Het is 'seksweek' op Scholieren.com. Samen met de Sense Infolijn geven we antwoord op al jouw seksvragen.

 


Alles over seks Alles over seks


B. Verhaalanalyse.

1. Titel.
De koele meren des doods staat voor de dood. Hedwig denkt hierin verlost te zijn uit haar lijden, de depressies en andere ellende. Haar laatste jaren zijn ook al een soort koele meren, omdat ze dan rustig leeft.

2. Motto.
Er is geen motto.

3. Genre.
Psychologische roman, met naturalistische opbouw.

4. Personages.
De hoofdpersoon is Hedwig Marga de Fontayne. Al van jongs af aan is ze vaak depressief en trekt ze zich terug in haarzelf. Ze heeft een fijngevoelig gestel, waardoor ze meer aan invloeden van buitenaf onderhevig is. Ze heeft een afkeer van het burgerlijke leventje en is liever in het buitenhuis van de familie dan in d grote stad. Hedwig staat in de belangstelling van de mannen, omdat ze een knappe vrouw is. Zelf heft ze het gevoel dat ze helemaal niet aantrekkelijk is en beantwoord de gevoelens van mannen voor haar niet. Pas als ze Gerard ontmoet, heeft ze een man gevonden met wie ze wil trouwen.
De man waar Hedwigs echte liefde naar uit gaat is de pianist Ritsaert/Ritsaart. Ze voelt zich bij hem helemaal op haar gemak. Hij trekt zich van de mensen niets aan, toch wil hij hun relatie geheim houden en voelt zich, in tegenstelling tot Hedwig prima thuis ineen grote stad als Londen. Joob, Ritsaarts vriend en zuster Paula (in het Parijse ziekenhuis waar Hedwig vanwege haar Morfineverslaving ligt) praten elk heel veel met Hedwig en geven haar weer moed. Joob benadrukt de zegenende werking van lijden. Zijn eigen pijn, vanwege zijn invaliditeit en Hedwigs geestelijke pijn. Volgens zuster Paula moet je streven naar volmaaktheid. Zij geeft Hedwig elke dag een spreuk om omver na te denken.


5. Ruimte.
Het verhaal speelt in de Hollandse stad waar Hedwig woont en het buitenhuis Merwestee, Engeland (Londen, kusthuisje) en de hoeve van de Harmsens. Haar omgeving end e natuur worden redelijk gedetailleerd omschreven.

6. Vertelsituatie.
Auctoriale vertelsituatie. Een ik-persoon vertelt de levensgeschiedenis van Hedwig.

7. Tijd.
- Er verloopt ongeveer 32 jaar.
- Het verhaal is chronologisch verteld.
- Er zijn flashbacks naar Hedwigs jeugd en een enkele vooruitwijzing.

8. Opbouw.
Het verhaal begint ab ovo, bij de jeugd van Hedwig, haar hele leven wordt beschreven. De climax ligt op het moment dat Hedwig krankzinnig met haar dode dochter naar Parijs vertrekt. Na deze gebeurtenis komt Hedwig in het ziekenhuis terecht en komt haar leven tot rust.

9. Thema en motieven,
Het thema is de levensgeschiedenis van een vrouw. Ook erotiek is een thema. Enkel motieven: verlangen naar de dood, religie en vroomheid

10. Bedoeling.
Critici schreven dat dit boek meer een psychologische analyse was van een persoon, maar het is wel bedoeld als roman. Van Eeden zei dat hij als kunstenaar een schoonheidsemotie teweeg wilde brengen.

11. Taal.
Het taalgebruik is niet modern, maar goed te doen. Op het laatst kwamen er wat franse gedeelten voor, dat waren de spreuken en gebeden van zuster Paula. Die heb ik meteen maar overgeslagen, omdat ik daar niks van begrijp. Verder is het boek goed te lezen.

C. Mening.
Ik vond dit boek wel mooi, maar het is er een van de velen. Er bestaan vrij veel boeken die een beetje over hetzelfde gaan: Die Leiden des Jungen Werther, Eline Vere, Effi Briest. Ik heb ze niet allemaal gelezen, maar ken het verhaal wel. Al de hoofdpersonen uit deze boeken zijn melancholisch en gaan op het einde dood. Hierdoor wordt het voorspelbaar hoe het boek zal aflopen, omdat je meteen al merkt dat de hoofdpersoon net zo’n karakter heeft als al die anderen. Ik vind dat er een beetje te veel van dit soort verhalen zijn, je weet gewoon wat er gaat komen. Hedwig is wel op een manier beschreven dat je met haar meeleeft en haar gevoelens kan begrijpen, maar ik kan met niet voorstellen dat je zo kan “lijden” en naar de dood kan verlangen. Ik vind dit soort gedrag wat overdreven. Na een paar boeken heb ik zoiets van: nu weet ik hier wel genoeg van. Ik zal uit me zelf denk ik, minder gauw nòg zo’n boek gaan lezen.

D. Informatie over de schrijver.
Van Eeden behoort tot de generatie van de Tachtig, maar hij is geen naturalist. Hij is van mening dat de mens door het nastreven van religieuze en sociale idealen kaan ontworstelen aan zijn noodlot. Van Eeden was zelf arts en psychiater.

Frederik Willem van Eeden, (Haarlem 3 april 1860 – Bussum 16 juni 1932), Nederlands schrijver, zoon van de gelijknamige plantkundige, studeerde medicijnen te Amsterdam, promoveerde aldaar in 1886 (Kunstmatige voeding bij tuberculose), bestudeerde in Parijs de psychiatrie, vestigde zich als arts te Bussum en stichtte samen met A.W. van Renterghem een psychotherapeutische kliniek te Amsterdam (1887). In zijn studententijd kwam hij in aanraking met Willem Kloos, Frank van der Goes, Lodewijk van Deyssel, Albert Verwey e.a. en schreef hij verscheidene gedichten en enkele blijspelen. Hij was een der oprichters van Flanor, een letterkundig genootschap waaruit De Nieuwe Gids is voortgekomen (1885). In de eerste drie afleveringen van dit tijdschrift publiceerde hij De kleine Johannes, een symbolisch sprookje dat in boekvorm (1887) grote opgang heeft gemaakt. Het wordt gekenmerkt door een sterke natuurliefde, eenvoud en frisheid; deze eigenschappen moeten de beide vervolgdelen (1905–1906) ontberen, met hun nadrukkelijke strekking en geforceerde allegorie. In de vroege Nieuwe Gids-tijd schreef Van Eeden ook een bundel vermakelijke parodieën op de gangbare huiselijke en stichtelijke dichtkunst: Grassprietjes (1885), onder het pseudoniem Cornelis Paradijs. Mede door de opmerkelijke studies en essays die hij in De Nieuwe Gids publiceerde (o.a. over Gorters Verzen en over Van Gogh), deed Van Eeden zich kennen als een veelzijdig auteur, ongelijkmatig en onevenwichtig, maar boeiend en dikwijls verrassend. Zijn veel retorischer boek Johannes Viator (1892) was aanleiding tot een onder het pseudoniem Lieven Nijland ingezonden zelfkritiek: een mystificatie die een breuk met Kloos tot gevolg had. Tot zijn belangrijkste werken behoort het diepzinnige en tegelijk ironische drama De broeders (1894; later o.d.t. De broederveete) en de psychologische roman Van de koele meren des doods (1900; toneelbewerking 1976; verfilming 1982).
In 1898 stichtte Van Eeden te Bussum de productiecoöperatie Walden, genoemd naar Walden, or life in the woods (1854) van Henry David Thoreau. In een geruchtmakende lezing Waarvan leven wij? (1898) formuleerde hij zijn kritiek op de kapitalistische maatschappij en zijn streven naar een ethisch-communistische gemeenschap. Na de grote spoorwegstaking in 1903 richtte hij de spaarkas De Eendracht op. Door interne spanningen, maar vooral door financiële moeilijkheden met De Eendracht, ging Walden in 1907 te gronde. Het jaar daarop reisde Van Eeden naar de Verenigde Staten om daar zijn denkbeelden en kolonisatieplannen te propageren; allengs echter achtte hij zelf deze methode minder geschikt. Hij zocht een weg in de significa (de leer van de psychische associaties die aan het taalgebruik ten grondslag liggen), tezamen met mannen als Luitzen Egbertus Jan Brouwer, Gerrit Mannoury en Jacob Israël de Haan. Gekant tegen de sociaal-democratische partijvorming en de vakbeweging, verwachtte hij de maatschappelijke ommekeer van geniale leiders, ‘koninklijken van geest’, van wie hij er zelf één zou zijn. Kort voor de Eerste Wereldoorlog kwam zo'n kring, waartoe figuren als Martin Buber en Walther Rathenau hebben behoord, in Berlijn bijeen. Door de politieke gebeurtenissen daarna, maar evenzeer door persoonlijke omstandigheden, raakte de oudere Van Eeden gedesillusioneerd, omdat hij zich miskend voelde als auteur en als hervormer. In 1922 hoopte hij voor zijn rusteloos zoekende geest vrede te vinden in de Rooms-Katholieke Kerk. De laatste jaren van zijn leven kregen door psychische ziekteverschijnselen, die hij zelf als vakman in heldere uren ten volle doorzag, een tragische inslag. Op historische afstand beschouwd, blijft Van Eeden tot de belangrijkste en meest begaafde auteurs van zijn generatie behoren.
WERK: (o.a.): Frans Hals (1884; toneel); Het sonnet (1884; toneel); Het poortje of de duivel in Kruimelberg (1884; toneel); Don Torribio (1890); Studies (6 dln., 1890–1918); Ellen (1891; poëzie); Het lied van schijn en weezen, I (1895); Lioba (1897; toneel); Enkele verzen (1898); Van de passielooze lelie (1901; poëzie); Minnestral (1907; toneel); IJsbrand (1908; toneel); Dante en Beatrice (1908; poëzie); De nachtbruid (1909; roman); Het lied van schijn en weezen, II (1910); Welt-Eroberung durch Heldenliebe (1911); Happy humanity (1912); Paul's ontwaken (1913); De heks van Haarlem (1915; toneel); Jezus’ leer en verborgen leeven (1919); Het Godshuis in de lichtstad (1921); Het lied van schijn en weezen, III (1922); Aan mijn engelbewaarder en andere gedichten (1922); Langs den weg (1925; essays); Mijn dagboek, I-IV (1931), V-VI (1933), VII-VIII (1934), IX (1945).

E. Bronvermelding.

-Prisma uittrekselboek
-Encarta 99 encyclopedie op CD-rom.

REACTIES

Log in om een reactie te plaatsen of maak een profiel aan.