zin bij tijd. “Dat de enige twee op de wereld elkaar vinden, samen een spel spelen, ermee ophouden, of op zijn hoogst het nog proberen na te spelen, ook al zijn ze terug waar ze horen, is het sterven dat Takkie en Jokke bespaard bleef. En de lege ogen ervan, die elkaar beloeren, even arm aan vragen als aan verwachting; zodat geen antwoord meer vragen doodt.” (Blz. 175) Het is best wel lastig lezen, want de zinnen zijn best wel lang en dat maakt het best wel lastig te lezen.

Het oordeel van de criticus:

Structurele argumenten:
Het verhaal staat opzich zelf. Doordat alles samenhangt met elkaar, is het boek best wel goed. Het verhaal is een beetje vreemd en doordat de stijl ook een beetje vreemd is, wordt het verhaal nog vreemder. Met het verhaal bedoel ik dan niet de ‘buitenkant’ maar het verhaal zelf, de ‘binnenkant’. Datgene waar het verhaal over gaat. Het is niet vervelend dat je van de Jokke, naar Takkie, naar de hoedna’s gaat, want dat wordt wel duidelijk aangegeven, door een witregel of een nieuw hoofdstuk. Ook is het wel ‘mooi’ dat je pas later in het verhaal er precies achterkomt, hoe de hoedna’s er terecht zijn gekomen. Dat geeft een gedoseerde spanning.

Realistische argumenten:
Het verhaal vind ik niet echt realistisch. Want die hoedna’s bestaan niet, of tenminste ik heb er nooit van gehoord. Maar doordat de hoedna’s als een soort bevers worden beschreven, kun je, je er wel een voorstelling van maken.
Ook vind ik het niet realistisch dat Lussel, als dier kan nadenken, over dat hij hier niet thuishoort. “Lussel en Twenna kenden ook iets van die spelletjes. Alleen op zonnige dagen, of in ieder geval in de zon en als ze eindelijk eens konden hopen lekker warm te worden. En toch geloofden ze dat ze hier thuishoorden, terwijl vooral Lussel heel diep in zijn kop, maar zo diep dat hij er met zijn gedachten niet aan kon raken, wel eens meende dat ze hier verkeerd zaten.” (Blz. 76/76)
Ik vind wel dat het verhaal tussen Takkie en Jokke realistisch is, alleen vraag ik me af, of je als zo jong weet wat verliefdheid is. Het zou realistischer zijn geweest als Takkie en Jokke wat ouder zouden zijn geweest.

Vernieuwingsargumenten:
Ik heb niet veel boeken gelezen waar dieren een belangrijke rol spelen in het boek. Of überhaupt een rol spelen. Behalve dan in sprookjes en fabels. Maar die tel ik dan even niet mee. Dit boek probeert dieren en mensen samen te voegen, of zoals het op de achterkant van het boek staat: “Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van een surreële sfeer, waarin Koolhaas als in veel van zijn boeken, mensen en dieren onnavolgbaar tot een in leven en sterven samenvloeiend geheel weet te binden.” Doordat de hoedna’s een paar menselijke trekjes hebben, komen ze veel meer over als een mens, in plaats van een dier. Dit heb ik nog niet vaak in boeken gelezen. En dat vind ik er nieuw aan. Misschien zijn er wel meer boeken waarin een dier een rol speelt, maar die heb ik (nog) nooit gelezen.

Emotionele argumenten:
Ik heb medelijden met Takkie, Jokke en ook wel met Lussel en Twenna.
Ik vind het zielig voor Takkie, dat ze uit een gezin komt, waar de ouders wel van een borrel houden. En dat haar moeder zo voorzichtig met haar is, net als haar opa voor Annepiet. Het lijkt me vreselijk als je ouders zo voorzichtig met je zijn, dat je niets mag. Ook vind ik het zielig voor haar dat ze Jokke op een zielige manier niet meer ziet. Ze zal nooit weten waarom hij niet bij haar is gekomen.
Bij Jokke heb ik medelijden omdat hij over zijn oren verliefd is en probeert bij Takkie te komen. Maar omdat hij voor pelikaan wordt aan gezien, hij daar nooit zal komen.
Voor Lussel en Twenna heb ik medelijden omdat ze uit hun geboortestreek zijn gehaald en nu in een koud land moeten overleven. Ze weten niet waar ze vandaan komen, maar merken of weten wel dat ze hier niet thuis horen. Maar waar dan wel, dat weten ze niet. (Zie ook bij realistische argumenten.)

Stilistische argumenten:
De stijl is niet mijn smaak, het word mij soms een beetje te ingewikkeld. Helemaal omdat er soms woorden in staan, waar ik nog nooit van heb gehoord, (zie ook de stijl.) Wat me wel aanspreekt van de stijl is dat de personen zich zelf vragen gaan stellen, of ze het wel goed doen. Jokke en Takkie doen dat als ze in bed liggen en aan de ander liggen te denken.
Ik zou meer boeken moeten lezen om een preciezer beeld van de stijl van Koolhaas te krijgen. Misschien verschilt het wel per boek of is het allemaal gelijk.

Eigen mening:

Toen ik in het boek begon, dacht ik dat het boek mij wel zou aanspreken. Maar dat bleek ik mis te hebben. Want hoe verder ik in het boek kwam hoe minder ik het begon te vinden. Het sprak me niet aan. Allereerst vond ik het verhaal niet echt een leuk verhaal. Dat kwam onder andere doordat de hoedna’s erin voorkwamen. Daar moet je veel fantasie voor hebben, om die te zien zoals ze worden neergezet. Daarnaast vond ik de gesprekken tussen Takkies ouders erg raar. De meeste gesprekken tussen hen, gaat over dat ze ‘moeten’ drinken. “We raken achter, man’, gilde Annepiet. ‘Tempo dan maar’, Cor huilde van het lachen en schonk de twee glazen vol. ‘Als ze niet slaapt, zulen we het haar nu nog zeggen’, riep Anniepiet. ‘Wat??’, vroeg Cor. ‘Dat ze meer onder de mensen moet komen’. ‘Goed’, riep Cor. ‘Maar zij onder de mensen. De mensen niet hier’. (Blz. 96) Ik vind dit alleen maar bladopvulling, het heeft niet echt iets met het verhaal zelf te maken.

Het verhaal is niet mijn smaak. Ik heb liever boeken die ergens over gaan en waar gebeurd kunnen zijn. Dit boek is ongeloofwaardig. Dat is wel een keer leuk, als afwisseling. Maar als het waar gebeurd zou kunnen zijn, kan ik me veel beter inleven in het verhaal. Maar dat heb ik al vaker gezegd in eerdere verslagen.

Wat ik wel erg mooi vind aan het verhaal. Is eerst de scheiding tussen de verhalen en dat ze op het laatst samen komen. En dan bedoel ik de verhalen van de hoedna’s en Takkie en Jokke. Eerst zijn ze verschillend, ze hebben wel een link samen. De opa van Takkie die Lussel en Twenna heeft losgelaten. Maar verder hebben ze eerst niet iets gemeen. Pas als Jokke wordt aangevallen door Lussel vloeien ze samen en snap je waarom het eerst gescheiden was. En dat vind ik wel knap bedacht.

Het einde van het boek is aan de ene kant gesloten, vind ik. Het verhaal is afgelopen. Takkie zal Jokke niet meer terugzien. Er zal nooit meer iets groeien tussen die twee. Ze hebben veel aan de ander gedacht, maar zullen die gedachtes nooit delen. Aan de andere kant is het ook open, voor Takkie dan. Je weet niet of ze wel over haar verdriet heen gaat komen. En hoe haar ouders haar verder zullen behandelen. De ouders zeggen wel dat ze haar beter zullen gaan behandelen en haar meer vrijheid zullen geven, maar dat hebben ze met hun dronken kop gezegd en je weet niet of ze zich daar aan zullen houden. Ook weet je niet wat er met Lussel en Twenna gaat gebeuren. Door het laatste hoofdstuk weet je dat ze weg zijn uit de rivier waar ze eerst zaten, maar je weet niet waar ze nu naar toe zijn. En of ze nog leven, of dat ze dood zijn gegaan, of ze nakomelingen hebben gekregen enzovoorts. Het laatste hoofdstuk, de reiniging, riep bij mij veel vragen op. Het laatste hoofdstuk geeft vragen en mogelijke antwoorden, zoals wat er met Lussel en Twenna is gebeurd. Daardoor wordt het boek gesloten.

Ik vond soms de manier waarop het is geschreven, moeilijk te lezen. Sommige zinnen waren best wel lang of hadden moeilijke woorden in zich. De soms filosofische manier van schrijven, was voor mij erg lastig om te lezen. “Is het dus zo, dacht Lussel, dat we zojuist in die gang paarden, uit verbondenheid tegenover de onzekerheid die ons aan het eind van de gang wacht; is het dus zo, dat die gang altijd weer op regen uitkwam en dat ik hem daarom heb laten liggen en nieuwe gangen ben gaan graven? Hij was met die gedachte vlak bij de werkelijkheid en voor het eerst ver gevorderd met herinneren.” (Blz. 38) Vooral als Lussel aan het ‘woord’ was, werd erop los gefilosofeerd. Dat had van mij wel wat minder gemogen. Want ik vond het best wel verwarrend. Vooral omdat het een dier was, wat zo dacht en ik denk niet dat een dier zo kan denken. Men heeft dan wel een goed punt als ze zeggen dat Koolhaas veel dieren gebruikt om zich te uiten in boeken.

Samenvattend, vind ik het niet echt een heel leuk boek, ik heb wel eens leukere gelezen. Toch vond ik het leuk om een keer een boek te hebben gelezen van Koolhaas. Ik denk alleen niet, dat ik vaker een boek van hem ga lezen. Als al zijn boeken zo zijn, dan zeker niet. Voor mij moet er een kern van waarheid, of iets wat daarop lijkt hebben. En dat kon ik in dit verhaal niet vinden. Daarom vond ik het ook moeilijk om de essentie van het verhaal te vinden en te omschrijven. Want ik kon niet echt bedenken wat dat dan zou kunnen zijn.

Al met al is het een redelijk boek, maar ik was blij dat ik het uit had. Ik las het niet tegen m’n zin maar het boek had niet veel langer moeten zijn, tenzij er opeens een hele andere draai aan was gegeven, maar ik denk dat dan de bedoeling van Koolhaas naar de knoppen gaat.

Verwerkings- of verdiepingsopdracht van de docent:

Verplaatsen in de persoon van het boek: briefwisseling tussen hoofdpersoon en tegenspeler:

Lieve Jokke,

Je mag een brief nooit met ‘ik’ beginnen, althans, dat zei mijn vader altijd. Maar ik doe het toch.

Ik ben erg verdrietig, je hebt me teleurgesteld. Ik dacht dat het wederzijds was. En dat ik op je kon bouwen. Maar ik heb me vergist. Ik weet niet waarom je niet kwam, je zult er vast een goede reden voor hebben. Ik had mijn ouders net zo ver gekregen, of ze hadden eigenlijk zichzelf zo ver gekregen, dat ik iemand thuis mocht ontvangen. En dan kom je niet, waarom niet? Kon je het niet vinden? Was je verdwaald? Mocht je niet weg van je ouders? Je had toch wel iets van je kunnen laten horen? Ik ben namelijk best wel ongerust. Stel dat er iets ergs met je is gebeurd en dat je deze brief nooit zult krijgen.Wat moet ik dan? Heb je wel aan mij gedacht?

Mijn ouders hebben me getroost. En mijn vader zei: “In iedere vrouw is een meisje gestorven en in iedere man een jongetje.” (Blz. 163) Hij zegt dat het lot dit heeft gedaan, dat dit mijn lot was. Dat ik hierdoor ouder ben geworden. Maar ik wil helemaal niet ouder worden, ik wil jou zien. Ik wil met je praten over van alles. Ik wil weer een keer met je kanoën, lol maken. Maar ik weet je achternaam niet eens. Laat staan je adres of waar je bent met vakantie.

Mijn moeder had het laatst over hoedna’s. Dat mijn opa die voor had gekocht en dat hij ze niet durfde te geven omdat ze volgens hem een te tere huid had. Hij heeft ze los gelaten, waar dat wist ze niet. Dat is haar nooit verteld. Ik wil ze vinden, als ik je weer zie, wil je vast wel meehelpen ze te vinden. Want ik ben benieuwd hoe ze zijn. M’n moeder zegt dat ze gevaarlijk kunnen zijn en dat ik ze nooit mag aanraken, laat staan in de buurt komen. Maar ik wil ze toch vinden.

Op de envelop schrijf ik mijn adres, zodat je mij altijd kunt terugschrijven. Ook mijn telefoonnummer schrijf ik er bij, zodat je mij altijd kunt bellen, zelfs ‘s nachts.

Ik weet niet naar wie of wat ik dit moet sturen, maar ik hoop dat je het ooit toch krijgt en dat je mij dan iets terugstuurt, of een teken geeft. Je zult altijd mijn grote liefde blijven. Mijn eerste grootste liefde.

Ik houd van je.

Kusjes,
Takkie.

Liefste Takkie,

Je zult deze brief nooit lezen, omdat het geen echt brief is. Maar een gedachtespinsel van mij, Jokke. Ik ben er niet meer, en ik zal er ook nooit meer zijn. Ik ben namelijk gedood, door een beest. En ik denk dat het, het beest is, waar jij naar opzoek wil gaan. Doe dat niet, echt niet, het is een gevaarlijk beest.
Je brief is naar vele omwegen bij mijn ouders beland. Mijn moeder moest er van huilen, want ze dacht al wel, dat ik een leuk, lief meisje had ontmoet. Maar durfde het niet hardop te zeggen. Mijn ouders weten nooit wat er precies met mij is gebeurd. En ze zullen het nooit weten. Ze zullen nooit weten, wat er die dag precies is gebeurd. Evenmin zul jij dat weten, want ik kan het je niet vertellen.Ook al zou ik het je heel graag willen vertellen. Het kan nu eenmaal niet meer, daar baal ik best wel van.

Ik snap best dat je boos op me bent en dat ik je teleur heb gesteld. Er is die dag ook zoveel gebeurd. Ik kon het wel vinden, en ik was niet verdwaald. Het huis zie je al van verre. Daar kun je niet omheen. Maar ik sloeg om, ik raakte al mijn spullen kwijt, ik wilde ze opduiken, zoals jij had gezegd. Maar het wilde niet, het lukte niet. Daarna ben ik gaan lopen, ik wilde naar jou toe. En toen was opeens dat beest er en toen kon ik nooit meer bij jou zijn. En kon ik ook niets meer van me laten horen.

Wat je vader zei, klopt wel, dat in iedere vrouw een meisje sterft, als ze ouder wordt. En het geldt ook voor jongetjes. Al is het wat anders gegaan dan wat ik had gehoopt. Vergeet mij, ga door met je leven. Je zult me voorlopig niet weer zien, maar ooit, dan komen we elkaar weer tegen. Daar zal ik op blijven wachten.

Ooit dan zie ik je weer. Ik zal altijd van je blijven houden,

Je liefste,
Jokke.

REACTIES

Er zijn nog geen reacties op dit verslag. Wees de eerste!

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.

Andere verslagen van "Vanwege een tere huid door Anton Koolhaas"